← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100210.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100210.6 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 21:22 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen Vrije woorden: Strafrecht - bewijs - strafrecht en tuchtrecht - bewijsverkrijging - tuchtdossier - uitsluiting Tekst van de beslissing Het hof van beroep te Gent, achtste kamer, recht doende in correctionele zaken in de zaak van: het openbaar ministerie en waarbij zich gevoegd hebben als burgerlijke partijen : Nr.

  1. D. C. S., wonende te ......................................; Nr.
  2. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32; Tegen: Nr. S. B., kraanman, geboren te ..................................., wonende te .................................................; Verdacht van : te 9170 Sint-Gillis-Waas op 25 oktober 2003 : Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan D. C. S., die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 18° correctionele Kamer, not.nr.43.L.3.5282/03/21, dd. 15 juni 2005 op tegenspraak gewezen werd; * de beklaagde wegens de bewezen verklaarde tenlastelegging veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van VIJF MAANDEN en een geldboete van TWEEHONDERD EURO, met 40 opdecimes verhoogd, 1.000 euro bedragende, welke geldboete bij gebreke van betaling binnen de door de wet bepaalde termijn zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf twee maanden - met gewoon uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar voor wat betreft de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van vijf maanden; * de beklaagde bovendien verplicht om eenmaal een bedrag van TIEN EURO, met 45 opdecimes verhoogd aldus VIJFENVIJFTIG EURO bedragende te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; * de beklaagde veroordeeld tot de gerechtskosten deze in hun geheel begroot op 537,47 euro alsmede tot het betalen van een vergoeding van 25 euro als bijdrage in de beheers kosten in strafzaken; D. C. S. als schadevergoeding de som van 15.978,91 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten op 214,98 euro vanaf 25.10.2003, op 4.919,40 euro vanaf 1.5.2004, op 344,53 euro vanaf 1.7.2004 en op 10.500,00 euro vanaf 31.10.2004, telkens tot op heden, meer de kosten en werd het meergevorderde als ongegrond afgewezen; Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten als provisie de som van 1.519,03 euro te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 19.11.2003 tot dan (datum vonnis) en vanaf dan meer de gerechtelijke intresten. Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: 1) op 16 juni 2005 door de beklaagde; 2) op 21 juni 2005 door het Openbaar Ministerie. *** Gelet op het tussenarrest van dit Hof, achtste kamer, anders samengesteld, dd. 26/09/2007 waarbij als volgt werd beslist : Verklaart de hoger beroepen tegen het vonnis van de correctionele rechtbank van Dendermonde van 15 juni 2005 ontvankelijk en, vooraleer verder te oordelen, Schorst de verdere behandeling van de zaak tot dat er een definitieve beslissing zal genomen zijn in de zaak: klacht met burgerlijke partijstelling van de beklaagde B. S. wegens: 'meineed' te Dendermonde op 18 mei 2005 lastens O. T., geboren te ..............................., wonende te ........................................, neergelegd in handen van de onderzoeksrechter te Dendermonde (attest d.d. 25 juni 2007 onderzoeksrechter E. Muylaert te Dendermonde). Stelt de zaak voor verdere behandeling onbepaald uit. Houdt inmiddels de beslissing omtrent de gerechtskosten aan. *** Gehoord in openbare terechtzitting van 4 november 2009 in de Nederlandse taal - (waarbij de zaak volledig werd hernomen met de huidige samenstelling van de zetel) : - de beklaagde B. S. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf en bijgestaan door meester Johan VANSTEENWINKEL, advocaat te Antwerpen; - de burgerlijke partij S. D. C. in zijn eis tegen de beklaagde, bijgestaan door meester Frederik Naemen, advocaat aan de balie te Dendermonde, loco meester Johan COLPAERT, advocaat, kantoor houdende te Sinaai-Waas; - de burgerlijke partij HET NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN in haar eis tegen de beklaagde, vertegenwoordigd door meester Herman Willems, advocaa te Sint-Niklaas; - de heer Luc Decreus, Advocaat-generaal, in zijn vordering. *** Procesrechtelijk Bij tussenarrest dd. 26 september 2007, op tegenspraak verleend door dit Hof, deze Kamer - anders samengesteld - werden de tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de 18° Correctionele Kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 15 juni 2005 door de beklaagde en door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroepen ontvankelijk verklaard. Uit de motieven van ditzelfde tussenarrest (1.
