← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100324.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100324.10 Rolnummer: 2007-AR-2975 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-11-04 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 12:29 Fiche 1.Artikel 5.1 van de EEX-Verordening biedt énkel een alternatief forum naast het zogenaamde forum rei dat vastgesteld wordt in artikel 2 van de EEX-Verordening, zijnde het forum van de woonplaats van de verweerder. Artikel 2 van de EEX-Verordening bevat de basisregel, waarbij rechtsmacht wordt verleend aan de gerechten van de lidstaat op wiens grondgebied de verweerder woonplaats heeft (artikel 2, eerste lid). Wanneer er geen forumbeding bestaat en de vordering niet ressorteert onder de vorderingen opgesomd in artikel 22 van de EEX-Verordening, waarvoor een exclusieve bevoegdheid geldt, hebben de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, aldus steeds rechtsmacht. Artikel 2 van de EEX-Verordening bevat de algemene rechtsmacht- en bevoegdheidsregel, artikel 5.1 van de EEX-Verordening betreft een alternatieve bijzondere rechtsmacht - en bevoegdheidsregel. Artikel 2 van de EEX-Verordening gaat voor op artikel 5.1 van de Verordening. 2.Het Weens Koopverdrag kent slechts één conformiteitsbegrip, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen de leveringsplicht en de vrijwaringsplicht voor verborgen gebreken. Inbreuken hierop resulteren in één enkele vordering nl. een verhaal van de koper bij gebrek aan conformiteit van de geleverde koopwaar. Overeenkomstig artikel 35,2,a van het Weens Koopverdrag is de verkoper in overeenstemming met de overeenkomst en het Verdrag aansprakelijk indien de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden op het tijdstip waarop het risico op de verkoper overgaat, ook al blijkt zulks eerst daarna. Met 'tijdstip waarop het risico op de koper overgaat' wordt de levering bedoeld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop Vrije woorden: Internationale koop - rechtsmacht - geen toepassing van artikel 855 Ger. W. - artikelen 2 en 5.1 van de EEX-Verordening nr. 44/2001 van 22 december

  1. Weens Koopverdrag - verborgen gebreken - artikelen 74 en 35.2a. - conformiteit Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 24 maart 2010 EINDARREST EEX-VERORDENING - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2975 van: bvba IVENS D. EN ZOON, met zetel te 9190 Stekene, Vogelzangstraat 47, met ondernemingsnr. 0477.723.317, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 15-10-2007, oorspronkelijk verwerende partij op hoofdeis en eisende partij op tegeneis, hebbende als raadsman mr. SCHOENMAEKERS Marc, advocaat te 9100 St.-Niklaas, Pr. J. Charlottelaan 71 tegen : PRINSEN TRANSPORT B.V., met zetel te 6042 NE Roermond (Nederland), Dennemarkenhof 39 en ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nr. 12060954, maar blijkens de appelakte woonplaats kiezende bij Christiane OTTEN, gerechtsdeurwaarder te 9200 Dendermonde, Leopold II laan 9 A bus 1, geïntimeerde, oorspronkelijk eisende partij op hoofdeis en verwerende partij op tegeneis, hebbende als raadslieden mr. VERACHTERT Roel en mr. HAEX Werner, beiden advocaat te 3670 Meeuwen, Kruisstraat 4 velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 13 december 2007 tekende de bvba Ivens D. en Zoon (hierna kortweg "Ivens" genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis gewezen op 15 oktober 2007 door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde in de zaak met A.R. nr. A/07/00205 tussen Ivens enerzijds en de bv Prinsen Transport (hierna "Prinsen Transport" genoemd) anderzijds. Op de terechtzitting van 24 februari 2010 werd de zaak hernomen voor de huidige samenstelling van de zetel. Op deze zitting werden de partijen eveneens gehoord in hun middelen en besluiten; de overgelegde stukken werden ingezien. I. antecedenten
  2. feitelijke voorgaanden Aan de basis van onderhavig geschil ligt de verkoop op 26/3/2006 van een tweedehandse vrachtwagen van het merk Iveco en type Eurostar met chassisnummer WJMMIVRL004166852 door Prinsen Transport aan Ivens voor de prijs van 23.500 euro. Deze vrachtwagen werd nog diezelfde dag geleverd en de verkoopfactuur dateert eveneens van 26/3/
