id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100209.5 Rolnummer: 2008/AR/2418 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 21:22 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN Vrije woorden: Artikel 195, §1, 1ste lid WIB92 (ook in de versie toepasselijk vóór de wijziging ervan door het volmachtenbesluit van 20 december 1996) dat voorziet dat bezoldigingen van bestuurders aftrekbare beroepskosten zijn, belet niet dat voor de aftrekbaarheid moet voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 49 WIB
- In het bijzonder moet worden bewezen dat de bestuurdersbezoldigingen beantwoorden aan daadwerkelijk geleverde prestaties. Artikel 26 WIB92 heeft geen voorrang op artikel 49 WIB92 Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 09-02-2010 BELASTINGEN Nr.2008/AR/2418 in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur der directe belastingen Gent (Taxatie), met kantoren gevestigd te 9050 LEDEBERG (GENT), G. Crommenlaan 6 bus 604, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Harlekijnstraat 9 tegen: V.D.D. N.V., met maatschappelijke zetel te 9620 ZOTTEGEM, Kastanjelaan 2a; ingeschreven met ondernemingsnummer 0452.507.473, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE MEYERE Luc loco mr. DOOLAEGE Antoine, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Procedure Bij verzoekschrift van 18 september 2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 3 juni 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de aanslag in de vennootschapsbelasting op naam van de geïntimeerde voor het aanslagjaar 1996, gevestigd onder kohierartikel 874.422.225, ontheven met bevel tot terugbetaling van wat eventueel al teveel was betaald, vermeerderd met de moratoriuminterest zoals voorzien in artikel 418 WIB92; de appellant werd ook in de gerechtskosten verwezen. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond afwijst. De appellant vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat ze een incidenteel hoger beroep zegt in te stellen in zoverre de eerste rechter haar in eerste orde aangevoerde rechtsgronden afwees. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
- Feitelijke gegevens Vanaf haar oprichting op 8 april 1994 was de NV Vadek Beheer gedelegeerd bestuurder van de geïntimeerde, die eveneens op 8 april 1994 was opgericht. Volgens het financieel plan van de geïntimeerde was voorzien dat de bestuurdersvergoeding 200.000 frank (4.957,87 euro) per jaar zou bedragen. In de buitengewone algemene vergadering van de geïntimeerde werd evenwel beslist, wegens de slechte financiële toestand van de vennootschap, om de bestuurdersvergoeding voor het boekjaar 1994 te beperken tot het tot dan toe werkelijk betaald bedrag van 1.000.000 frank (24.789,35 euro) en het saldo van 800.000 frank (19.831,48 euro) in het boekjaar 1995 samen met de gewone vergoeding (2.400.000 frank of 59.494,45 euro) te boeken. Op die manier werd in 1994 aan de NV Vadek Beheer een bestuurdersvergoeding van 1.000.000 frank (24.789,35 euro) toegekend en bedroeg de bestuurdersvergoeding in 1995 3.200.000 frank (79.325,93 euro). Op de buitengewone algemene vergadering van de geïntimeerde van 12 januari 1996 werd beslist om de bestuurdersvergoeding te halveren om reden dat de huurinkomsten uit de verhuring aan de NV Perfectum - vennootschap die failliet verklaard was - weggevallen waren. De vergoeding van 100.000 frank (2.478,94 euro) bleef in de daarop volgende jaren behouden. De taxatiedienst heeft met berichten van wijziging van de aangifte voor zowel het aanslagjaar 1995 als het aanslagjaar 1996 aan de geïntimeerde laten weten dat ze de geboekte bestuurdersbezoldiging (resp. 1.000.000 en 3.200.000 frank) bij de verworpen uitgaven zou voegen. De geïntimeerde liet weten niet akkoord te gaan, maar de taxatiedienst bleef op zijn standpunt. Omdat de verliezen te groot waren, werd voor het aanslagjaar 1995 geen aanslag gevestigd. Voor het aanslagjaar 1996 werd, overeenkomstig het bericht van wijziging van de aangifte, op naam van de geïntimeerde een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd onder kohierartikel 874.422.