  3. en 1.3.) blijkt tevens : - dat het Hof op de terechtzittingen van 11 april en op 27 juni 2007 aan de beklaagde reeds ter kennis had gebracht dat het zich het recht voorbehoudt om de hem ten laste gelegde feiten te heromschrijven als een inbreuk op het artikel 400 S.W.; - dat het Hof op de terechtzitting van 11 april 2007 (cfr. zittingsblad) had beslist dat er niet zal worden overgegaan tot het horen van de getuigen P. W., C. V. d. V. en G. V. d. B.. Tenslotte werd de verdere behandeling van de zaak geschorst tot er een definitieve beslissing zou zijn tussengekomen in de strafprocedure ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling uitgaande van de huidige beklaagde lastens de getuige O. T. wegens vals getuigenis in correctionele zaken. Het Hof stelt vast dat tegen dit tussenarrest geen beroep in cassatie werd aangetekend, zoals blijkt uit het attest van niet-verhaal van 16 oktober
  4. Bij brief dd. 1 september 2009 werd door het Parket-generaal een voor eensluidend verklaard afschrift met attest van niet-verhaal gevoegd van het arrest, op 5 maart 2009 gewezen door dit Hof, Kamer van Inbeschuldigingstelling, waarbij de getuige T. O. buitenvervolging werd gesteld. Daardoor is de schorsingsgrond in de huidige procedure opgeheven. Deze zaak werd ter terechtzitting van 4 november 2009 volledig hernomen met de huidige samenstelling van de zetel. De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. Voorafgaandelijk : Toelaatbaarheid van het bewijs Het Openbaar Ministerie heeft zich in besluiten, neergelegd ter terechtzitting van dit Hof op 27 juni 2007, die op 4 november 2009 expliciet werden hernomen, verzet tegen de aanwending van stukken in de huidige strafprocedure, afkomstig uit de eerdere tuchtprocedure. Het Openbaar Ministerie meent dat deze stukken dienen te worden geweerd, alsook de besluiten van de partijen, in zoverre deze gesteund zijn op de gegevens van de tuchtprocedure. De verdediging voert aan dat de vraag van de heer Procureur-generaal laattijdig is omdat Mr. Westerlinck, de vorige raadsman van de beklaagde, op 6 december 2004 reeds aan de heer Procureur des Konings te Dendermonde een brief met bijlage heeft gestuurd, nl. het verslag van de tuchtcommissie, dat volgens de verdediging reeds gevoegd werd aan het strafdossier. Dit is een totaal verkeerde premisse. Het behoort immers net tot de waarborgen van ons rechtssysteem dat het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep (in casu zowel door de beklaagde als door het Openbaar Ministerie) tot gevolg heeft dat het strafdossier door de hogere rechtsinstantie aan een volledig nieuw en kritisch onderzoek wordt onderworpen. Het Hof is thans gevat over de gehele zaak en zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie kunnen hun grieven ontwikkelen tegen de procedure, die in eerste aanleg werd gevoerd. Er kunnen zowel nietigheden van procedurele aard worden opgeworpen als argumenten met betrekking tot de door de eerste rechter gehanteerde motieven met betrekking tot de gegrondheid van de strafvordering. Er kan derhalve geen sprake zijn van laattijdigheid ten aanzien van de vordering van het Openbaar Ministerie. Het getuigt van weinig respect, waar de verdediging in de syntheseconclusie (blz. 12 sub 2) letterlijk stelt : "aanvullend dient het openbaar ministerie de gebruikte rechtsleer goed te lezen : concluant heeft dezelfde tekst op zijn manier gelezen en...." De verdediging haalt in de geciteerde passages uit het artikel "Het geheim karakter van tuchtprocedures", verschenen in het R.W. 1979-80 van P. Lemmens, twee verschillende aspecten aan : - vooreerst gaat het er om dat (als tegenhanger van het loyaliteitsbeginsel) het tuchtdossier of de beslissing van het tuchtorgaan niet aanwendbaar, of mededeelbaar is in een procedure gevoerd voor de strafrechter of de burgerlijke rechter (cfr. besluiten 1° alinea in cursief); - in het tweede luik (2° en 3° alinea in cursief) gaat het om de openbaarheid van de tuchtprocedure