← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100329.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100329.8 Rolnummer: Rechtsgebied: Handelsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-02-24 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 12:32 Fiche Wanneer het OCMW bestellingen verzamelt om de inwoners toe te laten gezamenlijk tegen een lagere prijs stookolie aan te kopen, handelt het OCMW als verkoper in de zin van de WHPC. Het is aan de eiser om aan te tonen dat er een verkoop met verlies zou zijn. De eerlijke handelsgebruikers worden gehouden door een inbreuk op een wettelijke of relementaire bepaling, ongeacht de strekking ervan. Ook de schending van de OCMW-wet houdt een schending in van de eerlijke handelsgebruiker. Het OCMW gaat de grenzen van zijn wettelijke opdracht te buiten indien elke inwoner, ongeacht zijn inkomen of vermogen, de mogelijkheid wordt geboden om deel te nemen aan een gezamenlijke aankoop van stookolie. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Verkopen met verlies HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Verkoopstechnieken - Overeenkomsten op afstand PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW Vrije woorden: Handelspraktijken - begrip 'verkoper'-verkoop met verlies - verkoop op afstand - oneerlijke handelsgebruiker - OCMW wet - bijstandsplicht - groeperen van bestellingen stookolie Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ______________ Terechtzitting van 29 maart 2010 ________________ zie ook 2009/AR/2123 en 2009/AR/2124 _________________ WHPC 2009/AR/2122 - In de zaak van: 1. FIRMA PAUL DE SMET B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9400 NEDERHASSELT, Geraardsbergsesteenweg 166, met KBO nr. 0446.443.290, 2. VANHECKE N.V., met maatschappelijke zetel te 9860 MOORTSELE, Moortselestraat 61 A, met KBO nr. 0423.014.921, 3. BRANDSTOFFEN DEJAP B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9870 MACHELEN (O.-VL.), Rijksweg 21 a, met KBO nr. 0454.831.218, 4. DE GRAEVE B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9450 HAALTERT, Stationsstraat 15, met KBO nr. 0400.284.653, 5. WILLEM VANDENEYNDE EN ZOON B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9450 DENDERHOUTEM, Adv. De Backerstraat 50, met KBO nr. 0445.743.704, 6. BRANDSTOFFEN DELCOURT N.V., met maatschappelijke zetel te 1742 SINT-KATHERINA-LOMBEEK, Meersstraat 71 a, met KBO nr. 0424.118.048, 7. SOENS JOZEF EN ZOON N.V., met maatschappelijke zetel te 9404 ASPELARE, Nederhasseltsestraat 309, met KBO nr. 0451.427.805, 8. BRANDSTOFFEN DEBRUYNE B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9790 WORTEGEM-PETEGEM, Oudenaardsesteenweg 129, met KBO nr. 0424.582.361, appellanten, hebbende als raadsman mr. DE ROO Joris, advocaat te 3000 LEUVEN, Philipssite 5 (2e verdieping), (referte: 08.2486/SA/NT) tegen: Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de gemeente KLUISBERGEN, (O.C.M.W. KLUISBERGEN), met burelen gevestigd te 9690 KLUISBERGEN, Parklaan 16, 2de verdieping, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE WOLF Carlos, advocaat te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6, (referte: 776.0001) velt het hof het volgend arrest: De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. * Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 29 juli 2009 tegen het vonnis d.d. 29 januari 2009 gewezen door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, zetelend zoals in kortgeding, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. ANTECEDENTEN I. A. Met dagvaarding van 17 oktober 2008 vorderen tien vennootschappen, zijnde de acht alhier optredende appellanten, samen met twee andere alhier in hoger beroep niet meer verder optredend, stookoliehandelaars, dat door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, zetelend zoals in kortgeding, aan het OCMW van Kluisbergen het verbod zou worden opgelegd " om nog verder op enigerlei wijze tussen te komen in het kader van stookolieacties (minstens acties die op een manier zoals de huidige of gelijkaardige manier werden georganiseerd) alsook nog op enigerlei wijze publiciteit te maken voor dergelijke stookolieacties, dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per vastgestelde overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt, vanaf de dag na de betekening van de tussen te komen beschikking. " Lopende het geding voor de Voorzitter, zetelende zoals in kortgeding, passen de oorspronkelijke eiseressen het beschikkend gedeelte van hun vordering enigszins aan en vorderen zij uiteindelijk dat aan het OCMW van Kluisbergen het verbod zou worden opgelegd " om nog verder op enigerlei wijze tussen te komen in het kader van stookolieacties (minstens acties die op een manier zoals de huidige of gelijkaardige manier werden georganiseerd, met overtreding van de bepalingen van de WHPC inzake verkoop op afstand, inbreuk op het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel etc.) alsook nog op enigerlei wijze publiciteit te maken voor dergelijke stookolieacties, dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per vastgestelde overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt, vanaf de dag na de betekening van de tussen te komen beschikking. " B. Als feitelijke achtergrond kan worden weerhouden wat volgt. In de periode van september 2008 is het OCMW van Kluisbergen gestart met het organiseren van een gezamenlijke bestelling van stookolie en dit voor alle inwoners van Kluisbergen. Onder haar stuk nr. 1 legt het OCMW van Kluisbergen, hierna verder ‘de geïntimeerde', een volledig gedrukte rondzendbrief voor afkomstig van haar, met " Bestelformulier gezamenlijke bestelling stookolie " " dient binnen te zijn op het OCMW uiterlijk op 26 september 2008 " verder in te vullen als volgt: " Ik, ondergetekende............., wonende..................nr...... te Kluisbergen, telefoon.....................e-mail:......................bestel.............liter stookolie (minimum 500 liter) voor levering in oktober 2008. Ik neem kennis van de voorwaarde zoals vermeld op de keerzijde van deze brief. Ik verbind er mij toe de factuur te betalen. Handtekening en terugsturen van dit strookje maakt de bestelling onherroepelijk. Handtekening & datum " Het eerste gedeelte van de omzendbrief luidt als volgt: " OCMW Kluisbergen start met STOOKOLIEACTIE In navolging van andere OCMW's zal ook het OCMW van Kluisbergen dit jaar een stookolieactie organiseren. Ten gevolge van de stijgende stookolieprijzen is het voor vele gezinnen financieel moeilijk om in één beurt meer dan 1000 liter stookolie te betalen. Wij bieden de kans aan alle inwoners van Kluisbergen om een bestelling van stookolie te plaatsen en dit vanaf 500 liter. Het OCMW groepeert alle bestellingen en op deze manier proberen we te genieten van een maximale hoeveelheidskorting door de grotere bestelling die er geplaatst wordt. Met de torenhoge prijzen van vandaag kan de stookoliefactuur nu toch een stuk lager uitvallen. Indien u wenst te genieten van deze mogelijkheid en wil deelnemen aan deze gezamenlijke bestelling, dan kan u vanaf 15 september 2008 tot en met 26 september 2008 via het strookje hiernaast uw bestelling doorgeven aan het OCMW van Kluisbergen. Op het einde van de inschrijvingsperiode weet het OCMW hoeveel gezinnen en hoeveel de gezamenlijke bestelling bedraagt en wordt dit overgemaakt aan verschillende stookolieleveranciers. Degene die het meest voordelige tarief kan aanbieden, zal uitgekozen worden om de gezamenlijke bestellingen uit te voeren. De levering zal dan plaats vinden de eerste helft van oktober 2008. Deze stookolieactie staat los van de verwarmingstoelagen die sommige gerechtigden bij het OCMW kunnen aanvragen voor leveringen vanaf 01.09.2008. De verwarmingstoelage geldt voor zowel bestellingen via deze stookolieactie als andere bestellingen. De gerechtigden op een verwarmingstoelage dienen wel hun aanvraag apart te doen op het OCMW na ontvangst van hun stookoliefactuur. K...... B........... M............ V.............. OCMW Secretaris Voorzitter OCMW INFO: OCMW Kluisbergen, Sociale Dienst - 055 23 16 36 - cecile.vanhulle @kluisbergen.be " Het hof heeft de tekst op identieke wijze overgenomen zoals op kwestieuze overtuigingsstuk staat gedrukt, met inbegrip waar er in het vetjes of in het groot is gedrukt geworden. Bij de omzendbrief zijn ook gevoegd de "Voorwaarden van deelname ". Zij worden door de geïntimeerde voorgelegd onder haar overtuigingstuk nr. 1. Het hof onthoudt voornamelijk de volgende voorwaarden: " De bestelling is onherroepelijk " en " Het OCMW Kluisbergen staat enkel in voor het groeperen van de bestellingen en voor de prijsonderhandeling. Het OCMW Kluisbergen is verder geen contracterende partij, en kan in geen geval aansprakelijk worden gesteld bij eventuele niet-betaling van een levering. " Uit stuk nr. 2 zoals voorgelegd door de geïntimeerde blijkt dat het OCMW van Kluisbergen op 26 augustus 2008 reeds een aantal concrete stookolieleveranciers heeft aangeschreven om te weten of er interesse bestaat tot deelname aan de procedure tot plaatsing van de gezamenlijke bestelling stookolie. De geïntimeerde heeft het in haar besluiten neergelegd op 14 januari 2010, zesde bladzijde over "diverse stookolieleveranciers" die zouden zijn aangeschreven. Aan wie zijn interesse had medegedeeld is op 28 september 2008 door de geïntimeerde medegedeeld dat er vanwege 328 gezinnen een gezamenlijke hoeveelheid van 433.250 liter stookolie is besteld (zie stuk nr. 3, dossier geïntimeerde). Aan de CV "Het Volk" te 9000 Gent is de bestelling toegewezen geworden (zie stukken onder nr. 4, dossier geïntimeerde). II. De Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, zetelend zoals in kortgeding, zegt vooreerst voor recht dat hij geen rechtsmacht heeft om "van nu af aan [de geïntimeerde] verbod op te leggen om nog verder - dus in de toekomst - op enigerlei wijze tussen te komen in het kader van stookolieacties en publiciteit te maken voor dergelijke stookolieacties". Hierbij overweegt de Voorzitter onder meer: " Omwille van haar discretionaire appreciatiebevoegdheid (zie in-fra) kan aan [de geïntimeerde] - op straffe van schending van het beginsel van de scheiding der machten - niet a priori een bepaalde beslissing, handeling of gedraging opgelegd of verboden worden. " Verder luidt het beschikkend gedeelte van de alhier bestreden beschikking van de Voorzitter als volgt: " Stellen anderzijds vast dat [de geïntimeerde] bij haar dienstverlening in het kader van de stookolieactie omstreeks september 2008 geen inbreuken heeft begaan op de wet betreffende de handelspraktijken van 14 juli 1991 waardoor de beroepsbelangen van eiseressen worden of kunnen worden geschaad. Wijzen dienvolgens de stakingsvordering onder verbeurte van een dwangsom af als ongegrond. " De Voorzitter stelt vast dat de geïntimeerde makelaarsverrichtingen heeft gesteld, wat een handelsdaad uitmaakt zoals bedoeld in art. 2, lid 8 van het Wetboek van Koophandel en dat het niet nodig is dat deze diensten met winstoogmerk zijn verleend. Waar de geïntimeerde heeft gehandeld in de zin van art. 1, 6° WHPC, is deze wet van toepassing en oordeelt de Voorzitter over de rechtsmacht te beschikken om de zaak ten gronde te beoordelen. Daarop oordeelt de Voorzitter dat er geen inbreuk is op art. 94/3 WHPC. Ook weerhoudt hij geen schending van "gereglementeerde handelspraktijken" (m.b.t. overeenkomsten op afstand, verkoop met verlies), noch weerhoudt hij de beweringen van de oorspronkelijke eiseressen dat er sprake zou zijn van de overschrijding door de geïntimeerde van haar bevoegdheid op basis van de organieke wet van 8 juli 1976. Tenslotte ziet hij geen schending