← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100428.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100428.6 Rolnummer: 2008-AR-1083 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2010-09-13 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 12:46 Fiche Een rechtshandeling heeft een ongeoorloofde oorzaak wanneer de doorslaggevende beweegreden of één van de doorslaggevende beweegredenen die de partijen of één van hen tot het verrichten van deze rechtshandeling hebben gebracht, door de wet verboden is of ingaat tegen de openbare orde. Uit de vaststellingen blijkt dat de partijen, door de overeenkomst van te ondertekenen, niet beoogden uit te voeren wat daarin was bedongen, met name dat P................., de houder van het vereiste getuigschrift van vakbekwaamheid, de vervoersonderneming van R.................... permanent en daadwerkelijk zou leiden tegen betaling van een vergoeding. De overeenkomst had integendeel als determinerende oorzaak de ontduiking van de reglementaire verplichtingen, die vervat waren in het K.B. van 18 maart 1991 en vervolgens in het K.B. van 7 mei

  1. De vervoeronderneming. sloot de overeenkomst met als enige bedoeling zich ten aanzien van de overheid een bewijsstuk te verschaffen, waardoor zij haar vervoersonderneming kon voortzetten, doch zonder op enig ogenblik de intentie te hebben om de daadwerkelijke en permanente leiding van deze onderneming aan de houder van het getuigschrift toe te vertrouwen. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Conflictenrecht - Wetsontduiking Vrije woorden: Ongeoorloofde oorzaak - determinerende beweegreden. Voorwaarden voor goederenvervoer - getuigschrift van vakbekwaamheid permanente en daadwerkelijke leiding onderneming. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 28 april 2010 EINDARREST begroting gerechtskostenaan de zijde van appellanteaangehouden - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/1083 van: bvba RESULTA, met zetel te 9051 St.-Denijs-Westrem, Octaaf Soudanstraat 7, met ondernemingsnr. 0425.798.128, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 6-12-2007, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. VAN ACKER Jean, advocaat te 9000 Gent, Fortlaan 28 tegen : P.......... D..........., zonder beroep, wonende te ........................................ geïntimeerde, oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. MARTENS Luc, advocaat te 8310 St.-Kruis (Brugge), Eikenberg 20 ; velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 23 april 2008, heeft de bvba Resulta (hierna "Resulta" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 6 december 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Antecedenten I.
  2. Op 26 juni 2001 ondertekenden P......... D..... C..............., handelend in zijn hoedanigheid van medezaakvoerder van R............, en D....... P............ (hierna "P........." genoemd) een overeenkomst, waarin bedongen werd dat P........, die houder was van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationaal goederenvervoer over de weg, de vervoerswerk-zaamheden van R................. permanent en daadwerkelijk zou leiden. D....... C...........vertrouwde aan P............. alle machten toe om deze taak te verrichten. P............ werd onder meer belast met het afsluiten van contracten met het cliënteel, het berekenen van kostprijzen, het opmaken van bestekken, het factureren aan cliënten, het tekenen van de dagelijkse briefwisseling, het afsluiten van overeenkomsten inzake aankoop en verkoop, de aanwerving, het toezicht op en de afdanking van personeel, het openen van post- en/of bankrekeningen, het ondertekenen en endosseren van alle betalingseffecten, mandaten, cheques, enz., en het vertegenwoordigen van R...........bij ieder bestuur, hoven en rechtbanken inbegrepen. Verder bepaalde de overeenkomst: "Voor het uitvoeren van dit mandaat wordt de heer P..........een bedrijfswagen type Mercedes ML 270 CDI met tankkaart ter beschikking gesteld. In afwachting van de effectieve levering en in gebruikname van deze wagen betaalt de heer D....C....... een maandelijkse vergoeding van 15.000 Bef. aan de heer P...... op rekeningnummer 035-1786232-
  3. Deze vergoeding dient overgemaakt te worden voor de eerste van iedere maand." De overeenkomst werd gesloten voor twee jaar met ingang van 1 juli 2001 en diende minimaal 6 maanden voor het aflopen van deze periode per aangetekend schrijven te worden opgezegd, bij gebreke waarvan ze stilzwijgend verlengd was voor 2 jaar.
