id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100316.7 Rolnummer: 2009-AR-0184 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 21:35 Fiche Door te bepalen dat de Stedenbouwkundig inspecteur herstelmaatregelen mag vorderen, heeft de decreetgever hem de hoedanigheid en het belang gegeven om in de aangelegenheden van ruimtelijke ordening, die tot zijn bevoegdheid behoren, op te treden, zonder dat vereist is dat hij in de vordering uitdrukkelijk zou vermelden dat hij optreedt namens het Vlaams gewest. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Bevoegdheidsverdeling - Gewesten - Ruimtelijke ordening Vrije woorden: Ruimtelijke ordening en stedenbouw - Gewestelijke inspecteur - bevoegdheid - vermelding Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 16 maart 2010 ________ NA TA 3.11.2009 2009/AR/184 in de zaak van: D............... E............., wonende te ............................, appellant, hebbende als raadsman mr. VAN RANSBEECK Daniel, advocaat te 9320 EREMBODEGEM, Heuvel 28 appellant van een op 19 december 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verleende beschikking tegen: De Stedenbouwkundige Inspecteur van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen voor de provincie Oost-Vlaanderen, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen met kantoren gevestigd te 9000 Gent, Gebr.Van Eyckstraat 2-6 WOONSTKEUZE DOENDE BIJ DIENS RAADSMAN Mr. TOLLENAERE Veerle, met kantoor te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. TOLLENAERE Veerle, voornoemd Wijst het Hof volgend arrest: Bij tussenarrest van 3 november 2009 heeft dit Hof het hoger beroep van appellant toelaatbaar verklaard en alvorens verder over wat dan ook te oordelen, ambtshalve het debat heropend teneinde partijen toe te laten een aantal stukken voor te leggen. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. VOORGAANDEN 1.
- Voor zover als nodig herhaalt het Hof hierna de feitelijke en procedurele voorgaanden, reeds weergegeven in het tussen-arrest, en voegt hieraan toe hetgeen volgt, rekening houdend met de stukken die na tussenarrest aan het Hof werden voorgelegd. Appellant werd bij vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 10 december 2002 strafrechtelijk veroordeeld voor een reeks inbreuken op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en milieu, met betrekking tot de onroerende goederen gelegen te Erpe-Mere, Afdeling 2, Sectie C, nrs.556A, 558K, 572P, 565E, 578A en 579 (stuk 1 geïntimeerde). De herstelvordering, die geïntimeerde in de procedure voor de correctionele rechtbank had geformuleerd, werd in dit vonnis volledig ingewilligd als volgt: "... Beveelt op vordering van de gewestelijke inspecteur de plaats in de vorige staat te herstellen binnen een termijn van zes maanden. Beveelt voor het geval dat de plaats niet in de vorige staat wordt hersteld binnen de gestelde termijn, dat de gewestelijke inspecteur en het College van Burgemeester en Schepenen in de uitvoering ervan van rechtswege kunnen voorzien. Zegt dat de veroordeelde gehouden is alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen te vergoeden op vertoon van een staat, begroot en invorderbaar verklaard voor de beslagrechter. Veroordeelt de beklaagde om aan de gewestelijke inspecteur te betalen een dwangsom van honderd drieëntwintig euro vijfennegentig eurocent per dag verwijl in de uitvoering van het herstel vanaf 10 mei
- ...". Per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging van 24 januari 2003 deelde de Afdeling Bouwinspectie aan appellant mee dat het vonnis uitgevoerd diende te zijn op uiterlijk 25 juni
- Daarbij werd expliciet gewezen op de aan strafrechtelijke veroordeling gekoppelde dwangsom ingeval van gebrekkige uitvoering van het opgelegde herstel (stuk 2 geïntimeerde). Op 9 september 2003 werd op verzoek van appellant een verbeterend vonnis geveld door de correctionele rechtbank te Dendermonde, waarbij werd bepaald dat de in het vonnis van 10 december 2002 vermelde datum van 10 mei 2003 een materiële vergissing was en deze datum dient te worden gelezen als 10 juni
- 1.