van de wet van 24 december 1993 op de overheidsopdrachten. III. A. a. De appellanten, zijnde acht van de oorspronkelijke tien eiseressen, vorderen - de veroordeling van de geïntimeerde op basis van art. 877 Ger.W. (wellicht bij typefout door de appellanten als "art. 870 Ger.W." vermeld) tot het overleggen van de "nodige stukken die aantonen dat er bij de uitvoering van de stookolieactie geen verkoop met verlies gebeurde, noch enige geen arbeidsrechtelijke of sociaalrechtelijke overtredingen werden gepleegd" - " aan geïntimeerde het verbod op te leggen om nog tussen te komen in het kader van stookolieacties die op dezelfde manier worden georganiseerd als de stookolieactie d.d. 12 september 2008, alsook nog op enigerlei wijze publiciteit te maken voor dergelijke stookolieacties dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per vastgestelde overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt, vanaf de dag na de betekening van de tussen te komen beschikking " - de veroordeling van de geïntimeerde tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen. b. In de besluiten voor de appellanten neergelegd op 23 november 2009, blz. 6-7, leest het hof wat volgt: " Concludenten wensen voor de volledigheid duidelijk te stellen dat zij - op grond van de hierna genoemde argumenten - een stakingsverbod vorderen voor geïntimeerde om als makelaar tus-sen te komen bij stookolieactie(

  1. s)die worden georganiseerd volgens de volgende werkwijze: - Slechts enkele van de al dan niet lokale handelaars worden op het laatste moment uitgenodigd om deel te nemen; - Op het moment van de uitnodiging is er geen concrete informatie m.b.t. met de uiteindelijke hoeveelheid te leveren liters, de uit-eindelijke afnemers en/of leveringsadressen; - Er is geen enkele mogelijkheid voor de brandstof handelaars om deel te nemen onder voorbehoud; - Alle inwoners van de gemeente worden uitgenodigd om in te schrijven, zonder onderscheid; - Ten gevolge van veelvuldige publiciteit wordt een massabestelling gecreëerd; - Er is noch voor de brandstofhandelaar, noch voor de consument enige vorm van voorafgaande controle mogelijk van de algemene factuur- en/of leveringsvoorwaarden. Niettemin bepaalt geïntimeerde dat de inschrijving zoals voor de consument als voor de brandstof handelaar onherroepelijk is; - Leveringstermijn (twee à drie weken) van de bestelling is zondanig kort dat het voor de "winnende" brandstofleverancier in de praktijk onmogelijk is om deze termijn te respecteren zonder de toepasselijke arbeids- en sociaalrechtelijke bepalingen (o.a. rij- en rusttijden) te schenden. " B. De geïntimeerde vraagt " In hoofdorde: het vonnis d.d. 29 januari 2009 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde bevestigend, zich zonder rechtsmacht te verklaren om kennis te nemen van de vordering van appellanten, alsmede in de mate hiertoe aansluitend nog reden bestaat, de vordering van appellanten als ongegrond af te wijzen; In ondergeschikte orde: de vordering van appellanten als ongegrond af te wijzen; In ieder geval: appellanten te veroordelen tot de kosten (...) ". BEOORDELING I. De geïntimeerde betwist ten onrechte de rechtsmacht. A. Art. 144 van de Grondwet schrijft voor dat "geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken ". Om de bescherming van deze rechten te verwezenlijken houdt de Grondwet geen rekening met de hoedanigheid van de procesvoerende partijen, noch met de aard van de handelingen die een krenking van een burgerlijk recht zouden hebben veroorzaakt. Enkel de aard van het beweerdelijk gekrenkte recht is determinerend (cf. Cass. 5 november 1920, Pas., 1920, I, 239). De gekrenkte rechten die door de appellanten zijn ingeroepen, zijn die welke zij meent te kunnen tegenwerpen aan de geïntimeerde en die voortspruiten uit de WHPC. De rechten waarop de appellanten zich baseren en inroepen te-gen de geïntimeerde, zijn rechten die voortspruiten uit de WHPC en zijn burgerlijke rechten. De procespartij, die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft krachtens art. 144 van de Grondwet het absolute recht om zich tot de gewone rechtbanken te wenden, ook al wordt dat recht betwist. De rechtsmacht is aanwezig. B. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het sub-jectief recht / burgerlijk recht dat door de appellanten wordt ingeroepen, betreft de gegrondheid van de vordering. II. A. De Voorzitter heeft nopens de gebeurlijke toepasselijkheid van de WHPC overwogen wat volgt: " [De geïntimeerde] heeft als overheidsinstelling, publieke rechtspersoon voor de uitvoering van haar opdrachten onderworpen aan de organieke wet van 8 juli 1976, binnen het territorium waarvoor ze voorhoudt bevoegd te zijn aan de bevolking de organisatie van de stookolieactie aangeboden en betwist niet hierbij de facto handelingen te hebben gesteld die overeenstemmen met makelaarsverrichtingen; dit is een handelsdaad zoals bedoeld in artikel 2, lid 8 van het Wetboek van Koophandel, zodat deze ver-richtingen als diensten in de zin van artikel 1, 2° van de wet op de handelspraktijken dienen te worden gekwalificeerd; daartoe is niet noodzakelijk dat deze diensten met winstoogmerk worden gesteld. Dienvolgens heeft [de geïntimeerde] gehandeld als verkoper in de zin van artikel 1.6°b WHPC, onverschillig dat zij deze dienstverlening heeft aan de dag gelegd met als nagestreefd doel haar (beweerde) wettelijke taak uit te oefenen en het algemeen belang te dienen en is de wet op de handelspraktijken van toepassing. " Het hof herneemt alhier expliciet de voormelde overweging van de Voorzitter. De geïntimeerde heeft door haar aanbod tot bemiddeling een objectieve daad van koophandel gesteld (makelarij: art. 2, lid 8 van het Wetboek van Koophandel) en heeft zich daartoe, als persoon, op de markt begeven en haar diensten aangeboden (cf. art. 1, 6,
  2. c)WHPC). Dat de geïntimeerde hierbij geen winstoogmerk nastreeft is voor de toepassing van de WHPC op de voorliggende betwisting, irre-levant (cf. Cass., 13 september 2002, R.W., 2003-2004, 1174 e.v.; zie ook Brussel, 19 september 1995, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging, 1995, 492). Waar de geïntimeerde partij zich heeft begeven op de markt en zoals hierboven aangenomen, als verkoper moet worden aangezien in de zin van de WHPC (art. 1, 6), vorderen de appellanten terecht dat haar optreden getoetst wordt aan de regels van de WHPC. B. Dat het OCMW een overheidsinstelling is, doet aan voorgaande geen enkele afbreuk. De WHPC maakt geen uitzondering voor overheidsinstellingen of bepaalde "soorten" van personen. De aard van de activiteiten is bepalend voor de al dan niet-toepassing van de WHPC, niet de "aard" van persoon die ze verricht. Aldus heeft de uiteenzetting van de geïntimeerde over het beginsel van de scheiding van de machten geen enkele relevantie binnen de alhier gevoerde discussie. Art. 1, 6
  3. c)van de WHPC bepaalt dat als verkoper wordt aangezien: " de personen die, (...) met of zonder winstoogmerk, een commerciële, financiële of industriële activiteit uitoefenen en die producten of diensten te koop aanbieden of verkopen ". In de context van de alhier voorliggende betwistingen moet besloten worden dat de geïntimeerde aan deze definitie beantwoordt. III. A. De appellanten werpen in eerste orde art. 94/2, 10° WHPC op: elke reclame is verboden die een daad in de hand werkt, die als een overtreding van deze wet (WHPC) moet worden beschouwd. De omzendbrief die aan iedere bewoner van de gemeente Kluisbergen werd bezorgd, is een mededeling die hoe dan ook tot doel had de verkoop van een dienst te bevorderen, met name de aanprijzing door de geïntimeerde van zichzelf om tussen te komen bij het tot stand komen van een gezamenlijke bestelling van stookolie. In die zin beantwoordde de publiciteit die de