← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100401.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100401.13 Rolnummer: 2006/AR/2548 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-11-03 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-01 12:36 Fiche Dat een ongeval met een motorvoertuig zich heeft voorgedaan op een niet-openbaar terrein, dat slechts voor een beperkt aantal personen toegankelijk is, belet niet dat het een verkeersongeval betreft, in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de vordering, die uit een dergelijk ongeval voortspruit, tot de bevoegdheid behoort van de politierechtbank. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Politierechtbank Vrije woorden: verkeersongeval - bevoegdheid politierechtbank - artikel 601bis Gerechtelijk Wetboek - niet voor het publiek toegankelijke plaats Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 01 april 2010 (o.a. samenvoeging van de zaken 2006/AR/2548 en 2007/AR/1911) (bevoegdheid - art. 643 Ger.W. - verwijzing zaak naar rechtbank eerste aanleg te Gent) 2006/AR/2548 in de zaak van: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 pb 40, ingeschreven met KBO-nummer 0411.702.543, appellante, hebbende als raadsman mr. HOFMANS Frans, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 682 tegen:

  1. AXA BELGIUM N.V., verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE, Vorstlaan 25, ingeschreven met KBO-nummer 0404.483.367, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GEELEN Koen, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131
  2. N. J., wonende te ................................, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. INGELBEEN Pia, advocaat te 8500 KORTRIJK, Wolvendreef 71 en 2007/AR/1911 in de zaak van: N. J., wonende te ................................, appellante, hebbende als raadsman mr. INGELBEEN Pia, voornoemd, tegen:
  3. AXA BELGIUM N.V., verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, ingeschreven met KBO-nummer 0404.483.367, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GEELEN Koen, voornoemd,
  4. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 PB 40, ingeschreven met KBO-nummer 0411.702.543, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. HOFMANS Frans, voornoemd, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschriften respectievelijk neergelegd ter griffie van dit hof op 6 oktober 2006 (2006/AR/2548) en 25 juli 2007 (2007/AR/1911) hebben de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en J. N. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 6 maart 2006, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zestiende kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  5. J. N. (appellante in de zaak 2007/AR/1911) was op 1 juni 2000 aanwezig op een nationale motorcrosswedstrijd, georganiseerd op een weide in Assenede door de FAM-federatie MCB, die haar burgerlijke aansprakelijkheid als organisator had laten verzekeren bij N.V. Axa Belgium (geïntimeerde in de beide zaken). Toen op zeker ogenblik een motorcrosser (S. J.) van zijn motor was gevallen (of gesprongen) en de motor zonder piloot verder reed, kwam deze terecht in het publiek. J. N. werd aangereden en werd gewond in het gezicht en aan de knie. J. werd vervolgd voor de correctionele rechtbank te Gent, die hem bij vonnis van 4 september 2003 vrijsprak van de betichting onopzettelijke slagen en verwondingen te hebben toegebracht aan J. N., nadat de strafrechter had vastgesteld dat hij zich tijdens de wedstrijd had gedragen als een normaal zorgvuldige motorcrosser. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van J. N.
  6. Op 19 december 2003 is J. N. overgegaan tot dagvaarding van de nv Axa Royale Belge, thans Axa Belgium, voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Zij stelde haar verzekerde, als organisator van de sportwedstrijd, aansprakelijk voor het ongeval op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek, omdat zij zou nagelaten hebben de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen teneinde de veiligheid op en rond de omloop te waarborgen en meer in het bijzonder te vermijden dat een motorfiets in het publiek kon terechtkomen. J. N. vorderde de veroordeling van Axa Belgium tot betaling van een provisie van euro 12.500,00 en de aanstelling van een geneesheer-deskundige. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, ziekteverzekeraar van J. N., is bij verzoekschrift neergelegd op 11 april 2005 vrijwillig in het geding tussengekomen. Zij vorderde betaling van een provisie van euro 2.851,
  7. Na te hebben overwogen dat de organisatoren van de motorcross alle normale veiligheidsvoorzieningen hadden getroffen, terwijl J. N. zich had opgesteld in een verboden zone en zich aldus bewust had blootgesteld aan een voorzienbaar gevaar (fout, die de oorzaak is van de door haar opgelopen verwondingen), wijst de eerste rechter de beide vorderingen af als ongegrond.
