id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100607.8 Rolnummer: 2010-AR-0566 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-01 13:08 Fiche Het verzoekschrift in hoger beroep bevat geen enkele grief die betrekking heeft op het bestreden vonnis. Het verzoekschrift is identiek aan het verzoekschrift in de zaak gekend onder het rolnummer 2010/AR/ 565, dat betrekking heeft op een ander vonnis. Nu het verzoekschrift in het geheel niet handelt over en dus ook geen grieven bevat tegen het vonnis waarbij het verzoek tot bevrijding van appellanten als kosteloze borgstelling afgewezen werd, is het voor geïntimeerden niet mogelijk een zinnig verweer te ontwikkelen. Artikel 1057,7° Ger. Wb. is geschonden. De onmogelijkheid om een zinnig verweer op te stellen en het feit dat enkel herhaald kon worden wat in eerste aanleg geargumenteerd werd, veroorzaken in deze zaak een belangenschade. Beide geïntimeerden hebben kosten en moeite moeten doen, terwijl ze eigenlijk niet wisten wat de bezwaren waren tegen de uitspraak. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Nietigheid en vonnis Vrije woorden: Nietigheid hoger beroep 1057, 7° Ger. WB Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP te Gent 7de Kamer Terechtzitting van 07 juni 2010 __________ 2010/AR/566 - In de zaak van:
- D....L...... E......, en
- D..... M........ ........., samenwonende te ....................., appellanten, niet verschenen, noch vertegenwoordigd, hebbende als raadsman mr. GLORIEUX Raymonda, advocaat te 9630 ZWALM, Kazernestraat 9, (referte: 10904) tegen:
- D...... J........, wonende te ......................., eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE HAUW Edward, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Voorburg 3, (referte: EL 17.654)
- FORTIS BANK N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Warandeberg 3, KBO nr. 0403.199.702, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN STEENBRUGGE Walter, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2, (referte: 08.440) velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 2 maart 2010 tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde (09/107/A) van 31 december 2009, tweede kamer. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.
- Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. Op de inleidende zitting van 22 maart 2010 werd de rechtsdag bepaald op 10 mei 2010 om 15.
- In toepassing van artikel 754 Ger. Wb. werd de raadsman van appellanten hiervan op de hoogte gebracht. Beide geïntimeerden namen hun voordeel. Gelet op dit alles vond de procedure rechtsgeldig en op tegenspraak plaats, ook al verschenen de raadsman van appellanten en ook zijzelf niet op de pleitzitting. Er werd kennis genomen van de overtuigings- en procedurestukken. II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft in eerste instantie de vraag naar de nietigheid van de procedure in hoger beroep. In geval er geen nietigheid is, rest de vraag naar de bevrijding van appellanten als kosteloze zekerheidstellers.
- De eerste rechter verklaarde onder meer de heer E..... D... L.....en mevrouw R.... D... N....... niet bevrijd van de verbintenissen die ze als kosteloze zekerheidstellers op zich namen. III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- Het verzoekschrift in hoger beroep bevat geen enkele grief die betrekking heeft op de ongegrond verklaring van het verzoek tot bevrijding als kosteloze zekerheidsteller. Appellanten vragen de schuldsplitsing en de aanstelling van een deskundige.
- De heer J...... D......vordert de ontoelaatbaar verklaring, min-stens de ongegrond verklaring van het hoger beroep.
