← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100426.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100426.9 Rolnummer: 2006-AR-2797 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-13 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-01 12:44 Fiche Een tegenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt geformu-leerd is ontvankelijk als ze verband houdt met een problematiek die in eerste aanleg aan bod is gekomen ( zie tekst) Een beding van eenheid van rekeningen is geldig voor alles wat voor fail-lissement is gebeurd, doch is niet meer toepasselijk na faillissement. De bank kan ook niet met recht voorhouden dat er sprake is van een alge-mene pandclausule (fiduciaire overdracht tot zekerheid) de oplossing zou wellicht anders zijn voor een faillissement na de inwerkingtreding van de wet op de financiële zekerheden (15-12-2004) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Vrije woorden: Tegenvordering in hoger beroep - ontvankelijkheid - Beding van een-heid van rekeningen na faillissement Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer _______________ Terechtzitting van 26 april 2010 _______________ I. In de zaak nr. 2006/AR/2797 van : --------------------------------------------- B.V.B.A. DELEK BELGIUM, (eertijds N.V. TEXACO BELGIUM), met maatschappelijke zetel te 1050 Elsene, Arnaud Fraiteurlaan 25 en met ondernemingsnummer 0406.843.239, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende d.d. 12 november 1998, derde kamer, aldaar bekend onder A.R. nr. A/93/53.

  1. , hebbende als raadsman mr. Georges-Bernard Van Parys, advocaat met kantoor te 1050 Brussel, Waterloosesteenweg 412 F, (referte: 04.47/78554) tegen
  2. N.V. KBC BANK, (voorheen N.V. KREDIETBANK) met maatschappe-lijke zetel te 9000 Gent, Kouterdreef 3 en ingeschreven in het handelsregis-ter te Brussel onder nr. 623.074, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jan Ferlin, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, L. Spilliaertstraat 63, (referte: 14815/JF)
  3. Mr. Dany HOLLEVOET, advocaat met kantoor te 8450 Bredene, Prin-ses Elisabethlaan 57, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van J............. B................., wonende te ..............................., daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende van 21 oktober 1993, tweede geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, (referte: 19931910.08/K) en II. in de zaak nr. 2007/AR/222 van : -------------------------------------------- N.V. KBC BANK, (voorheen N.V. KREDIETBANK), met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Kouterdreef 3 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 623.074, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende d.d. 12 november 1998, derde kamer, aldaar bekend onder A.R. nr. A/93/53.077., hebbende als raadsman mr. Jan Ferlin, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, L. Spilliaertstraat 63, (referte: 14815/JF) tegen
  4. Mr. Dany HOLLEVOET, advocaat met kantoor te 8450 Bredene, Prin-ses Elisabethlaan 57, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van Ja......... B..........., wonende te .....................................daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende van 21 oktober 1993, eerste geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, (referte: 19931910.08/K)
  5. B.V.B.A. DELEK BELGIUM, (eertijds N.V. TEXACO BELGIUM), met maatschappelijke zetel te 1050 Elsene, Arnaud Fraiteurlaan 25 en met on-dernemingsnummer 0406.843.239, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Georges-Bernard Van Parys, advocaat met kantoor te 1050 Brussel, Waterloosesteenweg 412 F, (referte: 04.47/78554) velt het Hof volgend arrest : De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. Gezien de voorafgaande procedure. Gezien meer in het bijzonder het tussenarrest van 22 juni 2009, waarbij - de beide procedures zijn gevoegd - de debatten ambtshalve zijn heropend teneinde de partijen in staat te stellen nader besluiten te nemen nopens de door het hof opge-worpen betwistingen. * Gezien het hoger beroep van de NV Texaco Belgium, thans de NV Delek Belgium, neergelegd op 1 april 1999 tegen het vonnis d.d. 12 november 1998 gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, derde kamer. Gezien het hoger beroep van de NV KBC Bank met verzoekschrift neergelegd op 6 april 1999 tegen hetzelfde vonnis d.d. 12 novem-ber 1998 gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, derde kamer. Mr. D.......H............heeft het bestreden vonnis blijkbaar doen be-tekenen, doch de betekeningsakte als dusdanig wordt niet voorge-legd. De tijdigheid van de hoger beroepen wordt door Mr. D........ H.................... niet betwist. De beide hoofdberoepen zijn tijdig en regelmatig in alle opzichten. Zij zijn ontvankelijk. * Ter pleitzitting van 29 maart 2010 doet Mr. D.H..................... q.q. afstand van de exceptie van niet mededeling van stukken. Waarvan akte. ANTECEDENTEN I. PROCEDURE VOOR DE EERSTE RECHTER A. Met aangifte van schuldvordering neergelegd op 18 november 1993 vordert de NV Kredietbank, thans de NV KBC Bank, de opname in het bevoorrecht passief van het faillissement van de heer J........... B...........(faillissementsvonnis d.d. 21 oktober 1993) voor 4.352.208 BEF te vermeerderen met 2.000.000 BEF aan bankgaranties. Hierbij verwijst de NV Kredietbank naar haar pand op de handels-zaak van de gefailleerde, de heer J.B................. (gevestigd voor drie maal 1.000.000 BEF, ofwel samen 3.000.000 BEF in hoofd-som) alsook naar een pand bestaande uit effecten. Na betwisting door de curator wordt de NV Kredietbank met vonnis d.d. 16 december 1993 van de rechtbank van koophandel te Brug-ge, afdeling Oostende, derde kamer, opgenomen in het gewoon passief te voorlopigen titel voor een bedrag van 1 BEF en dit met het oog op het vervullen van de pleegvormen van het concordaat. Lopende de verdere procedure voor de eerste rechter komt de NV Texaco Belgium vrijwillig tussen in de hoofdprocedure (verzoek-schrift neergelegd op 21 december 1994), voornamelijk tot betwis-ting van het door de NV Kredietbank ingeroepen pand op de han-delszaak. B. De eerste rechter erkent het pand van de NV Kredietbank op de handelszaak en beveelt de opname van de NV Kredietbank in het bevoorrecht passief van het faillissement voor 4.327.233 BEF ofwel 107.269,31 EUR (= 5.200.225 BEF - 870.088 BEF (bedrag dat nà faillissementsdatum door mevrouw F.G.............. was afgenomen van de bankrekening van de gefailleerde) - 2.904 BEF ("herleiding vast voorschot")). De eerste rechter overweegt voorts dat de curator aanspraak kan maken op de toekenning van een tegenvordering "dewelke hij evenwel tot op heden naliet te begroten" en hij verzendt de zaak "dienaangaand" naar de bijzondere rol. II. PROCEDURE HOGER BEROEP - VOORAFGAAND AAN HET TUSSENARREST VAN 22 JUNI 2009 A. De NV Texaco Belgium, thans de NV Delek Belgium, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en verder dat voor recht wordt gezegd dat de NV Kredietbank, thans de NV KBC Bank, zich niet kan beroepen op het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser op de handelszaak. De NV KBC Bank formuleert een tussenvordering tot veroordeling van de NV Delek Belgium tot het vrijwaren van haar voor alle be-dragen die zouden worden afgetrokken van de schuldvordering van de NV KBC Bank (128.910,21 EUR) en voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld ten opzichte van de curator van het fail-lissement van J.B.............. Omtrent deze tussenvordering vordert de NV Delek Belgium dat zij als onontvankelijk, minstens als ongegrond zou worden afgewezen. B. De NV KBC Bank, die oorspronkelijk vasthield aan haar pand op de handelszaak, vordert aan het hof met haar laatste besluiten (neer-gelegd op 9 maart 2009) het bestreden vonnis teniet te doen en op-nieuw wijzende, " - akte te nemen dat concluante niet langer volhardt nopens het bevoorrecht karakter van haar schuldvordering; - de vordering van concluante op te nemen in het gewoon passief voor een bedrag van 128.910,21 EUR ". Nopens de tegenvordering van de curator, Mr. D.H................q.q., vraagt