  8. In hoger beroep (2006/AR/2548) herneemt de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten haar vordering. In essentie haalt zij daartoe aan dat: - de omheining niet de veiligheid en de stevigheid bood die men er mocht van verwachten; - de aanwezige pistecommissarissen zich niet naar behoren van hun taak hebben gekweten; - de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat J. N. zich in een verboden zone bevond en op grond daarvan een fout in haar hoofde heeft weerhouden; - Axa Belgium gehouden is tot vergoeding van de schade van J. N. op grond van artikel 29bis van de Wam-wet.
  9. Ook J. N. herneemt haar initiële vordering (2007/AR/1911). Zij haalt daartoe dezelfde argumenten aan als de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.
  10. Geïntimeerde Axa Belgium besluit in hoofdorde tot de ontoelaatbaarheid van het door appellanten ingesteld hoger beroep, omdat zij beiden zouden berust hebben in het bestreden vonnis. Ondergeschikt besluit zij tot de ongegrondheid van het hoger beroep. In zoverre de vorderingen van appellanten thans gesteund zijn op de Wam-wet, beschouwt zij deze als nieuwe vorderingen, die voor het eerst in hoger beroep worden gesteld en als zodanig niet toelaatbaar zijn. Minstens vraagt zij met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 29bis van de Wam-wet twee prejudiciële vragen te stellen aan het Benelux Gerechtshof. beoordeling
  11. De beide hogere beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis, zodat het noodzakelijk voorkomt de zaken te voegen.
  12. Geïntimeerde Axa Belgium werpt in eerste instantie op dat de hogere beroepen niet ontvankelijk, minstens ontoelaatbaar moeten verklaard worden, aangezien de beide appellanten zouden hebben berust in het bestreden vonnis. Wat J. N. (2007/AR/1911) betreft, verwijst geïntimeerde Axa Belgium naar de omstandigheid dat zij, bij monde van haar advocaat, te kennen heeft gegeven dat zij berustte in het vonnis en dat zij de rechtsplegingsvergoeding, waartoe zij door de eerste rechter werd veroordeeld, voorbehoudloos heeft betaald. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (2006/AR/2548) zou haar standpunt onlosmakelijk hebben verbonden aan het standpunt van haar verzekerde, zodat ook het door haar ingesteld hoger beroep niet toelaatbaar zou zijn. Het hof treedt deze zienswijze niet bij. Berusting in een rechterlijke beslissing kan niet worden afgeleid uit de enkele vaststelling dat de veroordeelde partij de kosten heeft betaald, noch uit brieven van de advocaat van die partij, wanneer deze aan haar raadsman geen bijzondere volmacht had gegeven om in die beslissing te berusten. Derhalve zijn de beide hogere beroepen toelaatbaar.
  13. Ter terechtzitting van 4 februari 2010 heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld naar zijn bevoegdheid ratione materiae. Partijen werden in de gelegenheid gesteld hieromtrent standpunt in te nemen. J. N. is van mening dat nu de problematiek van artikel 29bis van de Wam-wet voor de eerste rechter niet aan bod is gekomen, deze wel degelijk bevoegd was om kennis te nemen van de vordering en dat, ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep, het thans het hof toekomt om te oordelen over de inmiddels uitgebreide discussie. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten vraagt de verzending van de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, omdat de eerste rechter niet bevoegd was en heeft nagelaten ambtshalve zijn bevoegdheid te onderzoeken, minstens de zaak te verwijzen naar de arrondissementsrechtbank. Het standpunt van Axa Belgium is dat het ongeval, dat zich heeft voorgedaan tijdens een motorcrosswedstrijd, niet kan worden gekwalificeerd als een verkeersongeval, zodat artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek niet van toepassing is en de rechtbank van eerste aanleg (en thans het hof van beroep) bevoegd was om kennis te nemen van de vordering.