- De geïntimeerde diende tijdig een bezwaarschrift in tegen die aanslag. In zijn directeursbeslissing van 13 december 2000 wees de appellant het bezwaar af. Met een verzoekschrift van 13 maart 2001 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 3 juni 2008 de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaard en de appellant in de kosten verwezen. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
- Grieven en argumenten van de partijen De appellant heeft hoger beroep ingesteld omdat de eerste rechter de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaarde om reden dat artikel 26 WIB92 voorrang zou hebben op artikel 49 WIB
- Voorafgaand aan dat oordeel heeft de eerste rechter beslist dat de geïntimeerde niet bewijst dat de NV Vadek Beheer daadwerkelijk bestuurdersprestaties voor de geïntimeerde geleverd heeft. In graad van beroep herneemt de geïntimeerde haar oorspronkelijke, door de eerste rechter afgewezen, argumentatie. De grieven en argumenten van de partijen worden hierna in logische volgorde ontmoet. 3.
- Door de geïntimeerde hernomen argumenten - bewijs van de bestuurdersprestaties door de NV Vadek Beheer 3.1.
- De geïntimeerde stelt in eerste orde dat in het bericht van wijziging van de aangifte uitdrukkelijk gemeld werd dat de prestaties een geveinsd karakter hadden; dit zou impliceren dat de appellant het bewijs van veinzing moet leveren, wat hij niet zou doen. Beoordeling Zoals de appellant terecht laat gelden, heeft de taxatieambtenaar zich uitdrukkelijk beroepen op de voorwaarden van artikel 49 WIB
- Het bericht van wijziging van de aangifte van 22 juli 1997 bevat inderdaad de volgende zin: Deze kosten worden fiscaal niet aanvaard omwille van het geveinsde karakter van deze prestaties. Daaraan voorafgaand heeft de taxatieambtenaar evenwel uitdrukkelijk vermeld dat hij de beheersvergoedingen die aan de NV Vadek Beheer waren betaald in de betreffende aanslagjaren bij de verworpen uitgaven zou voegen met toepassing van artikel 49 WIB
- Hij legde er de nadruk op dat de echtheid en het bedrag van de beroepskosten moest bewezen worden. De verdere motivering in het bericht van wijziging omvat een weergave en analyse van de feiten. Ook al wordt daarin over veinzing gesproken, toch blijkt dat de taxatieambtenaar in wezen niets anders heeft willen aanvoeren dan dat de betreffende beroepskosten niet afdoende met stukken bewezen zijn Deze grief is ongegrond. 3.1.
- De geïntimeerde voert verder aan dat op basis van artikel 195, §1, 1ste lid WIB92 in de versie zoals toepasselijk op het aanslagjaar 1996 (dus voor de wijziging door het volmachtenbesluit van 20 december 1996 dat slechts vanaf het aanslagjaar 1998 in werking trad) het wettelijk vermoeden bestaat dat de betreffende bestuurdersbezoldigingen aftrekbare beroepskosten zijn en wel in die zin dat geen toetsing aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 zou moeten gebeuren. Beoordeling De geïntimeerde kan in dat standpunt niet gevolgd worden. De toepasselijke tekst van artikel 195, §1, 1ste lid WIB92 luidt als volgt: Bestuurders en werkende vennoten worden voor de toepassing van de bepalingen inzake de beroepskosten met werknemers gelijkgesteld en hun bezoldigingen en de ermee verband houdende sociale lasten worden als beroepskosten aangemerkt. Dat deze wetsbepaling uitdrukkelijk stelt dat de bezoldigingen van de bestuurders als beroepskosten worden aangemerkt, belet nochtans niet dat ze om te kunnen worden afgetrokken, aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 moeten voldoen. Die wetsbepaling stelt de bezoldigingen van bestuurders inzake de beroepskosten gelijk met de bezoldigingen van werknemers; vermits voor bezoldigingen van werknemers aan artikel 49 WIB92 moet worden voldaan, spreekt het voor zich dat dit ook voor de bezoldigingen van bestuurders geldt. Dat in de betreffende periode ook niet-natuurlijke personen bezoldigingen van bestuurders in de zin van artikel 32, 1ste lid WIB92 konden genieten, doet daaraan niets af. In de circulaire Ci.D. 19/416.334 van 21 augustus 1992 (Bull. Bel., 720, p. 2603) werd weliswaar gesteld dat voor de aftrek als beroepskosten niet langer vereist is dat de bestuurders in de vennootschap effectief bij opdracht of bij contract werkelijke en vaste functies uitoefenen, maar dat wil slechts zeggen dat een bestuurder ook slechts in beperkte mate of tijdelijk aan de vennootschap kan verbonden zijn, en dus ook desnoods alleen voor die bestuursopdracht (en dus voor het overige geen werkelijke of vaste functie uitoefent). Ook deze grief is dus ongegrond. 3.1.
