id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100308.9 Rolnummer: 2008/AR/1103 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-07-02 21:32 Fiche In de verzetsakte wordt de orderbevestiging - die in het Engels is opgesteld - geciteerd zonder vertaling in het Nederlands. Deze orderbevestiging is het belangrijkste stavingsstuk waarop appellante haar grieven baseert tot bewijs van haar stelling nopens de inhoud van de overeenkomst tussen partijen. Aldus is de verzetsakte nietig. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN Vrije woorden: Taalwetgeving - inbreuk (art. 40) Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7 de BIS Kamer ________ Terechtzitting van 08-03 2010 Nr. 2008/AR/1103 ------------------------ in de zaak van : N.V. LAURENT BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 9700 Oudenaarde, Ohiostraat 121 B en met ondernemingsnummer 0437.166.825, appellante, hebbende als raadsman mr. Eric Flamee, advocaat met kantoor te 9520 Sint-Lievens-Houtem, Eiland 27, tegen N.V. WILFORD INDUSTRY, met maatschappelijke zetel te 9031 Gent (Drongen), Industriepark 6K en met ondernemingsnummer 0405.084.866, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Raoul De Ryck, advocaat met kantoor te 9140 Temse, Schoolstraat 9, velt het Hof volgend arrest : Gelet op de conclusies en de stukken van partijen ;
- Bij verzoekschrift, neergelegd op 24 april 2008, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 februari 2008 op tegenspraak gewezen door de 3de kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (AR. 05/A/04033). Het vonnis a quo werd betekend op 9 april
- Feiten en procedure in eerste aanleg
- Bij dagvaarding, betekend op 10 mei 2005, vorderde de NV WILFORD INDUSTRY (hierna: "geïntimeerde") uit hoofde van de levering van barmatjes, betaling lastens de NV LAURENT BELGIUM (hierna: "appellante") van: 5.346,87 EUR (hoofdsom F.2004/00320 van 31 juli 2004) + 401.04 EUR (10% verwijlrente) + 534,68 EUR (10% schade-beding) = 6.282,59 EUR, méér de gerechtelijke rente, méér de kosten. Bij zittingsnota van 17 juni 2005 meldde geïntimeerde een deelbetaling te hebben ontvangen van 4.533,81 EUR en herleidde haar vordering tot 1.748,78 EUR, méér de gerechtelijke rente, méér de kosten. Bij verstekvonnis van 17 juni 2005 werd appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van 1.748,78 EUR, méér de gerechtelijke rente, méér de kosten. Het verstekvonnis werd betekend op 18 augustus
- Bij akte, betekend op 29 augustus 2005, tekende appellante verzet aan tegen het verstekvonnis van 17 juni
- Bij het vonnis a quo van 19 februari 2008 verklaarde de eerste rechter de dagvaarding in verzet nietig op basis van art. 40 van de Taalwet van 15 juni 1935 (Engels citaat) en het verzet onontvankelijk. Appellante werd tot de gedingkosten van het verzet veroordeeld. Procedure in hoger beroep
- Voor een uitgebreide uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en de conclusies. Beoordeling
- Een verzetsakte is een akte van rechtspleging, onderworpen aan de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Hierbij wordt de ééntaligheid van de rechtspleging en van de gerechtelijke akten als principe gesteld. Art. 40 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken stelt dat deze regels zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, die ambtshalve door de rechter moet worden uitgesproken, zelfs indien ze de belangen niet schaadt van de partij die ze opwerpt. Deze nietigheid is van openbare orde en er is geen dekking mogelijk door de latere toevoeging van vertalingen. De duidelijke rechtspraak van het Hof van Cassatie leert dat een citaat in een inleidende akte zoals een verzetsakte, weergegeven in een andere taal, de nietigheid van deze akte met zich meebrengt, wanneer de betrokken passage een grief op zich of een middel ter ondersteuning van een grief uitmaakt, hetzij vereist is voor de processuele regelmatigheid van de akte. Het citaat brengt géén nietigheid mee wanneer het louter een extra toe-lichting of bijkomstige illustratie vormt (Cass., 18 oktober 2004, R.W. 2005-2006, 547 ; Cass., 15 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 184 ; Cass., 4 juni 1987, R.W. 1987-1988, 573 ; zie ook: Gent, 19 februari 2007, T.G.R.-T.W.V.R. 2007, 175). In casu moet de rechtspleging op verzet geschieden in één taal, zijnde deze van de bestreden beslissing, nl. het verstekvonnis a quo: het Nederlands (art. 24 Taalwet Gerechtszaken). De betrokken verzetsakte bevat een passage van 12 regels in de Engelse taal. Het betreft de inhoud van de orderbevestiging van 17 maart 2004, die wordt geciteerd zonder vertaling in het Nederlands. Dit Engelstalig tekstgedeelte is géén bijkomstige commentaar en toe-lichting, maar citeert het belangrijkste stavingsstuk nr. 1 waarop appellante haar grieven baseert tot bewijs van haar stelling nopens de inhoud van de overeenkomst tussen partijen ("franco" levering). Geïntimeerde stelt dat dit stuk haar onbekend is. Ook van feitelijke gegevens die vermeld zijn in een akte ter ondersteuning van de grieven, moet de geïntimeerde kunnen kennis nemen in de taal van de rechtspleging (Cass., 26 september 2005, P.02.0733.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020626.24., www.cass.be). De verzetsakte is aldus nietig, de rechtsingang niet rechtsgeldig en het verzet ontoelaatbaar. Het hoger beroep is ongegrond. Het vonnis a quo moet worden bevestigd.
- Bij tegeneis in hoger beroep vordert geïntimeerde 1.000,00 EUR schade-vergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Bij tergend en roekeloos geding moet de procespartij echter lichtzinnig of ter kwader trouw hebben gehandeld, op een wijze waarvan een normaal redelijk en behoedzaam persoon zich zou onthouden (Cass., 12 mei 2005, RABG 2005, 1683 e.v. , met noot B. M... "De toetsing van het begrip tergend en roekeloos hoger beroep" ; Cass., 31 oktober 2003, J.T. 2004, 135 ; Cass., 24 april 1978, Pas. 1978, I, 955 ; Brussel, 4 mei 2000, DAOR 2000, 237 ; Brussel, 27 juni 1997, J.T. 1997, 688 ; Antwerpen, 19 december 1995, R.W. 1995-1996, 1223). Het Hof is van oordeel dat de ingestelde beroepsprocedure niet tergend of roekeloos is bij gebrek aan lichtzinnigheid of kwade trouw. De tegeneis in hoger beroep is dus ongegrond. Er is geen enkele grond om af te wijken van het basistarief van de rechts-plegingsvergoeding. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt het bestreden vonnis ; Verklaart de tegeneis in hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond ; Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, ver-effend in hoofde van geïntimeerde op 400,00 EUR rechtsplegings-vergoeding hoger beroep ; Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terecht-zitting op acht maart tweeduizend en tien. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020626.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div