  4. Ter griffie van de rechtbank van koophandel te Gent werd op 19 juli 2001 een uittreksel neergelegd van een "Buitengewone bijzondere vergadering van R.......", gehouden op 26 juni 2001, met volgende inhoud: "Zaakvoerders D..... C....... E....... en D..... C....... P.......verklaren zich eensgezind akkoord met de inbreng van D..... P.........., geboren te Brugge 12.12.1962, met getuigschrift 07845 van vakbekwaamheid voor internationaal goederen vervoer over de weg, de volmacht in overeenstemming met de wettelijke en bestaande reglementering gekend en opgelegd door het Ministerie van verkeer en infrastructuur, alle vervoerwerkzaamheden van de zaak permanent en daadwerkelijk te leiden." Op 27 juli 2001 werd dan een tweede uittreksel ter griffie neergelegd van de "Buitengewone bijzondere vergadering van R........ van 26/06.2001", waarin stond: "Zaakvoerders D....C....... E....... en D... C......... P..........verklaren zich eensgezind akkoord tot wijziging akte en toevoegings aanpassing van de onderneming tot alle vervoer voor rekening van derden;" (letterlijke aanhaling).
  5. Door de buitengewone algemene vergadering van R........, gehouden voor notaris V............. te Gent op 22 juni 2004, werd P......D... C....... benoemd tot statutair zaakvoerder van de vennootschap, ter vervanging van E....... D.... C........., die overleden was. Bovendien werd B......... D..... J.............. benoemd tot niet-statutair zaakvoerder.
  6. Met een aangetekende brief van 3 juli 2004, ondertekend door haar twee zaakvoerders, deelde R....... aan P....... haar beslissing mee om de overeenkomst van 26 juni 2001 "ontbonden te verklaren, minstens met onmiddellijke ingang op te zeggen, zoniet te verbreken." Zij voegde eraan toe dat deze beslissing ondermeer inhield dat alle voordelen onder de termen van deze overeenkomst met onmiddellijke ingang kwamen te vervallen en dat alle reeds genoten voordelen voor terugvordering door de vennootschap in aanmerking kwamen. Bovendien behield R............ zich het recht voor om schadevergoeding te vorderen.
  7. In een brief d.d. 7 juli 2005 van zijn raadsman nam P.......... akte van de opzegging van de overeenkomst van 26 juni
  8. Hij stelde dat deze overeenkomst op 1 juli 2003 verlengd was voor 2 jaar en dat zij aldus een einde had genomen op 30 juni
  9. Hij wees erop dat hij volgens de overeenkomst recht had op een maandelijkse vergoeding van 15.000 BEF of 371,84 EUR. Hij berekende dat hij voor de totale duur van de overeenkomst, namelijk vier jaar, aanspraak kon maken op 17.848,32 EUR en verklaarde dat hij in werkelijkheid 4.462,40 EUR had ontvangen. Hij stelde R.......... in gebreke om het saldo van 13.385,92 EUR te betalen tegen 31 juli
  10. II.
  11. Bij dagvaarding van 18 mei 2006 vorderde P.......de veroordeling van R...... en D.... C......... tot betaling van 13.385,92 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 7 juli 2005 en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding en tot de kosten van het geding.