- De geïntimeerde voert verder aan dat de voorwaarden van artikel 49 WIB92 hoe dan ook vervuld zijn. Het zou wettelijk verplicht zijn om bestuurders te hebben die op hun beurt wettelijke verplichtingen hebben. De aanpassing door de geïntimeerde van de toegekende bedragen, zou gebeurd zijn in functie van de financiële mogelijkheden en zou niet aantonen dat er geen werkelijke bestuurdersprestaties waren. De geïntimeerde wijst er ook op dat in latere jaren door de taxatiedienst geen enkele betwisting meer werd gevoerd omtrent de toegekende bestuurdersvergoeding die weliswaar op de helft van het aanvankelijk bedrag werd bepaald; dat zou inhouden dat de belastingadministratie in wezen niet betwist dat de NV Vadek Beheer werkelijk bestuurder van de geïntimeerde was. Dat het bedrag van de bezoldiging werd aangepast zou door de appellant niet als argument mogen gebruikt worden omdat dit een ongeoorloofde opportuniteitsinmenging zou zijn, te meer een vergoeding van 200.000 frank (4.957,87 euro) per maand niet abnormaal hoog zou zijn. Minstens (subsidiair) zou alleen het bovenmatig deel van de vergoeding voor verwerping mogen in aanmerking worden genomen. De appellant voert aan dat de werkelijkheid van de prestaties niet is aangetoond. Hij voert het volgende aan: - Er werd geen schriftelijke tussen de beide vennootschappen afgesloten beheersovereenkomst, met een daarin vermelde taakomschrijving voor de beheersvennootschap, voorgelegd. - De door de geïntimeerde voorgelegde stukken (rekeninguittreksels met betalingen van de vergoedingen, financieel plan, verslag van de algemene vergadering,...) en het antwoord op de vraag om inlichtingen geven slechts een zeer vage omschrijving van de beheersvergoeding en tonen niet aan dat de beweerde prestaties effectief weren geleverd, noch welke de aard is van de prestaties. - Er zijn geen schriftelijke rapporten, noch verslagen van de beheersvennootschap over het gevoerde beleid en de waargenomen taken voorhanden. - Er wordt niet aangetoond op welke basis de forfaitair bepaalde, maandelijkse vergoedingen zijn berekend; er blijkt uit de feitelijke gegevens enkel dat de vergoeding werd aangepast in functie van het resultaat en de financiële toestand van de geïntimeerde. Beoordeling Het is op zich niet noodzakelijk om een geschreven beheersovereenkomst op te maken; zelfs indien een dergelijke overeenkomst zou bestaan, zou nog moeten worden aangetoond dat ze in werkelijkheid werd gevolgd. De kernvraag is immers of er werkelijk bestuursprestaties door de NV Vadek Beheer werden geleverd en dus ook of de geïntimeerde in de betreffende jaren bij het stellen van haar handelingen werkelijk handelde door middel van haar gedelegeerd bestuurder, de NV Vadek Beheer. De afspraak omtrent het betalen van de bestuurdersbezoldiging en effectieve betaling ervan aan de NV Vadek Beheer, bewijzen op zich nog niet dat er door deze laatste effectief bestuursprestaties werden geleverd. Het is onmiskenbaar dat elke vennootschap moet worden bestuurd. Zelfs al staat vast dat het de NV Vadek Beheer was die statutair als bestuurder was benoemd (wat krachtens de wet ook verantwoordelijkheden met zich brengt) toch bewijst dat nog niet dat de NV Vadek Beheer daadwerkelijk de bestuursprestaties leverde. Als antwoord op de vraag om inlichtingen van 18 juni 1997 werd door de gevolmachtigde accountant van de geïntimeerde uitsluitend melding gemaakt van het financieel plan dat een vergoeding van 200.000 frank (4.957,87 euro) per maand voorzag als bestuurdersbezoldiging en anderzijds de diverse betalingen van die vergoeding. Voorts werd er op gewezen dat een en ander in algemene vergaderingen werd beslist. Het Hof stelt vast dat in de diverse voorliggende verslagen van de algemene vergaderingen, het de voorzitter, de heer F. V. was die ondertekende namens de NV Vadek Beheer. Het voorzitten van de algemene vergadering is geen taak van dagelijks bestuur. De geïntimeerde had - ook nog in de huidige, gerechtelijke fase - contracten, briefwisseling en andere documenten uit haar dagelijkse werking kunnen voorleggen waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de NV Vadek Beheer daadwerkelijk bestuursprestaties waarnam. Dergelijke stukken liggen niet voor. Het bewijs van effectieve bestuursprestaties is in die omstandigheden niet geleverd, zodat aan de voorwaarden voor de aftrekbaarheid als beroepskosten overeenkomstig artikel 49 WIB92, niet voldaan is. Ook op dat punt moet het oordeel van de eerste rechter worden bijgetreden. 3.
