← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100211.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100211.7 Rolnummer: 2007/AR/0459 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-04-23 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 21:23 Fiche Een product is gebrekkig, in de zin van de wet van 25 februari 1991, wanneer het niet de veiligheid biedt, die men gerechtigd is ervan te verwachten. Een frisdrankfles, die breekt en waarbij een stuk glas met kracht wordt weggeslingerd, zonder dat daar een abnormale manipulatie aan voorafgaat, vertoont een gebrek in de zin van deze wet. Eens het bewijs is geleverd van het gebrek en de schade en van het causaal verband tussen beide, is de producent van het product aansprakelijk, behoudens hij aannemelijk maakt dat het gebrek, dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip, waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KWALITEIT VAN GOEDEREN EN DIENSTEN - Productaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor diensten Vrije woorden: Wet productenaansprakelijkheid - Veiligheid, die men gerechtigd is van een product te verwachten - Begrip Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 11 februari 2010 TUSSENARREST (aanstelling deskundige dr. Christian De Vuyst, Baron J. Ryelandtstraat 5, 8000 Brugge - bijzondere rol) (definitief t.a.v. Mores Armand) 2007/AR/459 in de zaak van:

  1. H........ G.......t, informaticus-zaakvoerder, eerste appellant, en zijn echtgenote:
  2. D...P....... M.....-P......, huishoudster, tweede appellante,
  3. H...... L........ (geboren op 22 maart 1984), studente, derde appellante, allen wonende te ..................................., en hebbende als raadsman mr. VANDER SCHELDEN Jacques, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Voorburg 3 tegen:
  4. HAACHT BROUWERIJ N.V., met maatschappelijke zetel te 3190 BOORTMEERBEEK, Provinciesteenweg 28, ingeschreven met KBO-nummer 0415.276.794, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CASIER Philippe, advocaat te 8500 KORTRIJK, Louis Verweestraat 2
  5. M.........A............, bierhandelaar, wonende te ....................., ingeschreven met KBO-nummer ................., tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE MEYER Roland, advocaat te 9000 GENT, Zuidstationstraat 21 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 15 februari 2007 hebben G......... H........., M......-P....... D....... P.......... en L........ H..........tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 november 2006, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Oudenaarde. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  6. Op 5 oktober 2001 was L.......H........... (geboren op 22 maart 1984), de toen nog minderjarige dochter van G........ H........ en M......-P....... D....... P.......... (thans allen appellanten), aanwezig op een fuif in zaal ‘De Volksbond' te Ronse, georganiseerd door de laatstejaarsstudenten van het Maria College. L....... H......... hielp mee met de bediening van frisdranken en toen zij op zeker ogenblik een fles Pepsi Cola uit de koelkast haalde en de dop wilde opendraaien, volgde een luide knal en kreeg zij een stuk glas, dat was weggesprongen van net onder de flessendop, in het rechter oog. Het slachtoffer werd overgebracht naar het ziekenhuis, waar zij werd behandeld, maar er zijn blijvende letsels te weerhouden. Brouwerij Haacht (eerste geïntimeerde), als producent van de bewuste fles Pepsi Cola, en A......... M.......... (tweede geïntimeerde), als drankenleverancier, worden door appellanten aansprakelijk gesteld voor dit schadegeval op basis van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, ondergeschikt artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek, en, nog meer ondergeschikt, de artikelen 1641 tot 1645 van het burgerlijk wetboek. Met dagvaarding van 8 augustus 2003 vorderen appellanten de solidaire veroordeling van geïntimeerden tot betaling van één euro provisie aan G....... H........-M.......-P....... D... P............... en een provisie van euro 12.500,00 aan L........ H............, met de aanstelling van een medisch deskundige. Bij niet bestreden vonnis van 14 oktober 2003 wordt M. B.......... aangesteld als deskundige, met als opdracht een gemotiveerd advies uit te brengen over de oorzaak van het ongeval.
  7. Onder verwijzing naar het advies van de deskundige, die besluit dat de fles niet is ontploft, maar gebroken ten gevolge van een impact aan de mondopening die het dichtheidsverlies van de fles teweeg heeft gebracht, besluit de eerste rechter dat de aansprakelijkheid van geïntimeerden niet in het gedrang komt. De vordering van appellanten wordt als ongegrond afgewezen en de vordering in vrijwaring van tweede geïntimeerde tegen eerste geïntimeerde wordt zonder voorwerp bevonden.
