← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100428.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100428.5 Rolnummer: 2009-AR-2608 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 12:47 Fiche Een vordering die een daad aanvecht die alleen niet toegelaten zou zijn op grond van een overeenkomst en/of waarvan de schade van contractuele aard is, kan niet gebracht worden voor de stakingsrechter op grond van de WHPC. Een contractuele tekortkoming kan enkel het voorwerp worden van een stakingsbevel indien zij 'op zich', d.w.z. ook zonder overeenkomst, een daad van onrechtmatige mededinging zou zijn. Niet enkel overtredingen van de WHPC kunnen strijdig zijn met de eerlijke handelsgebruiken in de zin van artikel 94/3 en aanleiding geven tot een stakingsvordering, maar ook schendingen van een andere wettelijke bepaling of van een zorgvuldigheidsnorm (art. 1382 B.W.). Wanneer de overtreding van een wettelijk of reglementair voorschrift tevens een daad is, strijdig met de eerlijke handelsgebruiken, kan de handhaving daarvan worden verzekerd door middel van een stakingsbevel. De WHPC sluit de bevoegdheid van de stakingsrechter om zich over inbreuken op andere wetten uit te spreken niet uit. Wanneer de stakingsrechter bij zijn onderzoek over de grond van de zaak vaststelt dat - zoals in het voorliggend geval - de vraag of er een schending is van een wettelijke of reglementaire bepaling (andere dan een bepaling van de WHPC) minstens controversieel is, dient hij tot de bevinding te komen dat de toepassing van de beweerd geschonden wetgeving of reglementering niet kan afgedwongen worden door middel van een maatregel die gevorderd wordt in een procedure die op de wijze van het kort geding wordt gevoerd UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Algemeen (handelspraktijken) Vrije woorden: WHPC-stakingsvordering: niet voor zware contractuele fouten. Staking van schendingen van een wettelijke of reglemebtaire bepaling. Als het minstens contractueel is of een wettelijke of relemntaire bepaling werd gekend, kan stakingsrechten er zich niet voor uitspreken. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 28 april 2010 EINDARREST W.H.P.C. - In de zaak met het rolnummer 2009/AR/2608 van: nv AUTOBEDRIJF BOURGOO, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Natiënlaan 111, met ondernemingsnr. 0426.373.792, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge - afdeling Brugge -, door de voorzitter op tegenspraak gewezen zoals in kort geding dd. 18-6-2009, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadslieden mr. DE CLERCK Daniël en mr. COPPENS Ivan, beiden advocaat te 8000 Brugge, Hoogstraat 28 tegen : nv BEHERMAN EUROPEAN, met zetel te 2880 Bornem, Industrieweg 3, met ondernemingsnr. 0457.963.427, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. VAN HUFFELEN Marc, advocaat te 2970 Schilde, Heidedreef 67 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 oktober 2009, heeft de nv Autobedrijf Bourgoo (hierna "Bourgoo" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 juni 2009 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brugge, zetelend zoals in kort geding. Antecedenten I. 1. De nv Beherman European (hierna "Beherman" genoemd) is invoerder in België en het Groothertogdom Luxemburg van voertuigen van het merk SAAB. Bourgoo zet uiteen dat zij sedert 1976 exclusief concessiehouder was van SAAB te Knokke, eerst aan de Knokkestraat te Heist en sedert 1988 aan de Natiënlaan 111 te Knokke. Daarnaast was Bourgoo verdeler van voertuigen van de merken Bentley, Mazda en Rolls Royce. De distributie van de laatste twee merken viel in de loop der jaren weg. Ingevolge de Verordening (EG) nr. 1400/2002 van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3 EG Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen in de motorvoertuigensector (hierna "de Verordening" genoemd), werd deze concessie bij overeenkomsten van 1 oktober 2003 uitgesplitst. Enerzijds was er een "Distributieovereenkomst met betrekking tot SAAB motorvoertuigen en accessoires" (hierna "de Distributieovereenkomst" genoemd) en anderzijds een "Overeenkomst voor erkende hersteller met betrekking tot onderhoud van SAAB-motorvoertuigen en de verkoop van SAAB-onderdelen en accessoires" (hierna "de Overeenkomst Erkend Hersteller" genoemd). In 2007 werd Bourgoo verdeler van voertuigen van het merk Audi en besliste zij de activiteiten die betrekking hadden op de verkoop van de voertuigen van dit merk onder te brengen in het pand, waar sedert 1988 de showroom van de SAAB voertuigen gevestigd was. De activiteiten die betrekking hadden op SAAB werden overgebracht naar een ander gebouw, aan de overkant van de straat (Natiënlaan 52). Beherman aanvaardde deze wijziging - naar eigen zeggen tegen wil en dank - onder de voorwaarden, vermeld in een overeenkomst van 30 mei 2007. 