- Op 9 januari 2004 liet geïntimeerde een bevel tot betalen betekenen voor de dwangsommen verbeurd in de periode van 31 juli 2003 tot 7 januari 2004, voor een totaal bedrag van 20.464,49 EUR. Tegen dit bevel heeft appellant op 13 februari 2004 een eerste verzetsprocedure ingeleid voor de Beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, teneinde de schorsing te bekomen van de invordering van de dwangsom. Blijkens de na tussenarrest voorgelegde stukken strekte dit verzet ertoe te zeggen voor recht dat bij ontstentenis van betekening van het vonnis in verbetering dd.9 september 2003, de dwangsom niet kan worden opgevorderd. In ondergeschikte orde wenste appellant te horen zeggen voor recht dat ingevolge het herstel van het terrein voor datum van betekening van het tussengekomen vonnis dd.10 december 2002, de dwangsom niet verbeurd is. Op 5 juli 2004 liet geïntimeerde een tweede bevel tot betalen betekenen aan appellant voor de dwangsommen verbeurd in de periode tussen 31 juli 2003 en 22 juni 2004 voor een totaal bedrag van 21.211,16 EUR. Tegen dit tweede bevel heeft appellant opnieuw een verzetsprocedure ingesteld bij dagvaarding van 16 september 2004 voor de Beslagrechter te Dendermonde. Dit tweede verzet had dezelfde oorzaak en voorwerp als het eerste. Bij beschikking van 15 maart 2005 van de Beslagrechter te Dendermonde werden beide zaken gevoegd en het verzet van appellant gegrond verklaard. Vastgesteld werd dat de bevelen tot betaling dd.9 januari 2004 en 5 juli 2004 nietig waren, gelet op het feit dat het verbeterende vonnis dd.9 september 2003 nooit werd betekend aan de appellant. Bij arresten van de 14e kamer van het Hof van Beroep te Gent dd.30 mei 2006 en 18 september 2007 werd de beschikking van 15 maart 2005 op verzoek van huidige geïntimeerde hervormd en het verzet van huidige appellant afgewezen. De appellant heeft berust in het arrest. 1.
- Intussen liet geïntimeerde, lopende de twee voornoemde verzetsprocedures in eerste aanleg en hoger beroep, om de zes maanden een bevel betekenen tot betaling van de verbeurde dwangsommen bij exploten van 9 januari 2004, 5 juli 2004, 20 december 2004, 2 juni 2005, 15 november 2005, 27 april 2006, 11 oktober 2006, 21 maart 2007 en 7 september
- Op 14 februari 2008 liet geïntimeerde een bevel betekenen voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed. Naar aanleiding van deze laatste uitvoeringsmaatregel is appellant - voor de derde maal- overgegaan tot het instellen van verzet zowel tegen het bevel voorafgaand aan het uitvoerend onroerend beslag als tegen de voorgaande bevelen tot betalen vanaf 9 januari 2004 tot 7 september 2007, waarvan er twee - deze van 9 januari 2004 en 5 juli 2004 - reeds in een eerdere verzetsprocedure tevergeefs waren aangevochten. Het verzet van appellant strekt er ditmaal toe te zeggen voor recht dat het bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag op onroerend goed en de bevelen tot betalen nietig zijn, omdat zij niet uitgaan van de schuldeiser - zijnde het Vlaams Gewest - maar van de Gewestelijk Stedenbouwkundig Inspecteur. Het verzet van appellant werd bij de bestreden beschikking van 19 december 2008 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar artikel 149, §1 en §2 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. De eerste rechter wees erop dat de Gewestelijk Inspecteur en niet het Vlaamse Gewest door de rechter gemachtigd werd om, in het geval dat de plaats niet in de vorige staat wordt hersteld binnen een termijn van zes maanden, tot ambtshalve uitvoering ervan over te gaan op kosten van appellant, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen. Op grond hiervan kwam de eerste rechter tot het besluit dat het vonnis van 10 december 2002 ook enkel door geïntimeerde ten uitvoer kon worden gelegd. 1.
- In hoger beroep vraagt appellant de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende, zijn oorspronkelijk verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van appellant tot de gedingkosten. II. Beoordeling 2.
- Het Hof dient zich uit te spreken over de toelaatbaarheid en gegrondheid van de verzetsprocedure, die appellant op 3 maart 2008 heeft ingeleid tegen het bevel voorafgaand aan het onroerend beslag, betekend op 14 februari 2008 en tegen de voorafgaande opeenvolgende betalingsbevelen m.b.t. de invordering van verbeurde dwangsommen, betekend in de periode tussen 9 januari 2004 en 7 september
- 2.
