← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100225.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100225.17 Rolnummer: Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-07-02 21:27 Fiche In een procedure tot voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure tussen hun ouders, is de vrijwillige tussenkomst van de minderjarige kinderen teneinde te worden gehoord onontvankelijk.Het hof wijst het hoger beroep van de kinderen af als niet ontvankelijk. Het hoorrecht van het kind in de procedures die het betreffen, houdt geenszins het recht in op tussenkomst in diezelfde procedures.Het hof stelt vast dat er geen sprake kan zijn van een belangenconflict tussen de minderjarige kinderen en hun wettelijke vertegenwoordigers, in casu hun beide ouders, in een geschil dat in essentie betrekking heeft op hun verblijfsregeling. De aanstelling van een voogd ad hoc dringt zich niet op.Door de invoering van artikel 931, 3de - 7de lid Ger.W. is een beroep op de vrijwillige tussenkomst om gehoord te worden overigens niet nodig, maar gelet op zijn inhoud, kan een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst wel beschouwd worden als een verzoek om gehoord te worden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen Vrije woorden: Echtscheiding - voorlopige maatregelen - art. 1280 Ger.W. - vrijwillige tussenkomst minderjarige kinderen - onontvankelijkheid - voogd ad hoc - hoorrecht kinderen - art. 931 Ger.W. - art. 12 IVRK Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 25 februari 2010 ________ Samengevoegde zaken : 2009/RK/136 2009/AR/1186 ________ 2009/RK/136 - In de zaak van: D'............. K................., lerares, wonende te .........................., appellante, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzitting van 12 november 2009- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. GILLIS Lutgart, advocaat te 9320 EREMBODEGEM, Ninovesteenweg 118, tegen: J.......... H............. leraar, wonende te ........................., geïntimeerde, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzit-ting van 12 november 2009- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. VERMEULEN Benjamin, advocaat te 9300 AALST, Leopoldlaan 32A, en 2009/AR/1186 - In de zaak van:

  1. J........... L.............., wonende te .........................., eerste appellant,
  2. J........... B............, wonende te ........................, tweede appellant,
  3. J........... R.............., wonende te ........................., derde appellant, appellanten werd de gunst van de rechtsbijstand verleend bij beschikking van 01 april 2009 van het bureau voor rechtsbijstand in het hof alhier (2009/PD/65), appellanten hebbende als raadsman mr. DERVEAUX Katrien, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Sint-Gillislaan 6 bus 7, tegen:
  4. D'.................. K............., wonende te .........................., eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GILLIS Lutgart, advocaat te 9320 EREMBODEGEM, Ninovesteenweg 118,
  5. J.............. H............., leraar, wonende te ....................., tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERMEULEN Benjamin, advocaat te 9300 AALST, Leopoldlaan 32A, velt het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 12 mei 2009, heeft K................... D'.................... hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen die op 21 februari 2007, 17 december 2007 en 17 november 2008 in kort geding werden verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde (2009/RK/136, hierna kortheidshalve vermeld als zaak I). Daarin werd geoordeeld over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure tussen K.............. D................. en H............ J............. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 30 april 2009, hebben L............. J..............., B.........J.......... en R.............J................ hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 29 september 2008 in kort geding werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde (2009/AR/1186, hierna kortheidshalve vermeld als zaak II). De partijen werden in beide zaken I en II, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting van 12 november
  6. K............... D............en H.............. J................ wa-ren tevens in persoon aanwezig en werden gehoord. Substituut-procureur-generaal Chantal LANSSENS werd ter zelfde terechtzitting gehoord in haar, gelet op de omstandigheden van de zaak, mondeling uitgebracht advies. K............. D.................... formuleerde, bij monde van haar raadsman, haar opmerkingen in de zaak I. L.............. J............., B............. J................, R............J.............. en K.............. D'................formuleerden, bij monde van hun respectieve raadslieden, hun opmerkingen in de zaak II. H..........J............., bij monde van zijn raadsman, zag af van zijn recht op repliek in de zaken I en II. De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken, voor zover in de debatten gehouden, werden ingezien. De raadsman van K............. D'................ legde in de zaken I en II een stukkenbundel neer met een inventaris, die 18 stukken vermeldt. De raadsman van H............ J............... legde een stukkenbundel neer met een inventaris, die 12 stukken vermeldt, en dit eveneens in de zaken I en II. De raadsman van L........... J.............., B........... J.............. en R............. J............. legde een stukkenbundel neer met een inventaris, die 1 stuk vermeldt in de zaak II. DE RELEVANTE FEITEN EN DE PROCEDUREVOORGAANDEN
  7. K............... D'............. en H...............J........ huwden te Lede op 13 juli 1990 onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, waarvan er nog drie in leven zijn: - L.......... J..........., geboren te Aalst op 20 juli 1996; - B...........J.............., geboren te Aalst op 20 juli 1996; - R............. J................., geboren te Aalst op 13 maart
  8. K............. D'.................E en H...........J.................... zijn de betrokken partijen in de procedure I, hetzij de beroepsprocedure tegen de kort geding procedure ex art. 1280 Ger.W. gekend on-der 06/346/C waarin de beschikkingen van 21 februari 2007, 17 december 2007 en 17 november 2008 zijn bestreden (cf. verder infra). L........... J..........., B........... J......... en R............ J............., namelijk hun minderjarige kinderen, zijn samen met hun ouders voormeld de betrokken partijen in de zaak II, hetzij de beroeps-procedure tegen de beschikking van 29 september 2008 waarin hen o.a. akte werd verleend van hun verzoek tot vrijwillige tussenkomst in dezelfde procedure 06/346/C, doch dit als onont-vankelijk werd afgewezen (cf. verder infra).