2. In een e-mailbericht van 25 november 2008 klaagde Bourgoo bij Beherman onder meer over het feit dat verkopen van SAAB voertuigen uitbleven door de geruchten over een nakend faillissement van General Motors. In een schrijven van 18 december 2008 stelde Bourgoo dat zij geen alternatief had dan haar activiteiten te heroriënteren, om de door haar ingezette middelen optimaal te laten renderen. Zij vroeg een afspraak, bij gebreke waarvan zij in een volgend schrijven de concessieovereenkomst zou dienen op te zeggen. In de loop van januari 2009 vonden er besprekingen plaats, die evenwel geen resultaat hadden. Op 5 februari 2009 deelde Bourgoo aan Beherman mee dat het gebrek aan rendement van de SAAB concessie haar ertoe verplichtte het gebouw aan de Natiënlaan 52 te Knokke deels te gebruiken voor de verkoop van Yamaha-motoren. Tijdens de verbouwingswerken die daarvoor nodig waren, zou de SAAB concessie tijdelijk op een andere plaats uitgebaat worden of in dezelfde gebouwen, maar op een beperktere ruimte. De Overeen-komst Erkend Hersteller zou wel verder uitgebaat worden in de werkplaatsen aan de Natiënlaan 52. Beherman gaf te kennen dat wat Bourgoo voorstelde niet tegemoet kwam aan de bedoelingen van nog geen twee jaar eerder. Zij vroeg een bespreking van het aangepaste businessplan en van de gebeurlijke impact daarvan voor haar en voor de SAAB concessie. Na enige verdere correspondentie vonden besprekingen plaats tussen partijen, die evenwel niet leidden tot een akkoord. Beherman liet op 9 april 2009 een gerechtsdeurwaarder vaststellen dat de showroom aan de Natiënlaan 52 te Knokke volledig gevuld was met moto's, fietsen, brommers en motorfietsen van het merk Yamaha en dat diverse aanduidingen van het merk SAAB verwijderd waren. Zij stelde Bourgoo in gebreke om binnen 48 uren de toestand van de showroom weer in overeenstemming te brengen met de contractuele bepalingen. Bourgoo antwoordde dat, in afwachting van de uitvoering van de verbouwingswerken, een tent zou geplaatst worden, waarin de showroom van de SAAB voertuigen tijdelijk zou worden onder-gebracht. Zij vroeg het akkoord daarmee van Beherman. Op 14 april 2009 stelde de gerechtsdeurwaarder vast dat de situatie in de showroom onveranderd was, behalve dat nog bijkomend merkaanduidingen van SAAB verwijderd waren. Zij vroeg Bourgoo om binnen 24 uur de toestand te regulariseren, minstens tot er een akkoord bestond omtrent de eventuele wijzigingen aan de overeen-komst. Indien Bourgoo aan dit verzoek niet voldeed, zou Beherman daaruit afleiden dat Bourgoo de bestaande overeenkomst niet meer wenste te respecteren. Bourgoo antwoordde daarop dat de showroom slechts tijdelijk in een tent zou ondergebracht worden en dat de nieuw in te richten showroom zou voldoen aan de SAAB criteria. Zij benadrukte dat zij steeds te goeder trouw had gehandeld, verweet Beherman dat zij aanvankelijk elke dialoog had geweigerd en verklaarde te hopen dat partijen tot een overeenkomst zouden komen, die haar toeliet verder de concessie te realiseren. 3. Bij aangetekende brief van 23 april 2009 stelde Beherman contractbreuk in hoofde van Bourgoo vast met onmiddellijke uitwerking en zonder enig recht op schadeloosstelling. Beherman beriep zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding vervat in artikel 19.3.1. van de Distributieovereenkomst, gelet op de intentionele en bewuste niet-naleving van de "Exploitatienormen en Franchise Standards", in weerwil van meerdere ingebrekestellingen. Bovendien riep Beherman een schending in van artikel 19.3.2. van dezelfde overeenkomst, bestaande in onder meer de foutieve voorstelling van zaken, de overdracht van de verplichtingen onder de Distributieovereenkomst ten voordele van Yamaha, het doorvoeren met kennis van zaken van wijzigingen aan de inrichting van het dealerbedrijf en aan belangrijke activa noodzakelijk voor de uitoefening van de distributeuractiviteiten en het elders tentoonstellen van de motorvoertuigen dan voorzien in de distributieovereenkomsten. Beherman besloot dat dit bij haar elk vertrouwen wegnam omtrent de bereidheid van Bourgoo om loyaal uitvoering te geven aan de overeenkomsten. Met een brief van 15 mei 2009 betwistte Bourgoo de beëindiging van de Distributieovereenkomst en de daartoe aangehaalde redenen. Zij stelde contractbreuk vast ten laste van Beherman en stelde haar in gebreke om de schade te vergoeden. 4. Inmiddels had Beherman bij aangetekende brief van 28 april 2009 bovendien ook contractbreuk vastgesteld in hoofde van Bourgoo - met onmiddellijke uitwerking en zonder enig recht op schadeloosstelling - van de Overeenkomst Erkend Hersteller. Zij stelde dat de redenen voor het beëindigen van de Distributieovereenkomst een rechtstreeks en onmiddellijk impact hadden op het contract Erkend Hersteller, aangezien het noodzakelijke vertrouwen op brutale en onherstelbare wijze werd geschaad. Zij verwees in dit verband naar artikel 3.1.