  3. Op de voorzijde van de factuur staat te lezen : "Betaling zie koopovereenkomst d.d. 26-3-06". Diezelfde dag werd inderdaad een document opgesteld met als hoofding "Betreft koopovereenkomst" met volgende inhoud : "Hierbij verklaart Ivens D en zn B.V.V.A. te hebben overgenomen van Prinsen Transport gevestigd te Roermond Nederland, de volgende goederen, 1 vrachtauto van het merk Iveco chassis nr WJMMIVRL004166852 Bouj 1997 voor een bedrag van euro 23,500,- (zegge drieentwintig-duizendvijfhonderd). Er is overeengekomen dat Ivens D en Zn B.V.B.A. een bedrag betaald bij aflevering van de Iveco van 21,041,- euro het restant van 2,459,- euro wordt betaald in 2 termijnen ten laatste eind mei 2006 bij aflevering van de Iveco wordt geen garantie verleend." (letterlijke weergave) Deze tekst is in hoofdletters getypt en werd onderaan ondertekend door dhr. D. Ivens van de bvba Ivens D en Zn. Aangezien het saldo van de koopprijs niet betaald werd stelde Prinsen Transport Ivens in gebreke bij aangetekend schrijven dd. 23/10/2006 van haar raadsman en vorderde zij, met verwijzing naar diens betalingsverbintenis in de koopovereenkomst, de betaling van 2.459 euro binnen de 15 dagen "vanaf heden". Bij aangetekende brief van 8/11/2006 protesteerde Ivens gezegde ingebrekestelling voorhoudende dat de overeengekomen aankoopsom 21.041,00 euro bedroeg, dit volledige bedrag betaald werd bij de afhaling van de trekker en zij niet overeengekomen was om nog verdere aanvullende betalingen te doen. Zij voegde eraan toe dat zij overwoog om klacht neer te leggen en een tegenvordering te stellen "wegens het leveren van ondeugdelijk materiaal" (dit laatste zonder enige specificatie). Aangezien geen betaling volgde, ging Prinsen Transport tot dagvaarding over.
  4. procedurele voorgaanden 2.
  5. Bij exploot dd. 18/1/2007 dagvaardde Prinsen Transport haar koper Ivens in betaling van de som van 2.459,00 euro meer de moratoire intresten sedert 23/10/2006 (datum van ingebrekestelling), de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten. Zij vorderde eveneens de voorlopige tenuitvoerlegging van het tussen te komen vonnis te bevelen, niettegenstaande alle verhaalmiddelen, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement. 2.
  6. Ivens antwoordde in haar besluiten dat 1) de nodige administratieve en technische bescheiden niet waren mee geleverd, zodat zij de vrachtwagen in België niet kon inschrijven, 2) het op de factuur en de koopovereenkomst vermelde bouwjaar 1997 niet strookte met het werkelijke bouwjaar 1995, 3) de vrachtwagen technische gebreken vertoonde en niet kon gebruikt worden waarvoor hij bestemd was, te weten bulktransporten (er bleken 4 depannages nodig op korte tijd en de compressor was stuk), 4) zij genoodzaakt was de vrachtwagen als "schroot" te verkopen voor de prijs van 5.000,00 euro. Zij besloot in hoofdorde tot de territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter en dienvolgens tot de onontvankelijkheid van de (hoofd)vordering, aangezien volgens haar de Nederlandse rechtbanken bevoegd zijn op grond van artikel 5.
  7. EEX-Verdrag van 27/9/1968, ondergeschikt tot de ongegrondheid ervan. Zij vorderde bij tegeneis in haar besluiten neergelegd op 4/6/2007 de nietigheid van de overeenkomst op grond van bedrog, minstens dwaling en een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op de door haar betaalde aankoopsom van 21.041,00 euro alsook een vergoeding van 3.225,00 euro als kosten van bijstand van een raadsman (zijnde 10% ereloon en 5% kosten op 21.500,00 euro). 2.
  8. Prinsen Transport antwoordde dat niet het EEX-Verdrag maar de EEX-Verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van toepassing was (hetgeen Ivens later bijtrad) en dat zij op grond van artikel 2 van deze EEX-Verordering Ivens terecht voor de Belgische rechter heeft gebracht. Ten gronde stelde zij 1) dat zij alle boorddocumenten op 26/3/2006 had meegeleverd en dienaangaande ook nooit in gebreke werd gesteld, 2) dat de vermelding van 1997 als bouwjaar een vergissing was, aangezien dit het jaar van de indiensttreding van de vrachtwagen was en niet het bouwjaar, 3) dat de verkeerde vermelding van het bouwjaar en het feit dat de vrachtwagen twee jaar ouder was (hoewel pas in 1997 voor het eerst gebruikt) geen oorzaak van de beweerde technische gebreken kon zijn, 4) dat zij nooit wegens technische mankementen door de koper in gebreke werd gesteld. Dwaling noch bedrog zijn volgens haar bewezen en hoe dan ook is, wegens de verkoop van de vrachtwagen, een herstel in de oorspronkelijke staat niet meer mogelijk. Prinsen Transport vorderde tenslotte van haar kant eveneens een vergoeding van 3.225,00 euro als kosten van verdediging. 2.
