id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100421.8 Rolnummer: 2008-AR-1633 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-07-02 Raadplegingen: 177 - laatst gezien 2026-07-01 12:41 Fiche Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de KBO, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven, deze vordering onontvankelijk is. Bovendien is, volgens diezelfde bepaling,een vordering ook onontvankelijk wanneer ze niet valt onder het in de KBO ingeschreven maatschappelijk doel. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer zij betrekking heeft op een activiteit, waarvoor de handelaar wel degelijk ingeschreven is in de KBO, maar die niet gedekt wordt door de omschrijving van het statutaire doel zoals opgenomen in de KBO. Het betreft immers twee onderscheiden gronden van niet- ontvankelijkheid. De vaststelling dat de vordering betrekking heeft op een activiteit, vermeld in haar statutair doel, zoals het ingeschreven is in de KBO, doet geen afbreuk aan het feit dat zij onontvankelijk is, omdat de eiser niet ingeschreven is in de KBO voor de activiteit, waarop deze vordering gebaseerd is. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Algemeen Vrije woorden: Ontvankelijkheid van de vordering - Inschrijving in de KBO - activiteit waarvoor de eisende partij niet ingeschreven is in de KBO - Activiteit waarvoor de handelaar ingeschreven is in de KBO, maar die niet gedekt wordt door de omschrijving van het statutaire doel zoals opgenomen in de KBO. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 21 april 2010 TUSSENARREST bijzondere rol - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/1633 van: nv AMANTINE, met zetel te 2880 Bornem, Klein-Mechelen 75, met ondernemingsnr. 0428.086.338, eisende partij op derdenverzet tegen het arrest tussen de partijen V....................E..................en D.................M.............op tegenspraak gewezen door de twaalfde kamer van het Hof van Beroep te Gent op 1-10-2003, hebbende als raadsman mr. CNUDDE Stefaan, advocaat te 1040 Brussel, Louis Schmidtlaan 56 tegen :
- V.................... E................, lyrisch kunstenaar, wonende te ..........................., eerste verweerder op derdenverzet, in het arrest van de twaalfde kamer dd. 1-10-2003 voormeld waartegen derdenverzet, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 28-2-1997, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadslieden mr. BAERT Bram en mr. CRIVITS Rik, beiden advocaat te 8000 Brugge, Ezelstraat 25
- D...............M.............., vertegenwoordiger, wonende te ..............................., tweede verweerder op derdenverzet, in het arrest van de twaalfde kamer dd. 1-10-2003 voormeld waartegen derdenverzet, geïntimeerde, oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. VAN VLAENDEREN Frank, advocaat te 9000 Gent, Krijgslaan 47 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door de nv Amantine (hierna "Amantine" genoemd) en E.......... V..... (hierna "V........... B..............." genoemd) neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van derdenverzet, op 30 mei 2008 betekend aan M...... D.......(hierna "D.......f" genoemd) en op 2 juni 2008 aan V.......B........, heeft A...................... derdenverzet gedaan tegen het arrest dat op 1 oktober 2003 door de twaalfde kamer van dit hof op tegenspraak gewezen werd tussen V....... B........en D................... Antecedenten
- Bij dagvaarding van 13 september 1995 vorderde D.............. te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst van overdracht van 1.195 aandelen van de nv Imeutex (hierna "I.............." genoemd) d.d. 1 januari 1994 nietig was. D............... vorderde de veroordeling van V..................... tot teruggave van de overgedragen aandelen binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 BEF per dag vertraging, en tot de kosten van het geding. D........ zette uiteen dat V...... B......... voorhield dat hij 1.195 aandelen van I....... had gekocht van D......... ingevolge een overeenkomst van 1 januari
- D......... wierp op dat deze overeenkomst niet voldeed aan de voorschriften van artikel 1325 B.W.. Verder stelde hij dat, voor zover een verkoop van aandelen bewezen zou worden geacht, deze nietig was vermits geen prijs was bedongen en hij bovendien betrekking had op andermans goederen, aangezien D.............. slechts eigenaar was van 1.120 aandelen. Uiteindelijk vorderde D.................te zeggen voor recht dat geen overdracht van aandelen had plaats gevonden, minstens dat deze overdracht nietig werd verklaard. Bovendien vroeg hij dat voor recht gezegd werd dat hij eigenaar was van 1.120 aandelen en V......... B.......... van 80 aandelen op
- Ten slotte vorderde D.......... gemachtigd te worden hem 1120 van de 1280 niet ondertekende aandelenbewijzen te laten afgeven door de voorlopig bewindvoerder van I.....................
