← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100503.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100503.6 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-07-01 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-07-02 19:13 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Nietigheid vonnis/onderzoek STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Hof van Assisen - artikel 312bis Sv. - artikelen 6 en 13 EVRM - redelijke termijn in strafzaken - schending van het vermoeden van onschuld - strijdig bevelschrift onderzoeksrechter - onderzoek à décharge - politieverhoor - bijstand raadsman - schending beroepsgeheim advocaat en cliënt Tekst van de beslissing Arrest nr. : Rep. nr. : Dossier nr. : 8851 OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 MEI 2010 Het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen dat zitting houdt te Gent, heeft het volgend arrest uitgesproken: In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen : 6/2010 - H BESCHULDIGD VAN: te Oudenaarde, op 12 november 1995 Zich schuldig te hebben gemaakt aan moord, dit is opzettelijk, met het oogmerk om te doden, en met voorbedachten rade, Joke Van Steen gedood te hebben. En waarbij zich hebben gevoegd als burgerlijke partijen : - R en - B, beiden vertegenwoordigd door meester An Govers en meester Jo Muylle, beiden optredend in de plaats van meester Jef Vermassen, allen advocaat te 9340 Lede, Kasteeldreef

  1. Het Hof hoorde op de terechtzitting van 30 april 2010 en op heden : - de beschuldigde H en zijn raadslieden meester Johan Platteau, advocaat te 2020 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 210 en meester Vincent Vereecke, advocaat te 8820 Torhout, Elisabethlaan 25 bus 1; - het openbaar ministerie, bij monde van de heer Willem De Pauw, advocaat-generaal; - de burgerlijke partijen R en B, beiden vertegenwoordigd door hun raadslieden meester An Govers en meester Jo Muylle, beiden optredend in de plaats van meester Jef Vermassen, allen advocaat te 9340 Lede, Kasteeldreef
  2. Redelijke termijn (eerste conclusie, ondertekend door Mter. J. Platteau)
  3. In een eerste conclusie, neergelegd tijdens de openbare terechtzitting van 30 april 2010 van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen, wordt gevraagd het verval van de strafvordering vast te stellen wegens schending van de redelijke termijn (zie blz. 2 van deze conclusie, onderdeel II. van de uiteenzetting).
  4. Artikel 13 EVRM bepaalt: "Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie."
  5. Die rechtshulp houdt in dat wanneer de nationale instantie, bedoeld in die bepaling, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, zij een passend rechtsherstel moet bieden.
  6. Geen enkele verdragrechtelijke of wettelijke bepaling stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.1 EVRM de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering voor gevolg heeft.
  7. Artikel 6.1 E.V.R.M. verhindert niet dat het interne recht de mogelijke gevolgen bepaalt die een overschrijding van de redelijke termijn kan meebrengen, op voorwaarde dat die wettelijke gevolgen daadwerkelijk rechtsherstel voor de beklaagde kunnen inhouden. Het komt de rechter toe het bepaalde wettelijke gevolg te kiezen dat in de zaak passend is.
  8. Artikel 21 ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering regelt de mogelijke gevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn. Overeenkomstig dat artikel kan de rechter, die vaststelt dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.
  9. De aldus in België bestaande mogelijkheid om bij de strafrechter de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren, komt tegemoet aan de artikelen 6.1 en 13 van het EVRM, nu zij in geval van overschrijding van de redelijke termijn aan de beklaagde een recht op daadwerkelijke rechtshulp bieden.
  10. In de hoger aangehaalde conclusie, neergelegd bij dit Hof door de verdediging van de beschuldigde, wordt verwezen naar een prejudiciële vraag, gesteld door de correctionele rechtbank te Antwerpen in een vonnis van 27/11/
  11. Het Hof stipt aan dat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 16/2010 van 18 februari 2010 reeds uitspraak deed. Het Grondwettelijk Hof oordeelde toen als volgt : "Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens".
