id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100311.11 Rolnummer: 2007-AR-3001 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-07-01 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 21:34 Fiche Er is sprake van een schijnmandaat, indien : - de schijn aanwezig is dat de (schijn) lasthebber is opgetreden voor rekening en in naam van de(schijn) lastgever; - deze schijn toe te schrijven is aan de (schijn) lastgever; - de medecontractant te goeder trouw is; - de medecontractant schade heeft geleden door het optreden van de (schijn) lasthebber. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Schijnmandaat Vrije woorden: Schijnmandaat - toepassingsvoorwaarden Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 11 maart 2010 2007/AR/3001 in de zaak van: ARGENTA SPAARBANK N.V., met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 49-53, ingeschreven met KBO-nummer 0404.453.574, appellante, hebbende als raadsman mr. RYMENANS Robrecht, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47-49 Bus 1 tegen: 1. A.................. F..........., wonende te ................................. eerste geïntimeerde, 2. B................ A............., wonende te .................................... tweede geïntimeerde, 3.
- a)F............. J............, wonende te ...............................,
- b)F.............. W.............., wonende te wonende te ...............................,
- c)F................ J..............., wonende te ..................................... derde geïntimeerden, allen handelend in hun hoedanigheid van erfgenamen en rechtsopvolgers van B................... E............., overleden op 22.11.1995, 4. D.........E.........., wonende te .................................. vierde geïntimeerde, 5. D............... J......................., wonende te ............................. vijfde geïntimeerde, 6.
- a)B...................... B........................, wonende te .............................................,
- b)B................. A...................., wonende te ............................,
- c)B.................... I................., wonende te ......................,
- d)B............ W............, wonende te ......................,
- e)B................. M...................., wonende te .............................,
- f)B............... T............., wonende te ....................,
- g)B.............. L..................., wonende te ...........................
- h)B..................... M......................, wonende te ........................., zesde geïntimeerden, allen handelend in hun hoedanigheid van erfgenamen en rechtsopvolgers van D.............B.................., overleden op 09.10.1995, 7. D................... M..............., wonende te .............................., zevende geïntimeerde, 8. D.............. E............, wonende te ..................................., en D..................... L..................., wonende te .........................., achtste geïntimeerden, 9. D...................... M.................., wonende te ...............................; negende geïntimeerde, 10. D................... D..............., wonende te ................................................., tiende geïntimeerde, 11. D............ A.........................., wonende te ..............................., elfde geïntimeerde, 12. F..................... N................., wonende te ............................., twaalfde geïntimeerde, 13.
- a)H..................... G................., wonende te .......................,
- b)H...................N................, wonende te .......................,
- c)F................... M...................., wonende te .......................,
- d)H................ F................., wonende te .....................,
- e)H........................ J.....-L............, wonende te ............................, dertiende geïntimeerden, allen handelend in hun hoedanigheid van erfgenamen en rechtsopvolgers van H................... R................., overleden op 06.11.1994, 14. F....................... M................., wonende te ..................................., handelend in eigen naam en als weduwe-erfgename en rechtsopvolger van H...................... V....................., veertiende geïntimeerde, 15. L..................... K................, wonende te ......................................, vijftiende geïntimeerde, 16. P................... J......................., en B................. L..................., beiden wonende te ................................... zestiende geïntimeerden, 17. P.............. O....................., oorspronkelijke zeventiende geïntimeerde, in leven wonende te .................................... overleden op 21.02.2007, voor wie het geding hervat wordt door zijn erfgenamen, zijnde: * zijn weduwe (voor het volle vruchtgebruik van zijn nalatenschap): V............... N.............A............................ wonende te............................, * en zijn dochters (elk voor de onverdeelde helft van de naakte eigendom van de nalatenschap): P..... F................ M............... H.................., wonende te ............................, en P........ C............. I........ R......, wonende te ....................., 18. P....... P............., wonende te ....................., achttiende geïntimeerde, 19. S.............. M......, en C......... M............, beiden wonende te ......................., negentiende geïntimeerden, 20. S........ R......., wonende te ......................., twintigste geïntimeerde, 21. S................ E............, en D............. R........, beiden wonende te ................................, eenentwintigste geïntimeerden, 22. T............. O................, wonende te .............................., tweeëntwintigste geïntimeerde, 23. V.......................... M.............., wonende te ....................., drieëntwintigste geïntimeerde, 24. V...................... M..............., wonende te ......................., vierentwintigste geïntimeerde, 25. V........................ M..............., wonende te .........................., handelend in eigen naam en in zijn hoedanigheid van enige erfgenaam en rechtsopvolger van R.............. V............., overleden op 14.08.1996, en M........... S............, overleden op 15.08.1996, vijfentwintigste geïntimeerde, 26. V................ M...............l, en O................. V............., beiden wonende te ..............................................., zesentwintigste geïntimeerden, 27. V................. R................. wonende te ................., zevenentwintigste geïntimeerde, 28. V.............................. G................, wonende te ......................, achtentwintigste geïntimeerde, 29. W.................. G.............., wonende te ........................., handelend in zijn hoedanigheid van enige erfgenaam en rechtsopvolger van A................ W................... overleden op 15.05.1994, negenentwintigste geïntimeerde, 30. Y......... F................, wonende te ........................., dertigste geïntimeerde, allen hebbende als raadsman en woonst kiezende bij mr. DECRAMER. Marc, advocaat te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 23, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 18 december 2007 heeft N.V. Argenta Spaarbank tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 september 2007, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, derde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden 1. Geïntimeerden (of hun rechtsvoorgangers) waren allen klant van het zakenkantoor van R............. B............... te G............, die een aantal verzekeringsmaatschappijen vertegenwoordigde en zelfstandig agent was voor N.V. Argenta Spaarbank, thans appellante. Begin de jaren negentig kwamen frauduleuze praktijken in het kantoor Bruggeman aan het licht, hetgeen leidde tot diens vervolging voor de correctionele rechtbank te Ieper. B..........., die gelden van klanten had aangewend voor persoonlijke doeleinden, werd beschuldigd van onder meer valsheid in geschriften en gebruik ervan, misbruik van vertrouwen en oplichting. Alle huidige geïntimeerden stelden zich burgerlijke partij tegen B................ en tegen appellante, als burgerlijk aansprakelijke partij. Bij vonnis van 21 april 1994 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Ieper de aan B............ ten laste gelegde feiten bewezen en werd appellante (op grond van artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek) aansprakelijk gesteld voor de fouten van haar aangestelde (B...............). De vorderingen van de burgerlijke partijen werden ingewilligd. Appellante stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, dat evenwel integraal werd bevestigd bij arrest van de zesde kamer in dit hof van 29 juni 1998. Appellante voorzag zich in cassatie en bij arrest van 19 oktober 1999 werd het arrest van het hof van beroep te Gent vernietigd in zoverre het uitspraak had gedaan over de burgerlijke aansprakelijkheid van appellante op grond van artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek. Bij arrest van 13 december 2000 van het hof van beroep te Antwerpen werd de aansprakelijkheid van appellante op grond van artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek niet meer weerhouden en werden de op deze wetsbepaling gesteunde vorderingen van de burgerlijke partijen niet ontvankelijk verklaard. In zoverre de vorderingen van de burgerlijke partijen gesteund waren op de eigen aansprakelijkheid van appellante (artikel 1382 burgerlijk wetboek) verklaarde het hof zich onbevoegd. 2. Met dagvaarding betekend op 3 mei 2002 hernemen de huidige geïntimeerden (evenals L...... M.............) hun respectieve vorderingen, die zij steunen op artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek, de theorie van het schijnmandaat en de artikelen 1382-1383 van het burgerlijk wetboek. 3. De eerste rechter stelt vooreerst vast dat geïntimeerden hun vordering weliswaar niet meer kunnen steunen op artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek, gelet op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, maar verklaart hun vorderingen wel toelaatbaar in zoverre gesteund op de artikelen 1382-1383 van het burgerlijk wetboek en het schijnmandaat, nu het hof van beroep te Antwerpen zich onbevoegd had verklaard om kennis te nemen van deze vorderingen. Ten gronde overweegt de eerste rechter dat het niet relevant is dat B............. niet werkte met officiële documenten van appellante en aan zijn klanten ontvangstbewijzen afleverde met enkel een stempel van zijn kantoor. Volgens de eerste rechter belet dit niet dat de gedupeerde klanten te goeder trouw mochten aannemen dat B.................... optrad als agent van appellante. Na een analyse van de wijze waarop de onderscheiden geïntimeerden gelden aan B............... ter hand hebben gesteld, en rekening houdend met hetgeen definitief door de strafrechter werd beslist, worden alle vorderingen van geïntimeerden gegrond verklaard, met uitzondering van L....... M........................., wiens vordering als ongegrond wordt afgewezen. Aldus wordt appellante veroordeeld om te betalen aan:
(1)F................ A...................., de som van 7.649,97 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 19.01.1991;
(2)aan A....... B..............., een som van 4.957,87 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 05.01.1991;
(3)aan J............. F........., W... F...... en J...... F..............., rechtsopvolgers van B............ E......, een som van 4.957,87 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 31.01.1991;
(4)aan E.... D.............., een som van 6.197,34 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 01.01.1990;
(5)aan J............. D........, een som van 619,73 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 07.01.1991;
(6)aan B....... B............., A....... B......., I........... B........, W..... B........, M........... B......., M.....-T............ B.............., L............... B............... en M...... B..............., rechtsopvolgers van B............ D............., de som van 20.837,78 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 26.03.1990;
(7)aan M....... D.........., een som van 17.104,65 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 18.09.1990;
