← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100430.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100430.4 Rolnummer: 2008-AR-2412 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-10-01 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 12:48 Fiche Wanneer een procespartij de tegen haar gerichte bewering erkent, geldt deze bekentenis als bewijsmiddel. De bewijswaarde van de bekentenis is volledig. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) Vrije woorden: Onderaanneming - faktuur - bekentenis - bewijs Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 16 kamer ________ Terechtzitting van 30 april 2010 ________ 2008/AR/2412 in de zaak van: H................I.................., wonende te .............................., ingeschreven met KBO-nummer ...................., appellant, hebbende als raadsman mr. VANDEMEULEBROUCKE Thomas, advocaat te 8501 BISSEGEM, Meensesteenweg 454 tegen: V................... L................., wonende te ............................, ingeschreven met KBO-nummer ......................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. TACK Pieter Paul, advocaat te 8800 ROESELARE, Karnemelkstraat 5 Wijst het Hof volgend arrest : 1. de procedure Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van de 3de kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 28 maart 2008 inzake AR. nr. A/2135/07. Tegen dit vonnis werd door de heer I................. H................... tijdig en geldig hoger beroep en door de heer L............... V............................. tijdig en geldig incidenteel beroep ingesteld. De partijen werden bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. 2. de feiten en betwisting 2.1. De heer I.............. H............... werkte regelmatig samen met en in opdracht van de heer L.......... V..................E en factureerde deze werken steeds aan 28,00 EUR per uur, wat steeds door de heer L............. V.................. werd betaald. 2.2. De laatste werven werden door de heer I............. H................ gefactureerd tegen de helft van het bedrag dat de heer L............. V................ factureerde (zie stuk 1 I........... H....................: factuur 2007021 d.d. 15 juni 2007). Deze factuur werd betwist door de heer L.............V......................., die een eigen afrekening maakte en dienvolgens een bedrag betaalde van 1.858,00 EUR. 2.3. de oorspronkelijke hoofdvordering voor de eerste rechter Voor de eerste rechter vorderde de heer I........... H.............. de betaling door de heer L............V................... van een saldo van facturen voor uitgevoerde werken van 1.146,25 EUR in hoofdsom, meer de wettelijke intresten vanaf 14 juli 2007 en een schadebeding van 15%. De oorspronkelijke tegenvordering voor de eerste rechter Voor de eerste rechter vorderde de heer L.......... ................de betaling door de heer I............. H.................... van een factuur van 938,00 EUR in hoofdsom, meer de gerechtelijke intresten aan een rentevoet van 12% vanaf 20 september 2007. De heer L.............. V................... vorderde tevens de betaling door de heer I............ H................. van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding voor een bedrag van 500,00 EUR. 2.4. De eerste rechter verklaarde de oorspronkelijke hoofdvordering slechts in zeer beperkte mate gegrond, meerbepaald voor 42,00 EUR; De eerste rechter verklaarde de oorspronkelijke tegeneis gegrond voor een bedrag van 938,00 EUR; De eerste rechter veroordeelde derhalve, na compensatie der wederzijdse vorderingen, de heer I.......... H............ tot betaling aan de heer L.........V................. van het bedrag van 886,00 EUR, meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 20 september 2007 tot de algehele betaling. De eerste rechter veroordeelde de heer I.......... H............... tot de kosten van het geding. 2.5. De heer I.........H..................... (zijnde de oorspronkelijke eiser op hoofdvordering en verweerder op tegenvordering voor de eerste rechter, huidige appellant op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep) formuleert in het beschikkend gedeelte van zijn laatste besluiten zijn aanspraken in de onderhavige beroepsprocedure als volgt : "Zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Dienvolgens het eerste vonnis te vernietigen en opnieuw wijzende, De oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienovereenkomstig geïntimeerde te veroordelen om te betalen aan appellant de som van 1.146,25 EUR meer de wettelijke intresten vanaf 14.07.07 tot de dag der algehele betaling, meer het schadebeding ad 15% en de kosten, Ondergeschikt appellant toe te laten zijn vordering te bewijzen met alle middelen van recht, inbegrepen getuigenbewijs. De tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding ..." 