zelf, waarbij het Hof vaststelt dat de door de verdediging geciteerde rechtsleer op dat punt reeds achterhaald is ingevolge de recentere rechtspraak van het Hof van Cassatie (cfr.Cass. - voltallige terechtzitting - 14 april 1983, Arr. Cass. 1982-83 en R.W.1983-84, 86-87 met noot P. Lemmens). - De door de verdediging onderlijnde zinsnede heeft trouwens enkel betrekking op het tweede aspect en slaat niet op het eerste aspect. Het Hof is van oordeel dat het eerste aspect tot op heden nog steeds onverminderd geldt (cfr. D.HOLSTERS : "Strafrecht en tuchtrecht" Liber amicorum Lieven Dupont, Universitaire Pers Leuven 2005, SCS 31B, blz. 818 nr. III.3 in fine ; E. DE GROOT : "De Orde van Geneesheren - een voorstel tot hervorming" Vubpress 1998, blz.187 nr.4a). Uitgaande van het art. 417 Ger.W. kan de bewijsverkrijging, gehanteerd in de tuchtprocedure, niet zomaar worden getransponeerd naar de strafprocedure, op gevaar af de rechten van verdediging te miskennen. Dit klemt des te meer, nu zowel een deel van de spelers (waaronder de beklaagde) als de scheidsrechter (getuige in huidige zaak) voor de tuchtrechterlijke commissie dienden te verschijnen. Het Hof treedt het standpunt van de heer Procureur-generaal, zoals verwoord in de besluiten, bij en weert alle stukken, die verband houden met de tuchtprocedure, uit het debat, als zijnde niet toelaatbaar. De loyaliteit van het bewijs is immers een algemeen rechtsbeginsel dat dient gerespecteerd te worden (cfr. R.DECLERCQ " Beginselen van Strafrechtspleging " 4° ed. 2007, nr.1774 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Dit impliceert dat het Hof bij de beoordeling van de zaak ten gronde op geen enkele wijze rekening houdt met :
  5. in het strafdossier: de stukken genummerd als volgt 14-16, 24-26 (onderkaft 1) alsook de brief met bijlage dd. 6.12.04 van Mr. Westerlinck (onderkaft 27 - briefwisseling en dubbels);
  6. in het dossier van de rechtspleging in graad van hoger beroep: de stukken, neergelegd door de raadsman van de beklaagde op 27.06.2007 : 1 t.e.m. 6 en 10 alsook (dezelfde) stukken neergelegd op 04.11.2009 : 1 t.e.m. 6 en 10 ;
  7. in de syntheseconclusie van de beklaagde worden de blz. 5 en 6 als niet geschreven beschouwd; Oproeping getuige(n) De beklaagde biedt op vandaag nog steeds een getuigenverhoor aan (aanhef blz. 7 syntheseconclusie + dispositief). Uit het tussenarrest van dit Hof van 26 september 2007 (motieven 1.3.) blijkt dat reeds op 11 april 2007 door het Hof - na beraadslaging - op tegenspraak werd beslist om de getuigen P. W., C. V. d. V. en G. V. d. B. niet te horen. Deze beslissing werd geacteerd op het zittingsblad en heeft gezag van gewijsde. Omtrent het horen van de getuige H. B. werd alsnog niet gestatueerd. In het dagvaardingsexploot, betekend op 6 februari 2007, wordt zijn oproeping als volgt gemotiveerd door de verdediging : "dat de gedaagde in zijn hoedanigheid van secretaris van Walivo Sportverbond belangrijke getuigenissen met betrekking tot de feiten waarvoor verzoeker in graad van beroep terecht moet staan voor het Hof van Beroep te Gent, onder ede kan afleggen". Uit de bewoordingen van het exploot blijkt overduidelijk dat deze getuige desgevallend door het Hof niet als een ooggetuige omtrent de feitelijkheden zelf kan worden gehoord, doch wel in zijn hoedanigheid van secretaris van Walivo Sportverbond. Dit impliceert dat hij enkel zou kunnen getuigen omtrent datgene wat hij bij de uitoefening van zijn functie in het kader van de tuchtprocedure omtrent deze zaak heeft vernomen en dat hij daardoor ook het geheim van het beraad binnen de tuchtcommissie zou kunnen schenden. Het Hof verwijst naar hetgeen hoger werd gezegd omtrent de toelaatbaarheid van het bewijs en beslist derhalve dat er niet zal overgegaan worden tot het horen van de getuige H. B. Kwalificatie De beklaagde werd in eerste aanleg veroordeeld op grond van de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging, zijnde opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan D. C. S., die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden (art. 399 lid 1 S.W.). De eerste rechter had bij tussenvonnis van 3 november 2004 vooraleer zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk gebied ten gronde uitspraak te doen Dr. P. V. M. als gerechtsdeskundige aangesteld om de burgerlijke partij D. C. S. te onderzoeken. Uit het medisch-deskundig verslag, ter griffie neergelegd op 7 april 2005 (onderkaft 13) blijkt dat er op consolidatiedatum (31.10.2004) een B.I. van 4% is weerhouden en een B.A.O. van 6% met weerslag op het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt. Ondanks deze besluitvorming werden de feiten door de eerste rechter niet geherkwalificeerd. Het Hof beklemtoont dat niet een kwalificatie maar een feit aanhangig werd gemaakt en dat, rekening houdend met alle concrete gegevens, alvorens een misdrijf al dan niet bewezen te verklaren, de juiste kwalificatie in rechte aan dit feit dient te worden gegeven (R. DECLERCQ " Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging " in " Strafrecht voor rechtspractici - IV " ed. L. Dupont en B. Spriet, Acco 1991, blz. 204). Rekening houdend met het advies van de gerechtsdeskundige Dr. P. V. M., dat door het Hof wordt bijgetreden, heromschrijft het Hof de feiten, voor zover bewezen, als een inbreuk op het artikel 400 (lid 1) S.W., nl. "... waarbij de slagen of verwondingen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben". Het betreft dezelfde feiten, die oorspronkelijk aan de beklaagde ten laste gelegd waren en waaraan hij zijn verdediging heeft aangepast. Strafrechtelijk Redelijke termijn De procedure is tijdens het opsporingsonderzoek, alsook in eerste aanleg binnen een volstrekt normale tijdspanne en zonder enige onverantwoorde vertraging verlopen, mede gelet op het noodzakelijk medisch deskundigenonderzoek dat door de eerste rechter was bevolen. De beklaagde werd op 7 december 2006 gedagvaard om te verschijnen voor dit Hof op 14 februari
  8. Nu het bestreden vonnis dateert van 15 juni 2005 houdt dit een overschrijding in van de redelijke termijn, zonder dat evenwel de mogelijkheid tot bewijswaardering is aangetast. De beklaagde zelf ligt evenwel aan de basis van de verdere schorsing van de procedure in graad van hoger beroep, nu hij pas op 25 juni 2007 (twee dagen vóór de zitting van het Hof waarop de zaak normaliter zou in beraad genomen worden) een klacht met burgerlijke partijstelling indiende bij de onderzoeksrechter wegens een vermeend vals getuigenis in correctionele zaken, dat onder ede was afgelegd door de getuige T. O. op de terechtzitting van 18 mei
  9. De klacht werd dus ruim twee jaar later ingediend. De procedure ten gronde kon pas worden verder gezet nadat deze klachtprocedure was afgesloten, procedure waarin de huidige beklaagde eveneens hoger beroep had aangetekend tegen de buitenvervolgingstelling, die verleend was door de Raadkamer te Dendermonde en die uiteindelijk door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent werd beslecht bij arrest van 9 maart
  10. De opdracht tot betekening van een nieuwe dagstelling werd reeds door het Parket-generaal gegeven op 27 augustus 2009 en de zaak werd op de eerstnuttige zitting van het Hof hernomen, behandeld en in beraad genomen. Het Hof aanvaardt dan ook enkel een overschrijding van de redelijke termijn in de periode tussen de beide aanleggen. Gegrondheid van de strafvordering De beklaagde betwist tot op vandaag met klem dat hij aan de basis ligt van de door de burgerlijke partij D. C. S. opgelopen verwondingen. Deze burgerlijke partij was voorzitter van voetbalclub Koningshof en tevens op 25 oktober 2003 terreinafgevaardigde tijdens de voetbalmatch tussen F.C. Koningshof en F.C. Corner. Hij kwam het terrein op nadat er op het einde van deze match tumult was ontstaan tussen de spelers van de beide ploegen, met de bedoeling de gemoederen te bedaren. Bij zijn verhoor, afgenomen op de dag zelf (st.4), verklaarde hij uitdrukkelijk : " ... Hierbij sloeg een speler van Hamme, S. B., naar een speler van ons, V. R. Gezien ik er tussen stond, raakte hij me op de rechterzijde van mijn gezicht...Gezien ik na een halfuur nog pijn had, heb ik mij aangeboden op de spoeddienst van AZ Waasland. Er werd vastgesteld dat mijn rechter oogkas gebroken is... De speler die de slag uitdeelde was reeds heel de match agressief ...". Getuige D. L. (verzorger) bevestigt dit feitenrelaas (st.5) "...Hierbij sloeg de speler van Hamme naar een speler van ons. Gezien S. ertussen stond kreeg hij de klap te incasseren...". Hij noemde de betrokken speler evenwel niet bij naam. Getuige V. E. bevestigde op zijn beurt het incident (st.20). " ... Er was een speler van de ploeg uit Hamme , die de hele wedstrijd agressief speelde. Hij tackelde regelmatig en deelde soms een elleboogstoot uit ... D. C. kwam op dat moment het plein op. Plots sloeg de speler van Hamme naar me. Waarom weet ik niet. Ik kon me wegtrekken. Hierdoor kreeg D. C. S. de slag op zijn gezicht ..." De scheidsrechter, getuige T. O. werd op 13 januari 2004 ondervraagd in opdracht van de heer Procureur des Konings te Dendermonde (st.33-35). Deze verklaarde dat er moeilijkheden waren tussen enkele spelers met wat duw- en trekwerk. Hij bevond zich op een 20-tal meter. Omtrent de feiten, voorwerp van de huidige strafvervolging, verklaarde hij letterlijk het volgende : " De terreinafgevaardigde van F.C. Koningshof, D. C. S., kwam tussenbeide. Hij probeerde de kemphanen van elkaar te scheiden. Op dat moment kwam S. B. aangelopen en gaf zonder aarzelen D. C. S. een vuistslag op de linkeroogkas. Het oog begon onmiddellijk op te zwellen... .Ik ben formeel S. B. heeft D. C. S. een vuistslag toegediend ". Onder ede gehoord op de terechtzitting van 18 mei 2005 door de eerste rechter, verklaarde hij : " Ik was scheidsrechter. Ik ken S. als speler. Er waren schermutselingen. Er werd geduwd en getrokken op het veld. D. C. is op het veld gekomen om de spelers te scheiden...S. is naar D. C. gelopen en heeft hem vuistslag gegeven. Ik heb dat gezien....Ik stond op 10 meter van de plaats van de feiten. De terreinafgevaardigde had 2 spelers vast, 1 links en 1 rechts van hem. Toen is er slag toegediend". In graad van hoger beroep legde de verdediging nog een door de getuige T. O. geschreven wedstrijdverslag neer (st.22a) dat volgens de inventaris van de stukken in fine van de syntheseconclusie een kopie is uit het strafdossier, dat geleid heeft tot diens buitenvervolgingstelling op basis van vals getuigenis in strafzaken. Daarin staat letterlijk vermeld : " ...dit ontaarde zich in een gevecht tussen beiden ploegen.toen kwam C. S. van koninkshof op het plein om beiden spelers te scheiden.kreeg deze een vuistslag op zijn rechterwang van s. B. van de corner..." De beklaagde heeft terecht aangevoerd dat er hier en daar tegenstrijdigheden zijn in de verklaringen van de getuige T. Zo vergist deze zich in zijn eerste verklaring waar hij gewag maakt van linker- i.p.v. rechteroogkas. Zo stond hij de ene keer op 20 m, de andere keer op 10 m afstand van het gebeuren. De verklaringen van de getuige T. - van wie thans erga omnes vaststaat dat hij onder ede GEEN vals getuigenis heeft afgelegd - zijn echter volkomen consistent omtrent de essentiële elementen in deze zaak. Desondanks blijft de beklaagde zich uitputten in argumenten in een verwoede poging om de geloofwaardigheid van deze getuige aan te tasten. De getuige T. O. heeft van meetaf aan gezegd dat de burgerlijke partij S. D. C. als terreinafgevaardigde op het voetbalveld is gekomen om de vechtende spelers te scheiden en is steeds formeel blijven verklaren dat diens verwondingen het gevolg zijn van een vuistslag toegediend door de huidige beklaagde. Deze verklaring heeft hij voor de eerste rechter onder ede bevestigd in het bijzijn van de beklaagde. De beklaagde heeft steeds over de hele lijn ontkend. In zijn initiële verklaring van 28 november 2003 heeft hij gezegd : " Ik ontken dat ik op de