  12. R........en D... C...... zetten uiteen dat R.......... in 1986 onder meer door E............. D.... C....... was opgericht met als doel het verhandelen van onroerende goederen, handelszaken en vennootschappen als makelaar, agent of tussenpersoon. (P.......) D.... C........, die de zoon is van E....... D..... C........, werd op 30 december 1996 aangesteld als medezaakvoerder van R......... In zover de vordering van P........ tegen hem gericht was, achtte D..... C........ ze onontvankelijk, aangezien hij zich niet persoonlijk verbonden had. R....... wees erop dat P....... een jaar gewacht had, vooraleer te reageren op de beëindiging van de overeenkomst en vervolgens nog een jaar vooraleer te dagvaarden. Zij stelde dat in de oorspronkelijke overeenkomst, ondertekend op 26 juni 2001, in verband met de vergoeding het volgende vermeld werd: "Voor het uitvoeren van dit mandaat wordt de heer P......... een bedrijfswagen type Mercedes ML270 CDI met tankkaart ter beschikking gesteld." De overeenkomst die P......voorlegt en waarin de eerder aangehaalde clausule in verband met de voorlopige vergoeding voorkomt, werd volgens R.............. pas later ondertekend, maar op dezelfde datum gedateerd. Volgens R.......... werd de "tijdelijke regeling" waarbij P..........maandelijks 15.000 BEF ontving, in de praktijk behouden, maar had hij inmiddels ook reeds een tankkaart ontvangen, waarvan hij effectief gebruik maakte. Meer bepaald had P.......... volgens R..............., tussen augustus 2001 en juli 2004 in totaal 93 maal getankt met deze kaart voor een som van 4.420,08 EUR. Verder hield R........... voor dat P............ geen enkele prestatie had geleverd en dit ook niet bewees. Volgens haar had hij alleen maar gedurende een bepaalde tijd zijn "vervoervergunning" ter beschikking gesteld aan R............, die ze nodig had om de activiteit van goederenvervoer over de weg te kunnen uitvoeren. R................. was van mening dat deze handelwijze onwettig was. In ondergeschikte orde stelde R.............. dat de rechtbank de vergoeding van P.................., die als lasthebber van de vennootschap was aangesteld, kon matigen, rekening houdend met het feit dat hij geen of slechts verwaarloosbare prestaties had geleverd. Zij argumenteerde dat de door P............... ontvangen vergoeding, die volgens haar 8.919,48 EUR bedroeg, namelijk 4.499,40 EUR in geld en 4.420,08 EUR in natura, voor niet bewezen diensten "exuberant" was. Voorts betoogde R............. dat P............. op geen enkel ogenblik voldaan heeft aan de voorwaarden gesteld door het K.B. van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, vanaf 1 januari 2003 vervangen door het K.B. van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg. R.......... en D............C.............. besloten uiteindelijk als volgt: "Na eerste concluante akte te hebben verleend van haar aanmaning aan eiser om in rechte bepaalde verklaringen af te leggen, de hoofdvordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond in zoverre ze gericht is tegen eerste concluante, en af te wijzen als onontvankelijk in zoverre ze gericht is tegen tweede concluant; Minstens vast te stellen dat na de bewezen betaling aan eiser van een bedrag van 4.499,40 euro , de vordering behoort te worden afgewezen als ongegrond, in zoverre ze gericht is tegen eerste concluante; Voor zover de Rechtbank van oordeel zou zijn dat de betaling in natura aan eiser van een bedrag van 4.420,08 euro (mede) bepalend is voor de afloop van het geding, en deze betaling als nog niet bewezen zou achten, concluante alvorens verder recht te doen, te machtigen om door alle middelen van recht te bewijzen dat eiser tussen augustus 2001 en juli 2004 meerdere tankbeurten verrichtte in het netwerk van de N.V. Power Oil Vlamingstraat 33-35 te 8560 Wevelgem voor een totaal bedrag van 4.420,08 euro , met een tankkaart die hem door concluante ter beschikking was gesteld; Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van eerste concluante begroot op de desgevallend nog te indexeren rechtsplegingsvergoeding ad euro 364,40 en in hoofde van tweede concluant begroot op de desgevallend nog te indexeren rechtsplegingsvergoeding ad euro 364,40."
  13. P........... volhardde in zijn vordering en besloot tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de "tussenvordering" van R............... Hij benadrukte dat hij steeds in de transportsector tewerkgesteld was geweest en op dit vlak een grote kennis had. Hij stelde dat hij zijn vakbekwaamheden en zijn getuigschrift heeft ingebracht en onderhandelingen heeft gevoerd met de belangrijkste klant van R.................... en haar aldus - nadat zij ernstige financiële problemen had gekend - opnieuw op het goede spoor had gebracht. Volgens P........... bewezen de door R...................... uitgevoerde betalingen dat zij zich wel degelijk verbonden had om hem maandelijks 15.000 BEF te betalen. Hij ontkende ooit een tankkaart ontvangen te hebben. Hij stelde dat R............. haar beweringen in dit verband niet bewees. De zogenaamde "tussenvordering" om gemachtigd te worden het bewijs te leveren van beweerde tankbeurten door P............., achtte hij onontvankelijk, aangezien R............... alleen maar onderzoeks-maatregelen vroeg en geen vordering instelde. Verder betoogde P........... dat hij wel degelijk voldeed aan de reglementaire bepalingen en effectief de vervoerswerkzaamheden van R............. leidde. Hij wees erop dat R................. hem nooit in gebreke had gesteld en dat zij geen enkele reden noch rechtsgrond vermeldde in verband met de beweerde onwettigheid van de aangegane overeenkomst.