(8)aan L........... D.......... en E............. D........, gezamenlijk, de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van16.01.1991;
(9)aan M............. D.........., de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 01.01.1991;
(10)aan D...... D......., de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke interesten met ingang van 01.12.1990;
(11)aan A..... D........, de som van 7.436,81 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 01.12.1990, en de som van 14.873,61 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 01.02.1990;
(12)aan N...... F........, de som van 3.718,40 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 16.01.1991;
(13)aan G........ H..........., N...... H............, M........ F......., F...... H........... en J..........-L..... H.........., gezamenlijk, in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van R............. H................., de som van 12.394,68 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 04.01.1990;
(14)aan M..... F........., in eigen naam en in hoedanigheid van rechtsopvolgster van V........... H............................., de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 04.01.1990;
(15)aan K...... L............, de som van 3.718,40 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 01.04.1990;
(16)aan J........... P..........., de som van 2.354,99 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 04.01.1991;
(17)aan O..... P........., de som van 9.865,44 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 01.01.1990;
(18)aan P.......... P........., de som van 7.436,61 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 15.01.1991;
(19)aan M...... S............, de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 21.11.1990;
(20)aan R...... S.........., de som van 2.478,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 22.01.1991;
(21)aan E..... S......., de som van 1.239,47 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 13.10.1990;
(22)aan O........... T.............., de som van 1.611,31 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 23.01.1991;
(23)aan M.............. V............., de som van 1.735,25 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 28.02.1990;
(24)aan M......... V..........., de som van 1.611,31 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 26.03.1990;
(25)aan M.......... V.........., in eigen naam en als rechtsopvolger van de echtgenoten V........—S........., de som van 9.172,06 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 01.02.1982;
(26)aan M........ V........, de som van 3.718,40 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 15.01.1991;
(27)aan R............ V............, de som van 16.905,94 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 16.06.1990;
(28)aan G.......... V................, de som van 495,79 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 03.01.1991;
(29)aan G......... W............, de som van 3.718,40 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 17.09.1990;
(30)aan F......... Y..........., de som van 12.394,68 euro , te verhogen met de compensatoire en de gerechtelijke intresten met ingang van 17.09.
- Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de dertig partijen wiens vordering werd toegekend. Vooreerst werpt zij op dat de vorderingen zoals gesteld in het beschikkend gedeelte van de inleidende dagvaarding van 3 mei 2002 en van de dagvaarding van 25 augustus 1993 (voor de correctionele rechtbank te Ieper), identiek zijn, zodat de vordering dient te worden afgewezen op grond van het principe ‘non bis in idem' (artikel 23 van het gerechtelijk wetboek). Ten gronde verwijt zij de eerste rechter dat hij is voorbijgegaan aan het gegeven dat de opgewekte schijn moet toerekenbaar zijn aan de schijnlastgever, hetgeen ten deze niet het geval is. Tevens merkt appellante op dat geïntimeerden niet te goeder trouw zijn, nu zij wisten dat de fondsen die zij aan B........... toevertrouwden, niet kaderden in een operatie waarbij appellante was betrokken. Aldus besluit appellante tot de afwijzing van de tegen haar gestelde vorderingen. Ondergeschikt vraagt zij minstens een schorsing van de intresten vanaf de respectieve schadedata tot aan de dagvaarding van 3 mei
- Geïntimeerden besluiten tot de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat zij incidenteel hoger beroep instellen, waarmee zij de veroordeling van appellante beogen op grond van artikel 1384, lid 3 van het burgerlijk wetboek. Zij hernemen hun respectieve initiële vorderingen, gebaseerd op deze rechtsgrond. beoordeling
- Het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter strekt zich uit tot de overwegingen die een noodzakelijke grondslag vormen van het strafvonnis. In zoverre de vordering van de burgerlijke partijen (huidige geïntimeerden) voor de strafrechter gesteund was op de aansprakelijkheid van appellante als aansteller van B..............., heeft het hof van beroep te Antwerpen in haar arrest van 13 december 2000 expliciet overwogen: "Dat, nu niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1384, 3° lid van het Burgerlijk Wetboek, de op grond daarvan ten laste van appellante N.V. ARGENTA SPAARBANK ingestelde schadeëis niet ontvankelijk is". Derhalve werd definitief geoordeeld dat geïntimeerden hun vordering tegen appellante niet kunnen stoelen op deze wetsbepaling, zodat het gezag van gewijsde, verbonden aan het arrest van 13 december 2000, er zich tegen verzet dat geïntimeerden hun huidige vordering tegen appellante opnieuw op deze rechtsgrond stoelen. Noch het feit dat dit arrest werd gewezen in strafzaken, noch de vaststelling dat het hof van beroep te Antwerpen deze vordering van appellanten uiteindelijk niet ontvankelijk (en niet ongegrond) heeft verklaard, doen hieraan afbreuk. Het gezag van gewijsde is immers niet beperkt tot het beschikkend gedeelte van het arrest, maar heeft ook betrekking op hetgeen zeker en noodzakelijk werd beslist in het overwegend gedeelte. Bijgevolg dient niet te worden ingegaan op de argumentatie waarmee geïntimeerden willen aantonen dat B................ een aangestelde was van appellante. Het door geïntimeerden ingesteld incidenteel hoger beroep is ongegrond.