  14. Vóór elke beoordeling dient het hof ambtshalve zijn bij artikel 602 van het gerechtelijk wetboek bepaalde, materiële bevoegdheid, die ressorteert onder de regels van de rechterlijke organisatie en die van openbare orde is, te onderzoeken. De appelrechter dient, bij toepassing van artikel 643 van het gerechtelijk wetboek, dit onderzoek ook (ambtshalve) te voeren indien het hoger beroep beperkt is tot de gegrondheid van de voor de eerste rechter aanhangig gemaakte vorderingen en de materiële bevoegdheid van de eerste rechter, noch uitdrukkelijk, noch impliciet in hoger beroep wordt bestreden. De appelrechter miskent aldus de relatieve werking van het hoger beroep niet. De bevoegdheid van de appelrechter wordt in beginsel niet bepaald door het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen, maar door de zaak zelf, die krachtens de bepalingen van het gerechtelijk wetboek al dan niet onder de bevoegdheid van de eerste rechter valt, zodat de appelrechter bij de beoordeling van zijn bevoegdheid incidenteel de bevoegdheid van de eerste rechter zal dienen te onderzoeken. Behoort de zaak tot de bevoegdheid van een ander gerecht, dan moet de appelrechter zich, zo nodig ambtshalve, onbevoegd verklaren en de zaak, bij toepassing van artikel 643 van het gerechtelijk wetboek, naar de bevoegde rechter in hoger beroep verwijzen, op voorwaarde uiteraard dat de appelrechter niet de beroepsrechter is van het gerecht dat in eerste aanleg de bevoegde rechter is.
  15. Met uitzondering van de vorderingen die rechtstreeks voor het hof van beroep en voor het hof van cassatie komen, neemt de rechtbank van eerste aanleg, overeenkomstig de bepalingen van artikel 568 van het gerechtelijk wetboek, kennis van alle vorderingen. Deze (voorwaardelijke) volheid van bevoegdheid geldt evenwel niet wanneer de vordering behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank. De politierechtbank is, krachtens artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek, bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is. Het volstaat dat het gevorderde betrekking heeft op schade die uit een verkeersongeval voortspruit. Deze bevoegdheid dient ambtshalve te worden onderzocht.
  16. In de gedinginleidende akte voert J. N. aan dat zij met haar vordering vergoeding beoogt van de schade die zij heeft geleden toen zij op 1 juni 2000 het slachtoffer was van een ongeval dat zich heeft voorgedaan tijdens een motorcrosswedstrijd te Assenede. Zij werd aangereden door een motorfiets, waarover de piloot de controle had verloren en die in het publiek was beland. Nu het ongeval zich niet heeft voorgedaan op de openbare weg, maar op een afgesloten circuit (tijdens een sportwedstrijd) kan volgens geïntimeerde Axa Belgium geen sprake zijn van een verkeersongeval, in de zin van artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek, dat enkel zou betrekking hebben op ongevallen die zich voordoen op plaatsen die toegankelijk zijn voor het gewoon wegverkeer. Dat het ongeval waarvan J. N. het slachtoffer was, zich heeft voorgedaan op een niet-openbaar terrein dat enkel toegankelijk was voor een bepaald aantal personen, onder wie de deelnemers en (betalende) toeschouwers, belet evenwel niet dat het een verkeersongeval (in de zin van artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek) betreft en dat de vordering tot schadevergoeding die uit een dergelijk ongeval voortspruit, behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de politierechtbank. Dit geldt zowel op strafgebied als op burgerlijk gebied (Cass. 14 juni 2005, RABG 2006/19, met noot van Stefaan Voet, Politierechtbank bevoegd voor ongevallen tijdens motorsportwedstrijden). Hieruit volgt dat uitsluitend de politierechtbank bevoegd was om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering en dat de rechtbank van eerste aanleg zich ratione materiae onbevoegd diende te verklaren om kennis te nemen van deze vordering. De bevoegdheid van de politierechtbank wordt uitsluitend bepaald door de aard van de vordering zoals deze in de dagvaarding is omschreven. De vraag of de Wam-wet ter zake al dan niet van toepassing is, is daarbij niet relevant. In het kader van de beoordeling van de bevoegdheid spreekt het hof zich trouwens niet uit over de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de uitbreiding in graad van beroep van de door appellanten gestelde vorderingen. Bijgevolg dient de zaak, bij toepassing van artikel 643 van het gerechtelijk wetboek, te worden verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zetelend als appelrechter van de politierechtbank. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Voegt de zaken onder nummers 2006/AR/2548 en 2007/AR/1911 samen. Verklaart de beide hogere beroepen toelaatbaar. Doet het beroepen vonnis teniet in zoverre de eerste rechter zich bevoegd verklaarde. Verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak, bij toepassing van artikel 643 van het gerechtelijk wetboek, naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan om er te zien over statueren door de bevoegde rechter. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, kamervoorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, A. ALLAERT, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op EEN APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.