id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100330.14 Rolnummer: 2007/AR/1150 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-01 12:33 Fiche Wanneer een schuldeiser ingevolge een uitvoerbare titel beschikt over onherroepelijk vastgestelde rechten tegen de kosteloze persoonlijke zekerheidsteller, kan hieraan geen afbreuk weer worden gedaan door de toepassing van de bepalingen van de gewijzigde Faillissementswet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen Vrije woorden: Uitvoerbare titel - Faillissement - persoonlijke zekerheidsteller - gewijzigde faillissementswet - gedwongen tenuitvoerlegging. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 30 maart 2010 ________ 2007/AR/1150 in de zaak van: H............ ................. wonende te ................................, appellant, hebbende als raadsman mr. HEERMAN Ali, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 34 tegen: ATLAS MAATSCHAPPIJ VOOR LENINGEN & VOORSCHOTTEN NV, met maatschappelijke zetel te 3190 BOORTMEERBEEK, Provinciesteenweg 28, ingeschreven met KBO-nummer 0400.928.615, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN WAEG Pieter , advocaat te 1150 BRUSSEL, Vandenhovenstraat 86 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof neemt kennis van de op 6 maart 2007 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 30 april 2007 ter griffie neergelegd verzoekschrift tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1. Appellant werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde dd.11 mei 2000, bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 8 november 2001, veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 1.481.950 oude Belgische franken (zijnde thans 36.736,58 Euro), meer de conventionele rente van 7,15% per jaar vanaf 01.04.1999 tot de datum der volledige betaling en de kosten. De schuld van appellant heeft betrekking op een door hem aangegane borgstelling jegens de N.V. Drankencentrale Haelter-man, die op 6 juli 1999 in faling werd verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Brussel. Op 15 november 2006 liet geïntimeerde uitvoerend beslag leggen op de roerende goederen in de woonplaats van appellant. Op 28 november 2006 tekende appellant verzet aan tegen dit uitvoerend roerend beslag. Daarbij vroeg hij te horen zeggen voor recht dat de uitvoering onregelmatig, minstens onrechtmatig verder wordt gezet, gezien hij ingevolge de faillissements-wetgeving van rechtswege van zijn schuld werd bevrijd. Tevens vroeg hij de opheffing van het beslag binnen de 24 uur na de betekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waaraan het vonnis als opheffing zal gelden. Het verzet van appellant werd ongegrond verklaard bij de thans bestreden beschikking van 6 maart 2007. 2. Appellant vraagt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en zijn oorspronkelijk verzet gegrond te verklaren. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking in al haar onderdelen en haar akte te verlenen van het feit dat zij afziet van haar incidenteel hoger beroep. II. Beoordeling
- a)wat betreft de gegrondheid van het principaal hoger beroep 3. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of geïntimeerde op regelmatige en rechtmatige wijze is overgegaan tot gedwon-gen tenuitvoerlegging lastens appellant. De appellant meent dat hij van rechtswege van zijn verbintenis is bevrijd nu de geïntimeerde nagelaten heeft om, in het kader van de overgangsbepalingen van de gewijzigde faillissementswet van 20 juli 2005, een bijkomende verklaring in te dienen in het faillissement, met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekerheidssteller, bij gebreke waaraan de persoonlijke zekerheidssteller bevrijd is. Geïntimeerde daarentegen is van oordeel dat deze gewijzigde faillissementswet niet van toepassing is op het geschil nu zij reeds voor de inwerkingtreding van deze wet op 11 mei 2000 een uitvoerbaar vonnis had bekomen tegen appellant, dat werd bevestigd bij arrest van 8 november 2001, waarbij de eiser werd veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van het bedrag van 36.736,58 EUR (1.481.950 BEF), meer interest en kosten. Zij wijst erop dat uitvoerend beslag werd gelegd op basis van deze in kracht