← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100204.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100204.11 Rolnummer: 2008/AR/2822 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-04-26 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 21:20 Fiche Om iets door verjaring te verkrijgen, is een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit als eigenaar vereist (art. 2229 B.W.). Het bewijs van het al dan niet dubbelzinnig bezit is een feitenkwestie, te bewijzen door alle middelen van recht. De bewijslast betreffende een gebrekkig bezit ligt aan de kant van diegene die zich op het gebrek beroept. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfpacht Vrije woorden: Erfpacht - Verkrijgende verjaring. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 04 februari 2010 - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/2822 van: W........ P......, gepensioneerd, wonende te ........................, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 15-9-2008, oorspronkelijk eiser op hoofdvordering en verweerder op tegenvordering, hebbende als raadsman mr. DE POOTER Wim, advocaat te 9700 Oudenaarde, Kleine Markt 41 tegen : D..... B........ A.............., aannemer, geboren te .................... en wonende te ........................., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder op hoofdvordering en eiser op tegenvordering, hebbende als raadsman mr. PEERAER Marleen, advocaat te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 977 velt het hof het volgend arrest. Het Hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis dd. 15 september 2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 1° kamer, waartegen de appellant tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun raadslieden; zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak hebben de partijen zich akkoord verklaard dat alle neergelegde conclusies tot de debatten behoren, waarvan akte is genomen op het proces-verbaal van de terechtzitting. Nopens de procedure : De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis, rechtdoende op de hoofdvordering van de appellant - oorspronkelijke eiser -, deze ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen. De tegenvordering van de geïntimeerde - oorspronkelijke verweerder - werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De eerste rechter heeft gezegd voor recht dat de geïntimeerde de eigenaar is van het perceel grond, met woonhuis en aanhorigheden, gelegen te ........................., kadastraal gekend onder W............... .........................., ingevolge de verkrijgende verjaring van meer dan dertig jaar. De appellant werd verwezen in de kosten van het geding zoals begroot in het bestreden vonnis. Met het verzoekschrift van 20 november 2008 heeft de appellant hoger beroep aangetekend tegen het eerste vonnis. Hij vordert het eerste vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende, de geïntimeerde te doen veroordelen om binnen de maand na de betekening van het tussen te komen arrest de grond, gelegen te ................ (....) ...., te verlaten en de grond in de oorspronkelijke toestand ter beschikking te stellen, t.t.z. vrij van gebouwen, funderingen of voorwerpen en bij gebreke daaraan te voldoen, de appellant te machtigen de geïntimeerde af te drijven met al wie en al wat er zich bevindt en de woning af te breken op kosten van de geïntimeerde, kosten invorderbaar op gewoon vertoon van de facturen. Ook wordt de veroordeling van de geïntimeerde gevorderd tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van 7.500 euro. Met zijn syntheseconclusies van 30 november 2009 concludeert de geïntimeerde tot het onontvankelijk, minstens ongegrond doen verklaren van het hoger beroep en de bevestiging van het eerste vonnis in al zijn onderdelen, met de veroordeling van de appellant tot de kosten van het geding zoals begroot in de syntheseconclusies. Bespreking :

  1. Bij akte van 11 mei 1921, opgesteld door notaris E..... V.... D...., met standplaats te W....., werd een cijnspacht verleend door F..... V.... H..... en I.... V.... H..... aan A..... B....e, grootvader van de geïntimeerde, op de gronden en gebouwen gelegen te W......, ................, voor een duur van 29 jaar, ingaande op 01 mei 1921 onder de voorwaarden zoals in de akte nader gespecificeerd. Daarbij werd o.a. bepaald dat, bij het einde van de termijn de cijnspachter gerechtigd is om een gelijke termijnvernieuwing te bekomen, op voorwaarde dat hiervoor op zijn kosten en initiatief een nieuwe notariële akte wordt opgemaakt en mits behoud van de bepalingen van de overeenkomst (punt 4). Erfpachtrecht is een zakelijk recht om het vol genot te hebben van een aan een ander toebehorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelde, als een erkentenis van deszelfs eigendom, een jaarlijkse pacht te voldoen (art. 1 wet 10.01.1824 op het erfpachtrecht). Wanneer het erfpachtrecht door de verloop des tijds is geëindigd, wordt hetzelve niet stilzwijgend vernieuwd, doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot wederopzegging toe (art. 14 Erfpachtwet).
  2. De aanvankelijke erfpachtovereenkomst betreffend de gronden en de gebouwen te W..................., is ten einde gelopen per 30 april
  3. Er is geen nieuwe notariële akte opgesteld, minstens ligt daarvan geen bewijs voor. Evenmin is er een andere uitdrukkelijke handeling gesteld. De rechtsvoorganger van de geïntimeerde had er wel verder stilzwijgend het genot van. Er is geen stilzwijgende vernieuwing van de erfpachtovereenkomst. Wanneer - zoals in casu - de erfpachter het goed blijft bezetten, dan dient dit beschouwd te worden als een bezit ter bede, als een louter gedogen door de verpachter.