- De overwegingen in het vorig randnummer beletten niet dat geïntimeerden van appellante thans nog schadevergoeding kunnen vorderen op grond van de theorie van het schijnmandaat. Het voorwerp van de burgerlijke vordering ingesteld voor de strafrechter en de huidige vordering zijn weliswaar identiek, maar de oorzaak ervan is verschillend, daar zij gestoeld zijn op onderscheiden rechtsgronden, derwijze dat er geen gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing over onderhavige vordering en de eerdere beslissing van de strafrechter. In verband met het schijnmandaat als rechtsgrond dient te worden opgemerkt dat geïntimeerden daarbij ten onrechte verwijzen naar de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek, aangezien deze rechtsfiguur niet gesteund is op een onrechtmatige daad. Een fout of nalatigheid in hoofde van appellante, die zou kunnen leiden tot haar aansprakelijkheid op grond van deze wetsbepalingen, komt trouwens niet bewezen voor. De interne controles hebben weliswaar gefaald, waardoor de praktijken van B........... pas na verloop van tijd werden ontdekt, maar, mede gelet op de sluwheid waarmee B............. te werk ging bij het omzeilen van de controles, betekent dit niet dat zij onzorgvuldig is geweest wat het toezicht betreft. Appellante is van mening dat zij niet kan worden aangesproken op grond van de schijnvertegenwoordiging, omdat, enerzijds, de door B.............. gewekte schijn niet enkel niet gerechtvaardigd was, maar ook aan de schijnlastgever moet kunnen worden toegerekend, en, anderzijds, geïntimeerden niet te goeder trouw zijn. Concreet houdt zij voor dat, waar B.............. in de meeste gevallen gebruik maakte van blanco kwijtingen waarop geen enkele verwijzing naar appellante voorkwam, geïntimeerden wisten of dienden te weten dat zij het officiële spaarcircuit van appellante zouden verlaten. Bovendien hebben alle geïntimeerden rechtstreeks aangifte gedaan van hun schuldvordering in het faillissement van B.................... en hebben bijna alle geïntimeerden een controle-uittreksel van appellante, met de stand van hun officiële rekeningen, voor akkoord ondertekend. 2.
- Appellante kan geen argument putten uit het feit dat geïntimeerden aangifte hebben gedaan in het faillissement van B.............. Zij hadden spaargelden aan hem toevertrouwd en het is normaal dat zij alles in het werk hebben gesteld om hun vordering te recupereren (op het gevaar af dat hen later zou verweten worden dat zij niet al hun rechten hadden uitgeput). Geconfronteerd met het plotse faillissement van de persoon aan wie zij geld hadden gegeven met het oog op de opening van een rekening of de aankoop van kasbons, hebben de gedupeerden aangifte gedaan van hun schuldvordering. Deze aangifte brengt in hoofde van geïntimeerden geen afstand mee van enig recht of vordering, en kan hun rechten ten aanzien van appellante geenszins beperken. 2.
- Uit het strafdossier en de overwegingen van de correctionele rechtbank te Ieper in het vonnis van 21 april 1994, overgenomen in het arrest van de zesde kamer in dit hof van 29 juni 1998, blijkt duidelijk dat B................., als agent van appellante, ten overstaan van zijn klanten steeds heeft doen uitschijnen dat de gelden die hem werden toevertrouwd, geplaatst werden bij appellante. Het feit dat B................. doelbewust naliet om de officiële Argenta-formulieren te gebruiken, opdat zijn malversaties bij controle niet aan licht zouden komen, en kwijtingen afleverde, die enkel voorzien waren van de stempel van zijn kantoor, diende de argwaan van de klanten, die hem ten volle vertrouwden, niet te wekken. Het hof beaamt desbetreffend de overwegingen van de strafrechter: "Tevergeefs werpt de N.V. ARGENTA op dat B............ het vertikte de hem ter beschikking staande officiële Argenta-formulieren te gebruiken zoals hem opgelegd was. Dat is hier niet ter zake dienend. Hij trad in alle in vorige alinea opgesomde gevallen (nota van het hof: waartoe de huidige geïntimeerden behoren) op als Argenta-agent, het doen voorkomend als binnen het raam van zijn functie handelend, van zijn cliënten opdrachten aannemend die een Argenta-bestemming moesten krijgen of verondersteld waren die te krijgen. Dat hij meestal gewone kwijtschriften met de stempel van zijn kantoor afgaf gebeurde al sedert jaren en was uitsluitend om te vermijden dat zijn praktijken te gauw aan het licht zouden komen (...). Het betekent geenszins dat hij op persoonlijke titel en in afspraak met de klant zou geopteerd hebben voor een andere bestemming van de gelden dan bij de N.V. ARGENTA. Het tegendeel blijkt uit de verklaringen en de vaststellingen in het strafdossier.". Er is geen enkele aanwijzing (en het zou overigens strijdig zijn met de overwegingen van de strafrechter) om aan te nemen dat geïntimeerden wisten dat hun spaargelden buiten het officiële circuit van appellante terecht kwamen en dat zij aldus bewust aan de mala fide-praktijken van B........... hebben meegewerkt. Geïntimeerden mochten een rechtmatig vertrouwen hebben in B.........., die samen met hen deel uitmaakte van een kleine gemeenschap. Pas later zou blijken dat dit vertrouwen door B........... ernstig werd misbruikt. Het gebruik van blanco documenten belet niet dat B............ in de ogen van geïntimeerden de vertegenwoordiger van appellante was en dat zij ervan uitgingen dat hun spaargelden via de officiële agent aan deze maatschappij werden toevertrouwd. Jarenlang liet appellante toe dat B........... optrad als haar vertegenwoordiger (interne controles werkten blijkbaar onvoldoende of werden door B........... handig omzeild), zodat de schijn dat B................ bij de financiële transacties met geïntimeerden handelde als agent van appellante, aan haar is toe te rekenen. De gehoudenheid van appellante als schijnlasthebber wordt niet beïnvloed door het feit dat de schijnlasthebber in de uitvoering van de naar de schijn bestaande opdracht onrechtmatig optreedt, ook al maakt dit onrechtmatig optreden een misdrijf uit. 2.
- Nadat de fraude aan het licht was gekomen en het contract tussen appellante en B........... beëindigd was, hebben de meeste geïntimeerden het bezoek gekregen van een afgevaardigde van appellante, die hen een controle-uittreksel ter ondertekening heeft voorgelegd waarop hun respectieve tegoeden zijn vermeld zoals deze bij appellante geboekt stonden. Deze uittreksels werden opgesteld toen het strafonderzoek nauwelijks was opgestart, zodat de door het faillissement van B............. gealarmeerde personen de documenten te goeder trouw hebben ondertekend, zonder volledig op de hoogte te zijn van de werkelijke toedracht. De eerste rechter (evenals de strafrechter) dient dan ook volledig te worden bijgetreden waar hij dienaangaande heeft overwogen dat de ondertekening van deze controle-uittreksels niet ter zake dienend is en deze handelwijze aldus moet worden begrepen dat de gedupeerden enkel getekend hebben voor akkoord met de op deze formulieren vermelde bedragen, die slechts die bedragen bevatten die bij appellante bekend en geboekt waren, en niet de bedragen die door B............ waren verduisterd. Terecht werd dan ook besloten dat dit geenszins impliceert dat de benadeelden daarmee te kennen hebben gegeven dat deze bedragen niet bij appellante hadden moeten geplaatst worden of dat zij van enige terugvordering afstand zouden gedaan hebben. Hetzelfde geldt voor het feit dat de gedupeerden niet hebben gereageerd op het aangetekend schrijven dat appellante hen in februari 1991 (toen de affaire nog maar pas was losgebarsten) heeft gestuurd en waarin het totaalbedrag van hun plaatsingen bij appellante was vermeld. Het uitblijven van een reactie vanwege de spaarders kan niet worden beschouwd als een stilzwijgende instemming met de inhoud van deze brief of een afstand van enig recht. 2.
- Kwade trouw in hoofde van één of meerdere geïntimeerden wordt niet vermoed en wordt door appellante niet aangetoond. Overigens heeft de strafrechter in geen enkele van de individuele gevallen waarop het huidig geschil betrekking heeft, kwade trouw of enige vorm van collusie tussen de gedupeerden en B........... weerhouden. 2.
- Wat de beoordeling van de individuele gevallen betreft, dient te worden gewezen op het feit dat B........... ten aanzien van alle geïntimeerden door de strafrechter definitief werd veroordeeld wegens oplichting, verduistering en/of misbruik van vertrouwen. Appellante poogt echter systematisch het gezag van gewijsde verbonden aan de beslissing van de strafrechter, te miskennen. Voor zover door appellante wordt opgeworpen dat bij de overhandiging van gelden door B................... geen gebruik werd gemaakt van officiële kwijtschriften en dat geïntimeerden de controle-uittreksels voor akkoord hebben ondertekend, kan worden verwezen naar de randnummers 2.