geïntimeerde heeft verricht voor de beschikbaarstelling van haar diensten voor de totstandkoming van koopverkopen van stookolie, aan art. 93, 3° WHPC. In zoverre datgene waarvoor de geïntimeerde publiciteit heeft gemaakt, in een of andere zin strijdig was met de WHPC, was de reclame een overtreding van art. 94/2, 10° WHPC. B. De appellanten houden voor dat er in hoofde van de uiteindelijke verkoper van de stookolie, sprake zou zijn geweest van verkoop met verlies in strijd met het verbod van art. 40 WHPC. Om een en ander te bewijzen vragen de appellanten dat de geïntimeerde zou aantonen dat er geen sprake is van verkoop van verlies en dat zo nodig de uiteindelijke verkoper van de stookolie zou verplicht worden de nodige stukken hieromtrent bij te brengen (art. 877 Ger.W.). Vooreerst is het niet aan de geïntimeerde om aan te tonen dat er geen verkoop met verlies is. Het zijn de appellanten die desbetreffend de bewijslast dragen. Vervolgens is er geen enkel begin van geloofwaardigheid voor de bewering van de appellanten. Het document (stuk 4, dossier appellanten) heeft betrekking op de meest gunstige prijs voor 1.000 liter (0,70793 EUR / liter), terwijl het alhier over een totale bestelling gaat van meer dan 400.000 liter. De beweerde overtreding is niet aangetoond. C. Verder werpen de appellanten de schending op van de bepalingen inzake de verkoop op afstand (art. 77 en 78 WHPC) Er is in dit geval geen "verkoop op afstand" in de zin van art. 77 § 1, 1° WHPC. Art. 77 § 1, 1° WHPC dat het heeft over een overeenkomst op afstand, heeft het over "een door de verkoper georganiseerd systeem". Ten deze is er sprake van een door de makelaar, in casu de geïntimeerde partij, georganiseerd systeem. De geïntimeerde heeft bestellingen opgevraagd en gecentraliseerd op een ogenblik waarop de uiteindelijke verkoper nog niet eens bekend was. Die uiteindelijke verkoper kan dan ook voor dat "systeem" niet verantwoordelijk worden gesteld. D. Vervolgens werpen de appellanten op dat het voor de uiteindelijke verkoper / leverancier praktisch onmogelijk zal zijn geweest dergelijk enorme hoeveelheid te leveren binnen de twee à drie weken, zonder hiervoor de toepasselijke arbeids- en sociaalrechtelijke bepalingen te schenden. Hiertoe vragen de appellanten dat de geïntimeerde de nodige stukken zou bijbrengen waaruit zou blijken dat de CV Het Volk geen arbeidsrechtelijke of sociaalrechtelijke overtredingen heeft gepleegd bij de uitvoering van de samenaankoopactie. Er is geen enkel thans voorliggend feitelijk element waaruit met een begin van geloofwaardigheid zou kunnen volgen dat de CV Het Volk sociaalrechtelijke regels zou hebben overtreden. Er is dan ook geen enkele aanleiding om de CV Het Volk ertoe aan te manen zijn boeken of sociale documenten voor te leggen. E. De appellanten werpen voorts de schending op van art. 94/3 WHPC: " Verboden is elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, waardoor de verkoper de beroepsbelangen van één of meer andere verkopers schaadt of kan schaden. " In zoverre de appellanten bedoelen dat de CV Het Volk als uiteindelijke verkoper van de stookolie oneerlijke handelspraktijken zou gepleegd hebben / plegen, kan nergens gelezen worden wat de appellanten concreet verwijten aan de CV Het Volk voormeld. IV. De appellanten werpen ook op dat de geïntimeerde zélf door haar optreden - organisatie van een samenaankoop - art. 94/3 WHPC zou schenden. A. Hierboven is reeds onderstreept dat de geïntimeerde als verkoper in de zin van art. 1, 6 van de WHPC, kan aangesproken worden. De eerlijke handelsgebruiken kunnen niet alleen geschonden worden door een unfair gedrag dat niet door een of andere wet verboden is, doch eveneens worden miskend door een inbreuk op wettelijke en / of bestuursrechtelijke bepalingen ongeacht de strekking ervan, die al dan niet in de WHPC opgenomen zijn ( P.De Vroede en H.De Wulf, Overzicht