2.6. De heer L.......... V........................ (zijnde de oorspronkelijke verweerder op hoofdvordering en eiser op tegenvordering voor de eerste rechter, huidige geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep) formuleert in het beschikkend gedeelte van zijn laatste besluiten zijn aanspraken in de onderhavige beroepsprocedure als volgt : "Het hoofdberoep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. In hoofdorde Het incidenteel hoger beroep van concluant, ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren. Zodoende I............... H................... te veroordelen om te betalen aan concluant het bedrag van 938,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten aan de rentevoet van 12% op 938,00 EUR vanaf 20 september 2007 (datum neerlegging besluiten met tegeneis) tot op de datum van volledige betaling. I............ H................. te veroordelen om te betalen aan concluant het bedrag van 500,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 20 september 2007 (datum neerlegging besluiten met tegeneis) tot op de datum van volledige betaling. Subsidiair Uiterst subsidiair het vonnis a quo in al haar beschikkingen te bevestigen, zij het de materiële vergissing recht te zetten, meer bepaald 896,00 EUR in plaats van de toegekende 886,00 EUR. I............ H.................... te veroordelen tot de kosten van het geding ..." 3. bespreking 3.1. Ten onrechte stelt de heer L.............V.................... dat de oorspronkelijke hoofdvordering bij dagvaarding voor een factuur die niet is vervallen, de niet ontvankelijkheid van de dagvaarding voor gevolg heeft. De heer I...........H.......................... was op het ogenblik van zijn dagvaarding bekwaam om een rechtsvordering in te stellen, hij had hoedanigheid en belang bij de procedure en hij maakte aanspraak op betaling van de factuur (die op dat moment reeds geprotesteerd was en dit tot op heden het voorwerp uitmaakt van de betwisting). 3.2. de oorspronkelijke hoofdvordering : de invordering van het saldo van de factuur nr 2007021 van 15 juni 2007 voor een bedrag van 3004,25 EUR (waarop 1.858,00 EUR werd betaald, zodat een saldo van 1.146,25 EUR overblijft) 3.2.1. De relatie tussen de heer L.............. V................. en de heer I............. H.................... is deze van onderaanneming, zoals dit blijkt uit de facturatie door de heer I.............. H............... die gebeurde aan de heer L.............V.................... en niet rechtstreeks aan de bouwheer. 3.2.2. In het verleden heeft de heer I................. H................. steeds gewerkt in onderaanneming aan een uurtarief van 28,00 EUR. De heer I............ H........................ toont niet aan dat dit zou zijn veranderd voor de werken die het voorwerp uitmaken van zijn factuur nummer 2007021 van 15 juni 2007. Het stuk 8 van de heer L............. V..................., zijnde het eigen handgeschreven protest dat uitdrukkelijk vermeldt dat er nog een aangetekend schrijven volgt, dient samen gelezen te worden met zijn stuk 10, zijnde het niet vertrouwelijk schrijven van zijn raadsman van 29 juni 2007. Hieruit kan geen erkenning van een nieuwe manier van samenwerken worden gelezen. Ook enig bewijs van enige afspraak m.b.t. (enige verrekening voor) levering van materialen door de heer I............. H................ ligt niet voor. In tegendeel wordt het aantal door de heer I............. H...................... aangerekende werkuren betwist, herleid en opnieuw berekend aan het gebruikelijke tarief van 28,00 EUR. Op basis daarvan wordt door de heer L................. V............................ een afrekening gemaakt waarbij hij tot een totaal komt van 1.858,00 EUR, welk bedrag betaald werd. 3.2.3. Overeenkomstig artikel 1315 lid 1 BW moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Om de gegrondheid van een aanspraak te bewijzen, moet men overeenkomstig de artikelen 1315 BW en 870 Ger. W., alle feitelijke elementen bewijzen waarop die aanspraak is gebaseerd. In casu betreffen de litigieuze aannemingswerken een daad van koophandel in de zin van de artikelen 2 en 3 Wb. Kh. voor elk der partijen in het geding, zodat het principe van de vrije(

