id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100318.10 Rolnummer: 2008-AR-0151 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-09-14 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 12:26 Fiche Geen inbreuk ingevolge art 95 1ste lid WLO : de verstrekking van de medische voorgeschiedenis hield alleen verband met het knieprobleem van geïntimeerde, waarvoor appellante is tussengekomen. De rechtstreekse mededeling van de geneeskundige verklaring door de behandelende arts over de arts van de verzekeraar was wel in strijd met het artikel 95 WLO, doch dit doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de geneeskundige verklaring en is als bewijs toelaatbaar. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Algemeen (verzekeringen) Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 18 maart 2010 2008/AR/151 in de zaak van: D.K.V. BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Bischoffsheimlaan 1-8, ingeschreven met KBO-nummer 0414.858.607, appellante, hebbende als raadsman mr. CALLENS Stefaan, advocaat te 1040 BRUSSEL, Tervurenlaan 40 tegen: H................. R..................., wonende te .............................., geïntimeerde, die niet verschijnt, noch iemand voor haar, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16.01.2008 heeft NV D.K.V. Belgium hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op 28.06.2007 bij verstek gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer. De appellante werd gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Geïntimeerde is niet verschenen noch iemand voor haar. voorgaanden
- Geïntimeerde heeft in het kader van een verzekeringsplan IS 2000 op 02.01.2005 bij appellante een hospitalisatieverzekering afgesloten. Appellante werkt daarbij met de zgn. Medi-Card. Dit houdt in dat appellante, bij vertoon door haar verzekerden van deze kaart in het ziekenhuis, de rechtstreekse betaling garandeert aan het ziekenhuis van alle facturen, onafhankelijk van het feit of het recht op uitkering van de verzekerde al dan niet vast staat. Appellante betaalt met andere woorden eerst het ziekenhuis en gaat pas nadien na of de verzekerde recht had op een tussenkomst. Van 22.03.2005 tot en met 02.04.2005 werd geïntimeerde opgenomen in het AZ Groeninge te Kortrijk. Ze maakte daarbij gebruik van de Medi-Card. Appellante betaalde bijgevolg rechtstreeks de rekening van het ziekenhuis voor een bedrag van 3.653,81 euro. In het Medi-Card opnameformulier verklaarde geïntimeerde dat de opname noodzakelijk was wegens "operatie nieuwe knie". Bij brieven van 24.03.2005 en 04.05.2005 werd geïntimeerde op de hoogte gebracht van het verzoek van de raadgevend geneesheer van appellante om een kopie van het observatieverslag van haar behandelend geneesheer te bezorgen. Op 12.05.2005 stuurde dokter A......, behandelend geneesheer van geïntimeerde, een medisch getuigschrift aan de raadgevend geneesheer van appellante. Daarin geeft dr. A............. de historiek weer van het knieprobleem waaraan geïntimeerde lijdt. Op basis van de vaststelling dat geïntimeerde in de medische vragenlijst ingevuld voorafgaand aan de ondertekening van het verzekeringscontract geen gewag had gemaakt van een probleem aan de linker knie, heeft appellante geïntimeerde bij aangetekende brief van 23.05.2005 gemeld dat zij de verzekeringsovereenkomst wegens het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie nietig achtte. Na betaling van het ziekenhuis begin augustus heeft zij geïntimeerde vervolgens aangemaand om dit bedrag terug te betalen. Op de aanmaning kwam geen reactie.
- Appellante ging over tot dagvaarding van geïntimeerde in betaling van voormeld bedrag van 3.653,81 euro.. Bij (niet bestreden) tussenvonnis gewezen op 02.05.2006 bij verstek ten aanzien van geïntimeerde heeft de eerste rechter beslist dat de bij appellante afgesloten hospitalisatieverzekering een persoonsverzekering is waarop artikel 95 van de Wet Landverzekeringsovereenkomsten van toepassing is. De eerste rechter heropende de debatten om appellante toe te laten standpunt in te nemen over de vraag: - of dr. A...........zijn verslag al dan niet rechtstreeks aan de adviserend arts van appellante heeft bezorgd in plaats van mee te geven met zijn patiënte (m.a.w. hoe het verslag van dr. A......... in handen van de adviserend arts van appellante was terecht gekomen); - of dr. A............. al dan niet zijn beroepsgeheim heeft geschonden door zich niet te houden aan de verplichting om enkel de "huidige gezondheidstoestand" van geïntimeerde te beschrijven; - of de adviserende arts van appellante al dan niet zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de volledige inhoud van het verslag van dr. A........... aan appellante bekend te maken. De zaak werd met het oog op advies medegedeeld aan het openbaar ministerie.