  1. g)van de Overeenkomst Erkend Hersteller. Bovendien beriep Beherman zich op het feit dat Bourgoo de gestelde normen niet naleefde. Meer bepaald stelde zij dat de integrale toewijzing van de showroom aan motoren van het merk Yamaha de door de Overeenkomst Erkend Hersteller opgelegde promotie en verkoop van SAAB-onderdelen en accessoires feitelijk onmogelijk maakte en dat Bourgoo evenmin nog voldeed aan de verplichting tot het actief aanwenden van SAAB-promotiemateriaal. Verder haalde Beherman ook nog aan dat de wijziging van de inrichting of van belangrijke activa, noodzakelijk voor de uitoefening van de activiteiten van de Erkende Hersteller, een duidelijke impact had op de uitvoering van de overeenkomst. Bourgoo liet op 30 april 2009 aan Beherman weten dat zij de regelmatigheid van de beëindiging van de Overeenkomst Erkend Hersteller aanvocht en de daartoe aangehaalde redenen betwistte. Met een afzonderlijk schrijven van dezelfde dag bevestigde Bourgoo te voldoen aan alle objectieve kwalitatieve criteria om als Erkend Hersteller te worden toegelaten en verzocht zij Beherman haar opnieuw op te nemen in het netwerk van de Erkende Herstellers. Zij kondigde aan dit desnoods in rechte te zullen afdwingen en de zaak ter kennis te zullen brengen van de Raad van Mededinging en van de Europese Commissie. 5. Nadat zij op 6 mei 2009 aan haar klanten had meegedeeld dat Bourgoo geen deel meer uitmaakte van haar net van Erkende Verdelers en Herstellers, antwoordde Beherman op 14 mei 2009 aan Bourgoo dat zij niet kon ingaan op het verzoek om opnieuw toegelaten te worden tot het netwerk van Saab Erkende Herstellers omdat het vertrouwen, dat noodzakelijk was om overeenkomsten te kunnen aangaan, totaal zoek was door het uitsluitend toedoen van Bourgoo, die aldus niet meer voldeed aan de essentiële voorwaarden en garantie, bepaald in artikel 3.1.g van de overeenkomst. Bovendien herhaalde Beherman dat Bourgoo niet voldeed aan de voorwaarden en normen van Saab. II. 1. Bij dagvaarding zoals in kort geding van 11 mei 2009 voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brugge, stelde Bourgoo een stakingsvordering in tegen Beherman. 1.1. Deze vordering strekte er uiteindelijk toe vast te stellen dat Beherman een inbreuk pleegde op artikel 94/3 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en bescherming van de consument (hierna "WHPC" genoemd) door Bourgoo onrechtmatig de toegang tot haar netwerk van Erkende Herstellers SAAB te ontzeggen. Bourgoo vroeg dat de staking van deze inbreuk werd bevolen, door te zeggen dat Beherman ertoe gehouden was om Bourgoo binnen 24 uur na betekening van het vonnis op te nemen in haar netwerk van Erkende Herstellers SAAB, door ondertekening van de overeenkomst voor Erkende Hersteller met betrekking tot onderhoud van SAAB motorvoertuigen en de verkoop van SAAB onderdelen en -accessoires d.d. 1 oktober 2003 onder verbeurte van een dwangsom van 50.000,00 EUR per dag vertraging. Meer in het bijzonder vorderde Bourgoo dat Beherman veroordeeld werd, onder verbeurte van een dwangsom van 50.000,00 EUR per dag vertraging en/of per inbreuk, om: - toegang te verlenen aan Bourgoo tot het intranet SAAB; - over te gaan tot levering van onderdelen en accessoires; - de toegang tot de module AS 400 met de catalogus en de onderdelen en accessoires te herstellen en om de link via dewelke onderdelen en accessoires kunnen besteld worden te heractiveren; - Bourgoo toe te laten herstellingen onder garantie uit te voeren, o.m. door het mogelijk maken van het verzenden van garantieverzoeken vanuit het "I Reach" computerprogramma; - updates voor de technische software TIS 2000, dienstig voor het diagnosetoestel, af te leveren; - "Garage Bourgoo" op te nemen als erkend hersteller op de publieke internetsite www.saab.be; - de lijst voor te leggen van het cliënteel dat op of omstreeks 6 mei 2009 door Beherman was aangeschreven; - in een brief, aan het voormeld cliënteel te verzenden, opgave te doen van het dispositief van het vonnis, met mededeling dat Bourgoo wel als erkend hersteller SAAB diende te worden aangezien. 1.2. Bourgoo zette de algemene principes uiteen van het verbod op beperking van de mededinging en beriep zich op de Verordening, die onder meer tot doel had om de verkoop en de dienst na verkoop los te koppelen en om multimerkenverkopen te bevorderen. Zij stelde dat wanneer, zoals in het voorliggende geval, het marktaandeel van het netwerk van erkende reparateurs van het merk in kwestie meer dan 30% bedraagt, de leverancier alleen maar kwalitatieve criteria voor zijn Erkende Herstellers mag opstellen en hij alle herstellers die aan deze criteria voldoen, moet toelaten als Erkende Herstellers, inclusief erkende dealers van wie de overeenkomsten zijn beëindigd maar die graag als erkende hersteller willen verder gaan. Bourgoo benadrukte dat zij voldeed aan alle kwalitatieve criteria. Zij stelde dat het artikel 3.1.
  2. g)van de Overeenkomst Erkend Hersteller, dat Beherman inriep en waarin de Erkend Hersteller waarborgde dat geen enkele contractuele relatie tussen partijen beëindigd werd wegens een ernstige schending van het vertrouwen tussen de partijen, geen kwalitatief criterium inhield en bijgevolg in strijd was met de Verordening. Ondergeschikt diende volgens Bourgoo bij marginale toetsing te worden vastgesteld dat de beëindiging van de Overeenkomst Erkend Hersteller door Beherman onterecht was. Bourgoo betoogde dat de weigering van Beherman om haar toe te laten tot haar selectief distributienetwerk een verkoopsweigering of een misbruik van machtspositie inhield, die een oneerlijke handelspraktijk was in de zin van artikel 94/3 WHPC. 2. Beherman besloot tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van de vordering. In ondergeschikte orde "en voor zover de vordering gegrond zou beoordeeld worden" vroeg zij dat een deskundige werd aangesteld, met als opdracht na te gaan of Bourgoo beantwoordde aan alle toepasselijke SAAB normen van kracht voor Erkende Herstellers SAAB in België. Ten slotte vroeg Beherman dat Bourgoo veroordeeld werd tot de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 EUR. Beherman argumenteerde dat de vordering diende afgewezen te worden, rekening houdend met het ontbreken van goede trouw in hoofde van Bourgoo. Zij wees erop dat het artikel 3.1.