- en 2.3, waarin deze argumenten reeds werden weerlegd. Door appellante wordt in een aantal gevallen ook opgeworpen dat de betrokken spaarders buiten het Argenta-circuit hebben willen beleggen. In geen enkel geval wordt deze bewering hard gemaakt. Het kantoor van B............ vertegenwoordigde slechts één spaarbank, met name appellante. Wanneer de spaarders aan B............. geld hebben overhandigd om één of meer kasbons aan te kopen, mag er derhalve worden van uit gegaan dat het Argenta-kasbons betrof. Door de eerste rechter werden de diverse ten laste van B.............. weerhouden betichtingen uitvoerig geciteerd, waaraan overwegingen werden toegevoegd waarin wordt omschreven op welke wijze de betrokken gedupeerden effectief slachtoffer zijn van de praktijken van B................... Het hof neemt deze redengeving over, die alhier als hernomen wordt beschouwd. 2.5.
- Frans Alleweirelt Betrokkene had een Argenta-spaarrekening 'zilver' geopend met een bedrag van euro 7.649,
- Deze rekening werd op zijn verzoek gesaldeerd om het bedrag om te zetten in een golden rekening. De agentenrekening van B................ bij appellante werd gecrediteerd, maar hij heeft het bedrag niet meer doorgestort. Appellante houdt thans voor dat wel de afhaling bewezen is, maar niet de beweerde plaatsing. Gelet echter op hetgeen door de strafrechter werd geoordeeld, staat het vast dat voormeld bedrag werd overhandigd aan B..............in zijn hoedanigheid van agent van appellante. Op grond van de hiervoor aangehaalde overwegingen met betrekking tot het schijnmandaat kan appellante door Alleweirelt worden aangesproken in terugbetaling. 2.5.
- A........... B............. Appellante suggereert collusie tussen B............ en B..............., omwille van hun zeer persoonlijke relatie en bepaalde privé-leningen die hij aan B........... heeft toegestaan. Deze gegevens leveren echter niet het bewijs van kwade trouw in hoofde van B............... Ook te zijnen aanzien heeft de strafrechter geoordeeld dat B................ op frauduleuze wijze de hem met het oog op de aankoop van kasbons Argenta ter hand gestelde som voor eigen doeleinden (ter creditering van zijn agentenrekening bij appellante) heeft aangewend. 2.5.
- de rechtsopvolgers van E ..... B................t Dat E..... B................ de som van euro 4.957,87 heeft overgemaakt aan B............... via overschrijving op zijn persoonlijke bankrekening, doet geen afbreuk aan het feit dat het vaststaat dat dit bedrag hem werd overgemaakt met de bedoeling dat bij appellante een nieuwe rekening met een hogere rente zou worden geopend (hetgeen trouwens blijkt uit de mededeling op het overschrijvingsformulier). Ook wat haar betreft, heeft de eerste rechter geoordeeld dat B........ het ontvangen bedrag voor andere doeleinden heeft aangewend. 2.5.
- E.......... D.............f Ook hier blijft de beweerde collusie onbewezen. Het staat vast dat B............. de bij hem door D............. in bewaring gegeven kasbons op hun vervaldag niet heeft herbelegd, maar het geld voor andere doeleinden heeft aangewend. 2.5.
- J........... D......... Appellante betwijfelt of D............ destijds 25.000 BEF (= euro 619,73) heeft gegeven aan B.............. met het oog op de aankoop van een kasbon. De betichting dat B.............. dit bedrag effectief heeft ontvangen, maar het heeft aangewend voor andere doeleinden, werd door de strafrechter nochtans weerhouden. 2.5.
- de rechtsopvolgers van B.......... D...........r Tevergeefs werpt appellante op dat de bejaarde B......... D............. afspraken of combines zou gemaakt hebben. De strafrechter heeft beslist dat B............, enerzijds, kasbons ter waarde van 350.000 BEF (= euro 8.676,27) heeft ontvangen om te herbeleggen (zonder dat nieuwe effecten werden aangekocht) en dat hij, anderzijds, 540.594 BEF (= euro 13.400,98) heeft verduisterd door deze dame te laten tekenen voor saldering van haar spaarboekje, teneinde het om te zetten in een nieuwe rekening, terwijl in werkelijkheid geen rekening werd geopend en de gelden door B............... werden aangewend ter creditering van zijn agentenrekening. 2.5.
- M....... D................. B........... heeft tijdens het strafonderzoek toegegeven dat hij de handtekening van M......... D............. heeft nagemaakt. Appellante blijft dit vruchteloos betwisten, voorhoudend dat B............. onbetrouwbaar is, niettegenstaande de strafrechter hem heeft veroordeeld wegens valsheid in geschriften, met name de handtekening van M.......... D............... te hebben nagemaakt op het voorgedrukt formulier van Argenta met betrekking tot de kasverrichtingen. 2.5.
- E............. en L............ D............ Ook in dit geval staat het op grond van de beslissing van de strafrechter vast dat B............ valsheid in geschriften heeft gepleegd door de handtekening van betrokkenen te hebben nagebootst, teneinde gelden van hun rekening af te nemen. 2.5.
- M......... D................. B............. heeft de betrokkene ertoe overgehaald twee Argenta-kasbons om te ruilen voor kasbons die meer zouden opbrengen. De kasbons werden verzilverd door B.............n, die het geld niet heeft herbelegd, maar heeft aangewend om zijn agentenrekening de crediteren. 2.5.
