← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100611.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100611.8 Rolnummer: Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-11-18 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-07-01 13:11 Fiche Een aannemingsovereenkomst kan geldig tot stand komen zonder dat de prijs vastligt. De prijsbepaling kan ook na de uitvoering van de opdracht gebeuren door partijbeslissing, binnen bepaalde grenzen en criteria. Het hof onderzoekt het referentiekader en de criteria om na te gaan of teveel werd aangerekend of niet. Een deskundige wordt aangesteld voor advies. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FACTUUR - BESTELBON - Andere (factuur - bestelbon) Vrije woorden: Aanneming -factuur - prijs - prijsbepaling door partijbeslissing - protest - deskundig advies Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ terechtzitting van 11 juni 2010 ________ TA + BR AANSTEL DESK : Dhr. Guy BEEL, Boonstede 42, 9031 Gent-Baarle, evaluatie deskundige : 15.04.2011 - 9u00 2009/AR/475 in de zaak van: SEA AND CAR MOTORS N.V., met maatschappelijke zetel te 8400 OOSTENDE, Sloepenstraat 1, ingeschreven met KBO-nr. : 0435.430.030 appellante, hebbende als raadsman mr. VANDERMARLIERE Dirk, advocaat te 8630 VEURNE, Noordstraat 14 tegen: BEMA B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8400 OOSTENDE, Nieuwewerfkaai 1, ingeschreven met KBO-nr. : 0462.228.721 geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANQUATHEM Georges, advocaat te 8301 HEIST-AAN-ZEE, Invalidenlaan 14 Wijst het Hof volgend arrest :

  1. procedure Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van de 3de kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge (afdeling Oostende) van 8 januari 2009 inzake AR. nr. A/08/
  2. Tegen dit vonnis werd door de N.V. SEA AND CAR MOTORS tijdig en geldig hoger beroep ingesteld. De partijen werden bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
  3. de feiten en betwisting 2.
  4. De B.V.B.A. BEMA factureerde op 22 mei 2007 een bedrag van 176,66 EUR voor prestaties en leveringen en op 28 juli 2007 een bedrag van 4.259,20 EUR voor het vervaardigen en leveren van stalen voetsteunen met kogelgewricht. Op 6 augustus 2007 stuurde de N.V. SEA AND CAR MOTORS deze laatste factuur terug aangezien zij naar eigen zeggen niet akkoord kon gaan met de aangerekende prijs. Geen van beide facturen werd betaald. 2.
  5. Voor de eerste rechter vorderde de B.V.B.A. BEMA, in een bij voorraad uitvoerbaar te verklaren vonnis, de veroordeling van de N.V. SEA AND CAR MOTORS tot betaling van 4.879,45 EUR, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de conventionele intrestvoet van 12% per jaar vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de algehele betaling, alsook met de kosten van het geding. Ondergeschikt verzocht de B.V.B.A. BEMA om de aanstelling van een gerechtsdeskundige. 2.
  6. De eerste rechter verklaarde de vordering van de B.V.B.A. BEMA ontvankelijk en gegrond in volgende mate. De eerste rechter veroordeelde de N.V. SEA AND CAR MOTORS tot betaling aan de B.V.B.A. BEMA van het bedrag van 3.903,46 EUR, te vermeerderen met een forfaitaire schadevergoeding van 390,35 EUR, alsook met de moratoire interesten aan de conventionele interestvoet van 12% per jaar op 176,66 EUR vanaf 22 mei 2007 en op 3.726,80 EUR vanaf 28 juli 2007 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire intrest tot op de dag van de algehele betaling. De eerste rechter verwees de N.V. SEA AND CAR MOTORS in de kosten van het geding, aan de zijde van de B.V.B.A. BEMA vereffend op 222,84 EUR dagvaardingskosten en 900,00 EUR rechtsplegingvergoeding. De eerste rechter stond de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe overeenkomstig artikel 1398 van het gerechtelijk wetboek en zegde voor recht dat er geen redenen voorhanden zijn om de mogelijkheid tot kantonnement uit te sluiten. 2.