  14. De eerste rechter verklaarde de vordering van P................, in zover zij gericht was tegen D..... C...................., niet ontvankelijk. De vordering tegen R........... verklaarde hij ontvankelijk en gegrond in de volgende mate: hij veroordeelde R.............. tot betaling aan P...........t van een som van 13.385,92 EUR, te vermeerderen met de verwijlintrest aan de wettelijke rentevoet van 6% per jaar vanaf 7 juli 2005, vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire rente, tot op de dag der algehele betaling. Hij veroordeelde R........ tot de gedingkosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De eerste rechter stelde vast dat beide partijen een andere versie van de overeenkomst voorlegden. Aangezien R....... en D...... C........niet bewezen dat zij een bedrijfswagen Mercedes en een tankkaart aan P....... ter beschikking hadden gesteld, nam hij aan dat P......recht had op een maandelijkse vergoeding van 15.000 BEF voor inbreng van zijn vervoersvergunning. Hij overwoog dat R........ en D.... C....... de afrekening van P...... ten bedrage van 13.385,92 EUR nooit betwist hebben. Verder stelde de eerste rechter dat "de overeenkomsten dd. 26 juni 2007" (bedoeld wordt "2001") werden afgesloten tussen P...... en R........, vertegenwoordigd door haar medezaakvoerder D....C......., en dat uit geen enkel stuk bleek dat D.... C.........enige persoonlijke verbintenis op zich heeft genomen, zodat de vordering tegenover hem onontvankelijk was. Hij oordeelde dat D..... C........ geen recht had op een eigen rechtsplegingsvergoeding, gezien hij slechts optrad als medezaak-voerder van R......... en in die hoedanigheid werd gedagvaard en dus geen strijdig belang had met R................... III.
  15. In hoger beroep vraagt R............... dat het hof de oorspronkelijke vordering afwijst als onontvankelijk, minstens ongegrond. Zoals voor de eerste rechter vraagt zij het hof minstens vast te stellen dat na de bewezen betaling aan R...............van een bedrag van 4.499,40 EUR, de vordering dient te worden afgewezen als ongegrond. Zij herhaalt haar verzoek om, in de hypothese zoals eveneens vermeld in eerste aanleg, haar, alvorens recht te doen, te machtigen om de door P........ gedane tankbeurten met haar tankkaart te bewijzen en vraagt dat het hof vervolgens vaststelt dat, na deze bewezen betalingen, de vordering van P................. moet worden afgewezen als ongegrond. In uiterst subsidiaire orde vraagt zij "te zeggen voor recht dat de vordering sinds 28.03.2008 geen interesten meer draagt, en dat zij in hoofdsom, interesten en kosten overeenstemt met het provenu van de door concluante geopende gepersonaliseerde rubriekrekening, na haar liquidatie tot delging van het tussen te komen arrest." Ten slotte vraagt R.......... P.............. te veroordelen tot "alle kosten van het geding, met inbegrip van de te indexeren rechtsplegings- en uitgavenvergoedingen, één en ander nog nader te begroten."
  16. P....... besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van R....... tot de gedingkosten.
  17. De middelen die de partijen ontwikkelen in hun conclusies in hoger beroep zullen hierna besproken worden in de mate dat zij dienstig zijn. Beoordeling I. R....... verklaart dat het bestreden vonnis haar werd betekend bij deurwaardersexploot van 25 maart