  9. K.............. D'............ stelde op 28 juli 2006 een vordering in tot echtscheiding op grond van art. 229-231 BW (oud) en tot het bekomen van voorlopige maatregelen in kort geding. Voordien kwamen vonnissen tussen van de vrederechter van het eerste kanton Aalst d.d. 19 juli 2005 en 18 augustus 2005 inzake dringende en voorlopige maatregelen (stukken 2 en 3 Hans J............ en K............ D............). Daarin werd telkens akte gegeven van een akkoord tussen de partijen. Het staat vast dat H.......... J.......... en K......... D'.................E inmiddels uit de echt zijn gescheiden.
  10. Bij de in de zaak I bestreden tussenbeschikking van 21 februari 2007 nam de voorzitter een aantal voorlopige maatregelen waar-van hierna enkel de ter zake relevante worden weergegeven. Er werd beslist tot de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen. Het hoofdverblijf van de kinderen werd bepaald bij de moeder met inschrijving in het bevolkingsregister op haar adres. Alvorens te oordelen over de verblijfsregeling voor de kinderen werd een sociale studie bevolen. In afwachting werd de bestaande verblijfsregeling bevestigd. Aan de vader werd een voorlopig omgangsrecht met de kinderen toegekend, elke woensdag (13 uur tot 20 uur) en elk weekend (vrijdag 18 uur tot zondag 17 uur), op last van de vader de kinderen af te halen en terug te brengen bij de moeder, met dien ve-stande dat de moeder de kinderen zelf afhaalt indien er KSA-bijeenkomsten zijn voor de kinderen, alsdan aan het lokaal van deze jeugdbeweging. Ook werd een verblijf bij vader bepaald tijdens de helft van de schoolvakanties, dit alles in afwachting van het verslag van de sociale studie. H..... J....... werd veroordeeld tot de betaling aan K............. D'................ vanaf 1 augustus 2006 van een onderhoudsbijdrage van 100 EUR per maand en per kind, met indexbinding. Er werd tevens gezegd voor recht dat de vader gehouden is om voor de helft tussen te komen in de buitengewone medische kosten en de buitengewone schoolkosten, alsook in alle hobbykosten, zoals nader omschreven. De voorzitter achtte zich volstrekt onbevoegd om uitspraak te doen over de toekenning van de kinderbijslag. Deze vordering werd bij gebreke van rechtsmacht afgewezen. De zaak werd voor verdere evaluatie (met betrekking tot het omgangsrecht) in voortzetting gesteld. De beslissing nopens de kosten werd aangehouden.
  11. Het maatschappelijk verslag werd neergelegd ter griffie op 3 september
  12. Ingevolge een niet bestreden tussenbeschikking van 12 novem-ber 2007 werden de kinderen gehoord op 28 november 2007, waarvan proces-verbaal.
  13. Bij de in de zaak I bestreden beschikking van 17 december 2007 werd het omgangsrecht met de vader gewijzigd en toegekend om de veertien dagen, vanaf woensdagmiddag na school tot maandagmorgen tot aan de schooltijd, op last van de vader de kinde-ren aan school af te halen en terug te brengen. Voor het overige werd de beschikking van 21 februari 2007 bevestigd. De zaak werd vastgesteld op een evaluatiezitting. De beslissing nopens de kosten werd aangehouden.