  3. g)waarop zij zich beriep, de vertolking is van het principe van de goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten. Verder stelde zij dat Bourgoo niet voldeed aan de SAAB normen om als Erkend Hersteller aanvaard te kunnen worden en dat zij in haar brief van 28 april 2009 omstandig heeft uiteengezet welke normen het betrof. Overigens betwistte Beherman dat iedereen die aan de kwalitatieve criteria voldoet, automatisch aanvaard moet worden als Erkend Hersteller. Volgens haar kon slechts sprake zijn van een schending van een concurrentieregel, wanneer de weigering om te contracteren misbruik uitmaakte. Ten slotte stelde Beherman dat de weigering tot het sluiten van een Overeenkomst Erkend Hersteller geen met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad was, omdat ook onafhankelijke herstellers volledige toegang hebben tot reserveonderdelen en zich kunnen beroepen op een niet-discriminerende, dadelijke, evenredige en bruikbare toegang tot de technische informatie, diagnose- en andere apparatuur, gereedschap of opleiding vereist voor het herstel en onderhoud van de betreffende motorvoertuigen. 3. De eerste rechter verklaarde zich bevoegd, maar wees de vordering van Bourgoo af als ontvankelijk, doch ongegrond, en veroordeelde haar tot de gedingkosten. Hij achtte het artikel 3.1.
  4. g)van de Overeenkomst Erkend Hersteller niet strijdig met de Verordening. Aangezien de afwezigheid van vertrouwen, dat nochtans essentieel is om een langdurige contractuele relatie aan te gaan, precies wordt gedefinieerd, want gekoppeld is aan de beëindiging van een eerdere overeenkomst om die reden, kon Beherman er volgens hem niet van beschuldigd worden arbitraire of kwantitatieve criteria te hanteren bij de selectie van haar erkende herstellers. Hij overwoog dat zelfs de beëindiging van de Distributieovereenkomst "wegens een ernstige schending van het vertrouwen tussen partijen" kon gelden als reden om een latere erkenning als Erkend Hersteller te weigeren. Hij voegde eraan toe dat het van Beherman een nogal schizofrene opstelling zou vergen om abstractie te maken van de vertrouwensbreuk in de samenwerking met Bourgoo als erkend verdeler en vervolgens blijk te geven van ongebreideld vertrouwen door de betrokkene opnieuw in haar netwerk op te nemen als Erkend Hersteller. De eerste rechter stelde vast dat Beherman zowel de Distributieovereenkomst, als de Overeenkomst Erkend Hersteller, beëindigde wegens niet-naleving van de normen en ernstige schending van het vertrouwen tussen partijen. Uit deze louter feitelijke vaststelling volgde volgens hem dat Beherman gerechtigd was om de nieuwe kandidatuur van Bourgoo als Erkend Hersteller te weigeren. De vraag of de beëindiging van de overeenkomsten door Beherman terecht was, kaderde volgens de eerste rechter in een zuiver contractueel geschil, dat als dusdanig niet aan de stakingsrechter kon worden voorgelegd. Hij stelde vast dat Bourgoo bij herhaling aankondigde dat de rechtmatigheid van de beide opzeggingen zou worden aangevochten, zodat van hem geen uitspraak mocht worden verwacht, die de beoordelingsvrijheid van de rechtbank zou inperken. Gelet op het voorgaande, achtte de eerste rechter de vraag of Bourgoo voldeed aan de kwalitatieve Saab-normen, niet aan de orde. Hij besloot dat in hoofde van Beherman geen met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad was aangetoond. Ten slotte oordeelde hij dat niet voldaan was aan een van de wettelijke criteria om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. 4. In hoger beroep herneemt Bourgoo de vordering die zij voor de eerste rechter stelde. Zij roept daartoe dezelfde middelen in, die zij verder ontwikkelt en aanvult. Zij zullen hierna behandeld worden in de mate dat zij dienstig zijn. Beherman besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt dat het bestreden vonnis integraal wordt bevestigd. Zij herhaalt haar verzoek tot aanstelling van een deskundige in ondergeschikte orde en vraagt dat Bourgoo veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen, die zij in beide instanties begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Beoordeling I. Bourgoo heeft op de openbare terechtzitting van 31 maart 2010 verklaard dat het bestreden vonnis werd betekend op 30 september 2009. Beherman heeft dit niet betwist. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. II. 1. De vordering van Bourgoo is een stakingsvordering in de zin van artikel 95 WHPC. Op grond van deze bepaling stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van de WHPC uitmaakt. Meer bepaald houdt Bourgoo voor dat Beherman artikel 94/3 van de WHPC geschonden heeft. Deze bepaling verbiedt elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, waardoor een verkoper de beroepsbelangen van één of meer andere verkopers schaadt of kan schaden. Deze met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, die er volgens Bourgoo in bestaat dat Beherman haar onrechtmatig de toegang tot haar netwerk van Erkende Herstellers Saab ontzegt, moet volgens haar gestaakt worden door te zeggen voor recht dat Beherman ertoe gehouden is om Bourgoo op te nemen in haar netwerk van Erkende Herstellers en dit door ondertekening van de overeenkomst voor Erkende Hersteller d.d. 1 oktober 2003. 