bewuste voetbalmatch geslagen heb naar gelijk welke persoon. Ik heb niet geslagen en heb me niet agressief gedragen... Ik blijf deze zaak ontkennen. Ik kan door niemand aangeduid worden. Ik heb geen enkele reden om naar de voorzitter van die ploeg te slaan". Op de terechtzitting van 20 oktober 2004 zegde hij : " Ik ontken de feiten. Ik heb nog nooit iemand een slag gegeven." Geconfronteerd met de getuigenis van T. O. op 18 mei 2005 werd de volgende verklaring geacteerd : " Wat de getuige vertelt is niet waar. Ik heb wel een speler op het terrein een duw gegeven. D. C. heb ik niet gezien op het terrein". Op de terechtzitting van dit Hof, op 4 november 2009, blijft hij erbij dat hij de feiten niet gepleegd heeft. Uit het samenlezen van alle hoger geciteerde verklaringen blijkt dat de eerste rechter terecht de feiten (zoals thans geherkwalificeerd) lastens de beklaagde bewezen heeft verklaard. De beklaagde blijft echter tot op heden niet bereid om zijn verantwoordelijkheid op te nemen, hoogstens gaf hij toe aan een speler "een duw" te hebben gegeven. Er is geen enkele vorm van schuldinzicht. Het Hof kan wel aannemen dat het geenszins de bedoeling is geweest van de beklaagde om de burgerlijke partij D. C. S. te raken. De slag was immers bedoeld voor een speler, nl. voor V. E., die deze slag tijdig kon ontwijken, waardoor de burgerlijke partij per ongeluk werd geraakt. Het Hof kan evenzeer aanvaarden dat de beklaagde de erdoor veroorzaakte blijvende letsels niet heeft gewild (cfr. Cass. 15.02.2000, Arr. Cass.2000, nr. 120). Dit alles doet echter geen afbreuk aan de toepasselijkheid van het art. 400 S.W. nu dit bewezen misdrijf geen bijzonder opzet vereist, zodat de schuld van de dader betrekking heeft op al de gevolgen van het gepleegde geweld, ook al heeft de dader deze niet gewild of gewenst op het ogenblik dat de slagen of verwondingen toegebracht zijn. Straftoemeting Gelet op de thans weerhouden kwalificatie, een inbreuk op het art.400 S.W.,op basis waarvan de feiten door het Hof bewezen zijn verklaard, bedraagt de minimumstraf een hoofdgevangenisstraf van twee jaar gekoppeld aan een minimumgeldboete van euro 200,
  11. Normaliter, mocht de redelijke termijn niet zijn overschreden, zou het Hof tot een strafverzwaring besluiten, rekening houdend met de wettelijk voorziene minima. Rekening houdend evenwel met het gunstig strafrechtelijk verleden van de beklaagde, die geen voorgaanden heeft inzake gewelddelicten tegen personen, met het tijdsverloop sinds de feiten en - toepassing makend van het artikel 21 ter V.T.Sv. - is het Hof van oordeel dat de door de eerste rechter gehanteerde strafmaat, nl. een hoofdgevangenisstraf van vijf maanden (met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar) gekoppeld aan een effectieve geldboete van euro 200,00 dient bevestigd te worden. De eerste rechter heeft de opgelegde geldboete van euro 200,00 terecht verhoogd met 40 opdeciemen, nu de feiten werden gepleegd na 01.01.2002 en vóór 01.03.2004 en heeft terecht een vervangende gevangenisstraf voorzien van twee maanden. De eerste rechter heeft de beklaagde terecht veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten, de solidariteitsbijdrage, alsook tot de vaste vergoeding voor de kostprijs van de strafprocedure. De bijdrage tot financiering van het Bijzonder Fonds tot Hulp aan de Slachtoffers van Opzettelijke Gewelddaden of Occasionele Redders, als bepaald in art. 29, tweede lid van de Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale bepalingen, zoals gewijzigd bij Wet van 22 april 2003 en bij art.1 van het K.B. van 31 oktober 2005 dient thans te worden bepaald op euro 25,00 te vermeerderen met 45 opdeciemen tot euro 137,50 ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten; deze bijdrage heeft een eigen aard en is geen straf. De vaste vergoeding voor de kostprijs van de strafprocedure bedraagt thans opnieuw euro 25,00 ingevolge de vernietiging van het artikel 77, 2° lid van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bij arrest van de Raad van State nr. 188.981 van 17 december