  18. Haar hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. II.
  19. R.............. argumenteert in hoger beroep in hoofdorde dat de vordering van P.............. onontvankelijk, minstens ongegrond is, omdat de overeenkomst waarop zij steunt, een ongeoorloofde oorzaak heeft. Meer bepaald strekte deze overeenkomst er volgens R.................a toe het voortbestaan te verzekeren van haar transportonderneming door de fictieve inbreng van een door de wet voorgeschreven vergunning. Zij stelde dat P..............niet beoogde de prestaties te leveren, die opgesomd waren in de overeenkomt, maar een vergoeding op te strijken in ruil voor de fictieve inbreng van zijn vervoersvergunning. De overeenkomst beoogde volgens R..............a een wetsontduiking, meer bepaald van achtereenvolgens het K.B. van 18 maart 1991 en het K.B. van 7 mei 2002 die van openbare orde zijn. Zij stelt dat deze overeen-komst ongeoorloofd was, omdat zij door de wet verboden was en strijdig met de openbare orde, in de zin van artikel 1133 B.W.. R................... argumenteert dat de ontbinding, dan wel de onmiddellijke opzegging of verbreking van een overeenkomst, die opgezet werd met het doel een wet van openbare orde te ontduiken, geen aanleiding kan geven tot een ontvankelijke, dan wel gegronde vordering. Dit verantwoordt volgens haar ook waarom zij zelf geen tegenvordering instelt.
  20. P........ stelt dat R.................. niet vermeldt tegen welke wetsartikelen zou gezondigd zijn en dat zij niet aantoont welke de rechtsgrond is van de nietigheid van de overeenkomst, die zij overigens zelf uitgevoerd heeft. Hij verklaart dat, alhoewel het K.B. van 18 maart 1991 hem ter zake geen bewijslast oplegt, hij wel degelijk aantoont dat hij de onderneming van R.................. leidde. Hij stelt dat hij in 2003-2004, toen de onderneming financiële moeilijkheden had, tussengekomen is en met de boekhouder contact heeft opgenomen om de financiële en de commerciële situatie van de onderneming terug op het spoor te brengen. Dat hij niet beschikte over een volmacht, is volgens P............enkel te wijten aan het feit dat de zaakvoerders van R.....................lta er hem geen gaven, alhoewel hij er steeds naar vroeg. Verder haalt P............ onder meer aan dat hij onderhandeld heeft met de belangrijkste klant van R............... maar ook met verscheidene potentiële klanten, dat hij het ontslag van een werkneemster begeleid heeft, dat hij diverse lucratieve trajecten ter beschikking stelde van R.............., dat hij verscheidene gesprekken voerde om het wagenpark te optimaliseren en in het algemeen dat hij contacten had met klanten, leveranciers en administraties. Uit de vaststelling dat R............ hem nooit in gebreke stelde en hem ook vergoedingen betaalde, blijkt volgens P.............. dat hij zijn taken steeds naar behoren uitvoerde.
  21. Artikel 1131 B.W. bepaalt dat een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak geen gevolg kan hebben. Een rechtshandeling heeft een ongeoorloofde oorzaak wanneer de doorslaggevende beweegreden of één van de doorslaggevende beweegredenen die de partijen of één van hen tot het verrichten van deze rechtshandeling hebben gebracht, door de wet verboden is of ingaat tegen de openbare orde. Het volstaat niet dat de overeenkomst een bepaling, die strijdig is met de openbare orde, schendt, bovendien moet zij tot doel hebben dit te doen. Het is wel voldoende dat één van de partijen bij het sluiten van de overeenkomst ongeoorloofde oogmerken had (vgl.: CASS. 12 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1564).
  22. De overeenkomst van 26 juni 2001, waarop de vordering van P....... steunt, strekte er volgens haar bedingen toe "dat de tweede genoemde partij [P......] overeenkomstig het K.B. van 5 september 1978 (B.S. 19 oktober 1978) de vervoerswerkzaamheden van bovenvermelde onderneming [R.............] permanent en daadwerkelijk zal leiden." P................... was houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor internationale goederenvervoer over de weg, gekend bij het Ministerie van Verkeerswezen onder het nummer
  23. 4.
  24. Op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen was het K.B. van 5 september 1978, waarnaar in de overeenkomst verwezen werd, vervangen door het K.B. van 18 maart 1991 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (artikel 28 van het K.B. van 18 maart 1991). Dit K.B. trad in werking op 1 mei
  25. Artikel 7§2 van het K.B. van 18 maart 1991 bepaalde dat, wanneer de onderneming geen natuurlijke persoon is, zij aan de door het K.B. gestelde voorwaarde van vakbekwaamheid voldeed, wanneer de persoon die de vervoerwerkzaamheden van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidde, houder was van één van de in het K.B. bedoelde getuigschriften of van een bewijs van vakbekwaamheid. Volgens artikel 8 van dit K.B. kon de houder van een getuigschrift van vakbekwaamheid zijn getuigschrift slechts in één enkele onderneming tegelijk doen gelden. 4.