  7. De N.V. SEA AND CAR MOTORS gaat in beroep en vraagt de hervorming van het vonnis van de eerste rechter alsmede dat de oorspronkelijke vordering van de B.V.B.A. BEMA slechts gegrond zou worden verklaard ten belope van 146,00 EUR (exclusief BTW) uit hoofde van factuur nr. 27090 en ten belope van 1.100,00 EUR (exclusief BTW) uit hoofde van factuur nr. 27150 en dat al het meergevorderde zou worden afgewezen als ongegrond met veroordeling van de B.V.B.A. BEMA tot de kosten van het geding. 2.
  8. De B.V.B.A. BEMA vraagt dat het door appellante ingestelde hoger beroep ontvankelijk zou worden verklaard, doch dat dit integraal zou worden afgewezen als ongegrond. De B.V.B.A. BEMA vraagt (bij wijze van impliciet incidenteel hoger beroep) dat haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard en dat de N.V. SEA AND CAR MOTORS dienvolgens zou worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van 4.879,45 EUR, meer de conventionele verwijlintresten van 12% per jaar op voormeld bedrag te rekenen vanaf de respectieve vervaldata der facturen tot de datum van dagvaarding en meer de gerechtelijke rente aan dezelfde conventionele rentevoet te rekenen vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der algehele betaling. De B.V.B.A. BEMA vraagt tevens dat de N.V. SEA AND CAR MOTORS zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding
  9. bespreking 3.
  10. de factuur van 22 mei 2007 De N.V. SEA AND CAR MOTORS betwist de factuur van 22 mei 2007 niet, evenmin als de conventionele intresten en de forfaitaire schadevergoeding. De eerste rechter kende de m.b.t. deze factuur gevorderde hoofdsom, conventionele intresten en schadebeding dan ook terecht toe. 3.
  11. de factuur van 28 juli 2007 3.2.
  12. De factuur van 28 juli 2007 werd geprotesteerd op 6 augustus
  13. 3.2.
  14. Met de eerste rechter kan worden ingestemd wanneer hij zegt dat de B.V.B.A. BEMA ten onrechte stelt dat het protest van de N.V. SEA AND CAR MOTORS niet voldoende concreet zou zijn: het blijkt immers duidelijk dat de in rekening gebrachte eenheidsprijs wordt betwist. 3.2.
  15. De partijen zijn het er over eens dat er geen voorafgaande afspraken werden gemaakt omtrent de prijs van de bestelde voetsteunen. 3.2.3.
  16. 3.2.3.1.
  17. In het algemeen wordt voorgehouden dat de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst een wilsovereenstemming veronderstelt omtrent de prijs en de te leveren prestatie (zie ook : FLAMME, M.-A. en FLAMME, P., "Le droit des constructeurs", T. Aann., Nationale Confederatie voor het Bouwbedrijf, 1984, 15 nr. 15; VAN MULLEN, J. en ERNOTTE, M.-C., Le contrat d'entreprise, Luik, Presses Universitaires de Liège, 1988, 18 nr. 27; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 297 randnr. 356). In de praktijk is het evenwel niet houdbaar te vereisen dat de prijs op het ogenblik van de wilsovereenstemming in zijn totaliteit wordt vastgelegd aangezien op dat ogenblik de omvang van de te verrichten prestaties en de eventueel daarbij te gebruiken materialen in veel gevallen nog niet kan worden ingeschat (zie ook : Rb. Luik, 19 september 1991, J.L.M.B., 1992, p. 387). Er dient dan ook te worden aanvaard dat de aannemingsovereenkomst geldig tot stand kan komen zonder dat de prijs op het ogenblik van de wilsovereenstemming vastligt (zie ook : Bergen, 11 mei 1993, T.B.H., 1994, p. 436; Gent, 30 mei 1997, T.G.R., 1997, p. 140; Gent, 22 april 1998, A.J.T., 1998-99, 670). Deze op het eerste zicht