  12. De beklaagde dient tevens te worden veroordeeld tot de kosten, in graad van beroep gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, begroot op euro alsook conform het artikel 162 bis Sv. tot de rechtsplegingsvergoeding ten bate van de burgerlijke partijen (cfr. infra). Burgerrechtelijk
  13. D.C. S. De burgerlijke partij D. C. S. tekende cijfermatig geen incidenteel hoger beroep aan. Diens vordering wordt cijfermatig betwist door de beklaagde. Uit de stukken, overgelegd door deze burgerlijke partij, samengelezen met de stukken overgelegd door het N.V.S.M. blijkt dat de burgerlijke partij op geen enkele wijze misbruik maakt van het dossier door "zijn beweerde schade op te kloppen", wat de beklaagde ook in zijn syntheseconclusie mag beweren. De gehanteerde percentages inzake tijdelijke en blijvende werkonbekwaamheid/invaliditeit zijn volkomen conform aan de bevindingen van de gerechtsdeskundige, wiens advies door het Hof reeds hoger is bijgetreden. De burgerlijke partij heeft zelfs het werk hervat op een ogenblik dat er nog een gedeeltelijke werkonbekwaamheid was van 25% - mits het leveren van meerinspanningen. Daardoor is de gevorderde schade minder hoog dan mocht er een loonverlies zijn geweest na de periode van gewaarborgd maandloon. Het is ook de logica zelf dat van een inwonende meerderjarige zoon verwacht wordt dat hij in beperkte mate (hier begroot op 35%) zijn alleenstaande moeder helpt in de huishouding. De beklaagde heeft dit feitelijk gegeven (blz.4 expertise) trouwens niet betwist op het ogenblik dat het deskundigenonderzoek in prelectuur werd toegestuurd. Wat de aantasting van de economische concurrentiepositie op de algemene arbeidsmarkt betreft, betekent dit in rechte dat - mocht de burgerlijke partij bij zijn huidige werkgever ontslagen worden - vb. om economische redenen of wegens bedrijfssluiting, dat hij dan als werkzoekende in concurrentie met volledig gezonde arbeiders wellicht het onderspit zou moeten delven ingevolge zijn gezichtsverlies. Ook deze schadepost is derhalve reëel en voor vergoeding vatbaar. Het Hof kent aan de burgerlijke partij - zoals de eerste rechter - in hoofdsom het gevorderd bedrag van euro 15.978,91 meer intresten en kosten toe. De door de eerste rechter toegekende vergoedende intresten zijn thans toewijsbaar tot op heden, zijnde de datum van huidig arrest. Vanaf heden zijn de gerechtelijke intresten - die door de eerste rechter per omissie niet waren toegekend - toewijsbaar op hoofdsom meer vergoedende intresten, tot aan de datum der daadwerkelijke betaling, dit alles aan de wettelijke intrestvoet.
  14. N.V.S.M De burgerlijke partij N.V.S.M. vorderde in eerste aanleg een provisie. In besluiten in graad van beroep breidt zij haar eis uit en vordert zij een definitief bedrag, in hoofdsom begroot op euro 2.051,
  15. Dit houdt een impliciet incidenteel hoger beroep in, dat ontvankelijk is. De wettelijke basis, die aan de oorsprong ligt van de door de burgerlijke partij ingestelde subrogatoire vordering is het art.136 §2 gec. K.B.14 juli 1994, bekrachtigd bij Wet van 9 januari 1995, thans betiteld als de gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Krachtens deze wetsbepaling treedt de verzekeringinstelling ( NVSM) die aan de rechthebbende op de ziekte- en invaliditeitsverzekering (D. C. S.) onder de door de Koning gestelde voorwaarden, de bij de wet bepaalde prestaties heeft toegekend, rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. Deze vordering wordt door stukken gestaafd en wordt cijfermatig door de beklaagde niet betwist. Aldus is toewijsbaar : euro 2.051,95 te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 19 november 2003 zoals gevorderd, tot heden, zijnde de datum van huidig arrest en vanaf heden met de gerechtelijke intresten op hoofdsom meer vergoedende intresten, tot aan de datum der daadwerkelijke betaling, dit alles aan de wettelijke intrestvoet.