  26. Vanaf 1 januari 2003 werd het K.B. van 7 mei 2002 van toepassing ter vervanging van het K.B. van 18 maart
  27. Artikel 12§1 van dit K.B. bepaalt dat om te kunnen aannemen dat een persoon permanent en daadwerkelijk een onderneming leidt waarin hij zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden, hij moet kunnen bewijzen: a) dat hij zelf het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg als natuurlijke persoon uitoefent; b) dat hij het mandaat van zaakvoerder of van afgevaardigd bestuurder bekleedt en uitoefent; of c) dat hij met de onderneming een arbeidsovereenkomst heeft gesloten die onder meer toelaat vast te stellen dat deze persoon de beleidsdaden stelt zoals bedoeld in §2,2° en 3° van het K.B., deze overeenkomst bovendien afgesloten zijnde voor voltijdse of deeltijdse arbeidsprestaties, voor zover de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur ten minste gelijk is aan vijftig procent van de prestaties van de werknemers met volledige dagtaak van die categorie in de betrokken bedrijfstak of in de onderneming. Artikel 12§2 van het K.B. bepaalt dan dat de persoon die zijn getuigschrift of zijn bewijs van vakbekwaamheid doet gelden voor de onderneming en die niet voldoet aan de bepalingen van §1, moet kunnen bewijzen: 1) dat hij volmacht heeft op de bankrekening of op een ermee gelijk-gestelde rekening van de onderneming en dat hij dit volmacht uitoefent; 2) dat hij regelmatig ingrijpt in de volgende werkzaamheden: a. het aanschaffen van voertuigen; b. het sluiten van de overeenkomsten met de opdrachtgevers en de onderaannemers, c. het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten; d. het ondertekenen van de dagelijkse briefwisseling; e. de operationele leiding, zijnde de ritplanning en de ritbewaking. 3) dat hij regelmatig ingrijpt in ten minste twee van de volgende werkzaamheden: a. het berekenen van de kostprijs en het opmaken van de prijsopgaven; b. het factureren; c. het sluiten van de overeenkomsten van aankoop en verkoop; d. het personeelsbeheer; e. het administratief beheer van de voertuigen, waaronder de inschrijving, de vervoervergunningen, de gebruiksrechten van het wegennet en de verkeersbelasting. Deze regels zijn van openbare orde, aangezien de artikelen 35 en 36,3° van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg de schending van de verplichting tot daadwerkelijke en permanente leiding van de werkzaamheden van de onderneming door de persoon die werd aangeduid om er zijn vakbekwaamheid te doen gelden, strafbaar stelt.
  28. Uit de feitelijke gegevens, zoals ze blijken uit de overgelegde stukken, en uit de uiteenzetting van de partijen, blijkt dat niet voldaan was aan de voorwaarden gesteld door de voormelde reglementeringen. Het wordt niet betwist dat P................. houder was van het vereiste getuigschrift van vakbekwaamheid, doch hij heeft op geen enkel ogenblik R.................. permanent en daadwerkelijk geleid. 5.
  29. P................. was zelf geen ondernemer van vervoer van zaken over de weg als natuurlijke persoon. Volgens de stukken die hij voorlegt was hij achtereenvolgens als werknemer in dienst bij de nv P&O Ferrymasters (arbeidsovereenkomst van 6 december 1999) en bij de nv Sigma Trans (arbeidsovereenkomst van 21 mei 2002). 5.
  30. P................ was op geen enkel ogenblik zaakvoerder van R.................. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst waren E............... D............C................ en P............. D...........C................zaakvoerder en bij het overlijden van E............ D......... C............. werd B.......... D........... J........................ tot zaakvoerder benoemd. 5.
  31. P........... heeft met R................... geen arbeidsovereenkomst gesloten. Hij was integendeel achtereenvolgens als werknemer in dienst van andere ondernemingen. 5.