- V.............B..................argumenteerde dat de zogenaamde overeenkomst van 1 januari 1994 niet meer was dan een verklaring van D...................... Hij benadrukte dat hij in het bezit was gesteld van de litigieuze aandelen. V......................B...........besloot in hoofdorde tot de niet-toelaatbaarheid van de vordering van D................. bij gebrek aan belang en hoedanigheid. In subsidiaire orde achtte hij de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond. Bij tegeneis vorderde hij te horen zeggen voor recht dat hij eigenaar was van 1.200 aandelen op 1.280 van I......... Hij vroeg gemachtigd te worden hem 1200 van de 1280 aandelenbewijzen te laten overhandigen door de voorlopig bewindvoerder. Verder vorderde hij te zeggen voor recht dat de aandelenbewijzen rechtsgeldig waren, ondergeschikt dat de overhandiging en gebeurlijke regularisatie van de aandelenbewijzen diende te geschieden in aanwezigheid van de voorlopig bewindvoerder over I............, aangesteld bij beschikking van 17 oktober 1995, en de bestuurders van de vennootschap. Hij vroeg dat de partijen in kwestie voor zoveel als nodig hiertoe werden veroordeeld.
- Bij vonnis van 28 februari 1997 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van D..........ontvankelijk en gegrond en de tegenvordering van V.............B...............ontvankelijk, doch ongegrond. De rechtbank machtigde D............zich 1.120 aandelen van I............te laten overhandigen door de voorlopig bewindvoerder en veroordeelde V........B............tot de gedingkosten. De rechtbank overwoog dat alle door V...............B................in conclusies opgeworpen argumenten werden ontkracht door zijn eigen verklaring, afgelegd ter terechtzitting. Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 31 januari 1997 vermeldde onder meer: "De verweerder verklaart ter terechtzitting dat er volgens hem geen verkoop is geweest van de aandelen aan hem, dat hij aan eisende partij die aandelen niet heeft betaald."
- V................B.............stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Zoals voor de eerste rechter vroeg hij dat de oorspronkelijke vordering van D.............niet-toelaatbaar, niet-ontvankelijk, minstens ongegrond werd verklaard. Verder vorderde hij dat voor recht werd gezegd dat hij eigenaar was van 1.200 aandelen van I............en vroeg hij machtiging hem deze aandeelbewijzen te laten overhandigen, "deze overigens geldig ondertekend teneinde de waarde der aandelenbewijzen te verzekeren."
- D.............vroeg de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van V.......B.............tot betaling van een schade-vergoeding van 2.478,93 EUR wegens tergend en roekeloos geding.