lijkende paradox (prijs als essentieel element van de wilsovereenstemming en de mogelijkheid de prijs niet vooraf vast te leggen) is bij nader toezien geen uitzondering op het verbintenisrechtelijke vereiste van een bepaald of bepaalbaar voorwerp (art. 1108 en 1129 BW) : het beginsel dat de prijs op het ogenblik van het sluiten van de aannemingsovereenkomst niet bepaald hoeft te zijn, is immers een toepassing van de rechtsfiguur van de partijbeslissing. De partijen zijn het er m.a.w. over eens de vaststelling van de prijs na de uitvoering van de opdracht aan één van de partijen, meestal maar niet noodzakelijk de aannemer, over te laten die de prijs dan te goeder trouw en binnen de grenzen van de redelijkheid bepaalt, met een marginaal toetsingsrecht van de rechter. De bepaling van het voorwerp van de aannemingsovereenkomst door middel van een partijbeslissing is voldoende om van een bepaalbare prijs te spreken om te voldoen aan de voorschriften van de artikelen 1126 en 1129 BW (zie ook : Antwerpen, 3 mei 1999, T.B.B.R., 2000, p. 52; Rb. Hasselt, 21 februari 1983, R.W., 1985-86, 1646; STORME, M.E., "De bepaling van het voorwerp van een verbintenis bij partijbeslissing", T.P.R., 1988, p. 1271 randnr. 11; WYLLEMAN, B., "Kanttekeningen bij de leer van de bindende kracht van het aanbod", T.B.B.R., 1994, 470; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 299 randnr. 357). 3.2.3.1.
  18. Indien de prijs niet vooraf werd bepaald en de partijen (eventueel stilzwijgend) een beroep doen op de prijsbepaling door partijbeslissing, wordt de prijs behoudens een wettelijke bepaling en onder voorbehoud van de deontologische voorschriften ter zake door de aannemer als schuldeiser bepaald. Alhoewel dit in de praktijk niet zo vaak zal voorkomen, belet niets dat deze bevoegdheid contractueel aan de opdrachtgever wordt toevertrouwd. Indien de bevoegdheid om de prijs te bepalen aan geen van de partijen stilzwijgend of uitdrukkelijk werd toevertrouwd, moet men ervan uitgaan dat de aannemer deze bevoegdheid heeft als schuldeiser van de prijs. Hij is immers in beginsel het beste geplaatst om de omvang en de aard van de verrichtte prestatie te beoordelen en een gerechtvaardigde prijs vast te leggen (Bergen, 11 mei 1993, T.B.H., 1994, 436; Luik, 3 oktober 1997, J.L.M.B., 1998, 1844; Kh. Brussel, 14 oktober 1983, T. Aann., 1986, 257; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 637-638, randnr. 749). 3.2.3.1.
  19. De aannemer of opdrachtgever die de prijs op het einde van de uitvoering van de werken vaststelt, dient deze bevoegdheid te goeder trouw uit te voeren (Luik, 3 oktober 1997, J.L.M.B., 1998, 1844; Kh. Brussel, 14 oktober 1983, T. Aann., 1986, 257; Kh. Brussel, 16 september 1987, T.B.H., 1988, 245; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk diensten-contract, Brugge, die Keure, 2003, p. 638, randnr. 750). In het algemeen en onder voorbehoud van afwijkende wettelijke of deontologische bepalingen, dient de aannemer bij de bepaling van de prijs na de uitvoering van de overeenkomst daarenboven rekening te houden met de door de aannemer gedane uitgaven, de waarde van de werken en de door de aannemer gewoonlijk aangerekende prijzen (Rb. Brussel, 28 juni 1989, J.L.M.B., 1992, 1042; VERHEYDEN-JEANMART N. en DURANT I., "La rémunération dans les contrats de service", in Les contrats de service, Brussel, Ed. Jeune Barreau, 1994, 72; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 638, randnr. 