2. Uit het voorwerp van haar vordering, de feitelijke gegevens waarop zij steunt en de middelen die zij ter ondersteuning inroept, blijkt dat Bourgoo Beherman verwijt ten onrechte een einde gesteld te hebben aan de Overeenkomst Erkend Hersteller die sedert 2003 tussen partijen bestond, onmiddellijk nadat de Distributieovereenkomst was beëindigd. Zij beoogt door middel van deze stakingsvordering deze contractbreuk ongedaan te maken. In zover Bourgoo haar vordering steunt op een beweerde contractuele wanprestatie van Beherman, kan de stakingsrechter zich daarover niet uitspreken. Een vordering die een daad aanvecht die alleen niet toegelaten zou zijn op grond van een overeenkomst en/of waarvan de schade van contractuele aard is, kan niet gebracht worden voor de stakingsrechter op grond van de WHPC. Deze stelling werd ten aanzien van de vordering tot staken voor het eerst geponeerd door het Hof van Cassatie in een arrest van 25 november 1943 (Pas. 1944, 70) waarin het ging om de niet-naleving van een niet-concurrentiebeding. Dit principe werd bevestigd bij de voorbereiding van de wet van 14 juli 1971 op de handelspraktijken (Parl. St., Senaat, 1963-64, nr. 268, p. 60; 1968-69, nr. 419, p. 52, 1970-71, nr. 13, p.79). Een contractuele tekortkoming kan enkel het voorwerp worden van een stakingsbevel indien zij "op zich", d.w.z. ook zonder overeenkomst, een daad van onrechtmatige mededinging zou zijn. Hetzelfde werd herhaald bij de voorbereiding van de WHPC (Parl. St., Senaat, 1984-85, 947/1, p. 46) en opnieuw bevestigd door het Hof van Cassatie (CASS. 4 juni 1993, T.B.H., 1994, 608). Het hof kan derhalve geen staking bevelen van het ontzeggen door Beherman van het recht van Bourgoo tot toegang tot haar netwerk van Erkende Herstellers Saab, in de mate dat deze handelwijze van Beherman een wanprestatie zou uitmaken aan contractuele verplichtingen ten aanzien van Bourgoo. 3. Bourgoo verklaart dat zij een procedure "ten gronde" heeft ingesteld voor de rechtbank van koophandel te Mechelen, waarin zij vordert dat voor recht gezegd wordt dat de opzegging van de overeenkomst Erkend Hersteller van 1 oktober 2003, betekend door Beherman op 28 april 2009, onwerkzaam is en dat Bourgoo nog steeds als Erkend Hersteller Saab binnen de context van deze overeenkomst dient te worden aangezien. In tegenstelling tot wat zij in conclusies voorhoudt, legt Bourgoo geen stukken voor in verband met dit geding. Door het geding voor de rechtbank van koophandel te Mechelen - waarmee zij blijkbaar hetzelfde resultaat beoogt als met de stakingsvordering - , te omschrijven als een procedure "ten gronde", wekt Bourgoo verkeerdelijk de indruk dat de stakingsvordering strekt tot het bevelen van een voorlopige maatregel. Wanneer de voorzitter van de rechtbank van koophandel, krachtens de bevoegdheid hem verleend door artikel 589,1° Ger.W., zetelend op de wijze van het kort geding, uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 95 WHPC, dan betreft dit geen voorlopige maatregel, maar zetelt hij als bodemrechter en doet hij een uitspraak ten gronde. 4. Bourgoo kan aldus op contractuele grondslag niet bekomen van de stakingsrechter dat hij de beëindiging van de Overeenkomst Erkend Hersteller ongedaan maakt en de voortzetting van het contract dat partijen op 1 oktober 2003 hebben afgesloten, aan Beherman oplegt. De met de eerlijke handelspraktijken strijdige daden, die met een stakingsvordering worden gesanctioneerd, zijn extracontractuele fouten. Een contractuele tekortkoming zou in beginsel enkel het voorwerp kunnen zijn van een stakingsbevel als zij "op zich", dit wil zeggen ook zonder overeenkomst, een daad van onrechtmatige mededinging zou zijn. Volgens de samenlooptheorie kan een contractant slechts op buitencontractuele grondslag aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht die op hem rust, en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt (vgl. CASS. 29 september 2006, R.W. 2006-2007, 1717). De principiële onmogelijkheid voor contractspartijen om zich in het raam van hun contractuele verhouding op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid te beroepen vloeit voort uit de onderstelling dat contractspartijen hun contractuele rechtsverhouding en een in dit raam begane wanprestatie, behoudens andersluidend beding, uitsluitend door de regels van de contractuele aansprakelijkheid willen laten beheersen (vgl. CASS. 27 november 2006, RABG 2007, 1257). Voor zover Bourgoo zou aantonen dat Beherman, door een einde te stellen aan de Overeenkomst Erkend Hersteller van 1 oktober 2003 een extracontractuele fout zou begaan hebben, blijkt alvast niet dat Bourgoo daardoor andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade lijdt. III. 1. Alhoewel dit niet blijkt uit de omschrijving van de gevorderde maatregel, kan uit de motivering van de conclusies van Bourgoo afgeleid worden dat zij niet enkel het beëindigen van de overeenkomst van 1 oktober 2003 en de weigering om ze verder te zetten als een daad, strijdig met de eerlijke handelsgebruiken, beschouwt, maar ook de weigering van Beherman om gunstig gevolg te verlenen aan haar vraag om - middels een nieuwe overeenkomst - in het net van Erkende Herstellers van de SAAB-voertuigen opgenomen te worden. 