  9. De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond in de mate dat Ivens werd veroordeeld tot betaling aan Prinsen Transport van het saldo van de koopsom t.b.v. 2.459,00 euro te vermeerderen met de moratoire rente vanaf 23/10/2006 en de gerechtelijke rente, alsook van het bedrag van 249 euro ten titel van kosten voor bijstand raadsman. De tegenvordering werd ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen en Ivens werd veroordeeld tot de gedingkosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, zoals ook door Prinsen Transport in de dagvaarding was gevorderd. De eerste rechter overwoog als volgt :  aangezien Ivens als verwerende partij verzoekt de vordering onontvankelijk te verklaren en dit ingevolge de bepalingen van het gerechtelijk wetboek niet mogelijk is, én aangezien Ivens niet de bevoegde rechter bij toepassing van artikel 855 Ger. W. aanwijst, is de rechtbank bevoegd,  blijkens het document door de koper ondertekend op 26/3/2006 en de voorliggende factuur van diezelfde datum, is de verkoopprijs wel degelijk 23.500 euro en is het saldo van de prijs verschuldigd,  uit de (herstel)facturen voorgelegd door Ivens blijkt dat het voertuig in België werd ingeschreven én dat de documenten ter beschikking waren,  hoewel er een aantal pannes waren, blijkt niet dat deze te wijten waren aan het bouwjaar van het voertuig,  uit de stukken blijkt niet dat de gevorderde nietigverklaring van de koopovereenkomst wegens bedrog, minstens dwaling, betrekking had op een essentieel kenmerk, zodat de overeenkomst niet nietig kan verklaard worden,  op grond van het Cassatiearrest van 2 september 2004 kan de vordering tot vergoeding wegens bijstand raadsman toegekend worden tot beloop van 10% van de hoofdvordering. 2.
  10. Ivens voelde zich gegriefd en tekende hoger beroep aan. In haar beroepsakte vordert zij dat het bestreden vonnis wordt teniet gedaan en wordt gezegd voor recht dat de eerste rechter onbevoegd was om van de vordering kennis te nemen, aangezien enkel de Nederlandse rechter bevoegd is, en dat de vordering dienvolgens onontvankelijk, minstens ongegrond is. Zij herneemt eveneens haar oorspronkelijke tegenvordering tot nietigverklaring van de koop-overeenkomst wegens bedrog, minstens dwaling en tot veroordeling van Prinsen Transport tot betaling van 21.041,00 euro als schadevergoeding, meer de wettelijke rente vanaf 26/3/
  11. Zij vordert eveneens de veroordeling van Prinsen Transport tot de gedingkosten van de beide aanleggen. Voor het eerst vordert zij eveneens de vernietiging van de koopovereenkomst wegens verborgen gebreken en Prinsen Transport te veroordelen tot terugbetaling van het grootste deel van de koopsom, samen met de gebruiksderving en de schadevergoeding voor het ongemak in de bedrijfsvoering, geraamd op 21.041,00 euro. 2.
  12. Prinsen Transport besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis met verwijzing van Ivens in de gedingkosten van de beide aanleggen, waarbij zij in het licht van de nieuwe wetgeving, een rechtsplegingsvergoeding vordert van 650 euro voor elk van de aanleggen. Zij vordert eveneens het tussen te komen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. 2.
  13. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak op de openbare terechtzitting van 20/5/2009 voor deze kamer van het Hof (anders samengesteld) werden partijen door het Hof uitgenodigd om te concluderen over het toepasselijk materieel recht, reden waarom de zaak voor verdere behandeling werd gesteld op de openbare terechtzitting van deze kamer van 24/2/
  14. Beide partijen zetten hun standpunten hieromtrent uiteen in aanvullende- en synthesebesluiten. Zij volhardden in hun respectievelijk hoofd- en tegenvorderingen, met dien verstande dat Ivens haar oorspronkelijke tegenvordering, zoals hoger geformuleerd, énkel gestand houdt voor het geval het Weens Koopverdrag (CISG) niet van toepassing is. Ingeval van toepassing van het Weens Koopverdrag vordert zij énkel een schadevergoeding van 25.000 euro meer de wettelijke rente vanaf 26/3/
  15. II. beoordeling
  16. voorafgaandelijk 1.