  16. Rechtsplegingsvergoedingen Sinds 1 januari 2008 zijn het artikel 162bis Wetboek van Strafvordering (ingevoegd door art. 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 31 mei 2007) alsmede de bepalingen van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 9 november 2007) in werking getreden. De burgerlijke partijen vorderen in graad van beroep ieder de toekenning van het basisbedrag. Uiteraard is dit bedrag telkens te begroten naargelang de cijfermatige omvang van hun resp. toegekende vorderingen. Het Hof kent in graad van hoger beroep de basisrechtsplegingsvergoeding toe, begroot op euro 1.100,00 in hoofde van D. C. S. en op euro 400,00 in hoofde van het N.V.S.M. OP DEZE GRONDEN, het Hof, rechtdoende op tegenspraak Gelet op : - de artikelen 13 en 24 van de Wet van 15 juni 1935; - het artikel 400, al 1 Strafwetboek; - het artikel 21 ter V.T.Strafvordering ; - de artikelen 162 bis, 185, 189, 190, 194, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering; - het artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat; - het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 417, 782 bis en 1022 Gerechtelijk Wetboek; - het artikel 1382 Burgerlijk Wetboek; - de wetsbepalingen aangehaald in huidig arrest ; - de niet strijdige wetsbepalingen aangehaald door de eerste rechter al deze wetsbepalingen op de terechtzitting van heden aangehaald Gelet op het tussenarrest van dit Hof, deze kamer - anders samengesteld - van 26 september 2007; Rechtdoende nopens de reeds ontvangen hoger beroepen; Na herneming van de zaak met de huidige samenstelling van de zetel; Zegt voor recht dat de navolgende stukken, aangewend door de beklaagde en voortkomend uit het tuchtrecht, op vordering van het Openbaar Ministerie, uit de debatten worden geweerd, met name : - in het strafdossier: de stukken genummerd als volgt 14-16, 24-26 (onderkaft 1) alsook de brief met bijlage dd. 6.12.04 van Mr. Westerlinck (onderkaft 27 - brief wisseling en dubbels); - in het dossier van de rechtspleging in graad van hoger beroep : de stukken, neergelegd door de raadsman van de beklaagde op 27.06.2007 : 1 t.e.m. 6 en 10 alsook (dezelfde) stukken neergelegd op 04.11.2009 : 1 t.e.m. 6 en 10 ; - in de syntheseconclusie van de beklaagde worden de blz. 5 en 6 als niet geschreven beschouwd; Zegt voor recht dat het Hof niet overgaat tot het horen van de getuige H. B.; Strafrechtelijk Herkwalificeert de feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging als volgt : "... waarbij de slagen of verwondingen, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben" (art.400 lid 1 S.W.) Bevestigt het bestreden vonnis, mits deze wijzigingen : - dat de door de eerste rechter aan de beklaagde S. B. opgelegde straftoemeting behouden blijft op basis van de bewezen gebleven feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging, zoals thans geherkwalificeerd, met toepassing van het artikel 21 ter V.T.Sv ; - dat de solidariteitsbijdrage thans begroot wordt op euro 137,
  17. Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, in graad van hoger beroep gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, begroot in het geheel op 222,71 euro; met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, zoals hierna bepaald. Burgerrechtelijk
  18. ten aanzien van D. C. S. Bevestigt het bestreden vonnis mits deze wijzigingen : - dat inzake de vergoedende intresten de woorden "tot op heden" dienen gelezen te worden als zijnde de datum van huidig arrest ; - dat tevens de gerechtelijke intresten verschuldigd zijn op hoofdsom meer vergoedende intresten, tot aan de datum der daadwerkelijke betaling, dit alles aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt de beklaagde tevens tot het betalen van de kosten, in graad van hoger beroep gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij, alsook tot betaling van de basisrechtsplegingsvergoeding, in graad van hoger beroep begroot op euro 1.100,
  19. ten aanzien van het N.V.S.M. Verklaart het door het NVSM ingestelde incidenteel hoger beroep ontvankelijk; Hervormt het bestreden vonnis in de mate zoals hierna bepaald : Veroordeelt de beklaagde B. S. om te betalen aan het N.V.S.M in hoofdsom het bedrag van euro 2.051,95 te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 19 november 2003 tot op heden, zijnde de datum van huidig arrest en vanaf heden met de gerechtelijke intresten op hoofdsom meer vergoedende intresten, tot aan de datum der daadwerkelijke betaling, dit alles aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt de beklaagde tevens tot het betalen van de kosten, in beide aanleggen gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij, alsook tot betaling van de basisrechtsplegingsvergoeding, in graad van hoger beroep begroot op euro 400,
  20. Dit arrest is gewezen te Gent door het Hof van Beroep, achtste correctionele kamer, samengesteld uit raadsheer Ingrid Mallems, als waarnemend voorzitter, raadsheren Fabienne De Tandt en Martine De Busscher en in openbare terechtzitting van 10 februari 2010 uitgesproken door waarnemend voorzitter Ingrid Mallems, in aanwezigheid van Luc Decreus, Advocaat-generaal, met bijstand van griffier Liesbeth Van Isterdael Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.