  1. re)bewijsvoering in handelszaken van artikel 25, eerste lid, Wb. Kh. van toepassing is, dat toestaat dat handelsverbintenissen, ongeacht hun waarde, ook worden bewezen door getuigen of vermoedens. Terecht heeft evenwel de eerste rechter de attesten van de bouwheer niet aanvaard als bewijs omdat het voorgeschreven verklaringen betreft en omdat niet kan aangenomen worden dat de bouwheer constant aanwezig is geweest om de werkuren van elk van partijen te controleren. Bijkomende onderzoeks-maatregelen zullen, gelet op het tijdsverloop, ter zake evenmin nog iets nuttigs kunnen bijbrengen. In casu bewijst de heer I.............. H................. m.b.t. zijn hoofdvordering niet meer verschuldigde bedragen dan deze die door de heer L............... V........................... worden erkend en welke reeds werden betaald. De oorspronkelijke hoofdvordering van de heer I...............H...................... dient dan ook integraal te worden afgewezen. Op dit punt dient het vonnis van de eerste rechter te worden hervormd. 3.3. De oorspronkelijke tegenvordering : de invordering door de heer L............ V........................ van zijn factuur nr. 28 van 29 juni 2007 3.3.1. Voor het eerst in het officieel schrijven van 29 juni 2007 merkt de raadsman van de heer L................ V.................... op : "Daarnaast dient L................ V........................ nog een factuur te richten aan I................... H....................voor de uren die hij voor I..............H...................... heeft gepresteerd op de werven te B............ (schoonouders I................ H.................) en te ..............., waaromtrent alle voorbehoud." De factuur dateert van dezelfde dag (stuk 11 L.............. V..........................). Bij schrijven van zijn raadsman van 11 juli 2007 protesteerde de heer I............... H..................... deze factuur (stuk 15 L.....................V.......................). 3.3.2. Ook hier geldt wat hoger onder randnr. 3.2.3. werd gesteld. Op zijn beurt dient de heer L................... V......................... zijn aanspraken te bewijzen. De door hem uitgeschreven factuur werd onmiddellijk geprotesteerd. Ingevolge het protest draagt de eiser de bewijslast van zijn aanspraken. Weerlegt hij het protest niet, dan wordt hij geacht dit te aanvaarden (B............., G.L., "Enkele aspecten van de wettelijke regeling inzake facturen", bijdrage in Themis, School voor Postacademische Juridische Vorming, 2005-2006, Brugge, Die Keure, 2006, p. 40 nr. 49). Het enige element waarop in casu gesteund wordt is de eigen erkenning vanwege de heer I............. H..................... dat deze uren wel degelijk zijn uitgevoerd, maar dat deze reeds werden gecompenseerd. Andere objectieve elementen ter staving van de factuur van de heer L............... V.............................. zijn er niet. Wanneer een procespartij de tegen haar gerichte bewering erkent, geldt deze bekentenis als bewijsmiddel. Ook in het burgerlijk recht. De bewijswaarde van de bekentenis is volledig. Voor de gerechtelijke bekentenis wordt dit uitdrukkelijk in het Burgerlijk Wetboek bepaald door artikel 1356 lid 2 BW, voor de buitengerechtelijke bekentenis wordt dit vrij algemeen door de doctrine en de rechtspraak aanvaard (zie : M.............., R., L.............., in, Répertoire Notarial, Tome IV, Les obligations, Livre II, Brussel, 1990, nr. 288 met verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer). Inzake zodanige samengestelde bekentenissen formuleert artikel 1356 BW de regel van de onsplitsbaarheid : de tegenstrever mag de bekentenis niet opdelen en enkel dit stukje gebruiken dat in het kader van zijn bewijsvoering past. In tegendeel moet hij die een bekentenis als bewijsmiddel hanteert, de verklaring in al haar onderdelen nemen (of laten). Een uitzondering op de regel van de onsplitsbaarheid van de samengestelde bekentenis wordt aanvaard, wanneer een tegenstrever erin slaagt de onwaarheid van één van de delen ervan te bewijzen (zie ter zake ook: DE PAGE, H., noot bij Cass., 2 juni 1949, R.C.J.B., 1950, 15-19, DE PAGE onderscheidt ook nog een aantal andere uitzonderingen; zie ook: DE BONDT, W., "Het tegenbewijs van één van de delen van een samengestelde bekentenis", noot onder Cass., 3 september 1992, T.B.B.R., 1994, p. 359-366). In casu bewijst de