de NV KBC Bank dat deze zou worden afgewezen als on-ontvankelijk, minstens ongegrond. Tenslotte formuleert de NV KBC Bank in graad van hoger beroep een tussenvordering tot veroordeling van de NV Delek Belgium tot haar vrijwaring voor " - alle bedragen die zouden worden afgetrokken van de vordering van concluante t.b.v. 128.910,21 euro - hetzij alle bedragen waartoe concluante zou veroordeeld wor-den ingevolge het toekennen van de tegenvordering van geïnti-meerde q.q. ". C. Mr. D.H...................., de curator over het faillissement van de heer J......... B.................. vraagt dat voor recht zou worden ge-zegd dat het hoger beroep van de NV Delek Belgium zonder voor-werp is geworden. Ten opzichte van de NV KBC Bank vraagt de curator dat het hoger beroep als ongegrond zou worden afgewezen. Met incidenteel hoger beroep vordert hij dat de NV KBC Bank defi-nitief zou worden opgenomen in het gewoon passief van het faillis-sement voor 125.697,44 EUR . Tenslotte vraagt hij de terugverwijzing naar de zaak naar de eerste rechter, "zoniet akte te nemen van de tegenvordering " tot veroorde-ling van de NV KBC Bank tot betaling van 39.997,05 EUR, meer de vergoedende intresten vanaf 21 oktober 1993 en de gerechtelijke intresten. III. TUSSENARREST VAN 22 JUNI 2009 A. In zijn tussenarrest van 22 juni 2009 overweegt het hof vooreerst dat er ten gevolge van de devolutieve kracht van het hoger beroep geen enkele aanleiding is tot het terugverwijzen van wat dan ook naar de eerste rechter. Verder stelt het hof vast dat er voor de eerste rechter geen enkele sprake was van een tegenvordering vanwege de curator, zelfs niet ergens gesuggereerd in enige conclusie uitgaande van de curator, zodat er voor de eerste rechter geen reden was om de onbestaande tegenvordering naar de rol te verwijzen. B. Het hof stelt voorts vast dat - de NV KBC Bank lopende de beroepsprocedure haar standpunt totaal gewijzigd heeft m.b.t. het al dan niet bestaan van een pand in haar voordeel, nl. een pand op de handelszaak van de gefailleerde; - deze wijziging voor de curator de aanleiding geweest om een te-genvordering ten laste van de NV KBC Bank te formuleren alsook een bijkomende tegenvordering m.b.t. de gelden die door mevrouw F.G............. van de bankrekening nr. 477-7282531-36 zijn afge-nomen nà de faillietverklaring van haar echtgenoot J.B.............. Het hof leest dat de NV KBC Bank opwerpt dat de tegenvordering van de curator ontoelaatbaar zou zijn, doch zich hiertoe ook be-perkt, zonder ook maar enig verweer ten gronde te voeren, noch in het algemeen noch in het bijzonder. Het hof vraagt in het voormelde tussenarrest dat de NV KBC Bank over élk onderdeel van de tegenvordering van de curator aangeeft of en, in voorkomend geval, waarom zij betwisting voert. IV. VORDERINGEN EN STANDPUNTEN NA HET TUSSENARREST VAN 22 JUNI 2009 A. In haar laatste besluiten vraagt de NV KBC Bank de vernietiging van het bestreden vonnis en dat - akte zou worden genomen dat zij "niet langer volhardt nopens het bevoorrecht karakter van haar schuldvordering" - zij zou worden opgenomen in het gewoon passief voor het bedrag van 4.327.233 BEF of thans 108.180,82 EUR. Omtrent de tegenvordering van de curator vraagt de NV KBC Bank de afwijzing ervan als onontvankelijk, minstens als ongegrond. Tenslotte vordert de NV KBC Bank dat de BVBA Delek Belgium haar zou vrijwaren voor - alle bedragen die zouden worden afgetrokken van haar vordering ten bedrage van 128.910,21 EUR - " hetzij alle bedragen waartoe [de NV KBC Bank] zou veroordeeld worden ingevolge het toekennen van de tegenvordering van de [de curator] ". B. De curator over het faillissement van de heer J......... B................., Mr. D....... H................. q.q. formuleert een tegen-vordering ten laste van de NV KBC Bank tot veroordeling van de laatstgenoemde tot betaling van 34.789,43 EUR, meer de ‘vergoe-dende' intresten vanaf 21 oktober 1993 en de gerechtelijke intres-ten. C. De BVBA Delek Belgium, eertijds de NV Texaco Belgium, vraagt de vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof voor