2. De individuele verkoopsweigering is in principe geoorloofd. Zij vloeit voort uit het recht voor elke handelaar om vrij de personen te kiezen waarmee hij een overeenkomst sluit. De contractvrijheid als fundamenteel beginsel van de economische ordening impliceert de vrijheid om niet te contracteren. Verkoopweigering is slechts onrechtmatig als zij strijdig is met wettelijke verplichtingen, de wet tot bescherming van de economische mededinging (WBEM) of de artikelen 81 en 82 EG Verdrag, of wanneer er rechtsmisbruik is. 3. Niet enkel overtredingen van de WHPC kunnen strijdig zijn met de eerlijke handelsgebruiken in de zin van artikel 94/3 en aanleiding geven tot een stakingsvordering, maar ook schendingen van een andere wettelijke bepaling of van een zorgvuldigheidsnorm (art. 1382 B.W.). Wanneer de overtreding van een wettelijk of reglementair voorschrift tevens een daad is, strijdig met de eerlijke handelsgebruiken, kan de handhaving daarvan worden verzekerd door middel van een stakingsbevel. De WHPC sluit de bevoegdheid van de stakingsrechter om zich over inbreuken op andere wetten uit te spreken niet uit. 3.1. In het voorliggend geval houdt Bourgoo voor dat Beherman, door geen gunstig gevolg te verlenen aan haar verzoek van 30 april 2009 om opgenomen te worden in haar netwerk van Erkende Herstellers van SAAB-voertuigen, niet voldoet aan de voorwaarden gesteld door de Verordening en daardoor de regels van het Europese mededingingsrecht en/of de Belgische Wet tot bescherming van de economische mededinging (WBEM) schendt. 3.2. Artikel 81, lid 1 van het EG Verdrag verbiedt alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt, vervalst of verboden. Een gelijkaardig verbod is opgenomen is artikel 2 van WBEM. De bepaling van artikel 81, lid 1 EG Verdrag kan op grond van het derde lid van dit artikel buiten toepassing verklaard worden door groepsvrijstellingen of individuele vrijstellingen. Met betrekking tot de distributie van motorvoertuigen omschrijft de Verordening EG 1400/2002 van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81,lid 3 van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, de voorwaarden waaraan verticale overeenkomsten moeten voldoen om de vrijstelling van artikel 81, lid EG-Verdrag te genieten. 3.3. Het wordt niet betwist dat het marktaandeel van Beherman in de markt van het netwerk van erkende herstellers van SAAB-voertuigen meer dan 30% bedraagt. Dit heeft tot gevolg dat verticale overeenkomsten slechts onder de groepsvrijstelling vallen voor de kwalitatieve selectie van erkende reparateurs (artikel 4, lid 1, g van de Verordening). Als de leverancier in dat geval wil dat zijn distributie-overeenkomst onder de Verordening valt, kan hij alleen maar kwalitatieve criteria opstellen voor zijn erkende herstellers en moet hij alle reparateurs die aan deze criteria voldoen, als erkende reparateurs toelaten, inclusief erkende dealers van wie de overeenkomst werd beëindigd maar die graag als erkende reparateurs willen verdergaan (VERKLARENDE BROCHURE VAN DE EUROPESE COMMISSIE - DIRECTORAAT-GENERAAL CONCURRENTIE BIJ DE VERORDENING, p. 66, nr. 5.4.1). Kwalitatieve criteria zijn criteria die "noodzakelijk zijn wegens de aard van het contractgoed of de contractdienst, eenvormig zijn neergelegd voor alle distributeurs of herstellers die lid van het distributiestelsel willen worden, niet discriminerend worden toegepast en het aantal distributeurs of herstellers niet rechtstreeks beperken" (artikel 1.1.
  5. h)van de Verordening). 3.4. Volgens de Overeenkomst Erkende Hersteller van Beherman dient de hersteller de volgende waarborg te bieden: "de Hersteller en/of Eigenaar van het herstelbedrijf werden niet eerder beëindigd door de Invoerder als Verdelers of Hersteller, noch werd enige andere contractuele relatie tussen de partijen beëindigd wegens een ernstige schending van het vertrouwen tussen de Partijen." Volgens Bourgoo is dit geen kwalitatief criterium, zodat Beherman het niet kan inroepen om haar contractweigering te verantwoorden. Er blijkt alvast niet uit de voorliggende stukken dat dit criterium specifiek aan Bourgoo zou worden opgelegd en niet zou gelden voor alle distributeurs. Het hof stelt vast dat het reeds voorkwam in de Overeenkomst Erkend Hersteller van 2003 (onder artikel 3.1.