heer L............... V.................niet op andere gronden (dan de erkenning van de heer I.............. H........................) de realiteit van zijn prestaties. Bovendien bewijst hij niet de onwaarheid van de bewering van de compensatie. De betwisting van de heer L.................. V........................gaat voornamelijk over de tegenspraak tussen de door de heer I............. H.................. voorgelegde factuur van 9 februari 2007 en haar bijlagen, maar onder meer niet over de (verlopen) tijdspanne van de werken (m.a.w. dient aangenomen te worden dat de beweerde werken dateren van voor de door de heer I............. H...............voorgelegde factuur van 9 februari 2007): Om op een geloofwaardige wijze zijn prestaties te factureren had de heer L.............. V....................veel eerder dienen te factureren (de fiscale wetgeving vereist het uitschrijven van een factuur namelijk uiterlijk de 5de werkdag na de maand waarin het goed werd geleverd of de dienst werd voltooid : i.v.m. diensten meerbepaald overeenkomstig het samenlezen van artikel 53, par. 2, 1° en artikel 22 par. 2 W. BTW, evenals artikel 4 par. 1 KB nr. 1 van 29 december 1992) en niet pas nadat een geschil rees omtrent de factuur van de heer I.............H................die het voorwerp uitmaakt van de hoofdvordering. Het laattijdig opsturen van de factuur heeft tot gevolg dat de bewijskracht ervan in het gedrang kan komen (zie ook : DIRIX, E. en BALLON G.L., Factuur, E. Story-Scientia, 1993, p. 33 randnr. 44), wat in casu het geval is. Bovendien werd de factuur, zoals gezegd, geprotesteerd. De oorspronkelijke tegenvordering van de heer L.............. V....................... dient dan ook te worden afgewezen op dit punt. Op dit punt dient het vonnis van de eerste rechter te worden hervormd. 3.3.3. De heer L........... V.......................vorderde voor de eerste rechter bij tegeneis een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. De eerste rechter wees hem af en de heer L.......... V............................. stelt hieromtrent incidenteel hoger beroep in. Er bestaat geen aanleiding om hierop in te gaan. De elementen van het dossier vergen een juridische en feitelijke appreciatie die van aard is dat de heer I................ H......................niet behoorde ervan uit te gaan dat hij geen schijn van kans had in graad van beroep. In casu heeft de heer I............... H..................... geen misbruik gemaakt van procesrecht. Hij heeft niet geageerd louter om iemand schade te berokkenen, noch op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat (Cass., 31 oktober 2003, www.juridat.
  2. be)Het incidenteel beroep van de heer L...............V........................... op dit punt dient dan ook te worden afgewezen. 3.4. Gelet op wat voorafgaat zijn de overige argumenten en middelen van partijen niet (langer) relevant. Het vonnis van de eerste rechter dient gedeeltelijk te worden hervormd, gelet op wat voorafgaat. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn beide partijen in het ongelijk gesteld wat betreft hun aanspraken. Het komt dan ook gepast voor te zeggen voor recht dat elke partij zijn eigen kosten draagt, daarin begrepen de wederzijds door partijen van elkaar gevorderde rechtsplegingsvergoedingen en dit zowel wat betreft de procedure in eerste aanleg als wat betreft de onderhavige procedure in hoger beroep. Ook op dit punt dient het vonnis van de eerste rechter te worden hervormd. OM DEZE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep van de heer I............... H.................. slechts in de volgende mate gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de heer L............ V.................................. slechts in de volgende mate gegrond. Hervormt in die mate het bestreden vonnis en wijst dienaangaande opnieuw als volgt. Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst elke partij in de eigen kosten van het geding, in beide aanleggen, rechtsplegingsvergoedingen daarin begrepen. Stelt vast dat deze gedingkosten op heden niet nuttig te bepalen zijn. Aldus gewezen door de ZESTIENDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Luc Thabert, raadsheer - wn. kamervoorzitter Peter Marcoen, raadsheer, Martin Van den Bossche, raadsheer en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 30 APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door Carine Sonneville, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.