recht zou zeggen dat de NV KBC Bank zich niet kan beroepen op het voor-recht van de pandhoudende schuldeiser op de handelszaak én dat haar voorrecht zou beperkt worden tot het door haar ingeroepen ef-fectenpand, "zo daar grond toe bestaat", en haar vordering voor het overige slechts op te nemen in het gewoon passief, "zo daar grond toe bestaat". Tenslotte vraagt de BVBA Delek Belgium de vordering in vrijwaring die "voor het eerst in tweede beroepsbesluiten" door de NV KBC Bank werd geformuleerd, af te wijzen als "ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk, in elk geval ongegrond". BEOORDELING DE RELATIE TUSSEN DE CURATOR EN DE NV KBC BANK I. De NV KBC Bank heeft haar vordering in de mate zij er oorspronke-lijk op gericht was een beroep te doen op het voorrecht van de pandhouder op de handelszaak, lopende het geding in hoger be-roep gewijzigd. Aldus vraagt zij dat akte zou worden verleend dat zij niet langer vol-hardt nopens het bevoorrecht karakter van haar schuldvordering. Deze wijziging van haar vordering heeft aanleiding gegeven tot een tegenvordering van de curator. De curator vordert de veroordeling van de NV KBC Bank tot beta-ling van 34.789,43 EUR in hoofdsom. Dit bedrag van 34.789,43 EUR ofwel 1.403.402 BEF, is samenge-steld als volgt: - 21.568,92 EUR (= 870.088 BEF), zijnde het bedrag dat mevrouw F.Ganne heeft afgehaald van de bankrekening van J. B.............. nà diens faillietverklaring - 304,93 EUR (= 12.301 BEF), zijnde het positief saldo van de bankrekening 477-7255989-72 ten tijde van de faillietverklaring, welk bedrag werd gecompenseerd door de NV KBC Bank met de openstaande schulden van de gefailleerde J.B............. - 3,05 EUR (= 123 BEF), zijnde het positief saldo van de bankreke-ning 477-7255981-64 ten tijde van de faillietverklaring, welk bedrag werd gecompenseerd door de NV KBC Bank met de openstaande schulden van de gefailleerde J.B............. - 4.380,13 EUR (= 176.694 BEF), zijnde het bedrag dat de NV KBC Bank na faillissement heeft ontvangen van klanten van de gefail-leerde J.B............... - 2.726,83 EUR (= 110.000 BEF) en 5.805,57 EUR (= 234.196 BEF), zijnde positieve saldi van respectievelijk rek. nr. 477-7282539-44 en rek. nr. 477-7255980-63, welke bedragen werden gecompenseerd door de NV KBC Bank met de openstaande schul-den van de gefailleerde J.B............. De tegenvordering is door de curator pas in de loop van de hoger beroepsprocedure geformuleerd geworden. II. De NV KBC Bank Bank betwist de toelaatbaarheid / ontvankelijk-heid van de tegenvordering van de curator, voornamelijk verwijzend naar de vaststelling dat de tegenvordering door de curator pas in graad van hoger beroep is geformuleerd. Voorts betwist de NV KBC Bank dat de curator het vereiste belang zou hebben (art. 17 Ger.W.). A. De toelaatbaarheidsvereisten voor een voor de eerste maal in graad van hoger beroep geformuleerde tegenvordering maken het voor-werp uit van menige al dan niet academische discussie (zie o.m. P.T............., "De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst" in "Goed procesrecht - Goed procederen", XXIXste Postuniversitai-re Cyclus W........... D............., 2002-2003, blz. 277 e.v., nr. 28 e.v.). In alle geval is een voor het eerst in hoger beroep geformuleerde tegenvordering in beginsel ontvankelijk (art. 807 juncto 1042 Ger.W.). De ‘boodschap' is echter ook dat er in hoger beroep geen volslagen nieuwe tegeneisen worden geformuleerd. De betrokken partijen mogen in hoger beroep niet geconfronteerd worden met een pro-blematiek die noch van ver noch van nabij iets te maken heeft met wat in eerste aanleg aan bod is gekomen (zie P.T........, "De tegen-vordering en de vordering tot tussenkomst" in "Goed procesrecht - Goed procederen", XXIXste Postuniversitaire Cyclus W........ D.........., 2002-2003, blz. 281-282, nr. 31 die verwijst naar K.B............., "Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding", 1995, blz. 298, nr. 656). Alhier is de tegenvordering van de curator volkomen te plaatsen binnen de problematiek van de afrekening tussen enerzijds de mas-sa en anderzijds de NV KBC Bank. De kwestie is aanhangig gemaakt door de concreet cijfermatige aanspraken die de NV KBC Bank heeft neergelegd in haar aangifte van schuldvordering van 18 november