- In het bestreden eindvonnis van 28.06.2007, dat eveneens bij verstek ten aanzien van geïntimeerde werd gewezen, heeft de eerste rechter overwogen: - dat dr. A.......... zich op 12.05.2005 rechtstreeks tot de raadgevende arts heeft gericht in plaats van zijn geneeskundige verklaring aan geïntimeerde af te geven, zoals dwingend opgelegd door art. 95 WLO; - dat deze brief zich niet beperkt tot de gezondheidstoestand van geïntimeerde op 12.05.2005 zoals eveneens op dwingende wijze bepaald in art. 95 WLO, maar de volledige historiek weergeeft van het knieprobleem van geïntimeerde van bij de aanvang in het jaar 2004; - dat het medisch beroepsgeheim van openbare orde is en een eventuele toestemming van geïntimeerde om meer medische informatie dan bedoeld in artikel 95 WLO aan de raadgevende arts van appellante te geven, dr. A........... van deze geheimhoudingsplicht niet kon ontheffen; - dat dr. A............ wel degelijk wetens en willens geheime medische informatie bekendgemaakt heeft aan de raadgevende arts van appellante; - dat appellante bijgevolg op onrechtmatige wijze in het bezit is gekomen van medische informatie die onder het beroepsgeheim van dr. A.........viel, zodat het medisch verslag waarop de vordering van appellante is gesteund als onrechtmatig verkregen bewijs uit de debatten moet worden geweerd; - dat vermits de beweerde verzwijging uit geen andere stavingstukken blijkt, de vordering als ongegrond moet worden afgewezen.
- Met haar hoger beroep beoogt appellante het teniet doen van het bestreden vonnis en de inwilliging van haar oorspronkelijke eis. In essentie stelt zij dat artikel 95 WLO en het medische beroepsgeheim geenszins werden overtreden en dat de bekomen informatie dus mocht worden gebruikt om een vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst te ondersteunen. Geïntimeerde concludeerde niet. beoordeling
- medische informatie - rechtmatigheid van het bewijs 1.1 Artikel 95 WLO, dat bepaalt onder welke voorwaarden medische informatie in het kader van persoonsverzekeringen aan de verzekeraar kan worden verstrekt, luidt in zijn eerste en tweede lid als volgt: "De door de verzekerde gekozen arts kan de verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand. Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserende arts van de verzekeraar worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt of betreffende andere personen dan de verzekerde." 1.2 De eerste rechter heeft geoordeeld dat deze bepaling op dubbele wijze werd miskend, met name doordat
(1)dr. A......... zich in de geneeskundige verklaring niet heeft beperkt tot de huidige gezondheidstoestand van geïntimeerde, maar de volledige historiek heeft weergegeven van haar knieprobleem van bij de aanvang in het jaar 2004, en
(2)dr. A............de geneeskundige verklaring rechtstreeks aan dr. Heeren heeft overgemaakt in plaats van aan geïntimeerde. 1.3 De eerste rechter kan niet worden bijgetreden waar hij heeft geoordeeld dat dr. A............. zich niet heeft beperkt tot een "beschrijving van de huidige gezondheidstoestand" in de zin van artikel 95, 1ste lid WLO door in zijn geneeskundige verklaring ook (kort) de historiek van het knieprobleem van geïntimeerde te hebben vermeld. Het eerste lid van artikel 95 dient immers, zoals appellante terecht opmerkt, te worden samengelezen met het derde lid van dezelfde bepaling, dat als volgt luidt: "Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van een overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te bepalen". Waar een eventueel medisch onderzoek nodig voor het sluiten én het uitvoeren van de overeenkomst - onderzoek waartoe bijvoorbeeld zal moeten worden overgegaan wanneer de arts weigert een geneeskundige verklaring af te leveren, wat mogelijk is (zie art. 95, 1ste lid) - mag steunen op "de voorgeschiedenis van de huidige gezondheidstoestand", is het evident dat ook de geneeskundige verklaring zelf deze voorgeschiedenis mag beschrijven zonder in strijd te komen met artikel
- In casu heeft dr. A...........niet meer gedaan dan kort de voorgaanden van het knieprobleem dat heeft geleid tot de ingreep waarvan appellante de kosten heeft betaald, te beschrijven, en dit in de volgende bewoordingen: "Li-knie probleem begonnen 2004, veel last op 1/11/2004 - via spoedopname orthopedisch consult met een infiltratie en NSAI. Voorstel bij blijvende last een totale knieprothese te plaatsen. Consult op 18/02/2005 met beslissing plaatsen totale knieprothese". Er werd geen informatie verstrekt die geen verband hield met het knieprobleem en de voorgeschiedenis ervan. Er is op dit punt dan ook geen inbreuk op artikel 95, 1ste lid WLO. 1.4 Artikel 95 WLO bepaalt dat de door de verzekerde gekozen arts de verzekerde die erom verzoekt een geneeskundige verklaring kan afleveren nodig