  17. De beide partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals uiteengezet in hun besluiten voor de eerste rechter, in graad van hoger beroep herhaald. Zij hebben deze uitgebreid met bijkomende middelen en argumenten ingevolge de vraag van het Hof om standpunt in te nemen omtrent het toepasselijk materieel recht. Hierop zal, in de mate deze dienend zijn, geantwoord worden. 1.
  18. Er wordt geen betekeningsexploot voorgelegd. Aangezien de partijen geen gewag maken van de betekening van het bestreden vonnis, is het hoger beroep tijdig ingesteld. Het is eveneens regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Prinsen Transport voert als geïntimeerde geen middelen van onontvankelijkheid aan en het Hof doet dit evenmin ambtshalve, zonder dat er redenen van openbare orde zijn die zich daartegen verzetten. 1.
  19. In zover Prinsen Transport vordert het tussen te komen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kan hierop niet worden ingegaan. Krachtens artikel 1397 Ger. W. schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de uitvoerbaarheid daarvan. Tegen een tegensprekelijk arrest kan geen verzet, noch hoger beroep worden aangetekend, doch staat enkel nog een voorziening in Cassatie open, die evenwel geen opschortende werking heeft en de uitvoerbare kracht van de beslissing die in laatste instantie gewezen is niet beperkt. De partij die een arrest heeft verkregen dat voor het Hof van Cassatie wordt betwist, kan de tenuitvoerlegging van dat arrest voortzetten, zelfs na de indiening van de voorziening. Het is dan ook overbodig de voorlopige tenuitvoerlegging van een tegensprekelijk arrest te bevelen.
  20. rechtsmacht/territoriale onbevoegdheid 2.
  21. In het bestreden vonnis werd vooreerst verkeerdelijk overwogen dat, aangezien de verwerende partij (Ivens), die de territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter opwierp, niet aangaf welke rechtbank volgens haar wel bevoegd was, de aangezochte rechtbank bevoegd was. Dergelijke overweging berust op een verwarring tussen bevoegdheid en rechtsmacht. Ivens vorderde de onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering motiverende dat conform artikel 2.1 b) van de verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 (EEX-Verordening) enkel de rechtbanken uit Nederland bevoegd zijn om het geschil te beslechten. Zij houdt niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de rechtbank van koophandel te Dendermonde bevoegd was om van het geschil in eerste aanleg kennis te nemen, maar wel dat het geschil niet tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde behoort. Haar exceptie betreft aldus niet de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Dendermonde maar de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken, derwijze dat voor de vaststelling ervan, geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 855 Ger. W. 2.
  22. De internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen wordt beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding. Ter zake strekt de vordering van Prinsen Transport, een Nederlandse vennootschap, tot veroordeling van Ivens, een Belgische vennootschap tot betaling van het saldo van de koopsom uit hoofde van de aankoop van een vrachtwagen in Nederland. Partijen zijn het er - terecht - over eens dat toepassing dient gemaakt te worden van de EEX-Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Ivens beroept zich op artikel 5.1 b) van de EEX-Verordening om de Nederlandse rechtbanken als uitsluitend bevoegd aan te wijzen, daar waar Prinsen Transport verwijst naar de algemene toepassing van artikel 2 van deze EEX-Verordening. In tegenstelling tot de argumentatie van Ivens, biedt artikel 5.1 van de EEX-Verordening enkel een alternatief forum naast het zogenaamde forum rei dat vastgelegd wordt in artikel 2 van de EEX-Verordening, zijnde het forum van de woonplaats van de verweerder. Artikel 2 EEX-Verordening bevat de basisregel waarbij rechtsmacht wordt verleend aan de gerechten van de lidstaat op wiens grondgebied de verweerder woonplaats heeft (artikel 2, eerste lid). Wanneer er geen forumbeding bestaat, zoals in casu, en de vordering, zoals in casu, niet resorteert onder de vorderingen opgesomd in artikel 22 EEX-Verordening, waarvoor een exclusieve bevoegdheid geldt, hebben de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, aldus steeds rechtsmacht. Artikel 2 EEX-Verordening bevat de algemene rechtsmacht- en bevoegdheidsregel, artikel 5.1 EEX-Verordening betreft een alternatieve bijzondere rechtsmacht- en bevoegdheidsregel. Aangezien Ivens haar maatschappelijke zetel in België heeft, heeft de Belgische rechter aldus op grond van artikel 2 EEX-Verordening rechtsmacht om het geschil te beslechten, en dient geen verdere toepassing van artikel 5.1 b) van de EEX-Verordening gemaakt te worden. Artikel 2 van de EEX-Verordening gaat voor op artikel 5.