  6. De tegenvordering van de curator is volkomen binnen dit kader te plaatsen en is bovendien in zeer grote mate ook veroorzaakt ge-worden door de ‘ommekeer' van de NV KBC Bank in hoger beroep, die niet langer meer aandringt op het door haar aanvankelijk voor-gehouden bijzonder voorrecht op de handelszaak. De NV KBC Bank kan zich bezwaarlijk als verrast beschouwen door de tegenvordering van de curator. De rechten van verdediging zijn in haren hoofde geenszins aangetast. Hoewel pas in hoger beroep geformuleerd, is de tegenvordering van de curator dan ook ontvankelijk. B. De NV KBC Bank kan voorts hoegenaamd niet gevolgd worden waar zij voorhoudt dat de tegenvordering van de curator zou moe-ten afgewezen worden wegens gebrek aan het wettelijke belang (art. 17 Ger.W.). Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis in-stelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (L........., J., B......, K. en S............, D., Handboek gerech-telijk recht, nr. 131, p. 84). In zijn hoedanigheid van curator vermag Mr. D.H........... bij het in-stellen van zijn tegenvordering tot betaling ongetwijfeld materieel voordeel voor de massa verwachten. Of hij q.q. daadwerkelijk aan-spraak kan maken op de gevorderde betaling betreft niet de toe-laatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de ge-grondheid ervan. De procespartij, die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht be-twist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjec-tief recht dat door Mr. D.H......... q.q. wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. Cass. 16 november 2007, R.W., 2009-2010, 532; Cass. 26 februari 2004, R.W., 2006-2007, 133). Mr. D.H.................. q.q. beschikt over het wettelijke belang. Zijn tegenvordering is ook in dit opzicht volkomen ontvankelijk. III. A. VOORAF Het is aangewezen in eerste orde de tegenvordering van de curator te behandelen. Het resultaat ervan heeft immers zijn gebeurlijke gevolgen op de bedragen waarvoor de NV KBC Bank in het passief van het faillis-sement moet worden opgenomen. In dit verband zij er op gewezen dat de curator inderdaad de opna-me van de NV KBC Bank in het gewoon passief vraagt voor een hoger bedrag dan de NV KBC Bank zelf vordert. Een en ander houdt verband met de mate waarin de aanspraken van de curator q.q. zouden worden toegekend. B. a. De problematiek van mogelijke compensatie van de saldi van de di-verse bankrekeningen van J.B................... bij de NV KBC Bank, komt bij de concrete aanspraken van de curator enkele malen voor. Onder art. 3 van de „Kredietregeling van toepassing bij de Krediet-bank NV", tevens ondertekend voor "gelezen en goedgekeurd" door J.B............ (zie stuk nr. 15, dossier NV KBC Bank) is er een be-ding van eenheid van rekening opgenomen. Hiermee bedingt de NV KBC Bank dat de credit- en debetsaldi van de diverse rekeningen, ongeacht hun rechtskarakter, mekaar voort-durend compenseren. Dit beding was en is geldig (zie E.D.......... en R.D..... C.............., "Zekerheidsrechten" in deel XII van "Beginselen van Belgisch Pri-vaatrecht", uitg. 2006, nr. 560, blz. 387 en 388). Het is tegenwerpbaar aan de curator. Nà faillissement verschaft dit beding van eenheid van rekening ech-ter geen vrijgeleide voor de bank om de bedragen die alsdan nog op de rekening komen voor zich te nemen en te onderwerpen aan de voortdurende compensatie met de schuldvordering die de bank ten aanzien van de gefailleerde heeft. Het beding van eenheid van rekening maakt immers geen voorrecht uit. Op faillissementsdatum worden zowel het actief als het passief ‘ge-kristalliseerd"; Vanaf faillissementsdatum komen de inkomsten het actief van de massa toe. b. Waar de NV KBC Bank anderzijds beroep wil doen op de clausule die zij bestempelt als de "algemene pandclausule" zoals neergelegd in art. 16 van de reeds voormelde „Kredietregeling van toepassing