- D.............. D........... Betrokkene heeft aan B.............. geld overhandigd om een Argenta-kasbon aan te kopen, maar het order werd niet uitgevoerd. Zoals reeds herhaaldelijk gesteld, doet het feit dat B..................... een privé-kwijting heeft uitgeschreven, zonder vermelding van appellante, geen afbreuk aan haar gehoudenheid 2.5.
- A........ D.............. Appellante poogt ten onrechte de goede trouw van betrokkene in twijfel te trekken door hem te beschuldigen van een bedrieglijke verstandhouding met B..............., die door de strafrechter werd veroordeeld wegens vervalsing van de handtekening van D............... teneinde diens rekeningen te salderen en zijn eigen agentenrekening te crediteren. De aantijging dat D............. buiten het Argenta-circuit wilde beleggen en te kwader trouw is, blijft onbewezen. 2.5.
- N.......... F...............t Appellante heeft het in dit geval over een ‘achteraf gefabriceerde kwijting', hetgeen zou wijzen op een valsheid. Deze bewering blijft evenwel totaal onbewezen. Het staat vast dat B.......... de opbrengst van twee vervallen Argenta-kasbons heeft aangewend om zijn agentenrekening te crediteren in plaats van er nieuwe Argenta-kasbons mee aan te kopen. 2.5.
- de rechtsopvolgers van R....... H............ R......... H........... was het slachtoffer van de herhaaldelijk door B............. aangewende praktijk die er in bestond de spaarders ertoe over te halen hun spaarboekje ‘zilver' om te zetten in een spaarboekje ‘goud', dat een hogere rente zou opleveren. Ook in dit geval werd de eerste rekening gesaldeerd en heeft B............. het bedrag niet op de nieuwe rekening geplaatst, maar aangewend om het debetsaldo van zijn agentenrekening te drukken. 2.5.
- M......... F............, in eigen naam en als rechtsopvolger van V........ H................ Appellante haalt geen andere argumenten aan dan het aanwenden van een privé-kwijting en de ondertekening van een controle-uittreksel door de gedupeerden. Beide argumenten werden hiervoor reeds weerlegd. 2.5.
- K......... L............ Appellante blijft vruchteloos beweren dat het een privé-belegging betreft, nu de strafrechter duidelijk heeft veroordeeld dat B............ de rekening van K........ L.............. heeft gedebiteerd, teneinde een Argenta-kasbon aan te kopen, maar het geld heeft aangewend om zijn agentenrekening te crediteren. 2.5.
- P.........-B............. Door de eerste rechter werd terecht aangenomen dat de som van euro 2.354,99 door P........-B.............. werd overhandigd aan B............ met het oog op de aankoop van een Argenta-kasbon (die nooit werd besteld). Dat zij hun geld buiten het Argenta-circuit wilden beleggen, wordt niet bewezen. 2.5.
- de rechtsopvolgers van O......... P............... B.............. heeft een document van appellante (B-formulier) vervalst om de semesterrekening van O......... P................ te salderen en heeft het aldus afgehaald bedrag geboekt op zijn agentenrekening. 2.5.
- P.......... P............... Het order voor de aankoop van een kasbon werd in dit geval zelfs opgemaakt op een officieel document van appellante, hetgeen er duidelijk op wijst dat het niet de bedoeling was van betrokkene om de gelden buiten appellante om te plaatsen. Desalniettemin heeft B................ de kasbon niet aangekocht. 2.5.
- S............-C................... Het verweer van appellante beperkt zich tot het gebruik van private kwijtingen en insinuaties over collusie, niettegenstaande B....................... in dit geval ook veroordeeld werd wegens valsheid in geschriften (het namaken van de handtekening van C............ op een borderel van Argenta). 2.5.
- R........... S............... Zoals hiervoor reeds opgemerkt, vertegenwoordigde het kantoor van B.................. slechts één spaarbank, zodat wanneer hem geld werd overhandigd om een kasbon aan te kopen, er mag worden van uit gegaan dat het een Argenta-kasbon betrof. Ook in dit geval heeft B.................... het ontvangen geld voor andere doeleinden aangewend. 2.5.
- S.............-D.................. Een vervallen kasbon moest worden herbelegd. B............... heeft een kwijting afgeleverd en het bedrag op zijn agentenrekening geplaatst, zonder de kasbon aan te kopen. 2.5.
- O........ T................ Het verweer van appellante beperkt zich tot het gebruik van private kwijtingen en insinuaties over collusie. Deze argumentatie werd hiervoor reeds weerlegd. 2.5.
- M................. V.............. De enige opmerking van appellante is dat het eigenaardig voorkomt dat betrokkene zich geen zorgen heeft gemaakt toen de bestelde kasbon niet werd geleverd. Hiermee kan zij niet aan haar aansprakelijkheid ontsnappen. Dit geval illustreert het vertrouwen dat de spaarders hadden in de agent van appellante. 2.5.