  12. In de voorafgaande overwegingen wordt in dit arrest door het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk verwezen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarin o.a. werd gesteld : "Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak" (Cass., 27 oktober 2009, P.09.0901.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3). "Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging, kan nochtans ook over de overschrijding van de redelijke termijn oordelen. Alleen wanneer het (onderzoeksgerecht) oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, kan het hem van rechtsvervolging ontslaan. Aldus wordt de verdachte overeenkomstig artikel 13 EVRM daadwerkelijke rechtshulp geboden om door het vonnisgerecht en eventueel, onder de hierboven vermelde beperking, door het onderzoeksgerecht een miskenning van zijn recht op een proces binnen redelijke termijn te doen vaststellen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel niet de bevoegdheid om louter omwille van de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uit te spreken waarbij dan nog de burgerlijke rechtsvordering zonder meer wordt ter zijde geschoven » (Cass., 24 november 2009, P.09.0930.N). "Wanneer het onderzoeksgerecht oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is en hij van rechtsvervolging wordt ontslagen, moet het preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. Deze motivering moet het Hof toelaten te toetsen of de kamer van inbeschuldigingstelling wettig heeft kunnen oordelen, zoals zij dat heeft gedaan" (Cass., 24 november 2009, P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9).
  13. Dit alles heeft tot gevolg dat het door de verdediging van de beschuldigde in deze zaak opgeworpen verschil in behandeling (zie blz. 18 conclusie) niet meer bestaat, aangezien in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die niet als gevolg heeft dat "de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast", de onderzoeksgerechten noch de vonnisgerechten vermogen het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken. Ook in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die wel als gevolg heeft dat "de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast", bestaat er geen verschil in behandeling tussen de verdachte voor het onderzoeksgerecht en de beklaagde voor de vonnisrechter. De vonnisrechter dient immers, indien de bewijsvoering onmogelijk is geworden, de beklaagde vrij te spreken en, indien het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast, dient hij de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen.
  14. De visie van het Grondwettelijk Hof werd bevestigd en herhaald in het arrest nr. 51/2010 dd. 29/04/2010 van ditzelfde Hof. Deze visie wordt door het Hof overgenomen en beaamd.
  15. De beginselen zoals vervat in de vermelde arresten van het Hof van Cassatie worden door dit Hof eveneens beaamd en overgenomen.
  16. Het recht op daadwerkelijke rechtshulp houdt ook in dat het Hof van Assisen in toepassing van artikel 312bis Sv. de door de beschuldigde ingeroepen schending van de redelijke termijn moet onderzoeken.
  17. Het Hof oordeelt in deze zaak thans vooraleer het onderwerp van de beschuldiging door de procureur-generaal werd uiteengezet en vooraleer de lijst werd overgelegd van de getuigen, die hetzij op verzoek van de procureur-generaal, hetzij op verzoek van de burgerlijke partij of op verzoek van de beschuldigde moeten worden gehoord (zie artikel 315 Sv.). Omtrent de waarde van de aangevoerde bewijsmiddelen zal worden geoordeeld in een later stadium van de procedure.
  18. De rechter beoordeelt welke het passende rechtsherstel is in het stadium van de rechtspleging waarin hij uitspraak doet. Dit rechtsherstel kan, in een bepaald stadium van de rechtspleging, bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmede de rechter die later ten gronde oordeelt dan rekening zal moeten houden bij de globale beoordeling van de zaak
  19. In deze zaak kan het Hof, in de actuele stand van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen ervan alleen in aanmerking nemen bij de beoordeling van de bewijsgaring en de eerbiediging van het recht van verdediging, maar niet bij de beoordeling van het bewijs.
  20. Het Hof stipt hierbij inzonderheid aan dat de behandeling van een zaak voor het Hof van Assisen essentieel en integraal mondeling is. De elementen die de beschuldigde aanvoert kunnen slechts onderzocht worden en blijken aan de hand van de getuigenverklaringen en het mondeling debat ter terechtzitting.