  6. g)Indien een voorwaarde voor het sluiten van een nieuwe Overeenkomst Erkend Hersteller zou zijn dat niet eerder een Distributieovereenkomst werd beëindigd, dan zou dit niet te verzoenen zijn met de Verordening, die net beoogt de mededinging te bevorderen door te verbieden dat Distributieovereenkomst en Overeenkomst Erkende Hersteller als één economisch geheel beschouwd worden. In de mate dat de aangehaalde voorwaarde in die zin wordt begrepen dat het sluiten van een Overeenkomst Erkend Hersteller alleen uitgesloten wordt, wanneer een eerdere overeenkomst beëindigd werd "wegens een ernstige schending van het vertrouwen tussen de Partijen", betreft zij enkel de gevallen waarin op een zodanige wijze tekortgeschoten werd aan de uitvoering te goeder trouw van deze overeenkomst, dat daardoor elke verdere samenwerking tussen de partijen voor de toekomst onmogelijk is geworden. De stelling dat dit een kwalitatief criterium is kan niet zonder meer afgewezen worden. Evenmin staat van meet af aan vast dat deze voorwaarde Beherman zou toelaten aan een kandidaat Erkend Hersteller de toegang tot het netwerk te verbieden door een met deze partij bestaande overeen-komst onrechtmatig te beëindigen en dat dit criterium aldus arbitrair is en potestatief. Op het eerste gezicht lijkt het immers niet onmogelijk om objectief te beoordelen of een ernstige schending van het vertrouwen tussen de partijen de beëindiging van de overeenkomst verantwoordt. 3.5. Beherman heeft de ernstige vertrouwensbreuk ingeroepen om de beëindiging van de bestaande overeenkomsten vast te stellen. Bourgoo heeft van meet af aan betwist dat de redenen waarop de beëindiging steunde, tekortkomingen inhielden aan de normen om (opnieuw) Erkend Hersteller te worden. In zover de voorwaarde, zoals ze reeds geformuleerd was in artikel 3.1.
  7. g)van de bestaande overeenkomst, als een kwalitatief criterium zou kunnen beschouwd worden, dat Beherman zou toelaten geen Overeenkomst Erkend Hersteller met Bourgoo te sluiten, blijft de vraag of de door Beherman ingeroepen redenen voor de beëindiging van de bestaande overeenkomsten daadwerkelijk een ernstige schending van het vertrouwen tussen partijen veroorzaakten, het voorwerp van ernstige betwisting. 3.6. Dit is evenzeer het geval voor de vraag of Bourgoo voldoet aan de andere normen, waaromtrent de partijen het wel eens zijn dat zij kwalitatieve criteria vormen. Volgens Beherman beschikte Bourgoo, die beslist had verbouwingswerken uit te voeren aan het gebouw, waarin de werkplaats voor het onderhoud van SAAB-voertuigen was ondergebracht, onder meer niet over een specifieke wachtruimte voor SAAB, noch over een ontvangstdesk en een tentoonstellingsmeubel voor de verkoop van wisselstukken en accessoires van SAAB. Bourgoo stelt dat zij daaromtrent nooit in gebreke werd gesteld en argumenteert dat de verkoop van Yamaha producten geen invloed gehad heeft op de herstellingswerken die zij in het kader van de overeenkomst met Beherman uitvoerde. Deze overwegingen hebben betrekking op de overeenkomst, die beëindigd werd. In de mate dat Bourgoo vordert dat thans een einde wordt gesteld aan de contractweigering voor een nieuwe Overeenkomst Erkend Hersteller, stelt het hof vast dat zij hier en nu haar vordering niet bewijst. Zij legt geen stukken voor die op afdoende wijze haar bewering staven, dat zij voldoet aan de kwalitatieve normen die Beherman stelt en die het verweer dat Beherman daaromtrent voert, concreet weerleggen, derwijze dat in het kader van deze procedure op de wijze van het kort geding tot staking van de contractweigering zou kunnen besloten worden. Gelet op de andere - hoger aangehaalde - twistpunten kan een deskundigenonderzoek in het kader van onderhavig geding geen uitsluitsel bieden. 4. Wanneer de stakingsrechter bij zijn onderzoek over de grond van de zaak vaststelt dat - zoals in het voorliggend geval - de vraag of er een schending is van een wettelijke of reglementaire bepaling (andere dan een bepaling van de WHPC) minstens controversieel is, dient hij tot de bevinding te komen dat de toepassing van de beweerd geschonden wetgeving of reglementering niet kan afgedwongen worden door middel van een maatregel die gevorderd wordt in een procedure die op de wijze van het kort geding wordt gevoerd (vgl. VAN GERVEN, W. en STUYCK, J., Beginselen van Belgisch Privaatrecht, VIII, Handels- en economisch recht, deel II, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken, p. 95; DE VROEDE, P. en BALLON, G.L., Handboek Handelspraktijken, nr. 1222, p 609). Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de stelling van Bourgoo dat de weigering van Beherman om Bourgoo in haar netwerk op te nemen, strijdig is met de bepalingen van de Verordening en bijgevolg de regels van de mededinging schendt, minstens controversieel is. In die omstandigheden kan de toepassing van de beweerd geschonden regelgeving niet afgedwongen worden door middel van een maatregel, die verstrekkende gevolgen heeft en die wordt gevorderd in een procedure, die op de wijze van het kort geding wordt gevoerd. In de praktijk komt een stakingsbevel dat de verwerende partij verplicht op te houden met de verkoop- of contractweigering, immers neer op een positieve verplichting om te verkopen of te contracteren (vgl. STEENNOT, R. en DEJONGHE, S., Handboek Consumentenbescherming en Handelspraktijken, Intersentia, 2007, nr. 112, p. 63). 5. De weigering om te contracteren is ook onrechtmatig wanneer zij misbruik van recht uitmaakt. 