- In zijn arrest van 1 oktober 2003 vernietigde deze kamer van het hof het aangevochten vonnis. Het wees de oorspronkelijke vordering van D......... af als ongegrond en verklaarde de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond als volgt: het hof zegde voor recht dat V.............B...............eigenaar is van 1.200 aandelen van I..............machtigde V..................B................hem 1.200 van de 1.280 aandelen te laten overhandigen en wees het meer gevorderde af als ongegrond. Ook de vordering wegens tergend en roekeloos geding verklaarde het hof ongegrond. D....................... werd veroordeeld in de kosten van beide instanties. Het hof overwoog dat D.................. in het door hem ondertekende geschrift van 1 januari 1994 verklaarde zijn 1.195 aandelen integraal verkocht te hebben aan V..........B..............en aldus blijkbaar een transactie bevestigde die reeds had plaatsgevonden en reeds volledig was uitgevoerd. Bovendien overhandigde D.............deze verklaring aan V..............B..............en bezat deze de aandelen. Het hof achtte dwaling en bedrog bij het aangaan van deze aandelenoverdracht niet bewezen. Verder stelde het vast dat D..................... de notulen ondertekende van de buitengewone algemene vergadering van 12 april 1994, waarbij de enige twee aandeelhouders met name worden genoemd, doch niet D................... Volgens het hof kon dit slechts worden begrepen als een erkenning van de toestand waarbij V................B.............beschikte over 1.200 aandelen. Het hof voegde eraan toe dat niet meer tegen een contract kon opgekomen worden uit hoofde van geweld, wanneer het sedert het ophouden van het geweld was goedgekeurd. Ten overvloede stelde het vast D............op geen enkel ogenblik het initiatief heeft genomen om de gewraakte handelwijze van V...........B................aan te klagen, dan wel anderszins herstel van hem te eisen, tenzij voor het eerst met dagvaarding meer dan anderhalf jaar later. Het hof besloot dat D............niet aantoonde dat zijn toestemming gebrekkig was en dat hij niet voorhield dat hij niet bekwaam was om contracten aan te gaan of dat de overeenkomst geen bepaald voorwerp had dan wel een ongeoorloofde oorzaak. Het overwoog dat de verklaringen die ter pleitzitting voor de eerste rechter waren gedaan daaraan niets veranderden. Verder betoogde het hof dat het niet vereist was dat een prijs werd betaald om een geldige koop-verkoop tot stand te brengen, doch dat het bestaan van een overeenkomst over de zaak en de prijs volstond. Het hof stelde dat het feit dat D..............geen schenkingsinzicht had, geen wilsgebrek bewees. Aangezien het geschrift van 1 januari 1994 geen wederkerige verbintenissen bevatte, vond artikel 1325 B.W. volgens het hof geen toepassing. Het debat over de geldigheid van de aandelen kon volgens het hof niet gevoerd worden, aangezien de andere aandeelhouders en de vennootschap niet inzake waren. Waar V.........B.............vorderde dat hem 1.200 van de 1.280 aandelen zouden worden overhandigd, kon deze vordering volgens het hof worden toegekend op grond van de gegevens waarvan het kennis had. Uit de gegrondheid van het hoger beroep van V.............B.............leidde het hof de ongegrondheid van de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep af.
- Met een arrest van 17 juni 2005 verwierp het Hof van Cassatie het cassatieberoep van D...............tegen het arrest van 1 oktober
- Derdenverzet
- In haar akte van derdenverzet zet A...............uiteen dat zij op 19 februari 2003 in totaal 1.120 aandelen van I..................heeft gekocht van D............... en dat deze aandelen deel uitmaken van de 1.200 aandelen, waarvan het hof van beroep in het arrest van 1 oktober 2003 geoordeeld heeft dat ze eigendom waren van V.............B............. zodat A.............belang heeft om derdenverzet aan te tekenen tegen dit arrest. A........................vordert uiteindelijk dat het hof het arrest van 1 oktober 2003 vernietigt en, opnieuw recht doende, het hoger beroep van V............B................ontvankelijk, doch ongegrond verklaart, het bestreden vonnis bevestigt in al zijn onderdelen en op derdenverzet voor recht zegt dat A.............sedert 2003 de rechtmatige eigenaar is van de 1.120 aandelen van I.................die D..........................aan haar heeft verkocht. Ten slotte vraagt zij dat V..............B.....................wordt veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen en van het derdenverzet en dat zijn tegenvordering onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard, met veroordeling van hem tot de daaraan verbonden rechtsplegings-vergoeding.
- V..........B..............vraagt dat het derdenverzet van A............niet-toelaatbaar, hetzij onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard en het arrest van 1 oktober 2003 in al zijn onderdelen wordt bevestigd. Op tegeneis vraagt V.............B...............dat het hof A...................beveelt zijn rechten als aandeelhouder van 1.200 aandelen in I....................te respecteren en hem toe te laten tot algemene vergaderingen met deze 1.200 aandelen en alle aan deze aandelen verbonden rechten, waaronder de stemrechten, uit te oefenen, onder verbeurte van een dwangsom van 25.000,00 EUR per inbreuk. Ten slotte vordert V..............B................dat A.............veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
- D..............vraagt dat het hof het derdenverzet ontvankelijk en gegrond verklaart, het arrest van 1 oktober 2003 vernietigt en, opnieuw recht doende, het hoger beroep van V................ B...................ontvankelijk, doch ongegrond verklaart, het bestreden vonnis bevestigt en de tegenvordering van V..............B.............afwijst als ongegrond. Ten slotte vraagt hij dat V.................B.................veroordeeld wordt tot de gedingkosten van beide aanleggen en van het derdenverzet. Beoordeling I.
- Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan derdenverzet doen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen werd door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan (artikel 1122, eerste lid Ger.W.). De toewijzing van het derdenverzet heeft de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg, doch alleen ten aanzien van de derde. De vernietiging geldt enkel ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing (artikel 1130 Ger.W.).
- A................... was niet opgeroepen en is niet tussengekomen in de zaak, waarin dit hof op 1 oktober 2003 een arrest heeft uitgesproken en waartegen zij derdenverzet doet. V..............B...............acht het derdenverzet van A.................niet-toelaatbaar, onder verwijzing naar artikel 1122, lid 2, 2° van het gerechtelijk wetboek, waarin bepaald wordt dat dit rechtsmiddel niet kan worden ingesteld door rechtverkrijgenden onder bijzondere titel, behalve wanneer hun rechtsvoorganger bedrog heeft gepleegd en wanneer zij hun recht hebben verkregen voor de dagtekening van de beslissing. V...........B...............betwist dat de overeenkomst van aandelenoverdracht tussen D...............en A................gesloten werd vóór 1 oktober
- Doch voorafgaand aan deze exceptie en vóór elke andere exceptie of verweer werpt V.............B...............op dat de vordering van A.....................niet ontvankelijk is omdat zij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), voor de activiteiten waarop deze vordering gebaseerd is.
- Het vierde lid van artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een KBO bepaalt dat, wanneer een handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de KBO, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, de vordering van die onderneming onontvankelijk is. Met haar derdenverzet beoogt A.............de vernietiging te bekomen van de uitspraak van dit hof, waarin geoordeeld werd dat niet D..............., maar V...........B...............eigenaar was van de aandelen van I................, die A................van D.......... heeft aangekocht. Bovendien vordert A.............dat het hof voor recht zegt dat zij de rechtmatige eigenaar is van de 1.120 aandelen van I............die D............... aan haar heeft verkocht. De vordering van A.................. in het kader van dit derdenverzet is bijgevolg gebaseerd op het verwerven door haar van aandelen van een andere vennootschap.
- Volgens het uittreksel uit de KBO, afgedrukt op 14 september 2009, dat A............ voorlegt, is zij sedert 1 februari 1986 ingeschreven als handelsonderneming en sinds 1 augustus 1998 als onderneming onderworpen aan btw voor de volgende "BTW-activiteiten" (volgens de op het ogenblik van het instellen van het derdenverzet geldende Nacebel-code versie 2008): "BTW2008 70220 - Overige adviesbureaus op het gebied van de bedrijfsvoering". Volgens het uittreksel uit de KBO, afgedrukt op 30 november 2009, dat V.........B..............voorlegt, heeft A.............twee vestigingseenheden. De eerste vestigingseenheid, te ........................heeft als hoofdactiviteiten "47713 - Detailhandel in baby- en kinderbovenkleding in gespecialiseerde winkels" en "4778801 - Kleinhandel in kinderwagens." Het uittreksel vermeldt geen andere activiteiten. De vestigingseenheid te ............................, heeft als hoofdactiviteiten "68201 - Verhuur en exploitatie van eigen of geleasd residenteel onroerend goed, exclusief sociale woningen", "6902101 - Invullen van aangifteformulieren voor de loon- en inkomstenbelasting voor particulieren en bedrijven" en "73200 - Markt- en opinieonderzoekbureaus." Ook voor deze vestiging zijn geen andere activiteiten vermeld. Het verwerven van aandelen behoort niet tot een van de bovenvermelde activiteiten. Bovendien toont A................... niet aan dat zij was ingeschreven voor het participeren in andere vennootschappen (bv. onder "64.200 - Holdings"). De vordering die A................. stelt in het kader van dit derdenverzet is dan ook onontvankelijk.