voor het sluiten of uitvoeren van de overeenkomst. Dit betekent dat de geneeskundige verklaring alleen aan de verzekerde zelf kan worden afgeleverd en niet rechtstreeks aan de adviserende arts van de verzekeraar, ook niet met toestemming van de verzekerde, toestemming die de verzekerde overigens niet op behoorlijke manier kan geven aangezien hij niet weet wat er in de geneeskundige verklaring zal staan. Ook in een functionele benadering van het beroepsgeheim, waarin er wordt van uitgegaan dat het beroepsgeheim een aangelegenheid is van de patiënt die er dan ook kan in toestemmen dat medische informatie aan derden wordt meegedeeld, is nog steeds vereist dat de patiënt weet waarin hij toestemt. Er kan dan ook niet anders worden besloten dan dat de rechtstreekse mededeling van de geneeskundige verklaring door dr. A............... aan dr. H.............strijdig was met artikel 95 WLO. 1.5 Uit het voorgaande volgt echter niet noodzakelijk dat de geneeskundige verklaring van dr. A.............. uit de debatten moet worden geweerd. Behoudens wanneer de wet het anders bepaalt, staat het immers - ook in burgerlijke zaken - aan de rechter om de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdend met de elementen van de zaak in het geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan. Een dergelijk bewijs mag, behoudens miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht (vgl. Cass. 10.03.2008, R.C.J.B. 2009, 325 e.v. met noot F. Kefer). Terzake doet de miskenning van artikel 95 WLO op geen enkele wijze afbreuk aan de betrouwbaarheid van de geneeskundige verklaring. Voorts kan bezwaarlijk worden gesteld dat door het feit dat de geneeskundige verklaring van dr. A..........rechtstreeks aan dr. H........ werd toegezonden, het recht op een eerlijk proces van geïntimeerde in gevaar werd gebracht. Het hof neemt daarbij in ogenschouw: - dat appellante, ook zonder de geneeskundige verklaring, op basis van de aard en het tijdstip van de ingreep (plaatsen van een knieprothese nauwelijks enkele weken na het sluiten van de hospitalisatieverzekering), had kunnen aanvoeren dat er sterke aanwijzingen bestonden dat het ging om een problematiek die al bestond ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst en op die grond een gerechtelijke medische expertise naar de voorgeschiedenis had kunnen vragen en bekomen, waardoor uiteindelijk dezelfde informatie aan het licht zou zijn gekomen; - dat de onopzettelijke miskenning van artikel 95 WLO terzake niet opweegt tegen de kennelijk opzettelijke verzwijging van een reeds bestaande aandoening/behandeling waaraan geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt (zie hierna punt 2). Besloten dient dan ook te worden dat de geneeskundige verklaring, ook al werd zij in strijd met artikel 95 WLO rechtstreeks aan de adviserende arts van de verzekeraar toegezonden, als bewijs toelaatbaar is.
- vordering tot nietigverklaring en terugbetaling van de aan het ziekenhuis betaalde sommen Geïntimeerde heeft bij het invullen van het verzekeringsvoorstel op 22.01.2005 geen melding gemaakt van het knieprobleem waarvoor zij toen reeds in behandeling was en waarvoor toen zelfs al een voorstel was gedaan voor het plaatsen van een knieprothese, dit terwijl in de medische vragenlijst expliciet werd gevraagd naar o.a. "behandelingen gedurende de laatste drie jaar". Het is evident dat aldus een voor de beoordeling van het risico relevant gegeven werd verzwegen. Het lijdt ook geen twijfel dat deze verzwijging opzettelijk was. Er kan zelfs niet aan worden getwijfeld dat de hospitalisatieverzekering werd aangegaan in het licht van de knieoperatie die toen reeds door de behandelende arts was voorgesteld. Op de vordering tot nietigverklaring van de hospitalisatieverzekering kan dan ook worden ingegaan. Nu de verzekeringsovereenkomst nietig is, dient het door appellante aan het ziekenhuis betaald bedrag door geïntimeerde aan appellante te worden terugbetaald. Besluit: het hoger beroep is gegrond. De vordering kan worden ingewilligd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzend: Verklaart de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellante van de som van 3.653,81 euro, te vermeerderen met nalatigheidsinterest aan de wettelijke interestvoet vanaf 16.11.2005 tot de dag der betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van appellante. Begroot deze als volgt: - dagvaarding en rolstelling: 215,31 euro; - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 121,47 euro; - rolrecht hoger beroep: 186,00 euro; - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 euro. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: H. VAN BOSSUYT, kamervoorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ACHTTIEN MAART TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div