← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100222.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100222.2 Rolnummer: 2009/AR/3031 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-02 21:26 Fiche Uit de aard van het faillissement en uit de aard van de opdracht van de curator volgt dat de persoon, die belast is met de opdracht om de collectieve procedure tot en goed einde te brengen, moet betrokken worden bij het hoger beroep, dat precies gaat over het al dan niet vervuld zijn van de faillissementsvoorwaarden, waaruit de toekenning van de opdracht voortvloeit. Indien de curator niet van in het begin mee in het beroep is geroepen, kan de procedure geregulariseerd worden door een tussenkomst in de zaak binnen de gewone termijnen van het hoger beroep en voor de sluiting van de debatten. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - curator betrokken bij het hoger beroep wanneer het hoger beroep gaat over het al dan niet vervuld zijn van de faillissementsvoorwaarden Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 22 februari 2010 ________ INTREKKING FAILLISSEMENT 2009/AR/3031 - In de zaak van: G. J., wonende te ................................, ingeschreven met KBO-nummer .............., appellant, eiser tot gedwongen tussenkomst, hebbende als raadsman mr. DE BROUWER Paul, advocaat te 9506 SCHENDELBEKE, Moenebroekstraat 33, (referte: C-G.-1) tegen:

  1. de PROCUREUR DES KONINGS bij DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE DENDERMONDE, het ambt uitoefenend van openbaar ministerie, in graad van beroep waargenomen door de PROCUREUR-GENERAAL bij het HOF VAN BEROEP TE GENT, met kabinet in het gerechtsgebouw te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, eerste geïntimeerde, verschijnend in de persoon van advocaat-generaal Willem de Pauw,
  2. R. I., advocaat, met kantoor gevestigd te .........................., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de G. J., wonende te ........................., ingeschreven met KBO-nummer ................, failliet verklaard bij vonnis van 9 november 2009 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, geïntimeerde q.q., gedaagde tot gedwongen tussenkomst, in persoon, velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
  3. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 27 november 2009 tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Den-dermonde, zesde kamer, (09/3273/A) van 9 november
  4. Een akte van betekening van 17 december 2009 wordt voorgelegd (stuk 2 van het dossier van appellant). Op 7 januari 2010 dagvaardt de heer G. de curator q.q. om hem te doen tussenkomen in het huidige geding. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. Het Openbaar Ministerie nam geen conclusie maar bracht monde-ling zijn standpunt naar voren op de zitting van 25 januari 2009, bij monde van de heer W. De Pauw, Advocaat-Generaal. De partijen kregen de gelegenheid een repliek te formuleren. De procedure gebeurde op tegenspraak. II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aan-leg
  5. De overblijvende betwisting betreft de vragen of: 1) het hoger beroep toelaatbaar is, nu de curator in het geding in hoger beroep betrokken werd door middel van een dag-vaarding zestien dagen na de betekening van het faillissementsvonnis; 2) het hoger beroep gegrond is, gelet op het feit dat de gefailleerde een stille vennoot was in een failliet verklaarde gewone commanditaire vennootschap.
  6. De heer G. is stille vennoot in een gewone commanditaire vennootschap op aandelen, opgericht op 1 april 2003 (stuk 1 van het dossier van appellant). De oprichtingsakte vermeldt uitdrukkelijk dat de heer G. stille vennoot is. De heer G. bracht euro 10,00 in, wat één aandeel vertegenwoordigde. De curator q.q. schrijft in zijn conclusie dat een eerste nazicht van de boeken en stukken van het faillissement geen enkele aanwijzing oplevert dat de heer G. daden van beheer zou gesteld hebben. Het Openbaar Ministerie meldt ter zitting van 25 januari 2010 dat reeds in eerste aanleg geen betwisting bestond met betrekking tot het feit dat de heer G. een stille vennoot is. Op 9 november 2009 wordt de commanditaire vennootschap failliet verklaard, bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dender-monde.