750). Zo komen niet enkel de effectief gedane kosten of de objectieve waarde van de werken in aanmerking, doch ook de inspanningen en de tijdsbesteding van de aannemer evenals de subjectieve waarde die de werken voor de opdrachtgever hebben. Concreet gaat het dan over de prestaties die de aannemer heeft verricht, de tijd die hij heeft besteed en de materialen die hij heeft gebruikt (zie ook : Gent, 22 april 1998, A.J.T., 1998-99, 670), de prijzen die de aannemer gewoonlijk hanteert en de reputatie van de dienstverstrekker en het behaalde resultaat. Daarnaast dient ook rekening te worden gehouden met de marktprijzen en de prijzen die de aannemer gebruikelijk aanrekent voor gelijkaardige diensten (zie ook : Antwerpen, 3 mei 1999, T.B.B.R., 2000, 52). Deze criteria mogen evenwel niet in abstracto worden bekeken, doch in het licht van de concrete omstandigheden zoals de wijze waarop de aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen en de invloed daarvan op de prijs (zie ook : Kh. Brussel, 11 juni 1968, B.R.H., 1969, 411 : de enkele vaststelling dat de aangerekende prijs bij een aanneming die na een onderhandse procedure tot stand kwam, hoger ligt dan hetgeen zou zijn aangerekend indien een aanbestedingsprocedure was uitgeschreven, volstaat niet om deze prijs als overdreven te kwalificeren). De concrete (eventueel economisch nadelige) manier waarop een bepaalde aannemer te werk gaat en het daaruit voortvloeiende prijsverschil ten opzichte van zijn concurrenten komt in beginsel evenwel niet in aanmerking (zie ook : Kh. Kortrijk, 30 september 1996, T.W.V.R., 1997, 168 met noot L. VAN DORPE; MERCHIERS Y., "De problemen in verband met de uitvoering", in J. LAFFINEUR (ed.), De dienstverlening en de consument, Brussel, Story-Scientia, 1990, p. 99, nr. 48). Het prijsverschil dat uit de concrete werkwijze van de aannemer voortvloeit, volstaat niet om van een onredelijk hoge prijs te kunnen spreken die dient te worden gematigd, de opdrachtgever staat immers in voor de keuze van bekwame aannemer (zie ook : Brussel, 15 november 1973, niet gepubliceerd maar aangehaald bij FLAMME M.-A. en FLAMME P., Le contrat d'entreprise, dix ans de jurisprudence (1966-1970), Brussel, Larcier, 1976, p. 14 nr. 15 : het prijsverschil was te wijten aan een gebrekkige organisatie van de aannemer, welke ondanks zijn gebrekkige organisatie toch een prijs diende te bepalen die hem een normale winstmarge liet; Kh. Kortrijk, 30 september 1996, T.W.V.R., 1997, 168, noot L. VAN DORPE : de gevolgen van een inefficiënte werkwijze komen voor rekening van de opdrachtgever). De werkwijze van de aannemer kan in voorkomend geval ook een invloed hebben op de kwaliteit van het werk en komt in die mate wel als criterium in aanmerking (GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 639, randnr. 751). 3.2.3.1.
  20. De rechter beschikt over een marginale toetsing bevoegdheid ten aanzien van de wijze waarop de aannemer of de opdrachtgever de prijs heeft bepaald. Hij kan de prijs derhalve enkel aanpassen indien aan de hand van de hogervermelde criteria blijkt dat de aannemer om de opdrachtgever kennelijk overdreven heeft (zie ook : Kh. Brussel, 11 juni 1968, B.R.H., 1969, 411; Rb. Hasselt, 21 februari 1983, Limb. Rechtsl., 1983, 54; Kh. Brussel, 16 september 1987, T.B.H., 1988, 245; Kh. Kortrijk, 30 september 1996, T.W.V.R., 1997, 168). In voorkomend geval kan de rechter een deskundige aanstellen om de waarde van de werken te bepalen . 3.2.3.1.