- Het hoger beroep van de appellant - voorrang artikel 26 op artikel 49 WIB92 De appellant laat gelden dat het Hof van Cassatie in zijn recente rechtspraak duidelijk heeft gemaakt dat artikel 26 WIB92 autonoom moet worden toegepast. Uit de vaststelling dat bepaalde kosten niet voldoen aan artikel 49 WIB92 zou nog niet volgen dat de uitgaven abnormale of goedgunstige voordelen zijn in de zin van artikel 26 WIB
- De rechter die vaststelt dat de kosten op grond van artikel 49 WIB92 niet toepasselijk zijn, zou daarom niet moeten onderzoeken of de toepassingsvoorwaarden van artikel 26 WIB92 voorhanden zijn. De geïntimeerde gedraagt zich, gelet op de arresten van het Hof van Cassatie van 12 juni 2009, naar de wijsheid van het Hof. Beoordeling Het hoger beroep van de appellant is gegrond. Artikel 26 WIB92 heeft betrekking op de vaststelling van de belastbare winsten van de nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, en biedt in zijn eerste lid (in de toepasselijke versie) de mogelijkheid om, in afwijking van de bepalingen van de belastingwet (die slechts de in het vermogen van een onderneming opgenomen winsten aan de belasting onderwerpt), abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige verleent - onder voorbehoud van artikel 54 WIB92 - bij de belastbare winst te voegen tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger ervan. Artikel 49 WIB92 verduidelijkt de voorwaarden waaronder de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen, als beroepskosten aftrekbaar zijn. Noch uit deze, noch uit een andere wettelijke bepaling vloeit voort dat een uitgave als een beroepskost moet worden aangezien indien ze in aanmerking komt voor het bepalen van de belastbare inkomsten van diegene die de daarmee overeenstemmende betalingen (voordelen) heeft ontvangen. Uit de omstandigheid dat uitgaven niet voldoen aan de voorwaarden om als beroepskosten aftrekbaar te zijn, volgt niet dat die uitgaven abnormale of goedgunstige voordelen vormen in de zin van artikel 26, 1ste lid WIB
- Evenmin volgt uit die omstandigheid dat die voordelen, om te kunnen worden belast, gevoegd hadden moeten worden bij de eigen winsten waarvan ze, doordat ze als beroepskosten zijn verworpen, niet mogen worden afgetrokken (vgl. Cass., 30 oktober 2008 en Cass. 12 juni 2009 (5 arresten), www.juridat.be. De eerste rechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de betreffende bestuurdersvergoeding, vermits ze als beroepskost verworpen wordt, automatisch (ipso facto) als een goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26 WIB92 moet worden aangezien dat aftrekbaar is in hoofde van de geïntimeerde omdat het om een voordeel gaat dat belastbaar is in hoofde van de genieter (de NV Vadek Beheer). De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde moet dan ook ongegrond worden verklaard vermits er geen reden is om de bestuurdersvergoedingen, geheel noch gedeeltelijk, als aftrekbare kosten in aanmerking te nemen.
- De gerechtskosten De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.000,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart; doet opnieuw recht en wijst de vordering van de geïntimeerde af als ongegrond; veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.000,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.000,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.000,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.000,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div