id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100303.5 Rolnummer: 2006/AR/629 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 21:31 Fiche De loutere aanwezigheid van een verboden product volstaat om in overeenstemming met art 4 § 1 van het KB van 8/9/1979 de veterinaire diensten van het bevoegde Ministerie toe te laten om alle landbouwdieren van dezelfde soort op hun identificatiedocumenten te merken. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KWALITEIT VAN GOEDEREN EN DIENSTEN - Niet voor voeding bestemde producten Vrije woorden: Aanwezigheid verboden product volstaat om identificatie documenten te merken. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 03 maart 2010 ________ (na ambtshalve weglating 2002/AR/1904) 2006/AR/629 - In de zaak van: V.....E........ A......, wonende te ....................... appellant, hebbende als raadsman mr. VERKEST Martine, advocaat te 9250 WAASMUNSTER, Eikenlaan 21, (referte: 8.119) tegen: HET FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, vertegenwoordigd door zijn gedelegeerd bestuurder, waarvan de zetel voorheen gevestigd was te 1000 BRUSSEL, W.T.C. III, S. Bolivarlaan 30, thans gevestigd te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 55, gedinghervattende partij voor DE BELGISCHE STAAT, voorheen vertegenwoordigd door de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 Brussel, Kunstlaan geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VASTERSAVENDTS Alfons, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3, (referte: BS0751) velt het hof het volgend arrest: 1.
- Het hof heeft partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien. Appellant heeft tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken op 6 juni 2002 door de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. 1.
- In 2003 vond door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door het Ministerie van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, een overdracht van bevoegdheden plaats aan het in 2000 opgerich-te Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Die overdracht had o.m. betrekking op bepaalde goederen, rechten en verplichtingen van het Instituut voor Veterinaire Keuring. In een op 7 juni 2006 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift heeft het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen verklaard het tegen de Belgische Staat aangespannen geding voort te zetten in de staat waarin het zich bevindt.
- Voor de eerste rechter vorderde appellant dat voor recht zou wor-den gezegd dat de hem in 2002 door de Belgische Staat opgelegde maatregelen in het raam van het H13 - statuut in strijd waren met zijn elementaire rechten van verdediging en dienvolgens nietig. Tevens vorderde appellant dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot het intrekken van de genomen maatregelen, zulks met terugwerkende kracht tot 12 maart 2002, en om alle gevolgen ervan ongedaan te maken, dat alles onder verbeurte van een dwangsom van 5.000,00 EUR per dag vertraging. Ondergeschikt vorderde appellant de aanstelling van een gerechtsdeskundige die o.m. advies diende te verstrekken over een op 17 augustus 2000 in beslag genomen fles natriumchloridium, die een gele vloeistof bevatte. Geïntimeerde betwistte op diverse gronden de vordering van appellant.
- De eerste rechter stelt vast dat tijdens een huiszoeking in appellants woning en bedrijf op 17 augustus 2000 een verboden product werd aangetroffen. Volgens de eerste rechter volstaat de enkele aanwezigheid van dit product op het bedrijf om, in overeenstemming met artikel 4, § 1 van het K.B. d.d. 8 september 1979, de veterinaire diensten van het bevoegde Ministerie (toentertijd Middenstand en Landbouw) toe te laten om alle landbouwdieren van dezelfde soort op hun identificatie-documenten te merken. De eerste rechter oordeelt daarom dat in de gegeven omstandigheden de toekenning van het gewraakte H13 - statuut volkomen wettig is geschied. De eerste rechter voegt er aan toe dat de aan appellant opgelegde beperkingen m.b.t. de exploitatie van zijn vetmesterij het gevolg zijn van het aantreffen van een verboden diergeneesmiddel op zijn bedrijf, en niet afhankelijk zijn van de inschatting of de meting van de gezondheidsrisico's in functie van hoeveelheid of aard van het aangetroffen verboden product. De eerste rechter wijst de vordering van appellant af als ongegrond en veroordeelt hem tot de gedingkosten. 4.
- De grieven van appellant, die hierna worden beoordeeld, zijn grotendeels een herhaling van de grieven die hij voor de eerste rechter heeft aangevoerd. Appellant handhaaft zijn vordering dat voor recht zou worden ge-zegd dat de maatregelen m.b.t. het door de Overheid opgelegde H13-statuut in strijd zijn met de elementaire rechten van verdediging en dienvolgens nietig moeten verklaard worden. Appellant vordert dat geïntimeerde tot de kosten van beide gedingen zou worden veroordeeld. 4.2 Geïntimeerde vordert dat hem akte zou worden verleend van zijn gedinghervatting, dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en dat appellant tot de gedingkosten zou worden veroordeeld. BEOORDELING
- Aan huidige geïntimeerde wordt akte verleend van zijn gedinghervatting.
- De eerste rechter heeft de voor de beoordeling relevante feitelijke gegevens op correcte wijze weergegeven. Om kort te gaan verwijst het hof naar die uiteenzetting en maakt die tot de zijne.
- Appellant geeft een verkeerde interpretatie van artikel 4, § 1 van het K.B. van 8 september 1997, genomen in uitvoering van de wet van 28 maart
- Luidens dat artikel wordt er door de overheid tot het merken van dieren overgegaan in geval van aanwezigheid van een niet toegestane stof op het bedrijf, aangetoond door een analyse van monsters die op het bedrijf werden genomen. Zoals de eerste rechter oordeelkundig heeft geoordeeld volstaat dus de loutere aanwezigheid van een verboden product om de wettelijke voorziene sanctionering van het merken uit te lokken. Het is dus voor de sanctie van het merken geenszins vereist dat een verboden diergeneesmiddel effectief zou zijn toegediend. Ten overvloede merkt het hof op dat appellant onrechtstreeks toegeeft dat een verboden product werd toegekend aan een of meer van zijn dieren, nu hij voorhoudt dat de kleine concentratie van het aangetroffen product het gevolg is van het louter spoelen van injec-tiemateriaal dat gebruikt werd door de landbouwer en de veearts. (zie pagina 6 van de laatste conclusie van appellant) Er kan in die omstandigheden in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat het kwestieuze materiaal heeft gediend voor de behandeling van een of meer dieren op het bedrijf.