  8. Appellanten zijn het niet eens met de bevindingen van de deskundige en de beslissing van de eerste rechter. Zij hernemen hun initiële vorderingen op grond van de reeds voor de eerste rechter aangehaalde rechtsgronden.
  9. Beide geïntimeerden besluiten tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. Tweede geïntimeerden stelt bovendien een bewarend incidenteel hoger beroep in, waarbij hij zijn vordering in vrijwaring tegen eerste geïntimeerde herneemt. beoordeling
  10. Los van de discussie over het al dan niet bestaan van een gebrek aan de fles moet worden vastgesteld dat op het ogenblik van het ongeval geen van beide geïntimeerden de bewaarder was van de fles, zodat hun aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek niet kan worden weerhouden. Er kan geïntimeerden ook geen fout of nalatigheid worden verweten door de kwestieuze fles in het handelsverkeer te hebben gebracht. Hun aansprakelijkheid komt evenmin in het gedrang op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek. Tenslotte is er geen contractuele band tussen appellanten en geïntimeerden, zodat de vordering van appellanten niet kan worden gestoeld op de artikelen 1641 en volgende van het burgerlijk wetboek.
  11. Appellanten verwijten de eerste rechter dat hij hun vordering heeft afgewezen op grond van de bevindingen van de gerechtelijk deskundige, zonder rekening te houden met de door hen in hoofdorde aangevoerde rechtsgrond, meer in het bijzonder de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat op grond van deze wet enkel eerste appellante als producent kan worden aangesproken. Tweede appellant kan als leverancier niet worden aansprakelijk gesteld op grond van deze wet. In de zin van de wet op de productenaansprakelijkheid is een product gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, in acht genomen de presentatie van het product, het normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik ervan en het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht. In uitvoering van de hem bij vonnis van 14 oktober 2003 toevertrouwde opdracht heeft gerechtsdeskundige B..........de kwestieuze fles aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen en zelfs een reconstructie van het incident uitgevoerd. Hij is daarbij tot de vaststelling gekomen dat de fles niet ontploft is, maar gebroken ten gevolge van een impact aan de mondopening die het dichtheidverlies van de fles heeft teweeggebracht. Volgens hem is de fles ogenblikkelijk gebroken op het ogenblik van de impact, zonder tussenkomst van interne druk van de spuitdrank. De deskundige geeft evenwel toe dat het geheel van zijn vaststellingen niet overeenstemt met de ontvangen getuigenissen tijdens de samenstelling van het dossier. Uit de verklaring van G....... H..............in het strafdossier blijkt dat L......... H....... de fles uit de koelkast had gehaald en dat een stuk glas van onder de stop is weggesprongen op het ogenblik dat zij de dop begon open te draaien. Dit strookt met de verklaring van L.........D....R.........., die zich eveneens achter de toog bevond en die bevestigt dat hij L......., die achter hem stond, plots iets hoorde roepen. Toen hij omkeek, zag hij dat Lien een fles cola in haar hand had, die ze neerzette. S......... D..... heeft het ongeval weliswaar niet zien gebeuren, maar ook hij verklaarde in tempore non suspecto dat hij had vernomen dat er bij het openen van een fles Pepsi Cola eens stuk glas was weggevlogen in haar oog. Er is bijgevolg geen enkel gegeven in het dossier dat wijst op een ongebruikelijke manipulatie van de fles of op een (abnormaal) gebruik dat aanleiding kon geven tot een relatief belangrijk impact. Uit de betrouwbare getuigenissen blijkt dat de breuk is ontstaan toen het slachtoffer de fles in de hand had, hetgeen moeilijk te rijmen valt met de mening van de deskundige dat de fles ogenblikkelijk gebroken is op het ogenblik van de impact (en niet is ontploft ten gevolge van een interne druk). Zonder afbreuk te doen aan de bevindingen van de gerechtsdeskundige leidt de vaststelling dat het mogelijk is dat in de door de getuigen beschreven omstandigheden een fles op een dergelijke wijze kan breken, waarbij een stuk glas met kracht wordt weggeslingerd (met zware gevolgen), tot het besluit dat de fles een gebrek vertoont in de zin van de wet op de productenaansprakelijkheid. De fles bood immers niet de veiligheid, die men gerechtigd was ervan te verwachten, rekening houdend met het normaal gebruik ervan. Appellanten leveren tevens het bewijs van de schade en van het causaal verband tussen het gebrek en de schade. Als producent zou eerste geïntimeerde slechts aan haar aansprakelijkheid kunnen ontsnappen in de mate zij het aannemelijk maakt dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop zij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan. Zij toont dit echter niet aan.