- Appellant steunt zijn verzet op de stelling dat het bevel voorafgaand aan het uitvoerend onroerend beslag en de bevelen tot betalen uitgaan van geïntimeerde nietig zijn, daar waar geïntimeerde niet de schuldeiser is van appellant, aangezien de dwangsommen niet aan hem toekomen nu hij niet in persoonlijke naam optreedt. Volgens appellant komen de verbeurde dwangsommen toe aan de rechtspersoon die geïntimeerde vertegenwoordigt, zijnde het Vlaams Gewest en diende het Vlaams Gewest en niet de Gewestelijk Inspecteur tot invordering over te gaan. Op die grond vraagt hij de nietigverklaring van voornoemde akten. Hij verwijst naar de conclusie van B.Jd.....B............. voor het arrest van het Benelux-gerechtshof van 6 februari
- Hij stelt meer bepaald dat de bevoegdheid van geïntimeerde om, in de hoedanigheid van zijn ambt en uit kracht van de wet als vertegenwoordiger van het Vlaams Gewest, in het kader van een strafprocedure een herstelvordering in te stellen en bijkomend een vordering in te stellen tot het bekomen van een dwangsom bij niet nakoming van de herstelmaatregel, geenszins de bevoegdheid inhoudt om de eventuele opgelegde en verbeurde dwangsommen in te vorderen. Volgens appellant komt het recht om de verbeurde dwangsommen in te vorderen uitsluitend toe aan het Vlaams Gewest zelf, zodat de bevelen tot betalen en het bevel voorafgaand aan een uitvoerend beslag op onroerend goed werden betekend op verzoek van een persoon die niet de schuldeiser is van de appellant. Voor de invordering van de dwangsommen voorziet de wet niet in eenzelfde vertegenwoordigingsbevoegdheid door de Gewestelijk Inspecteur als voor het instellen van de herstelvordering. 2.
- Geïntimeerde betwist in hoofdorde de ontvankelijkheid van het verzet van appellant omwille van het gezag van gewijsde van het arrest van 18 september 2007 van de 14e kamer van dit Hof, waarin definitief werd geoordeeld over de twee voorgaande procedures in verzet van appellant tegen de bevelen tot betalen van 9 januari en 5 juli 2004, uitgaande van geïntimeerde, en waarbij appellant nooit de nietigheid heeft opgeworpen van deze bevelen tot betalen op de grond die appellant thans voor het eerst inroept. Tevens meent geïntimeerde dat appellant niet het minste belang heeft bij het ingestelde verzet, nu zij n.a.v. van de opeenvolgende bevelen tot betaling vanaf 9 januari 2004 nooit heeft betwist dat deze uitgingen van geïntimeerde en pas voor het eerst n.a.v. het bevel voorafgaand aan het uitvoerend onroerend beslag op deze grond betwisting voert. In ondergeschikte orde betwist geïntimeerde de gegrondheid van het verzet van appellant. A. Wat betreft de ontvankelijkheid van het verzet
- Exceptie van gewijsde 2.
- Het verzet van appellant is gericht niet alleen tegen het bevel, voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed dd. 14 februari 2008, maar ook tegen de voorafgaande opeenvolgende bevelen tot betaling van verbeurde dwang-sommen dd. 9 januari 2004, 5 juli 2004, 20 december 2004, 2 juni 2005, 15 november 2005, 27 april 2006, 11 oktober 2006, 21 maart 2007 en 7 september
- Tegen de twee eerste bevelen tot betalen dd. 9 januari 2004 en 5 juli 2004 heeft appellant reeds verzet aangetekend in twee procedures voor de Beslagrechter te Dendermonde, gekend onder de A.R.nrs. 04/486/A en 04/2301/A, die werden gevoegd en beslecht bij beschikking dd.15 maart
- Deze beschikking werd op haar beurt bestreden in hoger beroep, hetgeen geleid heeft tot de definitieve arresten van de 14e kamer van dit Hof van 30 mei 2006 en 18 september
- Omdat appellant in de vorige procedures zelf geïntimeerde heeft aangeduid als tegenpartij, hierbij nooit de hoedanigheid van geïntimeerde heeft betwist, noch de nietigheid heeft opgeworpen van de bevelen tot betalen die thans opnieuw worden aangevochten, en ook de beslagrechter noch het Hof ambtshalve de geldigheid van de titel of de toelaatbaarheid van de vordering in vraag hebben gesteld, meent geïntimeerde dat appellant zich niet opnieuw, zonder het gezag van gewijsde te miskennen van het arrest van 18 september 2007, kan richten tegen dezelfde bevelen tot betalen tussen dezelfde partijen. 2.
- Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust en dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is (artikel 23 Ger.W.). Het gezag van gewijsde raakt de openbare orde niet. De rechter kan de exceptie van gewijsde niet ambtshalve opwerpen. Enkel een partij kan de exceptie voordragen. Teneinde te oordelen of de door geïntimeerde voorgedragen exceptie van gewijsde aanneembaar is, moeten de grond-bestanddelen van de respectieve rechtsvorderingen in de vorige en in huidige procedure worden onderzocht en moet nagegaan worden of de nieuwe aanspraak van appellant kan worden ingewilligd zonder het voordeel van het arrest van 18 september 2007 van dit Hof ongedaan te maken. Het Hof moet nagaan of de grond van het verzet van appellant al dan niet verenigbaar is met wat reeds in de vorige verzetsprocedures werd geoordeeld. Uit de thans na tussenarrest voorgelegde stukken blijkt dat appellant in de vorige twee samengevoegde procedures in verzet tegen de bevelen tot betalen van 9 januari 2004 en 5 juli 2004 de regelmatigheid van de executie uitsluitend heeft aangevochten enerzijds op grond van het niet mee betekenen van het verbeterend vonnis dd.9 september 2003 samen met het verbeterde vonnis en anderzijds op het feit dat de aan appellant bij het vonnis van 10 december 2002 opgelegde sanerings-werken uitgevoerd waren. De betwisting van appellant had geen betrekking op het verzet tegen de latere bevelen tot betalen, die thans ter beoordeling voorliggen, noch op de vraag of geïntimeerde al dan niet de hoedanigheid had om over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van de uitvoerbare titel. Omtrent deze vraag werd door appellant geen betwisting aangevoerd in de vorige verzetsprocedure, zodat zij in huidige verzetsprocedure voor het eerst ter beoordeling kan worden voorgelegd. Het verzet in de vorige procedure en de vordering die thans aan de orde is, hebben een verschillend voorwerp en verschillende oorzaak. De exceptie van gewijsde kan niet worden ingewilligd.
- Belang 2.
- Ten onrechte betwist geïntimeerde dat appellant belang zou hebben bij het verzet op grond van het beweerde gemis aan hoedanigheid van geïntimeerde, nu hij sedert 9 januari 2004 bij de opeenvolgende bevelen tot betalen nooit eerder een betwisting ter zake heeft opgeworpen. De omstandigheid dat appellant bij de opeenvolgende bevelen tot betalen gedurende meer dan vijf jaar nooit betwist heeft dat geïntimeerde de hoedanigheid had om deze bevelen te betekenen, ontneemt appellant niet het recht om vooralsnog de gedwongen tenuitvoerlegging op deze grond aan te vechten, nu de hoedanigheid van een partij, meer bepaald de vraag of zij executiegerechtigd is, een essentiële voorwaarde is voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de uitvoerbare titel en het onderzoek naar deze voorwaarde door de beslagrechter de openbare orde raakt. Het verzet is toelaatbaar. B. Wat betreft de gegrondheid van het verzet 2.