  21. In de conclusie, neergelegd door de verdediging van de beschuldigde, wordt gesteld : "Zo dient immers te worden vastgesteld dat de heer V, enige kroongetuige, in deze zaak zich riskeert te verschuilen achter het feit dat alles al zo lang geleden is waardoor men hem een gemakkelijk excuus heeft aangeboden en over een uitleg beschikt waarom het allemaal niet zo klopt. Door het verstrijken van de termijn kan zijn verklaring niet meer worden afgetoetst aan de getuigenis van andere personen die zich na 15 jaar nog moeilijk zullen kunnen herinneren of café Stad Brugge nu al dan niet open was, of H samen met V en K in café Paul of het Brouwershuis aanwezig waren, enz...". "Daarnaast dient te worden vastgesteld dat twee belangrijke politiemannen niet kunnen komen getuigen, doordat ze intussen ziek zijn geworden (...)" "Door het verloop van tijd zijn blijkbaar ook zeer belangrijke bewijsstukken verloren gegaan."
  22. Deze veronderstelling en stellingen kunnen op dit ogenblik niet worden gehonoreerd in het licht van het door de verdediging thans gevoerde verweer. Er zijn geen redenen die thans toelaten vast te stellen dat het recht op verdediging van de beschuldigde ernstig en onherstelbaar werd geschaad. Bij de beoordeling of een zaak op een eerlijke wijze is behandeld in de zin van artikel 6, lid 1, E.V.R.M., moet worden nagegaan of de zaak in haar geheel op een eerlijke wijze is behandeld. Het recht op een eerlijk proces moet dus worden beoordeeld in het licht van het ganse strafproces, inclusief de bewijswaardering en de keuze van de bewijsmiddelen die tot een bepaalde overtuiging hebben geleid.
  23. De strafvordering en het recht om de strafvordering uit te oefenen ontstaan door het plegen van het misdrijf zelf, ongeacht de wijze waarop zij verder worden uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.
  24. De presentatie van het bewijs door het openbaar ministerie zal in deze zaak geschieden ter openbare terechtzitting. Op dat ogenblik zal blijken welke bewijsmiddelen precies door het openbaar ministerie tegen de beschuldigde zullen worden aangewend. De beschuldigde zal op dat ogenblik, na een tegensprekelijk debat, aan de jury alle opmerkingen en overwegingen kunnen maken die deze jury tot een bepaalde overtuiging kunnen brengen. Dit alles zal de jury in de gelegenheid stellen met kennis van zaken te oordelen en toelaten de overtuiging te baseren op gegevens die openbaar ter discussie stonden en waarvan de jury zelf de kwaliteit heeft kunnen nagaan (zie trouwens ook artikel 319 Sv.). De bewijswaardering zal op dat ogenblik ook ten volle kunnen plaatsvinden.
  25. Gelet op al deze vaststellingen is het Hof van oordeel dat de beschuldigde zich op dit ogenblik nog steeds behoorlijk kan verdedigen. Het recht op een eerlijk proces komt niet in het gedrang. Zijn actueel verweer kan geen doel treffen. Bijstand raadsman (punt 2.
  26. tweede conclusie (met kenmerk VSV-2009-4842))
  27. Het in artikel 6.3.c van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bedoelde recht van elke beschuldigde om zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman van zijn keuze en, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen, is van toepassing voor de rechter die uitspraak moet doen over de gegrondheid van de strafvordering.
  28. Het interne recht voorziet (nog altijd) niet in de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Dit volgt uit de artikelen 28quinquies en 57, § 1, Wetboek van Strafvordering die tot de geheimbewaring van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek verplichten.
  29. De interne wetgeving voorziet niet in de bijstand van een raadsman bij het verhoor, bepaald bij artikel 16, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
  30. Alleen uit het feit dat noch het voormelde artikel 16, § 2, noch enig andere wettelijke bepaling voorschrijven dat een advocaat de inverdenkinggestelde moet bijstaan tijdens het verhoor door de politiediensten of de onderzoeksrechter, kan niet worden afgeleid dat het recht op een eerlijk proces voor het vonnisgerecht, vastgelegd in artikel 6.1 van het Verdrag, ernstig in het gedrang kan worden gebracht, of dat de uitoefening van het recht van verdediging, zowel voor de onderzoeksgerechten (raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling) als voor de vonnisgerechten, kan worden belemmerd.