  14. Op 2 september 2008 legden L.......... J............, B..........J........... en R.............. J............... een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer in de zaak 06/346/C. Daarin verzochten zij hen akte te verlenen van hun vraag tot vrijwillige tussenkomst en hen dienvolgens ieder persoonlijk te horen betreffende hun situatie en standpunt.
  15. Bij de in de zaak II bestreden beschikking van 29 september 2008 werd akte verleend aan L......... J.........., B........J.............. en R......... J............ van hun vrijwillige tus-senkomst, doch werd deze als onontvankelijk afgewezen. Alvorens nader te beslissen werd bepaald de kinderen te horen. In afwachting van de resultaten werden de beschikkingen van 21 februari 2007, 12 november 2007 en 17 december 2007 bevestigd. De zaak werd in voortzetting gesteld voor evaluatie. De beslissing over de kosten werd aangehouden.
  16. Het verhoor van L......... J........, B.........l J......... en R.......... J........... vond plaats op 15 oktober 2008, waarvan proces-verbaal.
  17. Bij de in de zaak I bestreden beschikking van 17 november 2008 besliste de voorzitter buiten de schoolvakanties tot een gelijkmatig verdeeld verblijf met wissel op vrijdag om 19 uur op last van vervoer voor de ouder bij wie de kinderen vertrekken. Verder werd een nader bepaald verblijf bij helften tijdens de schoolvakanties geregeld. Er werd gezegd dat elke partij zou instaan voor de kosten van huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding tijdens de periode dat de kinderen bij deze partij verblijven. Voor het overige werd de beschikking van 21 februari 2007 bevestigd. Het meer of anders gevorderde werd als ongegrond afgewezen. De kosten werden bij de grond van de zaak gevoegd. DE VORDERINGEN IN HOGER BEROEP IN DE ZAAK I (2009/RK/0136)
  18. K............ D'............ vordert voor het hof in de zaak I, alvorens recht te doen, de zaken I en II voormeld samen te voegen. In zoverre het hof dit nuttig zou achten vordert zij, alvorens recht te doen, de drie kinderen te horen. Zij vordert de beschikkingen van 21 februari 2007, 17 december 2007 en 17 november 2008 teniet te doen en opnieuw te wijzen als volgt. Zij vraagt een beperkt bijkomend verblijf bij vader van L......J..........., B........ J........ en R............J............... om de veertien dagen, vanaf woensdagmiddag na schooltijd tot de maandagmorgen voor de schooltijd, waarbij de vader instaat voor het vervoer. Voorts betracht zij het behoud van de vakantieregeling, zoals be-paald in de beschikking van 21 februari
  19. Zij vordert de veroordeling van H.......... J................. tot de be-taling van 175 EUR onderhoudsbijdrage per maand per kind, jaarlijks indexeerbaar, meer de helft van de buitengewone medische kosten, de buitengewone schoolkosten alsook alle hobby-kosten zoals beschreven in de beschikking van 21 februari
  20. Tenslotte vordert K........... D'............ de verwijzing van H........... J................. in alle kosten van het geding in beide instanties, zoals begroot.
  21. In de zaak I vordert H.............J............ het medisch attest van dr. L.......... (stuk 17 K........n D'...........) uit de debatten te weren. Hij besluit tot de ontvankelijkheid en de ongegrondheid van het principaal beroep van K........... D'H............ en vraagt de bevestiging van "het vonnis a quo" (sic). Tenslotte vordert H......... J...................... - vermoedelijk bedoeld in de zaak I - K.......... D'H.............. te verwijzen in de gedingkosten in beide instanties, zoals begroot.
  22. H........... J.................... maakt in zijn syntheseconclusies ge-wag van een incidenteel beroep dat door hem werd ingesteld te-gen de beschikking van 17 november
  23. Hij vraagt te zeggen voor recht dat hij afstand doet van dit incidenteel beroep, dat volgens het dictum betrekking zou hebben op de onderhoudsbijdra-ge voor de kinderen. Uit de conclusies van K.............. D'H............................. en uit de verduidelijking van H..................J.............. in zijn syntheseconclusies (p. 22), kan het hof afleiden dat het incidenteel beroep van H..........J................ de vraag zou betreffen om de kinderbijslag over de beide ouders bij helften te verdelen. Daarover werd beslist in de beschikking van 21 februari 2007, die voor het overige werd bevestigd in de beschikking van 17 november
  24. In de conclusies van H............ J............., neergelegd ter griffie op 29 juni 2009, was er ook nog sprake van een incidenteel beroep in ondergeschikte orde ertoe strekkende hem te veroorde-len tot de betaling van een onderhoudsbijdrage van 100 EUR per maand en per kind. K............. D'H............ besloot tot de onontvankelijkheid van het incidenteel beroep van H.......... J.................. in de zaak I. IN DE ZAAK II (2009/AR/1186)
  25. Met hun hoger beroep in de zaak II beogen L............ J..............., B.............. J............... en R.............. J................ de beschikking van 29 september 2008 teniet te laten doen en, opnieuw recht doende, hun vordering tot vrijwillige tussenkomst ontvankelijk en gegrond te doen verklaren. Hun vordering komt neer op een hoofdverblijf bij hun moeder en een bijkomend verblijf bij hun vader om de veertien dagen van woensdagmiddag na school tot maandagmorgen tot aan schooltijd. Ondergeschikt vragen zij de aanstelling van een voogd ad hoc ter behartiging van hun belangen in onderhavige procedure. Tenslotte vorderen zij K............... D'H............. en H.......... J.....................te verwijzen in de gedingkosten.