bij de Kredietbank NV", om hiermee aanspraak te maken op de sommen die zij nà faillissement heeft ontvangen om deze op hun beurt te compenseren met haar schuldvordering, kan zij niet ge-volgd worden. De NV KBC Bank doet blijkbaar beroep op de derde alinea van art. 16 van haar " Kredietregeling ": " Bovendien dragen de kredietnemers al hun schuldvorderingen op derden over aan de Bank tot meerdere zekerheid van hun verbinte-nissen, en machtigen haar alle betekeningen te doen tot vrijwaring van al haar rechten. " Vooreerst zij er opgemerkt dat de Wet op de Financiële zekerheden van 15 december 2004 een andere ‘oplossing' zou kunnen aanrei-ken, doch deze Wet is alhier niet van toepassing. Het faillissement dateert immers van
  7. De NV KBC Bank beroept zich op een fiduciaire overdracht tot ze-kerheid. Onder het alhier toepasselijke recht, geldt het principe dat aan der-gelijke vorm van eigendomsoverdracht geen externe werking kan worden verleend. De partijen kunnen dergelijke fiduciaire overdracht wel bewerkstelligen, maar die overdracht kan geen uitwerking meer krijgen eens er een situatie van samenloop is ontstaan. Het gelijkheidsbeginsel en art. 7 en 8 van de Hypotheekwet verhin-deren dat een niet door de wet bepaald zakelijk zekerheidsrecht zou in het leven worden geroepen (zie E.D...... en R.D...... C........., "Zekerheidsrechten" in deel XII van "Beginselen van Belgisch Pri-vaatrecht", uitgave 2006, nr. 619, blz. 434-435). De sommen die vanaf de faillissementsdatum op de rekeningen van J.B......................... zijn gestort en die afkomstig zijn van klanten, komen dan ook de massa toe. De NV KBC Bank mag ze niet voor zich houden. C. De concrete aanspraken van Mr. D.H...................... q.q. a. 21.568,92 EUR (= 870.088 BEF), zijnde het bedrag dat mevrouw F.G........... heeft afgehaald van de bankrekening van J. B................. nà diens faillietverklaring Uit stuk nr. 6 zoals voorgelegd door de NV JBC Bank blijkt dat me-vrouw F.G......... van de rekening van haar echtgenoot, dhr. J.B.............., de volgende bedragen heeft afgenomen: - op 5 november 1993: 850.000 BEF (= 21.070,95 EUR) - op 24 november 1993: 19.700 BEF (= 488,35 EUR). J.B................ was reeds op 21 oktober 1993 in staat van faillis-sement verklaard. De NV KBC Bank erkent: "Dit had niet mogen gebeuren" (zie beslui-ten neergelegd op 31 december 2009, blz. 3, in fine). Zij besluit hieruit dat zij haar vordering tot opname in het passief van het faillissement inderdaad moet verminderen met dat bedrag. Mocht de fout niet zijn begaan door de NV KBC Bank, dan zou dit totaalbedrag van 869.700 BEF ( = 21.559,30 EUR) op de rekening nr. 477-7282531-36 zijn blijven staan en zou de NV KBC Bank dit bedrag terecht hebben mogen compenseren met haar schuldvorde-ring die veel hoger was dan de 21.559,30 EUR en dit krachtens het beding van eenheid van rekening - waarvan hierboven onder A.a. de geldigheid is erkend - . Hieruit volgt dat de curator geen aanspraak mag maken op de beta-ling van voormeld bedrag van 21.559,30 EUR. b. 304,93 EUR (= 12.301 BEF), zijnde het positief saldo van de bank-rekening 477-7255989-72 ten tijde van de faillietverklaring, welk be-drag werd gecompenseerd door de NV KBC Bank met de open-staande schulden van de gefailleerde J.B.............. Uit wat hierboven onder B.a. is overwogen, volgt dat dit bedrag te-recht is gecompenseerd met de schuldvordering van de NV KBC Bank. c. 3,05 EUR (= 123 BEF), zijnde het positief saldo van de bankreke-ning 477-7255981-64 ten tijde van de faillietverklaring, welk bedrag werd gecompenseerd door de NV KBC Bank met de openstaande schulden van de gefailleerde J.B.................. Uit wat hierboven onder B.a. is overwogen, volgt dat dit bedrag te-recht is gecompenseerd met de schuldvordering van de NV KBC Bank. d. 4.380,13 EUR (= 176.694 BEF), zijnde het bedrag dat de NV KBC Bank nà het faillissement heeft ontvangen van klanten van de ge-failleerde J.B............ Uit wat hierboven onder B.b is overwogen, volgt dat de curator q.q. terecht dit bedrag vordert. De keerzijde van de medaille is dat de NV KBC Bank voor dit be-drag opname kan vorderen in het passief van het faillissement (zie hierboven onder A.). e. 2.726,83 EUR (= 110.000 BEF) en 5.805,57 EUR (= 234.196 BEF), zijnde positieve saldi van respectievelijk rek. nr. 477-7282539-44 en rek. nr. 477-7255980-63, welke bedragen werden gecompenseerd door de NV KBC Bank met de openstaande schulden van de gefail-leerde J.B........... Uit wat hierboven onder B.a is overwogen, volgt dat dit bedrag te-recht is gecompenseerd met de schuldvordering van de NV KBC Bank. C. De conclusie is dat Mr. D.H............. q.q. aanspraak kan maken op de betaling door de NV KBC Bank van 4.380,13 EUR, meer de ge-rechtelijke intresten vanaf 26 september
  8. Het meerdere dat hij bij tegenvordering eist, is ongegrond. IV. De eerste rechter heeft de opname van de NV KBC Bank bevolen voor 4.327.233 BEF of 108.180,82 EUR (lees:107.269,31 EUR) in het bevoorrecht passief. De NV KBC Bank vraagt niet langer het bevoorrecht karakter en is het eens met de opname in het gewoon passief. Uit de veroordeling van de NV KBC Bank tot betaling van de hoofd-som van 4.380,13 EUR volgt, dat dit bedrag van 107.269,31 EUR met 4.380,13 EUR verhoogd moet worden tot 111.649,44 EUR. DE RELATIE TUSSEN DE NV KBC BANK EN DE BVBA DELEK BELGIUM I. De BVBA Delek Belgium, eertijds de NV Texaco Belgium, was reeds betrokken als vrijwillig tussenkomende partij in de procedure voor de eerste rechter. Ten onrechte werpt de BVBA Delek Belgium op dat de tussenvorde-ring tot vrijwaring onontvankelijk zou zijn met toepassing van art. 812, tweede lid Ger.W. dat bepaalt dat tussenkomst tot het verkrij-gen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep. Immers, de NV KBC Bank heeft de BVBA Delek Belgium niet in tus-senkomst gedagvaard. De BVBA Delek Belgium was immers al in zake voor de eerste rechter en is in hoger beroep dan ook niet voor de eerste maal in het geding betrokken. II. De opwerping van de BVBA Delek Belgium dat de NV KBC Bank niet over de vereiste hoedanigheid noch dito belang zou beschik-ken, kan evenmin gevolgd worden. Wat de BVBA Delek Belgium opwerpt, raakt de gegrondheid en niet de ontvankelijkheid. De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dat recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjec-tief recht dat door de NV KBC Bank wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering. (zie o.m. Cass., 26.2.2004, RABG, 2004, nr. 10, blz. 612) III. A. a. De NV KBC Bank houdt vooreerst voor dat de BVBA Delek Belgium die in november 1993 de handelszaak (die gebruikt werd door de gefailleerde J.B...............) heeft verkocht aan de echtgenote van de gefailleerde, mevrouw F.G............., geld heeft ontvangen waarvan de BVBA Delek Belgium moest weten dat deze "buiten het kader van de (normale) afwikkeling van de insolventieprocedure " was bekomen (zie besluiten voor de NV KBC Bank, neergelegd op 31 december 2009, blz. 8, onderaan). De NV KBC Bank stoelt haar vordering op art. 1377 BW, meer be-paald de onverschuldigde betaling. b. De NV KBC Bank verliest uit het oog dat er in hoofde van de BVBA Delek Belgium onmogelijk sprake kan zijn van een onverschuldigde betaling. De BVBA Delek Belgium heeft geen betaling ontvangen van de NV KBC Bank, doch wél van mevrouw F.G.......... Dit geld heeft de BVBA Delek Belgium anderzijds ontvangen op ba-sis van een koopverkoopovereenkomst tussen de BVBA Delek Bel-gium en mevrouw F.G............... Met die koopverkoopovereen-komst had de NV KBC Bank hoegenaamd niets te maken. Dat de BVBA Delek Belgium kennis had van de herkomst van de gelden die mevrouw F.G............ heeft aangewend voor de aan-koop van de handelszaak, is hoegenaamd niet bewezen. Kwade trouw wordt voor het overige niet vermoed. De NV KBC Bank heeft een fout begaan door de afname van geld van de bankrekening van J.B................. door diens echtgenote toe te staan, terwijl J.B................ al een tiental dagen failliet was. Met een en ander had de BVBA Delek Belgium niets te maken. Indien de NV KBC Bank hierdoor schade heeft geleden, dan is dit