- M............ V..................... Appellante wijst enkel op de private kwijtingen, de controle-uittreksels en het gebrek aan reactie op haar aangetekend schrijven. Deze argumentatie werd reeds weerlegd. 2.5.
- M.............. V.............. (rechtsopvolger van R........i V............. en M.......... S...............) B............. heeft toegegeven dat hij een kaftje van Argenta heeft ingevuld om de voor betrokkene bestemde documenten 'een zeker officieel karakter van de N.V. Argenta te kunnen bezorgen'. Bovendien heeft hij op een formulier B van appellante een valse handtekening aangebracht om de rekening van R......... V................ te kunnen salderen. Dit toont aan dat er geen sprake is van beleggingen buiten de spaarbank om. 2.5.
- V..........-O..............r Twee vervallen kasbons dienden te worden herbelegd in nieuwe kasbons. Dat de betrokkenen het officieel circuit wensten te verlaten om gelden privé te plaatsen bij B.............., blijft een onbewezen bewering van appellante. 2.5.
- R............ V.............. Wijlen R............. L............. (echtgenoot van R........... V...................) was titularis van een ‘zilver'-rekening bij appellante. Kort voor zijn overlijden vroeg V.......... aan B................. om een bedrag van euro 19.831,48 over te zetten naar het Argenta-spaarboekje van haar zoon. De rekening werd gedebiteerd en op de agentenrekening van B................ geplaatst. Deze betaalde bepaalde kosten van de begrafenis van L.................., maar het saldo ( euro 16.905,94) werd niet op de rekening van de zoon geplaatst. 2.5.
- G............ V................t Betrokkene betaalde B................ 20.000 BEF (= euro 495,79) voor de aankoop van een kasbon, die nooit werd besteld. 2.5.
- G......... W.............. (rechtsopvolger van A............. W.............) Als agent van appellante heeft B............ op verzoek van W............. 200.000 BEF (= euro 4.957,87) afgehaald van diens rekening. Naar blijkt uit de kwitantie zou het geld worden herplaatst. Er is geen enkele aanwijzing dat het niet de bedoeling was dat ook deze herplaatsing zou gebeuren in het kader van de activiteit van B.................... als agent van appellante. Uiteindelijk werd aan W............. 50.000 BEF (= euro 1.239,47) in kontanten gegeven. Het saldo ( euro 3.718,40) heeft B.................. voor eigen doeleinden aangewend. 2.5.
- ...F.......Y................t B............... had opdracht van betrokkene om bedragen afkomstig van een ‘zilver'-rekening, die aanvankelijk voor zes maanden werden belegd, te herplaatsen op een ‘golden'-rekening'. Deze nieuwe rekening werd niet geopend en het geld werd door B................. gebruikt om zijn agentenrekening bij appellante te crediteren.
- Uit het voorgaande blijkt dat de voorwaarden voor de toepassing van het schijnmandaat vervuld zijn: - de schijn was aanwezig dat B................. bij de financiële transacties met zijn klanten optrad als agent van appellante; - deze schijn is toe te schrijven aan appellante, die B................. 20 jaar lang als haar agent heeft laten werken, derwijze dat hij zich in de streek identificeerde met appellante; - geïntimeerden waren in hun betrekkingen met B................... te goeder trouw; er is geen aanwijzing, laat staan bewijs, van het tegendeel; - geïntimeerden hebben schade geleden door de optreden van de schijnlasthebber. Het hoger beroep van appellante is dan ook ongegrond. Nopens de hoofdsommen is er geen betwisting, maar ondergeschikt vraagt appellante de loop van de vergoedende intresten te schorsen tot op het ogenblik van het uitbrengen van de dagvaarding van 3 mei
- Dat de procedure reeds zo lang aansleept, is in hoofdzaak het gevolg van het feit dat herhaaldelijk (deels met succes) rechtsmiddelen werden aangewend. Dat geïntimeerden hun vordering aanvankelijk op een onjuiste rechtsgrond hebben gesteund, kan echter niet als een sanctioneerbare fout worden aangemerkt, terwijl verder uit niets blijkt dat zij bij de procesvoering onzorgvuldig of nalatig zijn geweest. Het bestreden vonnis dient volledig te worden bevestigd.
- Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep respectievelijk op euro 5.000,00 (appellante) en euro 10.000,00 (geïntimeerden). Geen van beiden motiveert deze begroting of vraagt een afwijking van het basisbedrag. Aangezien het resultaat van de samentelling van de door geïntimeerden (die allen vertegenwoordigd worden door dezelfde raadsman) gevorderde hoofdsommen in de schijf tussen euro 100.000,00 en euro 250.000,00 ligt, dient het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald op euro 5.000,
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst appellante in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij haar ten laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerden vereffend worden op euro 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, kamervoorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ELF MAART TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div