  26. In de zaak II legt K.............. D'H....................E identieke con-clusies neer als in zaak I, zonder een specifieke vordering in desbetreffende zaak II. Dit betekent dat zij berust in de beschikking van 29 september 2008, dus ook in de mate dat daarin wordt beslist tot de bevestiging van de beschikkingen van 21 februari 2007 en 17 december 2007 o.a. op het vlak van de onderhoudsregeling, beschikkingen die nochtans wel afzonderlijk door haar worden aangevochten.
  27. In de zaak II betracht H....... J...............het principaal beroep van L.......... J..........., B............. J........... en R.............J............. tegen de beschikking van 29 september "2009" (sic, bedoeld wordt 2008) te doen afwijzen als onontvan-kelijk, minstens ongegrond en dienvolgens het "vonnis a quo" (sic) te doen bevestigen.
  28. In de zaak II stelt H... J... een incidenteel beroep in. Daarmee beoogt hij de vordering tot vrijwillige tussenkomst van L............ J.........., B.............J............en R............ J.............. te doen afwijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. Ondergeschikt, voor zover zijn incidenteel beroep ongegrond zou worden verklaard, vordert H........J............ om de kinderen te horen nopens het verloop van het thans lopend gelijkmatig verdeeld verblijf alvorens te beslissen over de gegrondheid van hun hoger beroep. In uiterst ondergeschikte orde vraagt H......... J.............. een voogd ad hoc te willen aanwijzen. Tenslotte vordert H........... J......................L.......... J............, B...........J......... en R............. J............... te verwijzen in de gedingkosten in beide instanties, zoals begroot. BEOORDELING DE SAMENVOEGING VAN DE ZAKEN 2009/RK/0136 (REFERTE I) EN 2009/AR/1186 (REFERTE II) H........J........ en K........... D'H..............hebben aangedrongen op de samenvoeging van voormelde zaken. De zaak I betreft de hogere beroepen van respectievelijk de ouders H......... J........ en K............. D'H.......... tegen bepaalde beschikkingen inzake voorlopige maatregelen aangaande hun kinderen genomen ex art. 1280 Ger.W. De zaak II betreft de hogere beroepen van enerzijds de kinderen L....... J........, B........ J......... en R........... J............, en van anderzijds H.........J.............., tegen de beschikking waarin on-der meer het verzoek van de eerst genoemden tot vrijwillige tus-senkomst in voormelde procedure als onontvankelijk werd afge-wezen. Het gaat dus telkens om hogere beroepen tegen beschikkingen geveld in dezelfde procedure a quo gekend onder het rolnummer 06/346/C en derhalve dermate nauw verbonden dat het wenselijk is ze samen te berechten. Met het oog op een goede rechtsbedeling en teneinde uitspraken te vermijden die onderling onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht, wordt op het ver-zoek van deze partijen ingegaan. DE VRAAG TOT WERING VAN HET MEDISCH ATTEST OVERGELEGD ALS STUK 17 DOOR K...........D'H............. H............. J............... vraagt de wering van het medisch attest uit de debatten gelet op de schending van het beroepsgeheim. Het hof moet vaststellen dat de dokter inderdaad bevestigt dat H........... J............. bij haar patiënt was. Het hof weert desbetreffend attest uit de debatten. DE HOGERE BEROEPEN IN DE ZAAK I: DE KORT GEDING PROCEDURE TUSSEN H.........J................EN K............ D'H........... A. de ontvankelijkheid van het hoger/principaal beroep en de afstand van het incidenteel beroep
  29. K........... D'H............. en H............J................ bevestigen uitdrukkelijk dat de beschikkingen van 21 februari 2007, 17 de-cember 2007 en 17 november 2008 niet betekend zijn. Het hoger/principaal beroep van K.............. D'H............... te-gen voormelde beschikkingen is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk.