  4. Volgens de overgelegde stukken (stuk 3 geïntimeerde) werd op 1 oktober 1974 aan I.... V....H..... nog cijnspacht betaald voor een jaar (12,39 euro - 500 fr). Het blijkt niet dat nadien nog erfpacht is betaald geworden (I..... V.... H...... was inmiddels overleden op 01 augustus 1975). Na het overlijden van I..... V..... H.... behoorde het onroerend goed te W.................., in onverdeeldheid toe aan haar kinderen, P...... W...... en de appellant. De appellant is, zoals zou moeten blijken uit een door hem voorgelegd stuk 2, in 1978 alleen eigenaar geworden van het perceel. De geïntimeerde betwist als dusdanig niet dat de appellant de eigenaar is van het kwestieus perceel, zodat hij de hoedanigheid heeft om een rechtsgeldige vordering te stellen.
  5. De verpachter kan, na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn en zo de aanvankelijke erfpachter het goed is blijven bezetten, onmiddellijk een einde stellen aan dit bezit ter bede zo hij dit wenst, gelet op het precaire karakter ervan. De bezetter ter bede heeft het genot van het goed tot wederopzegging. Op 11 september 1975 is door R...... W.....- P...... W......., schoonbroer en zuster van de appellant, aangetekend opzeg betekend van de "cijnspacht" aan A...... D.... B....., de vader van de geïntimeerde. De brief is enkel ondertekend door P...... W......, onverdeelde mede-eigenaar van het perceel. Ook al is deze opzeg niet door alle onverdeelde eigenaars gegeven maar slechts door één, toch moet deze als rechtsgeldig aanzien worden ten aanzien van de betrokken derde, A..... D...B....... Art. 577-2 B.W. regelt de verhoudingen tussen de mede-eigenaars en niet de verhouding tussen een mede-eigenaar en derden. De appellant zou de gegeven opzeg kunnen betwisten ten aanzien van zijn zus P...... W......, echter niet ten aanzien van A..... D... B....... (of diens rechtsopvolger). Enkel deze laatste zou een vormgebrek zoals de niet-ondertekening door alle mede-eigenaars kunnen opwerpen hebben. Het feit dat geen opzegtermijn voorzien is of een vaste datum ontbreekt is niet relevant, gelet op het bezit ter bede door A..... D.... B....... en hetgeen hiervoor is overwogen betreffende de wederopzegging. Tevergeefs ook verwijst de appellant naar de pachtwet, waar deze in casu niet van toepassing is. Evenmin is de rechtsgeldigheid van de opzegging aangetast doordat deze enkel aan A...... D.... B....., vader van de geïntimeerde, is gegeven en niet aan zijn moeder B....... B......, moeder van de geïntimeerde, ook al had zij bij akte vereffening en verdeling van 17 februari 1962, opgesteld door notaris G...... T......, met standplaats te W................., het woonhuis en de aanhorigheden te W................, ......................, op cijnsgrond toebehorend of toebehorend hebbend aan L.......... W........-V...... H........, verworven. A........ D.....B...... kwam in de akte wetshalve tussen in bijstand en machtiging van zijn echtgenote die, samen met haar echtgenoot, het perceel ter bede bezette. Noch A.......... D.... Bl..... noch B...... B........ hebben - voor zover bekend - de rechtsgeldigheid van de opzeg om die reden betwist en zij konden daar trouwens rechtsgeldig, zelfs stilzwijgend, aan verzaken.
  6. A....... D....... B........is, spijts de door hem niet betwiste opzegging, toch het perceel blijven bezetten samen met B...... B......, zonder dat nog enige vergoeding werd betaald (of het bewijs ervan wordt geleverd door de appellant). Vanaf die datum is er geen sprake meer van een bezit ter bede maar van een bezetting zonder recht noch titel van het goed en nam een bezit pro suo een aanvang. De appellant bewijst niet dat, naar aanleiding van deze opzegging er enige onderhandeling zou geweest zijn met de ouders van de geïntimeerde omtrent eventuele modaliteiten van ontruiming of daarmee materieel een aanvang zou genomen geweest zijn. Of en zo dit zou gebeurd zijn met derden op enig later tijdstip en betreffende andere percelen doet niet terzake in de betwisting tussen de litigerende partijen. 6.
  7. Met de aangetekende brief van 11 augustus 2006, meer dan 30 jaar na de opzegging van september 1975, heeft de appellant nogmaals opzeg betekend tegen 15 februari 2007 van de erfpachtovereenkomst betreffende het onroerend goed te W....................., ditmaal aan de geïntimeerde, rechtsopvolger van zijn vader A........... D..... B......... Via zijn raadsman heeft de geïntimeerde gereageerd op 05 oktober
  8. Hij stelt dat hij ingevolge de verkrijgende verjaring het onroerend goed in eigendom verkregen heeft en derhalve geen gevolg kan geven aan de aanmaning tot vrijgave. 6.