  32. P............. erkent dat hij geen volmacht had op de bankrekening van R................. 5.
  33. P.............. toont op geen enkele wijze aan dat hij regelmatig ingreep in het aanschaffen van voertuigen door R................., in het sluiten van de overeenkomsten met de opdrachtgevers en de onderaannemers of van verzekeringsovereenkomsten, in het ondertekenen van de dagelijkse briefwisseling en in de operationele leiding, meer bepaald de ritplanning en de ritbewaking. Evenmin bewijst hij dat hij zich voor R.................... inliet met het berekenen van de kostprijs, het opmaken van de prijsopgaven, het factureren, het sluiten van de overeenkomsten van aankoop en verkoop, het personeelsbeheer of het administratief beheer van de voertuigen. Pollet beperkt zich, wat zijn beweerde activiteiten voor R................ betreft, tot een aantal algemeenheden. De enige stukken die hij overlegt zijn een faxbericht van 12 juni 2003, gericht aan R.............., een proefbalans van 17 juni 2003 en een visitekaartje van T............. D......... R............., zaakvoerder van het accountantskantoor D.... R............. & C°. In het faxbericht herinnert hij P.........(D..... C.........) aan een afspraak "voor verdere afhandeling van deze zaak" en vraagt hij hem om met de boekhouder een afspraak te maken. Uit deze drie stukken kan enkel afgeleid worden dat P......... aanwezig was bij één bespreking met de accountant van R............halverwege
  34. In een faxbericht van 3 mei 2007 verklaren S......... D....R........... en T............ D.... R....... van het betreffende kantoor dat deze bespreking er kwam omdat R....... achterstand had in de betaling van de vergoedingen van P...... en hij zich van de financiële toestand van de vennootschap wilde vergewissen. In dezelfde verklaring stelden S..... en T...... D......R........ dat zij als accountants van R...........werden aangesteld begin 2003, dat de boekhouding van de vennootschap een grote puinhoop was en dat zij voor de sanering van de toestand nooit op de medewerking van P...... hebben kunnen rekenen. In verband met alle overige activiteiten die P........ beweert uitgevoerd te hebben, ligt geen enkel bewijs voor. In elk geval maakt hij niet aannemelijk dat hij R.............permanent en daadwerkelijk geleid heeft.
  35. Bovendien blijkt dat het nooit de intentie is geweest van de partijen dat P........ R........... permanent en daadwerkelijk zou leiden, maar dat hun enige bedoeling was R............via een fictieve inbreng van de vergunning van P..........- die in ruil daarvoor een bepaalde vergoeding ontving - activiteiten te laten uitvoeren als vervoersonderneming. 6.
  36. R.......... bevestigt uitdrukkelijk dat de overeenkomst een wetsontduiking beoogde, waarbij weliswaar een vergoeding bedongen was voor P..............., maar hij de vooropgestelde en volgens de reglementering noodzakelijke prestaties niet diende te leveren. 6.
  37. R............ stelt dat zij in 2001, nadat zij beboet was geworden omdat zij vervoerdiensten verrichtte, zonder over de vereiste vergunningen te beschikken, ingegaan is op een door P............. geplaatste anonieme advertentie, waarin hij zijn vervoersvergunning aanprees. P............ heeft dit niet tegengesproken. 6.
  38. P............... verklaart dat hij op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst met R............... als hoofddispatcher tewerkgesteld was bij H......... en daarna (in 2002) voor S........-T.......... Zijn arbeidsovereenkomst met S...........-T............ bepaalde uitdrukkelijk dat hij zijn beroepsactiviteiten uitsluitend aan deze werkgever moest wijden. Wanneer het de bedoeling was dat hij permanent en daadwerkelijk R.......... leidde (die gevestigd is in Gent), kon hij redelijkerwijze geen voltijdse arbeidsovereenkomst afsluiten met S.........-T......... (die gevestigd is in Pittem) als verantwoordelijke voor het inplannen, organiseren en coördineren van de transportvloot van S.......-T................ en haar onderaannemers en het verzorgen van diverse commerciële contacten met binnen- en buitenlandse klanten en leveranciers. 6.
  39. De nodige volmachten om P............ toe te laten de taken uit te oefenen, die hem volgens de overeenkomst waren toevertrouwd, werden niet verleend. P.................t beweert dat hij ze gevraagd heeft, maar toont dit op geen enkele wijze aan. 6.