  30. Het hof neemt akte van de afstand van het incidenteel beroep van H............J............... tegen de beschikking van 17 november
  31. Deze afstand werd door K............ D' H...................... impliciet maar zeker aanvaard. B. de verblijfsregeling
  32. K........... D'H............ verzet zich tegen het verblijfsco-ouderschap voor de kinderen dat de voorzitter uiteindelijk in de beschikking van 17 november 2008 heeft opgelegd. Zij volhardt in een beperkt bijkomend verblijf van de kinderen bij hun vader. Zij haalt volgende beroepsgrieven aan: - het rapport van sociale studie dient kritisch te worden bena-derd vermits het mede tot stand kwam door een justitieassistente die een persoonlijke kennis is van de nieuwe partner van H........ J...............; - een beperkt bijkomend verblijf van de kinderen bij hun vader sluit aan bij de wens van de kinderen; - de kinderen verkiezen een hoofdverblijf in de gezinswoning en ervaren het verblijf bij hun vader en zijn partner als te druk (bv. R................. voelt zich niet goed bij het delen van een kamer met één van de kinderen van de nieuwe partner van zijn vader); - alleszins kiezen de kinderen niet voor een verblijfscoouder-schap (cf. hun vrijwillige tussenkomst en hun verhoor door de voorzitter op 28 november 2007 en op 15 oktober 2008); - de eigen raadsman van de kinderen acht een verblijfsco-ouderschap in hun belang niet aangewezen. K.........D'H...............E doet aanbod aan het hof om de kinde-ren zelf andermaal te horen.
  33. H.......... J............... laat gelden van bij aanvang van de feitelij-ke scheiding een verblijfsco-ouderschap te hebben gevorderd (zijn stuk 1), doch dit tijdelijk te hebben opgeschort teneinde K.........D'H...........te laten wennen aan de feitelijke scheiding. De psychische toestand van K..........D'H........... baarde hem zorgen. H............J............. acht een verblijfsco-ouderschap zeker aangewezen wegens een parentificatiegevaar en een gevaar tot oudervervreemding. Hij ontkracht de beroepsgrieven van K........ D'H........... in het bijzonder als volgt: - het rapport van sociale studie is wel degelijk objectief; - het verblijfsco-ouderschap verloopt goed (er zijn trouwens goede schoolresultaten); - er zijn plannen om de zolderruimte in te richten met twee bijkomende kamers; - het samenleven in een nieuw samengesteld gezin met acht kinderen heeft op het vlak van sociale vaardigheden voordelen; - als vader wordt voldoende eigen tijd vrijgehouden voor L......... J........., B......... J........ en R........J...........; - het is K............ D'H.................. die de stap heeft gezet naar het raadplegen van een eigen advocaat voor de kinde-ren; - het is belangrijk dat de kinderen gehoord worden zonder te moeten kiezen tussen hun ouders.
  34. Het hof beschikt over een - overigens betwist - rapport van soci-ale studie van 28 augustus
  35. Daarnaast beschikt het hof over de processen-verbaal van verhoor van de minderjarige kin-deren van 28 november 2007 en van 15 oktober
  36. Dit is allemaal geen actuele informatie meer. Tijdens het verhoor van de kinderen voor de voorzitter kwam bo-vendien nog niet de evaluatie van het thans lopend gelijkmatig verdeeld verblijf week om week aan bod. Zoals H........ J............terecht opmerkt, is de hamvraag te dezen of er redenen zijn om het verblijf bij hem terug te schroeven naar vijf dagen (terug instellen van een regime van 9/5) in plaats van zeven dagen (thans lopende week/weekregeling). Slechts indien het belang van de kinderen en de ouders dit vereist, is er reden om af te wijken van het verblijfsco-ouderschap dat de wet als prioritair te onderzoeken vooropstelt. Het hof beschikt niet over voldoende recente elementen en acht het horen van de minderjarigen aangewezen, temeer gelet op het lot van de procedure II (cf. infra). C. de onderhoudsregeling 1.
  37. In de beschikking d.d. 21 februari 2007 ging de voorzitter uit van een inkomen in hoofde van H.......J.......... van 1.689,33 EUR per maand en in hoofde van K......... D'H.......... van 1.927,79 EUR per maand. Hij weerhield dat H......... J................ kostendelend samen-woonde. Er was alsdan een akkoord dat H........J........... de hypothecaire lening van 112,52 EUR zou afbetalen en K........... D'H............deze ten bedrage van 475,19 EUR. De kinderen waren op 1 augustus 2006 respectievelijk 10 jaar (L........ en B...........) en 7 jaar (R..............). 1.