  9. Met de eerste rechter stelt het Hof dat de verkrijgende verjaring een vorm van eigendomsverkrijging is waardoor iemand die dertig jaar het deugdelijk bezit heeft gehad van een zakelijk recht, hiervan ook de houder wordt. De bezitter wordt eigenaar zonder dat de eigendomsovergang op enige manier moet worden bekend gemaakt. Om iets door verjaring te verkrijgen, is een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit als eigenaar vereist (art. 2229 B.W.). Het bewijs van het al dan niet dubbelzinnig bezit is een feitenkwestie, te bewijzen door alle middelen van recht. De bewijslast betreffende een gebrekkig bezit ligt aan de kant van diegene die zich op het gebrek beroept. 6.
  10. In de periode van 11.09.1975 tot 11.08.2006 hebben A..... D...B..... en de geïntimeerde, als diens rechtsopvolger, het voortdurende, onafgebroken, ongestoord en openbaar bezit gehad van het perceel. Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan bij het eigen bezit het bezit gevoegd worden van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd (art. 2235 B.W.). Het blijkt ook dat de geïntimeerde en zijn rechtsvoorganger de wil hadden om die heerschappij voor eigen rekening uit te oefenen. De appellant bewijst het tegendeel niet. Sedert 1974 ligt geen enkel betalingsbewijs meer voor ten aanzien van de (rechtsvoorgangers van de) appellant. De appellant erkent in conclusies van 14 oktober 2009 onder punt 3 (p. 3) dat hij, nadat hij in 1978 alleen eigenaar was geworden, de bewoners met rust liet (tot 11.08.2006), maar evenmin bewijst hij dat hij of de mede-erfgenaam in de periode 11.09.1975 - 1978 iets zouden hebben ondernomen. Het blijkt niet dat het bezit dubbelzinnig zou geweest zijn. Daartoe moet het de facto vatbaar zijn voor meerdere interpretaties wat in casu niet het geval is. Een verwijzing daartoe naar stuk 13 in het stukkenbundel van de appellant is niet relevant aangezien dit een brief is, gericht aan de appellant maar uitgaand van R...... W....., niet van de geïntimeerde en hem niet tegenstelbaar. Evenmin is het relevant voor de beoordeling van deze zaak dat andere erfpachters van aanpalende gronden de cijnsgronden vrijwillig zouden verlaten hebben. De geïntimeerde (of diens rechtsvoorganger) heeft de onroerende voorheffing betaald. Dat op het uittreksel uit de kadastrale legger (stuk 5 appellant) of het aanslagbiljet kadastraal inkomen (stuk 13 geïntimeerde) "ERFP" is vermeld naast de naam van de geïntimeerde, doet niet ter zake. Het betreft een loutere administratieve vermelding die geen enkel rechtsgevolg met zich brengt en waaruit geen rechten kunnen geput worden. Bovendien : gedurende de looptijd van de verjaring waren de bezitters nog geen eigenaar en was het hen derhalve onmogelijk als eigenaar de onroerende voorheffing te betalen. Daarom ook kon de geïntimeerde in de aangifte nalatenschap van wijlen zijn moeder, overleden op 20 juli 1996 (stuk 17 appellant) de kwestieuze percelen niet anders omschrijven als cijnsgrond. 6.
  11. Op grond van de gegevens waarop het Hof vermag acht te slaan moet besloten worden dat de geïntimeerde door verkrijgende verjaring van meer dan dertig jaar - waarop deze zich heeft beroepen waartoe verwezen wordt naar zijn tegeneis voor de eerste rechter gesteld - inderdaad de eigenaar is geworden van het perceel grond, met woonhuis en aanhorigheden, gelegen te W..................., kadastraal gekend onder W............. De feitelijke heerschappij over dit perceel is gedurende meer dan dertig jaar uitgeoefend en de (rechtsvoorgangers van de) geïntimeerde heeft zich als de feitelijke eigenaar gedragen.
  12. In deze omstandigheden is de vordering van de appellant tot het bekomen van een schadevergoeding evenmin gegrond. De eerste rechter heeft gepast geoordeeld wat de kosten in eerste aanleg betreft.
  13. Nu het hoger beroep van de appellant niet gegrond is, dienen de kosten van het hoger beroep aan zijn zijde ten zijne laste te blijven en dient hij verwezen te worden tot het betalen van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aan de geïntimeerde zoals hierna begroot. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond. Bevestigt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, eerste kamer, van 15 september
  14. Verwijst de appellant in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de geïntimeerde begroot op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 4-2-
  15. Aanwezig: - H. Van Bossuyt, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.