  31. De Belgische wet schrijft niet op straffe van nietigheid voor dat de beschuldigde vanaf het eerste verhoor door de politie moet worden bijgestaan door een raadsman, noch dat een raadsman de beschuldigde moet bijstaan bij het verhoor door de onderzoeksrechter vóór het verlenen van een bevel tot aanhouding. Ook in het E.V.R.M. is deze regel niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.
  32. Een "opzettelijk onrechtmatig handelen" vanwege de verbalisanten of onderzoeksrechter is, gelet op de actuele stand van de interne wetgeving, uitgesloten.
  33. De beschuldigde werd destijds door de politie ondervraagd overeenkomstig de interne wettelijke bepalingen met inachtneming van de rechten zoals vervat in de artikelen 47bis en 70bis Sv.. Ook bij het verhoor door de onderzoeksrechter werden alle waarborgen ingebouwd opdat de beschuldigde al zijn middelen en bezwaren en vraag tot uitvoering van eventuele bijkomende onderzoeksmaatregelen zou kunnen kenbaar maken. De verklaringen die aldus worden afgelegd kunnen eventueel ook als bewijs ten ontlaste in aanmerking worden genomen.
  34. In de tweede conclusie, neergelegd bij dit Hof ter zitting dd. 30/04/2010 door de verdediging van de beschuldigde, wordt rechtspraak van het Europees Hof tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangehaald (zie blz. 2, punt 2.1., vrije vertaling). Deze rechtspraak betreft een zaak waarin belastende verklaringen, afgelegd bij politieverhoren zonder toegang tot een raadsman, werden gebruikt voor een veroordeling. Op blz. 4 van deze conclusie (al. 3) wordt verder geargumenteerd : "Kortom, artikel 6 EVRM zal alleen maar geschonden zijn wanneer de veroordeling deels of geheel gebaseerd is op de verklaringen afgelegd door de verdachte. Volgens deze redenering is er niets aan de hand voor zover er geen rekening wordt gehouden met de afgelegde verklaringen en voor het overige het recht op een eerlijk proces wordt gegarandeerd".
  35. In deze conclusie stelt de beschuldigde thans ook (zie blz. 3 van deze conclusie, al. 3) : "Concluant heeft zijn betrokkenheid met de feiten steeds betwist. Uit het synthese PV nr. 100784/2002 van D blijkt echter dat de onderzoekers, weldegelijk de verklaringen van concluant als belastend voor hemzelf voorstellen en tegen hem gebruiken (zie o.a. "
  36. Dwaalsporen door H aangebracht" en "
  37. Elementen die vragen doen rijzen omtrent de persoon vanH"). Dit blijkt eveneens uit het psychiatrisch verslag van dr. Deberdt, alsmede uit andere onderzoeksgegevens".
  38. Uit deze quote blijkt dat de beschuldigde stelt dat hij tijdens zijn verhoor geenszins belastende verklaringen heeft afgelegd, noch tegenover de politie, noch tegenover de onderzoeksrechter. Hij betwist in alle toonaarden de hem te last gelegde feiten.
  39. Het Hof stelt volledigheidshalve vast dat sommige verklaringen, waarvan thans de verwijdering uit het strafdossier wordt gevraagd, door de beschuldigde werden afgelegd op een ogenblik waarop hij helemaal nog niet van zijn vrijheid was beroofd en waarin het hem dus vrij stond een advocaat te raadplegen (de vrijheidsberoving duurde van 20/01/2000 - 18/05/2000). In zijn verklaringen verwees hij naar voordien door hem, in vrijheid en op een ogenblik dat hij toegang had tot een raadsman, afgelegde verklaringen. Bovendien had hij onmiddellijk na de aflevering van het bevel tot aanhouding op 21/01/2000 toegang tot een raadsman en op 17/02/2000 werd hij verhoord door de onderzoeksrechter in het bijzijn van zijn raadsman (die daartoe een aanvraag had gedaan op 01/02/2000 - het Hof verwijst ook naar hetgeen hierna zal worden vastgesteld met betrekking tot het verhoor van de beschuldigde op 01/02/2000, na verzoek daartoe van zijn raadsman aan de onderzoeksrechter op 28/01/2000). De beschuldigde heeft dus destijds met zijn raadsman overleg kunnen plegen. Hij heeft op die wijze in het vooronderzoek kansen gekregen om zijn verweer en zijn rechts- en procespositie met zijn raadsman te bespreken. De door hem in het kader van de uitoefening van zijn recht van verdediging toen afgelegde verklaringen werden steeds nauwgezet en uitgebreid onderzocht, onder leiding van een onderzoeksrechter.