  38. In de beschikking d.d. 17 december 2007 werd voormelde rege-ling bevestigd. 1.
  39. Voormelde regeling werd, ingevolge de wijziging naar een verblijfsco-ouderschap, pas gewijzigd bij de beschikking d.d. 17 no-vember
  40. K........... D'H...................... acht de in de bestreden beschik-kingen d.d. 21 februari 2007 en 17 december 2007 toegekende onderhoudsbijdragen voor de kinderen (100 EUR per maand en per kind) ontoereikend en vordert een verhoging ervan (175 EUR), onverminderd de indexbinding. K........ D'H.................. beweert niet kostendelend samen te wonen. Tevens houdt zij voor dat H............J............ geen hypothecaire lening afbetaalt. Met haar stuk 18 bewijst zij een afbetaling van 784,28 EUR in juli en juni 2009, hetzij buiten de te thans beoordelen periode.
  41. H.......... J..............voert aan dat hij altijd 100 EUR per kind is blijven betalen niettegenstaande de uitbreiding van het bijkomend verblijf bij hem. Hij wijst erop dat de moeder steeds de kinderbijslag (489 EUR) ontving, naast een extra schoolpremie en eventueel een studietoelage. H.................... J............. wijst ook op het kostendelend sa-menwonen van K............. D'H...............(niet gedateerde foto van de deurbel mede met naam van haar partner: stuk 11 H....................J.................) en op de indiciën van haar levensstandaard.
  42. Voor het verleden kan tot het in voege treden van de week-weekregeling, beslist worden over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. In die zin kan het beperkt principaal beroep van K............... D'H...............tegen de beschikkingen van 21 februari 2007 en 17 december 2007 reeds worden beslecht. Het past evenwel de beslissing over de verblijfs- en onderhoudsregeling, zoals vervat in de beschikking van 17 november 2008, aan te houden tot na het horen van de kinderen. De te beoordelen periode gaat dus in op 1 augustus 2006 en eindigt, ingevolge tussenkomst van de beschikking van 17 november 2008, vanaf het in voege treden van de week-weekregeling. 5.
  43. Door de enkele daad van het huwelijk gaan de beide ouders de verplichting aan om hun kinderen huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding te verschaffen. Daarbij kunnen hun kinderen aanspraak maken op een levensstandaard in verhouding tot de welstand van hun ouders. De beide ouders moe-ten daarin bijdragen naar evenredigheid van hun inkomsten en mogelijkheden en naargelang de noden van de kinderen. Ook de mogelijke fiscale repercussies hebben normaal invloed op de begroting, evenals de verblijfsregeling. Deze criteria moeten getoetst worden aan de concrete situatie van de partijen. 5.
  44. De hoger samengevatte argumentatie van K................ D'H............. is niet van aard het hof te nopen tot een verhoging van de onderhoudsbijdragen die door de voorzitter passend wer-den begroot voor de periode van het hoofdverblijf van de kinderen bij moeder met het bijkomend verblijf bij vader. Het door K..............D'H............. overgelegd stuk 4 (een overzicht van uitgaven vanaf augustus 2005 tot juli 2006) gaat de door het hof te beoordelen periode vooraf. Dit bijkomend verblijf behelsde aanvankelijk, naast steeds de helft van de schoolvakanties, elke woensdagnamiddag en elk weekend en werd naderhand uitgebreid tot een 9/5-regeling, het-zij om de veertien dagen een verblijf bij vader van woensdagmiddag na school tot maandagmorgen tot aan schooltijd. Enerzijds kon H.........J............. de door hem betaalde kinder-alimentatie fiscaal aftrekken, anderzijds genoot K.............D'H............. het fiscaal voordeel van de domiciliering van de kinderen op haar adres. De beschikkingen van 21 februari 2007 en 17 december 2007 worden wat betreft de onderhoudsregeling bevestigd. DE HOGERE BEROEPEN IN DE ZAAK II: DE VORDERING TOT VRIJWILLIGE TUSSENKOMST VAN DE KINDEREN L.......... J........, B......... J........... EN R......... J............... IN VOORMELDE PROCEDURE I
  45. De door H............... J.............. opgeworpen exceptie van on-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de minderjarige kinderen is terecht. Het principaal beroep van L.......... J............., B........ J.............. en R.......... J.............. faalt als dusdanig inderdaad naar recht (cf. infra sub 4 ). Niettegenstaande mogelijkheid daartoe hebben de andere be-trokken partijen in de zaak II op deze ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep door de minderjarige kinderen zelf niet expliciet geargumenteerd.