- A................. kan niet bijgetreden worden, waar zij voorhoudt dat haar vordering niettemin ontvankelijk is omdat zij volgens haar statuten, die eveneens beschikbaar zijn op de site van de Kruispuntbank van Ondernemingen, onder meer tot doel heeft: "e) de deelname onder welke vorm ook aan de oprichting, uitbreiding, omvorming en kartels van ondernemingen en vennootschappen allerhande, alsmede het verwerven in allerhande ondernemingen van aandelen of rechten in de meest ruime zin, onder meer bij wijze van inbreng, onderschrijving, aankoop of op welke wijze ook, kortom het nemen van participaties onder eender welke vorm in alle bestaande of nog op te richten vennootschappen en ondernemingen". 5.
- Artikel 42 van de gecoördineerde wetten van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister bepaalde dat elke eis, die zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet was ingeschreven bij het instellen van de vordering, onontvankelijk was. Onder de gelding van deze wetten was een vordering, die voortvloeide uit een activiteit die niet was opgenomen in het handelsregister, maar die verenigbaar was met het (wel in het handelsregister vermeld) statutair doel, onontvankelijk (vgl. ANTWERPEN, 20 november 2000, T.B.H. 2002, 105). Deze regel wordt behouden onder de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een KBO. Artikel 14, vierde lid van deze wet bepaalt immers dat, indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de KBO, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven, deze vordering onontvankelijk is. Bovendien is, volgens diezelfde bepaling, een vordering ook onontvankelijk wanneer ze niet valt onder het in de KBO ingeschreven maatschappelijk doel. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer zij betrekking heeft op een activiteit, waarvoor de handelaar wel degelijk ingeschreven is in de KBO, maar die niet gedekt wordt door de omschrijving van het statutaire doel zoals opgenomen in de KBO. Het betreft immers twee onderscheiden gronden van niet-ontvankelijkheid. De vaststelling dat de vordering van A................... betrekking heeft op een activiteit, vermeld in haar statutair doel, zoals het ingeschreven is in de KBO, doet geen afbreuk aan het feit dat zij onontvankelijk is, omdat A..................... niet ingeschreven is in de KBO voor de activiteit, waarop deze vordering gebaseerd is (vgl. DE VROEDE, P. en DE WULF, H., Overzicht van Rechtspraak, Algemeen Handelsrecht en handelspraktijken (1998-2004), T.P.R. 2005, 139, nr. 44; COUSY, H., Wat blijft er nog over van het handelsrecht, in: Themis, nr. 33, p.25). II. Op tegeneis vraagt V...............B................dat het hof A....................beveelt zijn rechten als aandeelhouder van 1.200 aandelen in I.................... te respecteren en hem toe te laten tot algemene vergaderingen met deze 1.200 aandelen en alle aan deze aandelen verbonden rechten, waaronder de stemrechten, uit te oefenen, onder verbeurte van een dwangsom van 25.000,00 EUR per inbreuk. Het hof stelt enerzijds vast dat V..............B..................deze vordering slechts zeer summier behandelt in zijn nochtans zeer uitvoerige conclusies, dat A.................besluit tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid ervan onder verwijzing naar haar argumentatie aangaande het derdenverzet, en dat D....................zich ertoe beperkt om - zonder verdere motivering - te besluiten tot de ongegrondheid van deze tegenvordering. Deze tegenvordering is dan ook niet in staat van wijzen. Het hof verzendt de zaak, wat deze tegenvordering betreft, naar de bijzondere rol, teneinde partijen toe te laten ze in staat te stellen, mede rekening houdend met de beslissing over het derdenverzet. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het derdenverzet onontvankelijk; Verzendt de zaak, wat de tegenvordering van E...............V................B.............betreft, naar de bijzondere rol, teneinde de partijen toe te laten ze verder in staat te stellen; Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen door de 12e kamer van het Hof van Beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit - A. Van de Putte, raadsheer, wn. Voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - M. Baranyai, raadsheer; en uitgesproken door de raadsheer, wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 21-4-2010 bijgestaan door B. De Wilde, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div