van Rechtspraak, Algemeen Handelsrecht en Handelspraktijken 1998-2002, T.P.R., 2005, blz. 214, nr. 193 en aldaar geciteerde rechtspraak). B. De appellanten houden voor dat de geïntimeerde door haar optreden de wettelijke bevoegdheid in het kader van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijke welzijn (de "OCMW-wet") heeft overschreden. Binnen haar taak tot dienstverlening aan personen en gezinnen (art. 1 en 57 § 1 OCMW-wet), vermag het OCMW op discretionaire wijze te oordelen over welke middelen het zal aanwenden. Hierbij heeft de rechter slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. Het hof is evenwel van oordeel dat de organisatie van de verzameling van bestellingen voor en over alle inwoners van Kluisbergen, van stookolie, tot het groeperen ervan, om aan de hand hiervan te zoeken naar de leverancier die de laagste prijs kan aanbieden, op een kennelijke wijze de wettelijk omschreven opdracht van het OCMW overschrijdt. Art. 57 § 1 van de OCMW-wet bepaalt: " Onverminderd het bepaalde in artikel 57 ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Het bevordert de maatschappelijke participatie van de gebruikers. Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. " Deze bijstandsplicht dient in het licht te worden gesteld van de algemene opdracht van het OCMW zoals omschreven in art. 1 van de OCMW-wet: " Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren. " (onderstreept door het hof) De menselijke waardigheid is het subjectief recht dat de toetssteen is voor de wettelijke opdracht van het OCMW (zie omtrent een en ander: J.Van Beneden en M.Van Damme, Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, A.P.R., uitg. 1986, blz. 156-157, nr. 431 en de aldaar geciteerde rechtspraak van de Raad van State). Het zonder enige restrictie of welkdanige controle voor eenieder van de gemeente Kluisbergen open stellen én organiseren van een systeem waarbij de mogelijkheid wordt geboden om deel te nemen aan een collectief aankoopsysteem, beantwoordt op verre na niet aan datgene waarvoor het OCMW in eerste orde moet instaan, met name "eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid ". Gelukkig leiden de meeste mensen in onze maatschappij nog altijd een leven dat materieel gezien - stookolieprijzen hebben uitsluitend betrekking op materiële beslommeringen - voldoende hoog is om te beantwoorden aan de menselijke waardigheid. Waar het OCMW zich richt - tot elke inwoner van de gemeente, - waarbij het OCMW nooit (noch vooraf, noch achteraf) overgaat tot nader individueel onderzoek naar de noodzaak voor enige persoonlijke materiële bijstand om - gezamenlijk als koper op te treden in de stookoliemarkt, dus tot een groep, waarvan met meer dan voldoende zekerheid naar recht, het grootste gedeelte aan het bekomen van de laagste stookolieprijzen geen enkele nood heeft om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, treedt het OCMW tot ver buiten de grenzen van wat haar wettelijke opdracht is. In die zin pleegt de geïntimeerde een overtreding zoals door art. 94 / 3 WHPC beteugeld. C. De geïntimeerde diende bij haar optreden de beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Het blijkt dat de geïntimeerde partij een beperkt aantal stookolie-leveranciers van de regio, persoonlijk heeft gecontacteerd en niet is overgegaan tot het publiek openstellen tot mogelijke inschrijving door elke mogelijke stookolieleverancier die het wenste, ook niet voor een beperkte regio. Terecht werpen de appellanten op dat hierbij het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Ten onrechte werpt de geïntimeerde op dat de appellanten zelf toegegeven hebben dat zij individueel niet over de vereiste middelen beschikten. Daargelaten de overweging dat de appellanten misschien wél in staat waren om samen op te treden, verliest de geïntimeerde uit het oog dat ze hoe dan ook op een kennelijke wijze