- Appellant maakt niet aannemelijk dat de toepassing van het H.13 - statuut, wat gedurende maximaal 12 maanden een beperking van de handelsactiviteit impliceert, buiten elke verhouding zou staan met het aantreffen van een minieme aanwezigheid van het kwestieuze verboden product. De mogelijke nadelen voor appellant wegen in geen geval op tegen de schade die aan de volksgezondheid kan worden berokkend. Appellant bewijst trouwens niet dat het merken van de dieren nadelige gevolgen voor zijn bedrijfsactiviteiten heeft gehad. Ten slotte wijst het hof er op dat aan geïntimeerde geen beoorde-lingsruimte wordt gelaten wanneer de aanwezigheid van een niet toegelaten stof wordt vastgesteld. De Overheid, op wie de taak rust te waken over de volksgezond-heid, moet in dat geval overgaan tot het merken van de identifica-tiedocumenten van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag.
- Appellant bewijst niet dat zijn rechten werden geschonden omdat hij niet de kans kreeg een tegenexpertise te laten uitvoeren. Op 12 maart 2002 werd appellant er van in kennis gesteld dat er op 22 januari 2002 een positief resultaat werd aangetroffen. Vanaf 12 maart 2002 beschikte appellant aldus over de mogelijkheid om binnen de vijf dagen bij een erkend laboratorium een te-genexpertise aan te vragen. Dat appellant als landbouwer-vetmetser van die mogelijkheid niet op de hoogte zou geweest zijn, is voor het hof ongeloofwaardig, temeer hij erkent dat op zijn bedrijf vaak controles worden uitgevoerd, niet enkel door de overheid maar eveneens door de verstrekkers van bepaalde kwaliteitlabels. (zie pagina 9 van de laatste conclusie van appellant) Overigens diende appellant als professioneel op de hoogte te zijn van de vigerende wetgeving.
- De stelling van appellant dat het op zijn bedrijf aangetroffen product hem niet toebehoorde kan hem geen soelaas bieden. Vooreerst staat vast dat bij de huiszoeking bepaalde spuiten en producten werden aangetroffen, terwijl in het strafdossier te lezen valt dat de zoon van appellant die eerst had verstopt. (zie stuk 12 in het dossier van appellant en de stukken 2 t.e.m. 6 in het dossier van geïntimeerde) Het hof brengt voorts in herinnering dat, ongeacht wie de eigenaar is, de loutere aanwezigheid van een niet toegestane stof op een landbouwbedrijf volstaat om tot de door appellant gewraakte maatregel van het merken te kunnen overgaan. Ook het (onbewezen) verweer van appellant dat de kwestieuze dieren aan derden toebehoorden is aldus niet dienend. Het merken gebeurt immers voor alle dieren van dezelfde soort die op eenzelfde plaats worden gehouden en een afzonderlijk geheel vormen op het epidemiologisch vlak. Het beslag wordt betekend bij de sanitair verantwoordelijke, d.i. de persoon die gewoonlijk over de dieren het rechtstreeks beheer en toezicht uitoefent. Appellant betwist niet dat hij over de dieren het rechtstreeks toezicht uitoefent en er het beheer van heeft.
- Luidens het verslag d.d. 22 januari 2002 van prof. Dr. P. Sandra staat het met zekerheid vast dat het verboden antibioticaproduct chloramphenicol aanwezig was. (zie stuk 3 in het dossier van geïntimeerde) De verwijzing door appellant naar de vrijspraak door de correctionele rechtbank van Dendermonde op 19 juni 2002, bevestigd door het arrest d.d. 26 maart 2003 van het hof van beroep te Gent, is niet relevant, gezien de betichting waarvoor appellant werd vrijgesproken volkomen vreemd is aan het voorliggende geschil. (zie de stukken 9 en 10 in het dossier van appellant) De aan appellant opgelegde maatregel van het merken werd im-mers genomen op grond van artikel 4, § 1 van het K.B. d.d. 8 september 1997, waarbij uitdrukkelijk is voorzien dat de enkele aanwezigheid van een verboden stof op het bedrijf volstaat om de identifi-catiedocumenten van de op het bedrijf aanwezige dieren te merken.
- Appellant brengt voor het overige geen argumenten aan, in feite of in rechte, die van aard zijn de beoordeling en de besluitvorming van de eerste rechter te ontzenuwen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd.
- Als in het ongelijk gestelde partij dient appellant tot de in deze aanleg gevallen kosten te worden veroordeeld. Het hof maakt toepassing van de wet van 21 april 2007 en van het K.B. van 26 oktober 2007 die vanaf 1 januari 2008 gelden. Ter terechtzitting hebben partijen bevestigd akkoord te gaan dat wat de rechtsplegingvergoeding de basisbedragen worden toegepast. De rechtsplegingvergoeding in hoger beroep bedraagt 1.200,00 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellant tot de in deze aanleg gevallen kosten. Aan de zijde van geïntimeerde worden die kosten tot dusver bepaald op 1.200,00 EUR rechtsplegingvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op drie maart tweeduizend en tien. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe, kamervoorzitter, de heer Kristoffel Goossens, griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div