  40. Het is op zijn minst ongebruikelijk dat voor het permanent en daadwerkelijk leiden van een transportonderneming geen andere vergoeding wordt bedongen dan het gebruik van een bedrijfswagen met tankkaart. Bovendien staat het vast dat deze bedrijfswagen nooit ter beschikking werd gesteld en dat geen enkele schriftelijke vraag, laat staan een ingebrekestelling, van P.......... aan R................... voorligt. Volgens R............. zou de tankkaart wel overhandigd zijn aan P.............., maar hij betwist dit en de stukken die R............. daaromtrent voorlegt, bewijzen haar bewering niet. Het hof stelt bovendien vast dat in de brief van 3 juli 2004, waarin R............... haar beslissing tot beëindiging van de overeenkomst meedeelde, geen sprake is van deze tankkaart. Indien zij deze kaart daadwerkelijk ter beschikking had gesteld, mag redelijkerwijze aangenomen worden dat zij de teruggave ervan zou vragen bij het einde van de overeenkomst. Zij deed dit niet in de voormelde brief, noch op enig later tijdstip. 6.
  41. Waar P............. aldus, "in (blijvende) afwachting" van de terbeschik-kingstelling van een bedrijfswagen en een tankkaart, recht had op een maandelijkse vergoeding van 15.000 BEF als tegenprestatie voor de leiding van de onderneming, was zes maanden na de aanvang van deze overeenkomst reeds de helft van de vervallen sommen achterstallig. Na één jaar bleven vier maanden onbetaald en na twee jaar had P.............. slechts de helft van het overeengekomen bedrag ontvangen. Op het ogenblik dat R............. te kennen gaf dat zij een einde stelde aan de overeenkomst, had P.......... reeds gedurende meer dan een jaar geen enkele vergoeding meer ontvangen. Alhoewel R............... aldus manifest naliet om haar betalingsverbintenis na te leven, gaf dit op geen enkel ogenblik aanleiding tot enige ingebrekestelling vanwege P.............. 6.
  42. Toen R............... halverwege de tweede periode van twee jaar dat de overeenkomst liep, ze met onmiddellijke ingang beëindigde, gaf dit geen aanleiding tot enige reactie van P............ Pas een jaar later formuleerde P........... voor het eerst aanspraken ten aanzien van R................... De verklaring die hij daarvoor geeft, namelijk dat hij "de onderneming niet in verlegenheid" wilde brengen, klinkt weinig plausibel.
  43. Dit wordt ten overvloede geïllustreerd door het feit dat zij de overeenkomst met P.............., die nog liep tot 30 juni 2005, op 3 juli 2004 onmiddellijk beëindigde enkele dagen nadat B........... D....J................- die volgens R..................... over de vereiste vergunning beschikte - als haar zaakvoerder was benoemd. P............werkte mee aan deze wetsontduiking. Hij stelde zijn vergunning tegen een vergoeding ter beschikking van R................, doch zonder ooit de intentie te hebben om te voldoen aan de reglementaire voorwaarde van daadwerkelijke en permanente leiding van de onderneming. Hij was en bleef voltijds tewerkgesteld voor andere vervoersbedrijven.
  44. Aangezien de overeenkomst van 26 juni 2001 een ongeoorloofde oorzaak had kon P...... daaruit geen rechtmatig belang putten voor zijn vordering tegen R.............. In de mate dat zijn vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan rechtmatig belang, dienen de overige middelen van de partijen, die betrekking hebben op de gegrondheid ervan, niet verder onderzocht te worden. III. Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep, zijn de gedingkosten in beide aanleggen ten laste van P............... Deze kosten dienen niet begroot te worden aan de zijde van P..............., aangezien zij te zijnen laste zijn. R................... heeft haar kosten niet begroot. Bijgevolg kan thans nog geen uitspraak worden gedaan over de omvang ervan, zodat de begroting daarvan moet geacht worden te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening op de vordering van de meest gerede partij, conform artikel 1021, tweede lid van het gerechtelijk wetboek. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de bvba R............a ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis in zover het werd bestreden en, opnieuw recht sprekend; Verklaart de vordering van D.......... P................ tegen de bvba Resulta onontvankelijk; Veroordeelt D........ P.................... tot de gerechtskosten in beide aanleggen, niet te begroten aan zijn zijde aangezien zij te zijnen laste zijn, Houdt de begroting van deze kosten aan de zijde van de bvba Resulta aan. Aldus gewezen door de 12e kamer van het Hof van Beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. en uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 28-4-2010 bijgestaan door Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.