het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door slechts een beperkt aantal firma's te (laten) contacteren en door hiermee, ongeacht of dit in werkelijkheid ook zo was, een hele reeks anderen uit te sluiten van welke soort inschrijving dan ook, collectief dan wel individu-eel. Mede door het in het systeem opnemen van een zeer groot aantal personen die geen enkele materiële steun van het OCMW behoeven, komt men tot een - voorspelbaar - compleet bederven van de gewone markt van de stookolieleveranciers. Een enorme hoeveelheid van te leveren stookolie wordt "afgeleid" naar één grote leverancier, terwijl de overige stookolieleveranciers, waaronder de appellanten met hun eigen beroepsbelangen, mogen toekijken. Ook door de kennelijke schending van het gelijkheidsbeginsel waaraan het OCMW als overheidsinstelling zich moet houden, is er sprake van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van art. 94/3 WHPC. D. Voor zoveel als nodig zij er aangemerkt dat de appellanten die alle in de streek van Kluisbergen hun zetel hebben - de afstand is overigens ten deze nauwelijks van praktisch belang - een onbetwistbaar belang hebben bij een en ander. Hun optreden maakt geenszins een misbruik uit. Waar de concurrenten van de stookolieleverancier (CV Het Volk, met zetel te 9000 Gent) die uiteindelijk dé globale bestelling heeft mogen ontvangen, moeten vaststellen dat de koopverkopen tussen die stookolieleverancier en de diverse consumenten op een onwettelijke manier zijn tot stand gekomen, dan hebben zij het wettige en wettelijke belang om hiertegen op te komen. Overigens, het is niet nodig dat er een concrete schade door hen wordt bewezen (cf. Cass. 28 november 1977, J.L.M.B., 1998, 580). E. Conclusie Het hof stelt een overtreding van art. 94/3 WHPC vast, gepleegd door de geïntimeerde in augustus - september 2008, - waar de geïntimeerde op een algemene wijze, zonder enige controle naar de materiële behoeftigheid van de concrete besteller, zich gericht heeft tot elke inwoner van Kluisbergen binnen het kader van de organisatie van een gezamenlijke aankoop van stookolie én - waar de geïntimeerde de deelneming aan de gezamenlijke koopverkoop niet op een openbare wijze heeft mogelijk gemaakt minstens voor elke stookolieleverancier binnen een vooraf vastgelegde regio. Het hof verbiedt deze oneerlijke handelspraktijk. Waar de geïntimeerde een overheidsinstelling is, kan het hof zich niet voorstellen dat de geïntimeerde slechts onder verbeurte van een dwangsom dergelijk verbod zal nakomen. Er wordt geen dwangsom opgelegd. V. De gerechtskosten Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt de geïntimeerde veroordeeld tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt; Vernietigt het bestreden vonnis in de mate het is bestreden; Desbetreffend opnieuw recht doende: Verklaart de vordering van de appellanten ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt: Stelt in hoofde van de geïntimeerde een overtreding vast in de zin van art. 94/3 van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de Han-delspraktijken, de Voorlichting en Bescherming van de Consu-ment; Leggen aan de geïntimeerde verbod op om nog op een algemene wijze, zonder enige controle naar de materiële behoeftigheid van de concrete besteller, zich nog te richten tot elke inwoner van Kluisbergen binnen het kader van de organisatie van een gezamenlijke aankoop van stookolie én om de deelneming aan de gezamenlijke koopverkoop niet op een openbare wijze mogelijk te maken minstens voor elke stookolieleverancier binnen een vooraf bepaalde regio. Veroordeelt de geïntimeerde partij tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de appellanten op 1.200 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure voor de Voorzitter en 1.200 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag negenentwin-tig maart tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.