  7. In een vonnis van dezelfde datum wordt de heer G. eveneens failliet verklaard. De eerste rechter verwijst naar het faillissement van de GVC Noble's Flooring (hierna GVC) en naar artikel 204 Wb. Venn., met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aandeelhouder van de commanditaire vennootschap. De datum van staking van betalingen wordt bepaald op datum van het vonnis. III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
  8. De heer G. tekent hoger beroep aan met als grief dat hij een stille vennoot was, dat hij ten hoogste voor zijn inbreng van euro 10,00 kan gehouden zijn in toepassing van artikel 204 Wb. Venn. en dat hij bijgevolg ten onrechte persoonlijk failliet verklaard werd.
  9. De curator q.q. vordert het hoger beroep ontoelaatbaar te verklaren. Een hoger beroep tegen een faillissementsvonnis is een onsplitsbaar geschil, reden waarom niet alleen de partij die dagvaardde tot faillissement, maar ook de curator bij de procedure in hoger beroep moet betrokken worden. bovendien moet dit binnen de termijn be-paald in artikel 14 Faillissementswet gebeuren, op straffe van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep.
  10. Het Openbaar Ministerie is mondeling van oordeel dat het hoger beroep toelaatbaar en gegrond is en dat het faillissement dienvolgens moet worden ingetrokken. IV Beoordeling Het hoger beroep is toelaatbaar Op de volgende gronden oordeelt het Hof dat het hoger beroep toelaatbaar is.
  11. De Faillissementswet bepaalt niet uitdrukkelijk dat het hoger beroep ook tegen de curator moet gericht worden. Toch is het hof van oor-deel dat de curator, die geen partij is in het geding over de faillissementsvoorwaarden maar aangesteld wordt bij vonnis van failliet verklaring (artikel 11 Faillissementswet), noodzakelijk aanwezig is in een eventuele verdere procedure met betrekking tot de faillisse-mentsvoorwaarden. Een faillissement impliceert een collectief beslag op het vermogen van de gefailleerde. De curator heeft tot taak als een goede huisvader het vermogen van de gefailleerde te beheren, te vereffenen en de opbrengst van dit vermogen wetsconform te verdelen (Cass. 1 december 1989, R.W. 1989-90, 1260 (verkort); Cass. 2 maart 1995, T.B.H. 1995, 569, noot, J.L.M.B. 1995, 1195, noot C. Parmentier, R.W. 1995-96, 538, noot, Bull. 1995, 250, conclusie E. Liekendael, Arr. Cass. 1995, 247, Pas. 1995, 250; VEROUGSTRAETE, I., "De schyzotyme cura-tor", noot onder Luik, 9 januari 1987, T.B.H., 1987, 290, nr. 5). De curator zal de machten die hij uit de wet put als een goed en neutraal huisvader uitoefenen in het belang van de schuldeisers zowel als van de gefailleerde (cfr. ook Grondwettelijk Hof nr. 46/2009, 11 maart 2009 (prejudiciële vraag) http://www.const-court.be (13 maart 2009)). Uit de aard van het faillissement en uit de aard van de opdracht van de curator volgt dat de persoon, die belast is met de opdracht om de collectieve procedure tot een goed einde te brengen, moet be-trokken worden bij het hoger beroep. Dit hoger beroep gaat precies over het al dan niet vervuld zijn van de faillissementsvoorwaarden, waaruit het toekennen van de opdracht voortvloeit.