- Fortis Bank vraagt in hoofdorde de nietig verklaring, minstens de ontoelaatbaar verklaring van het hoofdberoep. Ondergeschikt vordert zij de afwijzing als ongegrond. Verder stelt Fortis Bank incidenteel hoger beroep in met als doel het bestreden vonnis te doen hervormen in de mate de eerste rechter de rechtsplegingvergoeding gecompenseerd heeft in de plaats van deze ten laste te leggen van appellanten, die als de in het ongelijk gestelde partijen moeten beschouwd worden. Tenslotte stelt de Fortis Bank een tussenvordering in die ertoe strekt appellanten te veroordelen wegens het instellen van ter-gend en roekeloos hoger beroep tot het betalen van een schadevergoeding van euro 5.000,
- IV Bespreking Het hoger beroep is nietig
- Het verzoekschrift in hoger beroep bevat geen enkele grief die betrekking heeft op het bestreden vonnis. Het verzoekschrift is identiek aan het verzoekschrift in de zaak gekend onder het rolnummer 2010/AR/ 565, dat betrekking heeft op een ander vonnis. Nu het verzoekschrift in het geheel niet handelt over en dus ook geen grieven bevat tegen het vonnis waarbij het verzoek tot bevrijding van appellanten als kosteloze borgstelling afgewezen werd, is het voor geïntimeerden niet mogelijk een zinnig verweer te ontwikkelen. Artikel 1057,7° Ger. Wb. is geschonden. De onmogelijkheid om een zinnig verweer op te stellen en het feit dat enkel herhaald kon worden wat in eerste aanleg geargumenteerd werd, veroorzaken in deze zaak een belangenschade. Beide geïntimeerden hebben kosten en moeite moeten doen, terwijl ze eigenlijk niet wisten wat de bezwaren waren tegen de uitspraak. Om deze redenen is het verzoek tot hoger beroep nietig. Het incidenteel hoger beroep
- Artikel 1054, lid 2 Ger. Wb. bepaalt dat het incidenteel beroep niet kan worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard (zie ook Cass. 25 januari 1991, www.cass.be). Nu het hoofdberoep nietig werd verklaard op grond van artikel 1057 Ger. Wb., is het incidenteel hoger beroep niet toelaat-baar. De tussenvordering wegens tergend en roekeloos geding
- Het incidenteel hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis geheel of gedeeltelijk te horen hervormen (samenlezing van artikel 1054 en 1050 Ger. Wb.). De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep vormt geen incidenteel hoger beroep, maar is een tussenvordering (artikel 13 en 14 Ger. Wb.). De toelaatbaarheid ervan is derhalve niet geregeld in artikel 1054, lid 2 Ger. Wb., maar volgt de gemeenrechtelijke bepalingen van de toelaatbaarheid in het gerechtelijk procedurerecht. De vordering wegens tergend en roekeloos beroep bevat geen nieuwe feiten in het geding, maar vloeit voort uit het ingestelde hoger beroep. In deze zaak is de vordering dan ook toelaatbaar.
- Het instellen van een vordering, of van hoger beroep tegen een vonnis waardoor men zich gegriefd voelt, is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering of het hoger beroep werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering of een hoger beroep is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. Het hof is van oordeel dat in deze zaak het hoger beroep roekeloos is. Een normaal zorgvuldig persoon zou dit hoger beroep niet ingesteld hebben en het vooral niet op die wijze ingesteld hebben. De naam van één der verzoekende partijen is niet volledig. De grieven zijn niet uiteen gezet. Een dergelijke proceshouding veroorzaakt schade. De verwerende partijen zijn nodeloos opnieuw in rechte opgeroepen en hebben een verweer moeten ontwikkelen. Een vergoeding ex aequo et bono van euro 100,00, waarbij rekening gehouden wordt met de omstandigheden van de zaak, wordt toegekend. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten in solidum tot betaling van de kosten veroor-deeld. De tussenvordering wordt niet apart beoordeeld, nu zij kadert in het verweer tegen het hoofdberoep. Gelet op de aard van de zaak wordt de rechtsplegingvergoeding herleid tot de minimum vergoeding, dit is euro
- OP DIE GRONDEN, Het Hof: - Verklaart het principaal hoger beroep nietig op grond van artikel 1057, 7° Ger. Wb.; - Verklaart het incidenteel hoger beroep niet toelaatbaar op grond van artikel 1054, lid 2 Ger. Wb.; - Verklaart de tussenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep toelaatbaar en gegrond in de hierna volgende mate; - Veroordeelt appellanten in solidum tot het betalen van een schadevergoeding aan de nv Fortis Bank van euro 100,00 wegens roekeloos hoger beroep; - Verwerpt de vorderingen voor het overige; - Veroordeelt appellanten in solidum tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: eerste geïntimeerde: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 75,00 tweede geïntimeerde: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 75,00 Adus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag zeven juni tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div