  40. In de huidige stand van de rechtspleging is in zulke omstandigheden niet aannemelijk geworden dat eisers recht op een eerlijk proces op ernstige en onherroepelijke wijze is aangetast, temeer daar hij ook bij het verder verloop van de huidige (mondelinge) procedure en ter openbare terechtzitting eveneens alle opmerkingen in het kader van de bewijsvoering (inclusief presentatie en waardering van het bewijs) zal kunnen maken.
  41. Het Hof herhaalt en benadrukt hier opnieuw dat de procedure voor het Hof van Assisen wordt gekenmerkt door haar mondeling karakter. De beschuldigde kan steeds verduidelijkingen, verbeteringen en/of toevoegingen aanbrengen in zijn verklaringen en zijn uiteindelijk standpunt, vóór sluiting van de debatten en met bijstand van zijn raadslieden, mededelen en bepalen. Hij kan ook de getuigen ondervragen en hun meningen en opvattingen weerleggen en bestrijden. De jury zal in een later stadium van de procedure op onaantastbare wijze in feite de bewijswaarde beoordelen van de aldus regelmatig overgelegde gegevens, waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Er zal alsdan een keuze kunnen worden gemaakt uit de aldus verkregen bewijsmiddelen die tot een bepaalde overtuiging zullen leiden.
  42. Er bestaat in zulke omstandigheden dan ook vooralsnog geen grond om enig stuk uit het strafdossier te verwijderen. Een gebeurlijke uitspraak omtrent schuld zal geschieden na een tegensprekelijk debat en worden gesteund op bewijs, naar voor gebracht tijdens de openbare terechtzitting. De rechten van de verdediging van de beschuldigde worden alzo gewaarborgd. Onpartijdigheid onderzoeksrechter - onderzoek à décharge (punt 2.
  43. tweede conclusie)
  44. Het vermoeden van onschuld, zoals het is neergelegd in artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gebiedt dat een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. Het verbiedt dat een persoon die wordt verdacht van feiten waarover een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd, vermoed wordt de dader ervan te zijn.
  45. Wanneer een onderzoeksrechter op een bepaald ogenblik klaarblijkelijk uitging van de schuld in hoofde van de verdachte, is na te gaan of en in welke mate de na dit tijdstip gestelde handelingen door nietigheid zijn aangetast. Dergelijke miskenning van het vermoeden van onschuld leidt alvast niet noodzakelijk tot het besluit dat alle onderzoekshandelingen gesteld door de betreffende magistraat nietig zijn. Er moet worden nagegaan in welke bijzondere omstandigheden de uitspraken en mening van de onderzoeksrechter (met taak zoals omschreven in artikel 56 Sv.) werden geformuleerd.
  46. Bij de beoordeling of een zaak op een eerlijke wijze is behandeld in de zin van artikel 6, lid 1, E.V.R.M., moet opnieuw worden nagegaan of de zaak in haar geheel op een eerlijke wijze is behandeld en of de rechten van verdediging niet onherstelbaar werden gehypothekeerd.
  47. De onderzoeksrechter beoordeelt geenszins de gegrondheid van de tegen een individu ingestelde strafvordering. De vaststelling dat hij een onderzoek voert à charge en à décharge doet hieraan niets af.