  12. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vordering van appellanten principieel gegrond voorkomt, in de mate als gesteld tegen eerste geïntimeerde. Hun vordering tegen tweede geïntimeerde is ongegrond. Diens incidenteel hoger beroep (vordering in vrijwaring tegen eerste geïntimeerde) is zonder voorwerp. Aan de echtgenoten H.......-D....... P....... kan een provisionele vergoeding van één euro worden toegekend. Aan L........ H.......e kan een algemene provisie van euro 10.000,00 worden toegekend, met de aanstelling van een deskundige, teneinde advies te verlenen omtrent de schade, met de opdracht zoals hierna bepaald.
  13. De beslissing over de kosten dient te worden aangehouden, behalve wat betreft de kosten aan de zijde van tweede geïntimeerde, die ten laste vallen van appellanten. Tweede geïntimeerde berekent de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten onrechte op de door appellanten geraamde schade. Gelet op het door L.... H........ effectief gevorderd bedrag (provisie van euro 12.500,00), dient het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald op euro 1.100,
  14. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar. Verklaart het gegrond in de mate als gesteld tegen eerste geïntimeerde en ongegrond in de mate als gesteld tegen tweede geïntimeerde. Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het oordeelt over de vordering gericht tegen tweede geïntimeerde. Opnieuw wijzende: Verklaart de vordering van appellanten tegen eerste geïntimeerde als volgt gegrond: Veroordeelt eerste geïntimeerde om aan G....... H......... en M.......-P......... D.... P........ te betalen de provisionele som van één euro en aan L..... H............. de provisionele som van euro 10.000,
  15. Vooraleer verder te oordelen, beveelt een deskundigenonderzoek. Stelt aan als deskundige, bij gebrek aan partijkeuze, dr. D.. V...... C....., oogarts, ........................, tel. ............. - e-mail ....................... met als opdracht: de partijen te aanhoren, kennis te nemen van de verklaringen, de stukken en de bundels die partijen hem overeenkomstig artikel 972bis, § 1, 2e lid Ger.W. zullen overmaken, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden; in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof:
  16. L...... H.......... te onderzoeken en de door haar ten gevolge van het ongeval van 5 oktober 2001 opgelopen letsels te beschrijven;
  17. de periodes en de graad van tijdelijke werkongeschiktheid te bepalen, evenals de consolidatiedatum en het percentage van de blijvende invaliditeit en/of werkongeschiktheid, en advies te geven over de esthetische schade;
  18. advies te geven over de eventuele meerinspanningen tijdens de studies van L........H............ en de eventuele reserves voor de toekomst;
  19. alle dienstige vragen van partijen te beantwoorden; dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 e.v. Ger.W., hetgeen onder meer inhoudt dat: - alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het uiterst technisch karakter van sommige verrichtingen; - een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen; - het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden. Zegt verder dat dit arrest door de griffie binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden. Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. Zegt dat, bij gebreke van een installatievergadering: - de deskundige na de kennisgeving overeenkomstig artikel 972 §1, tweede lid van het gerechtelijk wetboek of, in voorkomend geval, na kennisgeving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987 Ger.W., over vijftien dagen beschikt teneinde de plaats, de dag en het uur van zijn/haar werkzaamheden mee te delen en hiervan kennis zal geven bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden; - de deskundige in de loop van zijn opdracht zelf zal bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; - de deskundige aan de partijen zelf een raming zal laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; - het bedrag van het voorschot dat door eerste geïntimeerde ter griffie dient te worden geconsigneerd, wordt bepaald op 1.000,00 euro; de consignatie dient te gebeuren binnen de maand na de kennisgeving bedoeld in art. 972 §1 Ger.W.; - het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige wordt bepaald op 500,00 euro; de griffie stort het vrijgegeven deel door naar de deskundige van zodra het voorschot aldaar in consignatie werd gegeven; - de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op 5 maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid Ger.W. ("Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing."). Wijst kamervoorzitter Dirk Floren aan om het verder verloop van de onderzoek te volgen, overeenkomstig artikel 973 van het gerechtelijk wetboek. Wijst de zaak voor verdere afhandeling naar de bijzondere rol van deze kamer. Stelt vast dat het door tweede geïntimeerde ingesteld hoger beroep zonder voorwerp is. Verwijst appellanten in de kosten van de beroepsinstantie gevallen aan de zijde van tweede geïntimeerde en begroot op euro 1.100,00 rechtsplegingsvergoeding. Houdt de beslissing over de overige kosten aan. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, kamervoorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ELF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.