id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100329.1 Rolnummer: 2008/AR/139 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-04-13 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-01 12:32 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Termijn hoger beroep Vrije woorden: Toepassing artikel 1051, lid 3 Ger. Wb. Het normdoel van de wettelijke bepaling is bereikt en de rechten van verdediging zijn gerespecteerd. De termijn om hoger beroep in te stellen na de betekening van het bestreden vonnis moet niet verlengd worden omdat de partij op wiens verzoek betekend werd in Frankrijk woont. Alle appellanten aan wie het bestreden vonnis betekend werd, wonen in België. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 29 maart 2010 ________ HB laattijdig 2008/AR/139 - In de zaak van:
- OSTEO 2000 B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Klein Dokkaai 3, KBO nr. 0444.355.515,
- L. G., wonende te ..................................................,
- P. L., wonende te .................................................., appellanten, hebbende als raadsman mr. HERMANS Ben, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270, (referte: 05.0288.MDK.MDK-HEB) tegen: B. J.-P., wonende te ......................................................... geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN MALLEGHEM Jacques, advo-caat te 9000 GENT, Coupure 7, (referte: J00969) velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 16 januari 2008 tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (06/181/A) van 5 september
- Drie akten van betekening worden voorgelegd (zie verder). Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak.
- Op de zitting van 1 maart 2010 dienen appellanten een verzoekschrift in om nieuwe conclusietermijnen vast te stellen (toepassing van artikel 748, §2 Ger. Wb.). Het is niet tevoren op de griffie neergelegd en evenmin op voorhand aan de tegenpartij overgemaakt. De beschikking op grond van artikel 747, §2 Ger. Wb. dateerde van 31 maart
- Op 22 maart 2010 dienen appellanten een verzoekschrift tot heropening der debatten in bij toepassing van artikel 772 Ger. Wb.. Als nieuw stuk brengen zij het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 30 november 2009 (2008/711/A) bij. II Overblijvende betwisting
- De overblijvende betwisting betreft de vraag of het hoger beroep al dan niet tijdig is. III Bespreking Het verzoek tot heropening van de debatten wordt verworpen
- Nu het hof bij toepassing van artikel 773 in fine Ger. Wb. op stukken over het verzoek tot heropening der debatten oordeelt, worden de eventuele opmerkingen ter zake van geïntimeerde niet verder afgewacht en wordt het verzoek beoordeeld in het beraad over de toe-laatbaarheid van het hoger beroep in de voorliggende zaak. Zonder de rechten van alle partijen te schenden en om de procesgang niet nodeloos en onredelijk te vertragen kan de rechter ten andere het verzoek tot heropening afwijzen zonder de opmerkingen van de andere partij af te wachten (zie ook het gemotiveerde vonnis Vred. Roeselare 22 mei 2009, R.W., 2009-2010, 1199). Op de zitting van 1 maart 2010 was het vonnis van 30 november 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent in de zaak 2008/711/A reeds lang gekend, minstens moest het gekend zijn. Appellanten brengen derhalve geen nieuw stuk of feit van overwegend belang bij in de zin van artikel 772 Ger. Wb. Bovendien blijkt uit wat hierna volgt dat het huidige hoger beroep ontoelaatbaar is wegens de laattijdigheid van het instellen ervan. Een verzoek tot heropening en de voeging met een andere zaak waartegen hoger beroep is aangetekend kan hierin geen verandering brengen. Elk verder uitstel draagt niet bij tot een goede rechtsbedeling. Opnieuw komen appellanten zeer dicht bij de grens van het onbehoorlijk proces voeren (zie verder). Het verzoek tot heropening der debatten wordt op grond van het voorgaande verworpen. Het hoger beroep is ontoelaatbaar Op de volgende gronden oordeelt het Hof dat het hoger beroep buiten de wettelijke termijn is ingesteld en om die reden ontoelaatbaar is.