- De appellant werpt enkel op dat de verschillende titels tot invordering van de dwangsom telkenmale uitgaan van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, terwijl de dwangsom hem/haar niet in persoonlijke naam toekomt. Nagegaan moet worden of geïntimeerde al dan niet gerechtigd is om over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 december
- Overeenkomstig artikel 1385quater Ger.W. komt de verbeurde dwangsom ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Het wordt door appellant niet betwist dat geïntimeerde krachtens de wet zelf de bevoegdheid heeft om in het kader van een strafprocedure m.b.t. inbreuken op de reglementering inzake ruimtelijke ordening en stedebouw, een herstelvordering te formuleren, gekoppeld aan een dwangsom voor het geval de bevolen herstelmaatregel niet wordt uitgevoerd door de veroor-deelde. Deze bevoegdheid om de herstelvordering in te stellen werd uitdrukkelijk toegekend in artikel 149, §1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), dat bepaalt dat de rechtbank, naast de straf, kan bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdig gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Volgens artikel 149, § 1 DRO gebeurt dit "op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd" (cursivering door het hof). Het is de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen, die de herstelvordering instelt. Verder bepaalt artikel 149, §1 in fine DRO ook dat de rechtbank een termijn bepaalt voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en - op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen - eveneens een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoer-legging van de herstelmaatregelen. In het vonnis van 10 december 2002 werd de herstelvordering uitgaande van geïntimeerde conform voornoemde bepalingen ingewilligd en werd appellant veroordeeld om aan geïntimeerde (en dus niet aan het Vlaams Gewest) een dwangsom te betalen. 2.
- In tegenstelling tot wat appellant voorhoudt, is geïntimeerde krachtens de wet en de titel niet enkel bevoegd om de herstelvordering in te stellen, maar ook om bij niet naleving van de opgelegde herstelmaatregel, de bij het vonnis op vordering van geïntimeerde toegekende en verbeurde dwangsom gedwongen ten uitvoer te leggen. Geïntimeerde is door de dwangsomrechter overeenkomstig artikel 149 DRO aangeduid als de executiegerechtigde partij. Ook artikel 1385quater Ger.W. bepaalt dat de dwangsom toekomt aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Het Hof is van oordeel dat alle door appellant bestreden bevelen tot betalen alsook het bevel voorafgaand uitvoerend beslag op onroerend goed, terecht werden betekend op verzoek van geïntimeerde, die op grond van de wet en de ten uitvoer gelegde titel de vereiste hoedanigheid heeft om als executiegerechtigde op te treden. Dat geïntimeerde wel degelijk de vereiste hoedanigheid heeft om over te gaan tot uitvoering van de rechterlijke uitspraak, wordt ook bevestigd door artikel 153 DRO (thans art.6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). Krachtens deze bepaling beveelt het vonnis van de rechter, bedoeld in artikel 149 voornoemd, voor het geval dat de plaats niet binnen de gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat de Stedenbouwkundige Inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien. Aan geïntimeerde is door de decreetgever de bevoegdheid verleend om als orgaan op te treden in het licht van het vorderen van de herstelmaatregel en de daaruit afgeleide vorderingen. Door te bepalen dat geïntimeerde herstelmaatregelen mag vorderen, heeft de decreetgever hem de hoedanigheid en het belang gegeven om in de aangelegenheden van ruimtelijke ordening, die tot zijn bevoegdheid behoort, op te treden (Arbitragehof nr.154/2003, 26 november 2003). Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur uitdrukkelijk in de vordering zou vermelden dat hij optreedt namens het Vlaams Gewest. Met andere woorden, geïntimeerde is krachtens de wetgeving op de ruimtelijke ordening uitdrukkelijk bevoegd om ingevolge het rechterlijk bevel ambtshalve te voorzien in de uitvoering van de rechterlijke uitspraken. Deze bevoegdheid impliceert ook deze om over te gaan tot de invordering van de verbeurde dwangsommen. Het Hof is van oordeel dat geïntimeerde beschikt over de vereiste hoedanigheid om over te gaan tot de gedwongen tenuitvoer-legging van de uitvoerbare titel. Hij is de executiegerechtigde. Uit de samenhang van de toepasselijke wetsbepalingen volgt dat geïntimeerde optreedt in naam van het Vlaamse Gewest zowel bij het vorderen van een herstelmaatregel als bij het ten uitvoer leggen van de bevolen herstelmaatregel en van de verschuldigde dwangsommen (zie: Cass.24 december 2009, C.06.027.N). Het komt geïntimeerde in casu toe de haar bij vonnis van 10 december 2002 toegekende dwangsommen in te vorderen ingeval deze verbeurd zijn. De exceptie van nietigheid kan niet worden aangenomen en het verzet van appellant is ongegrond. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking in al zijn onderdelen; Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan zijn zijde niet nader te begroten en aan de zijde van geïntimeerde begroot op: - rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 16 maart 2010 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div