  48. Uit de ondervraging van de beschuldigde door de onderzoeksrechter op 21/01/2000, in toepassing van de wet op de voorlopige hechtenis, blijkt dat de onderzoeksrechter de beschuldigde confronteerde met belastende verklaringen van twee personen. Zoals hoger in dit arrest reeds aangegeven betwistte de beschuldigde deze verklaringen. Dat blijkt heel duidelijk uit het feit dat hij toen ook tegenover de onderzoeksrechter stelde : "Ik weet dat er bezwarende verklaringen zijn tegen mij afgelegd en door K en V. Hun verklaring komt niet overeen met de waarheid. Ik heb met de dood van Joke Van Steen niets te maken" en "Als ik nu de schuld op mij zou nemen dan spaar ik iemand anders, en dat wil ik niet, daarom blijf ik mijn onschuld handhaven. Met iemand ‘anders' bedoel ik ‘de echte dader'". Hij wees de onderzoeksrechter er ook op dat verder onderzoek diende te gebeuren.
  49. In het nadien gevoerde onderzoek heeft de onderzoeksrechter op grondige en nauwkeurige wijze onderzoek gevoerd, zowel à charge als à décharge (conform hetgeen bepaald is in artikel 56 Sv.). Het Hof merkt op dat de raadsman van de beschuldigde klaarblijkelijk destijds op vrijdag 28/01/2000 de onderzoeksrechter heeft opgezocht en aan deze laatste bepaalde informatie heeft bezorgd, waarna de onderzoeksrechter bij kantschrift van 31/01/2000 opdracht gaf tot uitvoering van bijkomende onderzoeksdaden. De beschuldigde werd op 01/02/2000 verhoord en gaf toe dat hij ondertussen contact had met zijn raadsman.
  50. Uit de omstandigheid dat de onderzoeksrechter, in 2005, in antwoord op een vordering van het openbaar ministerie, stelde dat de beschuldigde de dader was, kan op zich niet worden afgeleid dat deze beschuldigde thans geen recht meer kan hebben op een eerlijk proces of dat zijn recht van verdediging op onherstelbare wijze is miskend. De onderzoeksrechter oordeelt immers niet over de gegrondheid van de ingestelde strafvordering. Ook de politie-ambtenaren hebben die bevoegdheid niet. Zij moeten enkel de misdrijven opsporen, de bewijzen ervan verzamelen en de daders ervan overleveren aan de rechtbanken belast met hun bestraffing (artikel 8 Sv.), dit alles onder leiding van de onderzoeksrechter, belast met het onderzoek à charge en à décharge.
  51. De inhoud van het strijdig bevelschrift in deze zaak betreft geenszins een onderzoeksdaad die heeft bijgedragen tot enig bewijs ten laste van de beschuldigde. De onderzoeksrechter weigerde enkel in te gaan op een vordering van het openbaar ministerie. Daartegen werd destijds geen beroep ingesteld. De onderzoeksrechter werd door de beschuldigde al evenmin op enig moment gewraakt (zie de artikelen 828, 1° en 833 Ger. Wb.). Na het uitvaardigen van de beschikking van 15/03/2005 door de onderzoeksrechter werden door deze onderzoeksrechter geen noemenswaardige onderzoeksdaden (ten laste van de beschuldigde) meer gesteld. Het onderzoek werd zelfs geëvoceerd door de Kamer van Inbeschuldigingstelling en kwam onder leiding te staan van een raadsheer-onderzoeksrechter. Omtrent het onderzoek van deze laatste werden geen opmerkingen geformuleerd.
  52. De behandeling van een zaak voor het Hof van Assisen is essentieel en integraal mondeling. De elementen die de beschuldigde aanvoert kunnen slechts onderzocht worden en blijken aan de hand van de getuigenverklaringen en het mondeling debat ter terechtzitting. Voor het Hof van Assisen heeft de beschuldigde de mogelijkheid om vrij tegenspraak te voeren omtrent de geloofwaardigheid van alle afgelegde verklaringen en de twijfel eraan te doen. Het recht op een eerlijk proces, noch het recht van verdediging komen op die wijze momenteel ernstig in het gedrang. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit momenteel kan worden besloten dat de onderzoeksrechter blijk heeft gegeven van zijn onwil tot het voeren van een onderzoek à décharge. Ook na de evocatie door de Kamer van Inbeschuldigingstelling werden onderzoeksdaden à décharge uitgevoerd.