  46. Indien de minderjarige alleen een rechtsvordering instelt, dan beschikt de verweerder, die geen nietigheid kan opwerpen, over een opschortende (dilatoire) exceptie, die de aanlegger verplicht de vordering te regulariseren via tussenkomst van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Na de neerlegging van het verzoekschrift tot vrijwillige tussen-komst werd er in eerste aanleg niet meer geconcludeerd, noch door H.............J..........., noch door K..............D'H............... Op het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 september 2008 werd vermeld dat de partijen vroegen om de kinderen te horen. De inhoud van het advies van het Openbaar Ministerie werd niet geacteerd. Aldus is in eerste aanleg de aanstelling van een eventuele voogd ad hoc niet aan bod gekomen.
  47. In huidige aanleg vorderen L............ J..........., B............ J.......... en R............J............. zelf in ondergeschikte orde de aanstelling van een voogd ad hoc om hun belangen in onderha-vige procedure te behartigen. H.........J..............weerhoudt de afwezigheid van een belan-genconflict en stelt slechts in uiterst ondergeschikte orde de aanstelling van een voogd ad hoc voor. Het hof stelt vast dat er te dezen geen sprake kan zijn van een belangenconflict tussen de minderjarige kinderen en hun wettelijke vertegenwoordigers, in casu hun beide ouders, in een geschil dat in essentie betrekking heeft op hun verblijfsregeling. K.............D'H........... sluit zich aan bij het beweerd standpunt van de kinderen. H............. J............volhardt in zijn vraag tot een gelijkmatig verdeeld verblijf, dat de kinderen naar verluidt zouden willen ingeperkt zien. Dit volstaat op zichzelf niet om te gewagen van een belangenconflict. En zelfs, ingeval van belangentegenstelling tussen slechts één van beide ouders, kan de andere ouder de kinderen nog rechtsgeldig vertegenwoordigen. De aanstelling van een voogd ad hoc dringt zich te dezen niet op (zie en vergelijk: Antwerpen 24 maart 2004, 2002/RK/324, Jus-telnummer N-20040324-15).
  48. Het principe geldt dat een minderjarige handelingsonbekwaam en dus ook procesonbekwaam is, tenzij een bijzondere wettelijke bepaling hem uitzonderlijk wél procesbekwaam maakt. Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep van de min-derjarigen, net zomin als hun vrijwillige tussenkomst voor de voorzitter teneinde te worden gehoord in een geschil dat ex art. 1280 Ger.W. hangende is tussen hun ouders aangaande de verblijfs- en onderhoudsregeling ontvankelijk is. De bepalingen van artikel 931, 3de - 7de lid Ger.W. bevestigen op een zeer ruime wijze het recht van het minderjarige kind om te verzoeken gehoord te worden in alle procedures die het betref-fen. Dit hoorrecht zonder enige formaliteit en zonder noodzakelijk de bijstand te moeten verzoeken van een advocaat (waarvoor de minderjarige in het algemeen persoonlijk geen geldelijke middelen heeft), is van aard om de toepassing te waarborgen van de rechten erkend aan het kind door artikel 12 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Het hoorrecht van het kind in de procedures die het betreffen, houdt geenszins het recht in op tussenkomst in diezelfde procedures. Er dient vermeden te worden dat het kind, door partij te worden in een procedure die zijn gescheiden levende ouders tegenover elkaar stelt, onnodig wordt geresponsabiliseerd en verwikkeld ge-raakt in een loyaliteitsconflict tegenover zijn ouders. Door de invoering van artikel 931, 3de - 7de lid Ger.W. is een be-roep op de vrijwillige tussenkomst om gehoord te worden overigens niet nodig, maar gelet op zijn inhoud, kan een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst wel beschouwd worden als een verzoek om gehoord te worden (Brussel (3de kamer) 9 februari 1999, EJ 1999, 53, noot E. D...... K..............; Brussel (Jk.) 5 januari 2010, rol 2009/JR/189 (jeugdkamer)). Welnu, de voorzitter heeft in de beschikking van 29 september 2008 beslist om de kinderen te horen. Ook het hof gaat, ten overvloede, nogmaals over tot het horen van de kinderen. Het hof beklemtoont tot slot dat het door de minderjarigen per-soonlijk instellen van een vordering in rechte (weze het door het uitputten van hun recht op beroep, weze het door een vrijwillige tussenkomst voor de voorzitter) niet van aard is hun belangen beter te beschermen dan door het hoorrecht dat hen wordt ver-leend.