van gewijsde getreden uitvoerbare rechterlijke beslissing en dat de toepassing van de gewijzigde faillissements-wet geen afbreuk meer kan doen aan de krachtens het vonnis onherroepelijk vastgestelde rechten waarover zij beschikt tegen de beweerde kosteloze persoonlijke zekerheidssteller. Zelfs mocht de gewijzigde faillissementswet toepassing vinden, dan zou appellant volgens geïntimeerde nog niet op grond van deze wet kunnen stellen dat hij van rechtswege bevrijd is. Appellant heeft immers zelf niet de hiertoe volgens geïntimeerde noodzakelijke verklaring afgelegd en het hof is niet bevoegd te oordelen over de al dan niet bevrijding van appellant. 4. Het Hof dient uitsluitend te onderzoeken of geïntimeerde op regelmatige en rechtmatige wijze beslag heeft gelegd op basis van een uitvoerbare titel, die op het tijdstip van het beslag nog niet aan actualiteit heeft ingeboet ingevolge feiten of gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan sedert de totstandkoming van deze titel. Het Hof is bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering, die uit de titel blijkt, is tenietgegaan na het ontstaan van de titel in welk geval de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn. Bij dit onderzoek mag geen afbreuk worden gedaan aan wat door de bodemrechter is beslist. Er mag niet worden geraakt aan de materieelrechtelijke verhoudingen van de partijen, maar enkel het executiegeschil mag worden beslecht. Meer bepaald rijst in casu de vraag of de inwerkingtreding van de gewijzigde faillissementswet van 20 juli 2005, waarbij de bevrijding werd ingevoerd van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor een gefailleerde rechts- of natuurlijke persoon en de onmiddellijke toepassing van deze wet op de nog niet afgesloten faillissementen, voor gevolg heeft dat het vonnis van 11 mei 2000, bevestigd bij arrest van 8 november 2001, zijn uitvoerbare actualiteit heeft verloren. De gewijzigde faillissementswet van 20 juli 2005 was onmiddellijk van toepassing op faillissementen die nog niet afgesloten zijn, ongeacht de datum van opening van het faillissement. Ingevolge de overgangsbepalingen (art.10,1°) van de gewijzigde faillisementswet moest in nog niet afgesloten faillissementen, door de schuldeisers die genieten van een persoonlijke zeker-heidsstelling, een bijkomende verklaring worden ingediend bij de griffie van de rechtbank van koophandel uiterlijk op maandag 7 november 2005, met vermelding van de naam, de voornaam en het adres van de persoonlijke zekerheidssteller. Bij gebreke aan dergelijke bijkomende verklaring is die zekerheidssteller bevrijd. Daarnaast voorziet artikel 10,2° van diezelfde wet dat ook de natuurlijke persoon zelf, die zich kosteloos zeker stelde voor de gefailleerde, een verklaring indient binnen de vijf maanden na de inwerkingtreding van de wet. Bij gebreke hieraan kan de zekerheidssteller niet worden bevrijd. Appellant stelt dat hij van rechtswege bevrijd is, omdat geïntimeerde heeft nagelaten op grond van artikel 10,1° van de wet van 20 juli 2005 een bijkomende verklaring in te dienen. De omstandigheid dat hij zelf niet de krachtens artikel 10,2° voorziene verklaring heeft ingediend, zou hieraan volgens hem geen afbreuk doen. Het gevolg van deze bevrijding zou zijn dat de uitvoerbare titel zijn actualiteit heeft verloren. 5. Het Hof treedt dit standpunt niet bij, om de eenvoudige reden dat geïntimeerde reeds lang voor de inwerkingtreding van de gewijzigde faillissementswet beschikte over een uitvoerbare titel lastens appellant, die een veroordeling inhoudt van appellant. Aan deze titel wordt geen afbreuk gedaan door de toepassing van de gewijzigde faillissementswet op nog niet afgesloten faillissementen. Op het ogenblik dat de schuldeiser over onherroepelijk vastgestelde rechten beschikt tegen de kosteloze persoonlijke zekerheidssteller, kan hieraan geen afbreuk meer worden gedaan door de toepassing van de gewijzigde faillissementswet. In dat geval kan de schuldeiser middelen van tenuitvoerlegging aanwenden ten laste van de kosteloze persoonlijke zekerheidssteller. Dit is het gevolg van het algemeen beginsel van de niet-terugwerkende kracht van nieuwe wetten, vervat in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek van appellant, dat er in feite op gericht is vast te stellen dat hij ingevolge artikel 10,1° van de gewijzigde faillissementswet van rechtswege van zijn verbintenis is bevrijd, omdat geïntimeerde geen bijkomende verklaring heeft gedaan, en dat hij zelf geen verklaring diende te doen overeenkomstig artikel 10, 2°, ten gevolge waarvan de uitvoerbare titel van geïntimeerde niet langer meer actueel zou zijn, houdt een beoordeling ten gronde in die ingrijpt in de materieelrechtelijke verhoudingen tussen de partijen, waartoe het Hof niet bevoegd is. Uit de hiervoor aangehaalde overgangsbepalingen blijkt dat enkel de rechtbank van koophandel kennis kan nemen van het verzoek van de kosteloze persoonlijke zekerheidssteller tot bevrijding en desgevallend kan ingrijpen in de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen. Geïntimeerde beschikt over onherroepelijk vastgestelde rechten tegen appellant ingevolge de uitvoerbare titel, waarbij laatstge-noemde werd veroordeeld. Aan het gezag en de kracht van gewijsde en de uitvoerbare kracht van deze uitvoerbare titel kan geen afbreuk worden gedaan door de toepassing van de bepalingen van de gewijzigde faillissementswet. Ten overvloede merkt het Hof op dat, nu blijkt dat appellant zelf geen tijdige verklaring heeft ingediend bij de rechtbank van koophandel, is er ook geen aanleiding om de gedwongen tenuitvoerlegging voorlopig te schorsen in afwachting van een uitspraak van de rechtbank van koophandel. Geïntimeerde mocht op 15 november 2006 overgaan tot uitvoerend roerend beslag tegen appellant. Het hoger beroep is ongegrond.
- b)Wat betreft het incidenteel hoger beroep 6. Het Hof verleent akte aan geïntimeerde dat zij afstand doet van het incidenteel hoger beroep, door haar ingesteld bij haar eerste conclusie in hoger beroep, tegen welke afstand appellant zich niet verzet.
- c)wat betreft de kosten 7. Geïntimeerde maakt aanspraak op de maximale rechts-plegingsvergoeding, overeenstemmend met de waarde van het geschil (een schuld van 66.125,84 EUR). Zij stelt dat de wijze waarop appellant zich verweert tegen de gedwongen tenuitvoerlegging door geïntimeerde manifest onredelijk is, aangezien appellant in werkelijkheid niet zozeer de opheffing beoogt van het beslag, maar de gerechtelijke vaststelling door dit hof van het feit dat hij van rechtswege zou zijn bevrijd krachtens een faillissementswetgeving die niet van toepassing kan zijn. In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt, is het Hof van oordeel dat het voorwerp van het geschil niet in geld waardeer-baar is, hetgeen voor gevolg heeft dat de basisvergoeding die verschuldigd is, 1.200,00 EUR bedraagt. Overeenkomstig artikel 1022, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing deze basisvergoeding verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Het was duidelijk de bedoeling van de wetgever om als regel het basisbedrag toe te kennen en slechts uitzonderlijk af te wijken van de basisbedragen. Geïntimeerde heeft een verzoek geformuleerd om het basisbedrag te verhogen tot het maximumbedrag, op grond van het manifest onredelijk karakter van het verweer van appellant. Tussen partijen was een geschil gerezen nopens de toepassing en de mogelijke invloed van een recente wetswijziging inzake faillissementsrecht waarop appellant - ten onrechte - meende een beroep te kunnen doen. Het Hof is van oordeel dat de ongegrondheid van het verzet van appellant en thans van zijn hoger beroep, niet gelijk staat met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, waarvan sprake in artikel 1022 Ger.W.. Het Hof kent de basisvergoeding toe. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het principaal hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond; Verleent akte aan geïntimeerde dat zij afstand doet van haar incidenteel hoger beroep; Bevestigt de bestreden beschikking in al haar onderdelen, zij het op andere gronden; Verwijst appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, aan zijn zijde niet nader te begroten, omdat zij te zijnen laste blijven en aan de zijde van geïntimeerde begroot op: - rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 30 maart 2010 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div