alleszins niet te wijten aan de BVBA Delek Belgium. c. In de mate de NV KBC Bank zich op voormelde transactie baseert om enige vrijwaringsvordering ten laste van de BVBA Delek Belgi-um te formuleren, moet zij bijgevolg afgewezen worden. B. Hierboven is de NV KBC Bank veroordeeld tot betaling aan de cura-tor van 4.380,13 EUR in hoofdsom. Deze som heeft te maken met betalingen die de NV KBC Bank ont-ving op de rekening van J.B.............. nà diens faillietverklaring en die afkomstig waren van derden debiteurs / klanten. Hierboven heeft het hof geoordeeld dat de NV KBC Bank deze be-dragen ten onrechte heeft ingehouden en ten onrechte niet heeft doorgestort naar de curator van het faillissement. Hoe de BVBA Delek Belgium hiervoor zou kunnen instaan, kan on-mogelijk worden begrepen. De BVBA Delek Belgium heeft hiermee absoluut niets te maken. De vrijwaringsvordering - overigens op een wel zeer opvallend al-gemene wijze geformuleerd - van de NV KBC Bank, is bijgevolg ook alhier ongegrond. IV. De gerechtskosten De NV KBC Bank heeft in haar betwisting met de BVBA Delek Bel-gium omtrent het pand op de handelszaak niet meer aangedrongen, terwijl zij in haar vrijwaringsvordering totaal is afgewezen. In de relatie met de BVBA Delek Belgium is de NV KBC Bank als de in het ongelijk gestelde partij te aanzien. De NV KBC Bank heeft er terecht op gewezen dat de eerste rechter ten onrechte een niet-bestaande tegenvordering naar de bijzondere rol heeft verwezen, doch voor het overige is zij ten opzichte van de curator eveneens als de in het ongelijk gestelde partij te aanzien. Haar aanspraken worden opgenomen in het gewoon passief, terwijl zij door de eerste rechter in het bevoorrecht passief waren opge-nomen. Anderzijds wordt de NV KBC Bank veroordeeld tot betaling van het - zij het bescheiden - bedrag van 4.380,13 EUR in hoofd-som. De zich opdringende conclusie is dat de NV KBC Bank gehouden is tot alle gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hoofdberoepen van de BVBA Delek Belgium en de NV KBC Bank ontvankelijk; Verklaart de tussenvorderingen van de NV KBC Bank ten opzichte van de BVBA Delek Belgium respectievelijk van de curator ten op-zichte van de NV KBC Bank ontvankelijk; Vernietigt het bestreden vonnis behalve waar - het akte verleent aan de NV Texaco Belgium, thans de BVBA Delek Belgium, van haar vrijwillige tussenkomst; - het de NV Kredietbank, thans de NV KBC Bank, veroordeelt tot al-le gerechtskosten; Alle overige betwistingen tussen de partijen tot zich trekkende: Verklaart de vordering van de BVBA Delek Belgium ten opzichte van de NV KBC Bank grotendeels gegrond; Verklaart de vordering van de NV KBC Bank ten opzichte van Mr. D.H...............q.q. tot opname in het gewoon passief gegrond in de zin die volgt; Verklaart de tussenvorderingen van de NV KBC Bank ten laste van de BVBA Delek Belgium ongegrond; Verklaart de tussenvordering van de curator ten opzichte van de NV KBC Bank in beperkte mate gegrond; Neemt akte van de verklaring van de NV KBC Bank dat zij niet lan-ger volhardt nopens het bevoorrecht karakter van haar schuldvorde-ring en bevestigt deze verklaring voor zoveel als nodig; Beveelt de opname van de NV KBC Bank in het gewoon passief van het faillissement van J......... B................ voor 111.649,44 EUR; Veroordeelt de NV KBC Bank tot betaling aan Mr. D......... H....................... q.q. van 4.380,13 EUR (vierduizend driehonderd en tachtig euro en dertien eurocent), meer de gerechtelijke intresten vanaf 26 september
  9. Veroordeelt de NV KBC Bank tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij definitief te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de BVBA Delek Belgium, volgens opgave, op 75,00 EUR beroepsakte en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en vastgesteld aan de zijde van Mr.D.............. H................ q.q., volgens opgave, op 11,40 EUR kosten grosse vonnis a quo en 206,10 EUR kosten betekening. Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag zesentwintig april tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.