  23. van de Verordening, tenzij de eisende partij uitdrukkelijk heeft geopteerd voor de toepassing van artikel 5.1., wat hier niet het geval is (zie o.m. A. HEYVAERT, De internationale rechtsmacht van de gerechten na het W.I.P.R., Kluwer 2005 in de reeks "Recht en Praktijk", nrs. 178-180, p. 120-121; H. STORME, "Concretisering van "plaats van levering" in art. 5,1,b), EEX-Verordening geen sinecure", noot onder CASS. 5 december 2008, R.W. 2009-10, 409 e.v., randnummer 2). Om uit te maken welk gerecht volstrekt en territoriaal bevoegd is, moet toepassing gemaakt worden van de interne bevoegdheidsregels van de lidstaat wiens gerechten rechtsmacht hebben. Op grond van artikel 624, 1° Ger. W. was de eerste rechter aldus bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
  24. ten gronde 3.
  25. Beide partijen zijn het er in hun conclusies neergelegd nà de zitting van 20/5/2009 over eens dat toepassing moet gemaakt worden van het Verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale koopverkoop van roerende lichamelijke zaken (hierna aangeduid als het "Weens Koopverdrag"). Overeenkomstig artikel 1-1) is het verdrag van toepassing op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende staten gevestigd zijn. Waar de partijen ter zake respectievelijk in België (Ivens) en Nederland (Prinsen Transport) gevestigd zijn en de koopovereenkomst gesloten op 26/3/2006 een tweedehandse vrachtwagen tot voorwerp heeft, is het Weens Koopverdrag, in werking getreden op 1/11/1997 in België en op 1/1/1992 in Nederland, toepasselijk op de tussen de partijen bestaande contractuele relatie. De partijen hebben de toepassing van verdrag ook niet uitgesloten, integendeel. 3.
  26. Ivens heeft haar tegenvordering opgesplitst al naar gelang het Weens Koopverdrag al dan niet van toepassing is. Ingevolge de toepassing van het Weens Koopverdrag, zoals in vorige paragraaf uiteengezet, dient bijgevolg enkel haar tegenvordering gesteund op artikel 74 van het Weens Koopverdrag en strekkende tot het bekomen van een schadevergoeding van 25.000 euro meer de wettelijke rente, onderzocht en beoordeeld te worden, en dus niet haar tegenvordering zoals geformuleerd ingeval het Weens Koopverdrag niet van toepassing moest zijn. 3.
  27. De discussie tussen partijen betreft enerzijds de (niet-)afgifte van de boorddocumenten van de verkochte vrachtwagen op het ogenblik van de levering en anderzijds de (niet-)conformiteit van de geleverde vrachtwagen wat betreft het opgegeven bouwjaar en technische verborgen gebreken. 3.3.
  28. Overeenkomstig artikel 34 van het Weens Koopverdrag is de verkoper, indien hij gehouden is documenten met betrekking tot de verkochte zaken af te geven, ertoe gehouden deze af te geven op het tijdstip, en op de plaats en in de vorm die door de overeenkomst wordt vereist. Bij de verkoop van een (tweedehandse) vrachtwagen is de verkoper er aldus toe gehouden de boorddocumenten af te geven op het tijdstip van de levering. Ivens blijft staande houden dat zij deze boorddocumenten nooit in ontvangst heeft kunnen nemen, zodat zij het voertuig niet kon invoeren en inklaren in België, noch het voertuig op haar naam kon inschrijven. Zulks valt bezwaarlijk aan te nemen. In de eerste plaats moet opgemerkt worden dat dit specifieke verweermiddel door Ivens pas voor het eerst te berde werd gebracht in haar besluiten neergelegd voor de eerste rechter op 4/6/2007, dit is 15 maanden nà de levering van de vrachtwagen op 26/3/