  53. Er bestaat, gelet op al deze vaststellingen, geen grond om enige door de onderzoeksrechter gestelde of bevolen handeling nietig te verklaren of uit de debatten te weren. Schending van het beroepsgeheim tussen advocaat en cliënt
  54. Dit aspect van het verweer van de beschuldigde treft doel. De originele stukken nrs. 126/11/23, 126/11/27 en 126/11/28 zullen worden verwijderd uit het strafdossier en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep. Deze stukken zullen in het strafdossier worden vervangen door een eensluidend verklaarde kopie waarin navolgende zinsnedes zullen worden vernietigd door deze zinsnedes onleesbaar te maken : - stuk 126/11/23 : onderdeel 2 "het vast nummer op naam van D D V" : alinea 2 - twee zinnen; - stuk 126/11/27 : eerste zin van het onderdeel 2 (‘het vast nummer op naam van D D V'); - stuk 126/11/28 : eerste zin van het onderdeel 3 (‘de e-mail berichten'). *
  55. Hetgeen door de partijen wordt aangevoerd in conclusies kan aan de besluitvorming van het Hof geen afbreuk doen.
  56. De continuïteit van de debatten en de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn overeenkomstig artikel 6 E.V.R.M. vereist dat onderhavig arrest bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard, niettegenstaande elk verhaal. Op deze gronden, het Hof van Assisen Gelet op de hiervoor vermelde artikelen en de artikelen: 2 en 19 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken; 148 en 149 van de Grondwet; 203 §3, 312bis en 407 van het Wetboek van Strafvordering; Verklaart de strafvordering ontvankelijk. Zegt dat er geen grond bestaat om enig stuk of enige onderzoekshandeling uit de debatten te weren, ter uitzondering evenwel wat betreft de navolgende stukken : - stuk 126/11/23 : onderdeel 2 "het vast nummer op naam van D D V" : alinea 2 - twee zinnen; - stuk 126/11/27 : eerste zin van het onderdeel 2 (‘het vast nummer op naam van D D V'); - stuk 126/11/28 : eerste zin van het onderdeel 3 (‘de e-mail berichten'). die zullen worden verwijderd uit het dossier en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep. Zegt dat de originele stukken in het strafdossier zullen worden vervangen door een eensluidend verklaarde kopie waarin navolgende zinsnedes zullen worden vernietigd door deze zinsnedes onleesbaar te maken : - stuk 126/11/23 : onderdeel 2 "het vast nummer op naam van D D V" : alinea 2 - twee zinnen; - stuk 126/11/27 : eerste zin van het onderdeel 2 (‘het vast nummer op naam van D D V'); - stuk 126/11/28 : eerste zin van het onderdeel 3 (‘de e-mail berichten'). Verklaart dit arrest, gezien de hoogdringendheid van de zaak, uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande ieder rechtsmiddel en zegt dat de zaak onmiddellijk zal worden voortgezet. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen, zetelend te Gent, op drie mei tweeduizend en tien. Aanwezig : - de heer Martin Minnaert, Raadsheer in het Hof van Beroep te Gent, die als voorzitter voor de afhandeling van deze zaak opdracht heeft gekregen van de heer Eerste Voorzitter van dat Hof van Beroep bij bevelschrift van 14 december 2009; - de heer Anthony Van Mol, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, aangewezen bij beschikking van de heer waarnemend voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 14 april 2010, en mevrouw Katja Jansegers, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, aangewezen bij beschikking van de heer waarnemend voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 30 april 2010, assessoren, de ondervoorzitters en oudere benoemde rechters wettelijk verhinderd zijnde; - de heer Willem De Pauw, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, die het ambt van openbaar ministerie waarneemt; - mevrouw Mia Cocquyt, griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent, die het ambt van griffier van het Hof van Assisen waarneemt. Welke magistraten, met uitzondering van het openbaar ministerie, dit arrest hebben ondertekend, samen met de griffier. M. COCQUYT K. JANSEGERS A. VAN MOL M. MINNAERT Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.