5.1. Rechtsmisbruik kan slechts uitzonderlijk worden weerhouden, met name wanneer de leverancier geen redelijk belang heeft bij de weigering, wanneer de weigering een kennelijk onevenwicht in de belangen van partijen creëert en zonder de leverancier het recht te ontzeggen zijn distributiepolitiek te bepalen. De stakingsrechter is slechts gemachtigd de motivering die ten grondslag ligt aan de verkoopsweigering (leveringsweigering) op marginale wijze te toetsen. Het komt hem niet toe te oordelen over de opportuniteit ervan en/of over de distributiepolitiek van de weigeraar, maar wel of er een politiek ten grondslag ligt aan de weigering en/of enig belang. Het loutere feit dat de partijen in het verleden met elkaar gecontracteerd hebben, maakt de contractweigering nog niet noodzakelijk onrechtmatig. Dit zou wel het geval zijn wanneer de leverancier geen belang heeft bij de weigering of wanneer de weigering een kennelijk onevenwicht in de belangen van de partijen creëert. 5.2. Uit de feitelijke gegevens is gebleken dat Bourgoo vanaf 2007 actief op zoek gegaan is naar alternatieven voor de samenwerking met SAAB, door distributieovereenkomsten af te sluiten met Audi en Yamaha. Haar handelwijze is wellicht te verklaren en te begrijpen in het licht van de negatieve geruchten over de toekomst van SAAB. Dit neemt nochtans niet weg dat Beherman zich geconfronteerd zag met de objectieve vaststelling dat de door haar verdeelde producten (SAAB- voertuigen, -onderdelen en -wisselstukken) en diensten (onderhoud van SAAB-voertuigen) in alle betekenissen van het woord een minder belangrijke plaats innamen in de activiteit van Bourgoo. Eerst werden ze naar een andere plaats overgebracht en minder dan twee jaar later moesten ze opnieuw plaats ruimen voor andere producten (de voertuigen) of bleven ze gevestigd in een gebouw, samen met deze andere producten (onderdelen, wisselstukken en onderhoud), doch zonder dat hun aanwezigheid nog duidelijk zichtbaar was. Wanneer Beherman, geconfronteerd met de vaststelling dat Bourgoo haar op zijn minst niet langer als een prioritaire handelspartner beschouwde en nadat de bestaande overeenkomsten beëindigd waren, besliste geen nieuwe overeenkomst te sluiten met Bourgoo, dan maakte haar weigering om te contracteren in de gegeven omstandigheden geen misbruik van recht uit. Het feit dat SAAB voor Bourgoo pas op de derde plaats kwam - na Audi en Yamaha - had tot gevolg dat Bourgoo voor Beherman geen attractieve contractspartij was. Beherman had een redelijk belang bij de contractweigering, terwijl daaruit, noch uit de specifieke omstandigheden van de zaak, blijkt dat deze weigering de uiting was van een strategische beslissing in het kader van een niet toegelaten uitoefening van een bepaalde machtspositie. De andere activiteiten die Bourgoo inmiddels uitgebouwd had, leidden er bovendien toe dat het nadeel dat zij leed doordat geen nieuwe Overeenkomst Erkend Hersteller tot stand kwam, beperkt bleef. Dit gold des te meer omdat ook onafhankelijke herstellers volledige toegang hebben tot reserveonderdelen en zich kunnen beroepen op een niet-discriminerende, dadelijke, evenredige en bruikbare toegang tot de technische informatie, diagnose- en andere apparatuur, gereedschap of opleiding vereist voor het herstel en onderhoud van de betreffende motorvoertuigen. De schijn die zou kunnen gecreëerd worden dat de dienstverlening van een onafhankelijk hersteller minderwaardig is aan deze van een Erkend Hersteller en het feit dat Bourgoo niet zou kunnen genieten van kortingen, voorbehouden aan Erkende Herstellers, zijn geen omstandigheden die van die aard zijn dat zij een kennelijk onevenwicht creëren tussen de belangen van de partijen. 6. Bourgoo haalt geen wettige redenen aan die de opschorting van onderhavige procedure zoals in kort geding in afwachting van een uitspraak van de rechtbank van koophandel te Mechelen kunnen verantwoorden. Zij legt overigens geen stukken voor waaruit het precieze voorwerp van deze vordering blijkt, noch toont zij aan in welke mate de opschorting van dit geding tot na de uitspraak door de rechtbank van koophandel te Mechelen tot een andere beslissing zou kunnen leiden ten aanzien van de stakingsvordering, zoals door haar geformuleerd. IV. 1. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd in zijn beschikkingen, ook wat de gerechtskosten betreft. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep, zijn de gedingkosten in hoger beroep ten laste van Bourgoo. 2. Beherman vraagt enerzijds de integrale bevestiging van het bestreden vonnis, maar anderzijds begroot zij de rechtsplegingsvergoeding niet alleen in hoger beroep, maar ook in eerste aanleg op 3.000,00 EUR. Voor geschillen die, zoals het voorliggende, betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 EUR. Er is geen wettelijke grond om dit bedrag te verhogen. De complexiteit van de zaak is niet van die aard dat zij een verhoging van de rechtsplegingsvergoeding verantwoordt. De omstandigheid dat Bourgoo door middel van een stakingsvordering haar statuut van Erkend Hersteller poogt te behouden, nadat de bestaande overeenkomsten door Beherman beëindigd werden om de redenen die hoger werden uiteengezet, leidt bovendien niet tot een kennelijk onredelijke situatie in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. die toelaat af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegings-vergoeding. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Autobedrijf Bourgoo ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis Veroordeelt de nv Autobedrijf Bourgoo tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van de nv Beherman European begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen door de 12e kamer van het Hof van Beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. en uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 28-04-2010 bijgestaan door Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.