  12. Artikel 14, vierde lid van de Faillissementswet bepaalt onder meer dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis van failliet verklaring 15 dagen bedraagt na de betekening van het vonnis, indien de gefailleerde hoger beroep aantekent. De wet bepaalt niet uitdrukkelijk dat de curator mee in het hoger beroep moet betrokken worden. Om die reden is de termijn van artikel 14, vierde lid Faillissementswet niet van toepassing. Deze termijn van vijftien dagen vormt een uitzondering op de gemeenrechtelijke termijnen om hoger beroep aan te tekenen en moet dus, bij toepassing van het beginsel dat uitzonderingen restrictief geïnterpreteerd en toegepast worden, niet uitgebreid worden naar andere situaties dan deze die door de Faillissementswet bepaald zijn. Nu de afwezigheid van de curator in hoger beroep aanleiding kan geven tot een situatie waarbij de gezamenlijke tenuitvoerlegging van onderscheiden beslissingen materieel onmogelijk is, moet besloten worden dat het geschil onsplitsbaar is in de zin van artikel 31 Ger. Wb.. Om die reden moeten de termijnen zoals bepaald in artikel 1053 lid 2 Ger. Wb. toegepast worden. Dit bepaalt dat de eiser in hoger beroep de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termij-nen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak moet betrekken. Indien de curator niet van in het begin mee in het beroep geroepen is, kan de procedure geregulariseerd worden door een tussenkomst in de zaak binnen de gewone termijnen van het hoger beroep en voor de sluiting van de debatten (VEROUGSTRAETE, I., et al., Manuel de la faillite et du concordat, ed. 2003, 308, nr. 478, met referentie naar Cass., 20 december 1990, T.B.H., 1991,
  13. Zie ook Brussel, 25 mei 2005, R.W., 2006-2007, 1366; Antwerpen, 16 no-vember 2006, T.B.H., 2006, 1062). In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van Cassatie van 26 januari 2004 (C020608F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040126.11, www.cass.be) waren bepaalde eisers in het faillissement niet mee betrokken in het hoger beroep. De curator was wel betrokken in het hoger beroep. Bovendien was er in de loop van de procedure geen sprake van een regularisatie. Om die redenen is deze zaak te onderscheiden van de voorliggende. Tenslotte wijst het Hof, voor zover nog nodig, op het feit dat de curator geen partij was in het faillissementsvonnis. In het vonnis van faillietverklaring stelt de rechtbank van koophandel één of meer curatoren aan (artikel 11 Faillissementswet). Indien de curator geen partij is in de strikte zin van het woord, dan zijn de termijnen van de Faillissementswet voor het aantekenen van hoger beroep ook niet van toepassing op het betrekken van hem of haar in het geding en kunnen de gewone termijnen toegepast worden.
  14. Er is geen betwisting omtrent het feit dat de curator in tussenkomst gedagvaard werd binnen de gewone termijnen van het hoger beroep. Het faillissement wordt ingetrokken
  15. De oprichtingsakte van de inmiddels failliet verklaarde GCV bepaalt uitdrukkelijk dat de heer G. een stille vennoot is. Geen enkel stuk van het dossier laat toe te besluiten dat de heer G. daden van beheer gesteld heeft in de vennootschap. Het faillissement van de GCV kon derhalve het faillissement van de heer G. niet automatisch tot gevolg hebben. Bijgevolg wordt het faillissement ingetrokken. Kosten
  16. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. de Belgische Staat tot betaling van de kosten veroordeeld. De basis rechtsplegingvergoeding bestaat voor beide aanleggen uit euro 1.200,00 (voor een niet in geld waardeerbare vordering). De curator kan bij wet geen aanspraak maken op een rechtsple-gingvergoeding. OP DIE GRONDEN, het hof, Het hoger principaal beroep is toelaatbaar en gegrond. Het Hof: - hervormt het bestreden vonnis; - verklaart de oorspronkelijke vordering toelaatbaar maar ongegrond; - beveelt de publicatie van de intrekking van het faillissement bij uittreksel in de bijlage van het Belgisch Staatsblad, op kosten van de Belgische Staat; - veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: appellante: eerste aanleg: rechtsplegingvergoeding: euro 1.200,00 hoger beroep: rolrecht: euro 186,00 rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 1.200,
  17. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag tweeëntwintig februari tweeduizend en tien. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040126.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.