id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100223.3 Rolnummer: 2000/AR/1945 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 21:26 Fiche Afstand geding. De curator van het faillissement liet aan het Hof weten dat de curatele het geding niet wenste te hervatten. Hierdoor gaf hij impliciet te kennen dat de appellante afstand deed van het geding. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - curator - hervatting geding - afstand Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5be kamer ________ terechtzitting van 23-02-2010 BELASTINGEN Afstand geding Nr.2000/AR/1945 in de zaak van: AUTOROYAL N.V., met maatschappelijke zetel te 8420 DE HAAN, Dorpsstraat 20 (ondernemingsnummer 0420.246.956) - in faling verklaard bij vonnis van 19.5.2009 van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, 1bis kamer -, appellante - niet verschijnend - arrest op tegenspraak in toepassing van art.747 § 2 Ger.W. tegen: DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Controlekantoor te Blankenberge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8370 BLANKENBERGE, Groenstraat 86, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN DER PERRE Joseph, advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10.4.1998 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Voor deze rechtbank vorderde de appellante dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld om te betalen aan de appellante: • 354.113 BEF (8.778,23 EUR) te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 19.6.1997, dit tot en met de dag der integrale betaling; • 1.435.000 BEF (35.572,72 EUR) te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 20.8.1997, dit tot en met de dag der integrale betaling. Deze vordering strekt volgens de appellante tot terugvordering van de BTW die zij ten onrechte zou betaald hebben aan de geïntimeerde, meer accessoria. Bij vonnis van 3.1.2000 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vijfde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd zij veroordeeld tot de kosten. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 29.9.2000 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de appellante te horen toekennen. De geïntimeerde van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
- De appellante werd failliet verklaard bij vonnis van 19.5.2009 van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, 1bis kamer. De curator van het faillissement liet per faxbericht van 21.1.2010 aan het Hof weten dat de curatele het geding in ieder geval niet wenste te hervatten (zie het procedurestuk 30 berustend in het gerechtsdossier). Het geding heeft uitsluitend tot voorwerp een vordering van de gefailleerde tegen de geïntimeerde, zodat in beginsel de geïntimeerde geen schuldvordering heeft om in te dienen in het faillissement, tenzij voor de kosten van de procedure. Er blijkt geen aangifte van schuldvordering door de geïntimeerde te zijn gedaan, zodat het huidig geding niet als "hervat" kan beschouwd worden in toepassing van artikel 63bis derde lid Faill.w. Ook al treedt de appellante op als eiser, moet het geding geacht worden een geding te zijn met betrekking tot de boedel in de zin van artikel 63bis Faill.w., zodat het geding van rechtswege geschorst was ingevolge het faillissement. De vordering heeft betrekking op terugvordering van belastingen meer accessoria en heeft derhalve betrekking op de boedel. De curator was dan ook bevoegd om op zijn verantwoordelijkheid te beslissen of hij het geding verderzette of niet. Waar de curator kennis heeft genomen van de procedure, en hij besliste het geding in ieder geval niet te hervatten, heeft hij in de gegeven omstandigheden hierbij impliciet maar zeker te kennen gegeven dat de appellante afstand deed van het geding voor het Hof van Beroep (artikel 820 en 824 Ger.W.). Er zijn te dezen geen redenen voorhanden om de afstand van geding te weigeren, zodat hij moet worden ingewilligd. De appellante dient in beginsel veroordeeld te worden tot de kosten van het geding (artikel 827 Ger.W.). Daar de curator het geding niet hervat is dit hem en de boedel evenwel niet tegenstelbaar. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak in toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W., Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Decreteert de afstand van het geding; Veroordeelt de appellante tot de kosten gevallen aan de zijde van de geïntimeerde in graad van hoger beroep, en begroot op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op DRIEËNTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. Aanwezig de Heren: G.Tillekaerts, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend, M.Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div