  29. Voordien heeft zij nooit om een afgifte van boorddocumenten gevraagd. Indien zij daadwerkelijk niet in het bezit was gesteld van de noodzakelijke boorddocumenten, lijkt het aannemelijk dat zij haar verkoper dienaangaande in gebreke zou gesteld hebben, minstens om de afgifte zou gevraagd hebben. Zij deed dit evenwel niet, ook niet in haar aangetekend schrijven dd. 8/11/2006 als reactie op de aangetekende ingebrekestelling van 23/10/2006 tot betaling van het saldo van de koopsom, wat toch een zeer merkwaardige en weinig overtuigende houding is. Voorts overtuigen de door Ivens in dit verband overgelegde stukken het Hof evenmin.  In de factuur dd. 2/5/2006 uitgeschreven door Cammaert Trucks (st. 4 Ivens) aan Ivens is er sprake van kosten voor "invoerprocedure" en "aflevering gelijkvormigheidsattest". Hieruit mag redelijkerwijze afgeleid worden dat het voertuig in België wel kon ingevoerd worden en dat de boordpapieren, mogelijks met uitzondering van het gelijkvormigheids-attest, wel in orde waren of minstens in orde gebracht werden. Ivens geeft in haar besluiten trouwens zelf toe dat het wel eens gebeurt dat een eenvormigheidsattest of inschrijvingsbewijs bij tweedehands voertuigen ontbreekt, maar dat dit dan probleemloos wordt opgelost door het bekomen van duplicaten. Welnu, voormelde factuur dd. 2/5/2006 toont aan dat, als het gelijkvormigheidsattest al mocht ontbroken hebben, dit probleemloos werd opgelost, zoniet heeft de aanrekening van de kostprijs desbetreffend geen zin.  Vervolgens verwijst Ivens naar haar veroordeling door de Politierechtbank te Hasselt op 26/1/2007 voor op 30/6/2006 een voertuig in het verkeer op de openbare weg te hebben gebracht zonder geldig keuringsbewijs en inschrijvingsbewijs, waarbij een nummerplaat werd gebruikt die reeds gewist was sedert 21/12/
  30. Dit bewijst op zich nog niet, minstens onvoldoende, dat Prinsen Transport op 26/3/2006 (d.i. meer dan drie maanden vóór de feiten) aan haar afgifteplicht van artikel 34 van het Weens Koopverdrag niet zou voldaan hebben. Indien Ivens moet geloofd worden, zou dit betekenen dat zij de vrachtwagen op 26/3/2006 naar België heeft gebracht, zonder papieren, en met deze vrachtwagen, waarvan zij zelf zegt dat zij deze broodnodig had, gedurende maanden op die manier heeft rondgereden en transporten heeft uitgevoerd. Dit komt het Hof totaal ongeloofwaardig voor, des te meer Ivens haar verkoper Prinsen Transport hieromtrent nooit heeft ingelicht, laat staan in gebreke heeft gesteld om vooralsnog tot afgifte over te gaan. In deze omstandigheden bewijst Ivens géén aan Prinsen Transport toerekenbare inbreuk op artikel 34 van het Weens Koopverdrag. 3.3.
  31. Ivens verwijt Prinsen Transport eveneens inbreuken op artikel 35, 2, a en 36, 1 en 2 van het Weens Koopverdrag. Ter zake dient opgemerkt dat het Weens Koopverdrag slechts één uniform conformiteitsbegrip kent, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen de leveringsplicht en de vrijwaringsplicht voor verborgen gebreken. Inbreuken hierop resulteren in één enkele vordering nl. een verhaal van de koper bij gebrek aan conformiteit van de geleverde koopwaar. Overeenkomstig artikel 35,2,a van het Weens Koopverdrag is de verkoper in overeenstemming met de overeenkomst en het Verdrag aansprakelijk indien de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden op het tijdstip waarop het risico op de koper overgaat, ook al blijkt zulks eerst daarna. Met "tijdstip waarop het risico op de koper overgaat" wordt de levering bedoeld. 3.3.2.