  49. Het incidenteel beroep van H.........J...............is regelmatig naar de vorm. Het komt evenwel in hoofdorde neer op een vraag tot bevestiging van de beschikking van 29 september 2008 en, uiterst ondergeschikt, op een vraag tot aanstelling van een voogd ad hoc. Afgezien van de vraag naar het belang voor H..........J............ (en dus de toelaatbaarheid) van een incidenteel beroep dat in hoofdorde neerkomt op een bevestiging van de bestreden beschikking, is dit incidenteel beroep hoe dan ook af te wijzen als ongegrond in het bijzonder wat de ondergeschikte vraag tot aanwijzing van een voogd ad hoc betreft.
  50. De kosten van hoger beroep in de zaak II kunnen reeds worden beslecht en blijven ten laste van de appellanten, L......... J............, B......... J.............. en R....................... J.............. H..............J........... en K.............. D'H............... ageerden als ouders met het oog op het belang van hun kinderen. In die omstandigheden kan er geen sprake zijn van een winnende of verliezende partij. De rechtsplegingsvergoedingen kunnen over de partijen in de zaak II worden omgeslagen. Het hof wijst tot dusver de andersluidende conclusies van de hand als overbodig of ter zake niet dienstig of ontoereikend. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; voegt de zaken gekend onder de rolnummers 2009/RK/0136 (re-ferte I) en 2009/AR/1186 (referte II) samen; weert het stuk 17 overgelegd door K.................D'H................ uit de debatten (medisch attest dr. A................. L............. d.d. 17 juli 2009); verklaart het hoger en principaal beroep van K............... D'H............ in de zaak I tegen de beschikkingen van 21 februari 2007, 17 december 2007 en 17 november 2008 ontvankelijk; wijst het hoger beroep van K.............D'H............in de zaak I tegen de beschikkingen van 21 februari 2007 en 17 december 2007 af als ongegrond; bevestigt in de zaak I de beschikkingen van 21 februari 2007 en 17 december 2007 binnen de perken van het hoger beroep; decreteert de afstand van het incidenteel beroep van H........... J.............. tegen de beschikking van 17 november 2008 in de zaak I; wijst het principaal beroep van L.......J........., B............l J............en R........... J............... in de zaak II tegen de beschikking van 29 september 2008 af als niet ontvankelijk; wijst het incidenteel beroep van H............J............. in de zaak II tegen de beschikking van 29 september 2008 af; bevestigt in de zaak II de beschikking van 29 september 2008 binnen de perken van het incidenteel beroep; verwijst L............. J.............., B.................J........... en R............... J................. in de zaak II in de kosten van hun hoger beroep, in debet doch bij gebreke van opgave niet te vereffenen; slaat de rechtsplegingsvergoedingen in de zaak II om over alle daarin betrokken partijen; alvorens verder te beslissen over de gegrondheid van het princi-paal beroep in de zaak I tegen de beschikking van 17 november 2008: beveelt dat de minderjarigen L.........J............., geboren te Aalst op 20 juli 1996, B.........J........................, geboren te Aalst op 20 juli 1996, en R.......... J.............., geboren te Aalst op 13 maart 1999, in persoon zullen verschijnen om ieder afzonderlijk gehoord te worden in raadkamer van het hof door raadsheer Sabine DE BAUW op woensdag 14 april 2010 om 14.00 uur (R........... J............), om 14.20 uur (L..........J..............), en om 14.40 uur (B......... J...............), in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Koophandelsplein 23, eerste verdieping, lokaal 35; bepaalt de termijn voor verzending aan de andere partij en neerlegging ter griffie voor de (synthese)conclusies door: - K............. D'H.......... uiterlijk op 29 april 2010; - H.......... J............ uiterlijk op 14 mei 2010; - K............. D'H......... uiterlijk op 27 mei 2010; - H............J...................uiterlijk op 10 juni 2010; stelt de zaak voor verdere behandeling op de terechtzitting van donderdag 17 juni 2010 om 12.00 uur (gezamenlijke behandelingsduur 30 minuten) verzoekt K.................D'H............ en H...........J................ alsdan ook in persoon aanwezig te zijn; verstaat dat de thans geldende verblijfs- en onderhoudsregeling voorlopig verder van toepassing blijft; houdt de beslissing over de kosten in de zaak I aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op vijfentwintig februari tweeduizend en tien. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.