- Het bestreden vonnis dateert van 5 september
- Het werd betekend aan: 1) de bvba Osteo 2000, met maatschappelijke zetel te Gent, op 30 november 2007 (stuk 1 van het dossier van geïntimeer-de); 2) de heer G. L. uit ........ op 3 december 2007 (stuk 2 van het-zelfde dossier); 3) de heer L. P. uit ......... op 10 december 2007 (stuk 3 van het dossier van geïntimeerde). Het vonnis werd betekend op verzoek van de huidige geïntimeerde, de heer B., die in ............ (Frankrijk) woont.
- De vraag rijst of de termijn van één maand, te rekenen van de dag van betekening, op grond van het eerste lid van artikel 1051 Ger. Wb., geldt, dan wel of deze termijn met vijftien dagen verlengd moet worden op grond van artikel 1051, lid 2 en 3 Ger. Wb. en artikel 55 Ger. Wb. omwille van het feit dat de heer B., geïntimeerde, in Frankrijk woont. Om de volgende redenen is het Hof van oordeel dat de termijn van één maand en niet de verlengde termijn van toepassing is in deze zaak.
- Artikel 1051, lid 3 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een van de partijen aan wie of op verzoek van wie het vonnis is betekend, geen woonplaats of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, de termijn van hoger beroep verlengd wordt overeenkomstig artikel 55 van hetzelfde wetboek. Uit de drie termijnen van artikel 55 Ger. Wb., die langer worden naarmate de persoon aan wie betekend is of die betekent verder woont, blijkt het normdoel van de bepaling. Een niet - elektronische betekening is langer onderweg naarmate de afstand groter is ten opzichte van België. Om de rechten van de verdediging te vrijwaren heeft de wetgever met dit gegeven rekening gehouden (zie ook Cass. (1e k.) AR C.05.0073.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1, 30 maart 2007 (Tyco Electronics Raychem / Profilo Savunma Gereçleri Sanayi Ve Ticaret A.S.) http://www.cass.be (13 juli 2007); TBBR 2008, afl. 10, 645). Uit het normdoel (verlenging van de termijn naarmate de afstand groter wordt en respect voor de rechten van verdediging) leidt het Hof af dat in deze zaak de gewone wettelijke termijn van toepassing is en niet de verlengde termijn voor Frankrijk. Immers, het is de heer B. die het initiatief voor de betekening van het bestreden vonnis nam. Hij had derhalve kennis van het vonnis en kon zijn rechten laten gelden. Een verlenging van de termijn is ten aanzien van hem niet vereist. Het normdoel is bereikt. De drie appellanten, aan wie betekend werd, wonen allen in België. Ten aanzien van hen geldt de gewone wettelijke termijn van één maand.
- Anders oordelen zou in deze zaak tot een onderscheid leiden, dat niet objectief te verantwoorden is. Partijen, die hun woonplaats of verblijfplaats in België hebben, zouden over een kortere of langere termijn van beroep beschikken, naar gelang de persoon die tegen hen betekent al dan niet in het buitenland woont. Dit vormt geen objectief verantwoord onderscheidend criterium. Het enkele feit dat de partij, die het initiatief tot betekening neemt, in het buitenland woont, zou een partij met een woon- of verblijfplaats in België een lange-re termijn bezorgen om hoger beroep aan te tekenen. Een partij met een woon- of verblijfplaats in België, die de betekening ontvangt van een partij met een woon- of verblijfplaats in België kan niet genieten van een verlenging van de termijn om beroep aan te tekenen. Nochtans woont of verblijft in de beide gevallen de partij die aangesproken wordt in België. In de beide gevallen wordt de betekende partij geacht binnen dezelfde termijn de betekening ontvangen te hebben, nu zij in België woont of verblijft.