  32. Ivens beroept zich op een inbreuk op artikel 35,2, a van het Weens Koopverdrag door te stellen dat de geleverde tweedehandse vrachtwagen niet geschikt was voor de doeleinden waarvoor hij gekocht was nl. bulkvervoer. Te dien einde roept zij in dat de verkochte vrachtwagen van mindere technische kwaliteit was en dat het opgegeven bouwjaar

(1997)verschilde van het echte bouwjaar
(1995). Noch het verkoopdocument op 26/3/2006 door de zaakvoerder van Ivens ondertekend, noch de verkoopfactuur van diezelfde datum vermelden bijzondere kwalificaties waaraan de vrachtwagen moest voldoen. De vrachtwagen diende derhalve te voldoen aan de gebruikelijke kwaliteiten, dit betekent dat hij geschikt moest zijn voor elk normaal gebruik t.t.z. elk gebruik dat de verkoper gelet op de aard van de verkochte zaak redelijkerwijze kon voorzien en dat moet kunnen uitgeoefend worden in voorwaarden die zelf normaal zijn, zonder overdreven kosten en zonder ongebruikelijke slijtage. Goederen zijn niet in overeenstemming met de overeenkomst, tenzij ze geschikt zijn voor de doeleinden voor dewelke goederen van dezelfde beschrijving gebruikelijk bestemd zijn. Iedere koper is immers gerechtigd om ten minste geschiktheid te verwachten voor de gebruikelijke bestemming van de gekochte goederen (zie H. VAN HOUTTE, J. ERAUW en P. WAUTELET, Het Weens Koopverdrag, Intersentia 1997, nr. 4.46, p. 130-131). Bovendien moet het gaan om gebreken waarvan de koper onwetend is en niet om gebreken die door hem geacht worden gekend te zijn. Het gebrek moet ook anterieur zijn aan de risico-overdracht en het moet gaan om een wezenlijke tekortkoming. Ivens voert aan dat de gekochte vrachtwagen behept was met ondeugdelijke en technische mankementen. Zij verwijst hiervoor naar vier depannages in korte tijd nà de aankoop en naar een defect van de compressor. In haar beroepsbesluiten maakt zij nog bijkomend melding van problemen met de versnellingspook en met de waarschuwingslichtjes van de boordcomputer waarvoor telkens een duw op een knop nodig bleek om deze uit te schakelen. De herstelfacturen uitgaande van Cammaert Trucks Antwerpen, waarnaar Ivens verwijst, wijzen niet op een niet-conformiteit van de vrachtwagen in de zin zoals hoger werd uiteengezet. Deze facturen hebben betrekking deels op het normale onderhoud van de vrachtwagen (vervangen motorolie ed.), deels op een herstel van kleinere defecten die op zich niet als abnormaal kunnen beschouwd worden rekening houdend met de kilometerstand van de vrachtwagen die blijkens de (eerste) factuur dd. 3/5/2006 reeds 543.000 km bedroeg (zie stuk 5 Ivens). Van een tweedehands vrachtwagen met bijna 550.000 km kan bezwaarlijk verwacht worden dat hij (nog) is zoals een splinternieuwe vrachtwagen; de defecten die zich voordeden zijn in dit opzicht zelfs normaal te noemen en zijn in ieder geval niet dermate overdreven en buitensporig, dat de vrachtwagen niet meer voldeed of kon voldoen aan zijn normale en gebruikelijke bestemming in de zin van artikel 35, 2, a. van het Weens Koopverdrag. Ivens levert trouwens niet het bewijs dat deze defecten reeds in de kiem aanwezig waren op het ogenblik van de levering of m.a.w. dat deze defecten anterieur waren aan de risico-overdracht. Evenmin bewijst zij dat het om wezenlijke tekortkomingen ging. Weliswaar beweert Ivens genoodzaakt te zijn geweest om de vrachtwagen "als schroot" te verkopen, doch zij legt hiervan evenmin bewijsstukken voor, zodat (ook) deze bewering sterk in twijfel kan getrokken worden. 3.3.2.
  1. Ivens verwijst eveneens naar de opgave van het verkeerde bouwjaar op de verkoopsfactuur en op het verkoopsdocument van 23/6/
  2. Prinsen Transport geeft toe dat als bouwjaar verkeerdelijk "1997" werd vermeld daar waar dit "1995" moest zijn, doch benadrukt - en bewijst dit overigens aan de hand van een faxbericht dd. 4/5/2007 van Iveco Belgium nv aan (de raadsman van) Ivens (zie stuk 3 bundel Ivens) - dat 1997 het jaar van indienstneming is : blijkens deze inlichtingen werd het betreffend voertuig geproduceerd in 1995, maar werd het pas op 15/7/1997 in dienst genomen. Dit verklaart de vergissing omtrent het bouwjaar. Ivens bewijst ook hier het wezenlijk karakter van deze verkeerde vermelding niet, althans niet voor zover zij argumenteert dat het feit dat de vrachtwagen twee jaar ouder was dan vermeld, (mede) aan de basis lag van de technische mankementen die zij nà de levering ondervond. Dit kan trouwens moeilijk bijgetreden worden nu blijkt - en door Ivens ook niet meer ernstig tegengesproken wordt - dat de vrachtwagen pas medio 1997 voor het eerst in dienst werd genomen, zodat hij normaliter pas van dan af gebruik- en slijtageverschijnselen kon gaan vertonen zijn. Ivens bewijst bovendien niet dat deze vergissing van bouwjaar haar in de onmogelijkheid heeft geplaatst om het voertuig vooralsnog in te schrijven in België en het te laten keuren. Zij legt hieromtrent geen stukken voor die deze beweerde causaliteit aantonen of zelfs maar enigszins waarschijnlijk maken. Aldus bewijst Ivens geen inbreuk op artikel 35,2, a. en artikel 36.1 van het Weens Koopverdrag in hoofde van Prinsen Transport. 3.3.2.