- Ten overvloede geldt het volgende. Artikel 1051 Ger. Wb. moet in zijn geheel gelezen worden. Het derde lid van het artikel heeft het over "...één van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend..." omwille van de bepaling die opgenomen is in het tweede lid van hetzelfde artikel. Daarin is bepaald dat de termijn van één maand ook loopt vanaf de dag van de betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen. In 1967 heeft de wetgever inderdaad de oude regel "nul ne se forclôt soi-même" (niemand sluit zichzelf uit) afgeschaft (FETTWEIS, A., Manuel de procédure civile, 2de uitgave, Luik, 1987, 501, nr. 757). In geval een partij betekent, kan deze partij zelf niet meer in beroep komen na het verstrijken van de beroepstermijn. Eens deze termijn verstreken is, is hij voor alle partijen verstreken. Het derde lid vormt derhalve een bevestiging van het tweede lid. De tegenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep
- De heer B. is van oordeel dat het hoger beroep tergend en roekeloos is. Hij vordert om die reden een schadevergoeding van euro 2.
- Het instellen van een vordering, of van hoger beroep tegen een vonnis waardoor men zich gegriefd voelt, is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering of het hoger beroep werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering of een hoger beroep is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. De loutere vaststelling dat een vordering of een hoger beroep ongegrond is en dat de appellant zich vergist heeft, verleent aan deze vordering of aan dit hoger beroep geen tergend of roekeloos karakter. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat het hoger beroep niet toelaatbaar is wegens laattijdigheid. De appellanten hebben wél de grenzen afgetast van wat net nog niet als tergend en roekeloos kan worden aangezien. Op grond van het voorgaande wordt de tegenvordering afgewezen. Het verzoek tot het toekennen van bijkomende conclusieter-mijnen
- Gelet op al het voorgaande wordt het verzoek om bijkomende conclusietermijnen verworpen. Bovendien hebben appellanten zich verweerd in een conclusie van 18 februari 2008 over de exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep. De beschikking op grond van artikel 747, §2 Ger. Wb. dateert van 31 maart
- Appellanten namen nadien geen enkele conclusie, hoewel zij twee termijnen kregen, namelijk 1 september 2008 en 2 juli
- Zij respecteerden de beschikking derhalve niet. Het verzoek van 1 maart 2010 komt uitermate laat. Het is ingediend één maand na de voor pleidooien vastgestelde zitting van 1 februari
- Op die datum werd de behandeling van de zaak met vier weken uitgesteld wegens ziekte van de raadsman van appellanten. Het verzoek tot bijkomende conclusietermijnen kan enkel tot een volstrekt nutteloze vertraging van de procedure leiden. Proces-economisch is dit verzoek niet te verantwoorden. Alleen al deze handelswijze is op de grens van het tergend en roekeloos geding voeren. Dit is des te meer het geval nu het Hof grote inspanningen levert om de gerechtelijke achterstand te beperken en een dergelijke handelswijze deze inspanningen alleen maar op een onverantwoorde manier doorkruist. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten tot betaling van de kosten veroordeeld. De basisvergoeding voor de hoofdvordering van de bvba Osteo 2000 bedraagt euro 5.000,00 (vordering tussen de euro 100.000,01 en euro 250.000,00). De basisvergoeding voor de hoofdvordering van de heer L. en de heer P. bedraagt euro 900,00 (vordering tussen de euro 5.000,01 en euro 10.000,00). Nu het om dezelfde verdediging gaat, worden de heren L. en P. in solidum veroordeeld om deze som te betalen. Er is geen aanleiding de vergoeding te verhogen, ook niet omdat de tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding verworpen werd. De tegenvordering wordt niet apart begroot, nu zij kadert in de be-handeling van de hoofdvordering. OP DIE GRONDEN, Het Hof: - verwerpt het verzoek tot heropening der debatten; - verklaart het hoger principaal beroep niet toelaatbaar. - bevestigt het bestreden vonnis; - verwerpt alle vorderingen van alle partijen, behalve deze van geïntimeerde met betrekking tot de betaling van de kosten; die vordering is gegrond in de mate als hierna bepaald; - veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: eerste appellante: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 5.000 tweede en derde appellante in solidum hoofdvordering: euro 900 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag negenentwin-tig maart tweeduizend en tien. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div