  3. Ivens kan zich tot slot niet beroepen op een inbreuk op artikel 36.2 van het Weens Koopverdrag ten nadele van Prinsen Transport om de eenvoudige reden dat dit niet van toepassing is op de contractuele relatie tussen de partijen nu deze laatste als verkoper geen garantie in de zin van voormeld artikel 36.2 aan de koper verstrekt heeft (zie H. VAN HOUTTE e.a., op. cit. nr. 4.55, p. 140). Er werd integendeel geen garantie verstrekt, wat inzake de verkoop van tweedehands vrachtwagens niet uitzonderlijk is, des te meer de hoegrootheid van de kilometerstand van de vrachtwagen in kwestie (zie hoger) ten tijde van de verkoop en de levering. Nu vaststaat dat er géén conformiteitsgebreken ten aanzien van Prinsen Transport te weerhouden zijn, dient niet nader ingegaan te worden op de door deze laatste aangevoerde verweermiddelen gesteund op de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag. Er zijn derhalve geen redenen tot toekenning aan Ivens van een schadevergoeding op grond van artikel 74 van het Weens Koopverdrag, zodat haar tegenvordering, zoals aangepast in graad van hoger beroep, niet kan ingewilligd worden en ongegrond is. 3.
  4. De oorspronkelijke hoofdvordering in betaling van het openstaand saldo is wel gegrond : op grond van artikel 53 van het Weens Koopverdrag is de koper immers verplicht om de prijs te betalen. Waar uit de - overigens door Ivens niet geprotesteerde - verkoopfactuur en het door haar zaakvoerder op 26/3/2006 ondertekende verkoopdocument blijkt dat de koopprijs 23.500 euro bedraagt en zij niet betwist 21.041 euro te hebben betaald bij de levering van de vrachtwagen en niet aantoont naderhand het saldo te hebben vereffend, is zij dit saldo van 2.459 euro terdege verschuldigd. In het verkoopdocument nam Ivens trouwens de verbintenis op zich dit saldo van 2.459 euro te betalen in twee termijnen en ten laatste einde mei
  5. gerechtskosten 4.
  6. Gelet op alle voorgaande overwegingen komt het hoger beroep ongegrond voor en dringt zich een bevestiging van het bestreden vonnis op, weze het op grond van andersluidende motieven. 4.
  7. Als in het ongelijk gestelde partij dient Ivens veroordeeld te worden tot de gedingkosten van het hoger beroep. Omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure oordeelde de eerste rechter op gepaste wijze. 4.
  8. In graad van hoger beroep vordert Prinsen Transport een rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van 650 euro. Gelet op de datum van het bestreden vonnis, kan geen rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanlegprocedure toegekend worden op basis van de nieuwe tarieven van het K.B. 26 oktober 2007, doch kan er slechts een rechtsplegingsvergoeding toegekend worden op basis van de tarieven van het KB van 30 oktober 1970, wat de eerste rechter ook terecht deed. Voor de eerste rechter vorderde Prinsen Transport wel een vergoeding uit hoofde van verdedigingskosten, die de eerste rechter billijkerwijze begrootte op 10% van de hoofdeis. Als enige grief brengt Ivens hiertegen in dat deze vergoeding ingevolge het in voege treden van de nieuwe wetgeving niet kon toegekend worden. Dit argument is uiteraard onjuist aangezien de "nieuwe wetgeving" waarnaar zij verwijst - inzonderheid het KB van 26 oktober 2007 houdende de nieuwe tarieven - pas in voege is getreden op 1/1/
  9. Waar Ivens geen andere grieven tegen de toekenning van deze vordering heeft geuit, dringt zich ook op dit punt een bevestiging van het bestreden vonnis op. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis weze het op grond van andersluidende motieven. Veroordeelt de bvba Ivens D. en Zoon tot de gedingkosten van het hoger beroep, aan haar zijde niet nuttig te begroten vermits deze toch te haren laste blijven, en aan de zijde van de bv Prinsen Transport te begroten op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 650 euro. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 24-3-
  10. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - V. Matthys, plaatsvervangend raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.