  21. Er bestaat een onderscheid tussen de bewijslast met betrekking tot de omvang van de verrichte diensten en deze met betrekking tot de overdreven aard van de prijs. De bewijslast met betrekking tot de uitvoering van de betreffende prestaties rust op de aannemer die er betaling van vordert. De aannemer dient met andere woorden aan te tonen dat hij de prestaties waarvoor hij betaling eist, effectief heeft verricht (zie ook : Bergen, 6 mei 1975, Pas., 1976, II, 39; Gent, 16 februari 1988, T. Aann., 1990, 96; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 463, randnr. 534). Met betrekking tot het overdreven karakter van de prijsbepaling bestaat een discussie omtrent de vraag wie het al dan niet overdreven karakter van de vergoeding moet bewijzen. Men kan het probleem evenwel niet uitsluitend in termen van bewijslast of -risico zien. Het is immers aan de rechter om te oordelen of de vastgestelde prijs al dan niet overdreven is. Beide partijen dienen derhalve elementen aan te dragen die wijzen op de al dan niet overdreven aard van de prijs. Zo zal de opdrachtgever die van oordeel is dat de door de aannemer vastgestelde prijs overdreven is, dit moeten ondersteunen (zie ook : Kh. Brussel, 14 oktober 1983, T. Aann., 1986, 257; Kh. Brussel, 16 september 1987, T.B.H., 1988, 245; Kh. Hasselt, 23 september 1991, Limb. Rechtsl., 1992, 336, noot B. PONET). Het volstaat terzake niet zich te beperken tot de eis een deskundige aan te stellen, hiervoor moet de opdrachtgever het overdreven karakter van de gevraagde prijs aannemelijk maken en minstens een begin van bewijs van het overdreven karakter leveren (zie ook : Kh. Brussel, 28 oktober 1966, B.R.H., 1967, 36; Kh. Brussel, 16 september 1987, T.B.H., 1988, 245; FLAMME M.-A. en FLAMME P., Le contrat d'entreprise, quinze ans de jurisprudence (1975-1990), Brussel, Larcier, 1991, p. 33 nr. 31; GOOSSENS, W., Aanneming van werk : het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 641, randnr. 753). 3.2.3.
  22. In casu wordt de kwaliteit van de geleverde voetsteunen niet betwist of in vraag gesteld. In casu betreft de betwisting enkel de door de aannemer aangerekende prijs. 3.2.3.2.
  23. De N.V. SEA AND CAR MOTORS legt de factuur voor van de N.V. VLAEMINCK van 26 december 2007 (stuk 2 N.V. SEA AND CAR MOTORS). Deze factuur betreft voetsteunen in kunststof (Ertalon) en is dus op generlei wijze een indicatie. Ook de offerte van de N.V. VLAEMINCK van 26 maart 2009 (stuk 5 N.V. SEA AND CAR MOTORS) kan niet als valabel bewijs gehanteerd worden, het dateert van na het vonnis van de eerste rechter en er kan met reden getwijfeld worden of dit niet is opgesteld geweest louter voor de noodwendigheden van het onderhavige geding. Ook de foto's (stukken 3 en 4 N.V. SEA AND CAR MOTORS) en het tonen ter terechtzitting van de voetsteunen, waarvan de ene beweerdelijk gemaakt is door de B.V.B.A. BEMA en de andere door de N.V. VLAEMINCK, kunnen geen definitief uitsluitsel geven van enige overdreven prijs. Er bestaat dan ook twijfel omtrent de prijscorrectie die de eerste rechter toepaste (van 20,00 EUR excl. BTW per stuk) en alvorens de beslissing op dit punt te bevestigen of te hervormen past het de bevindingen van de aangestelde gerechtsdeskundige af te wachten (zie hierna). 3.2.3.2.
  24. De factuur van de B.V.B.A. BEMA van 28 juli 2007 (stuk 2 B.V.B.A. BEMA) vermeldt : "maken van voetsteunen met kogelgewricht D50 (11st)" D60 (11st)" Het gefactureerde bedrag in hoofdsom betreft : 3.520,00 EUR (het factuurbedrag BTW inclusief bedraagt 4.259,20 EUR). In besluiten argumenteert de B.V.B.A. BEMA nog op p. 5 randnr 8 : "Louter volledigheidshalve verwijst concludente naar de factuur n° 60526 dd. 17 juli 2007 uitgaande van de N.V. STROBBE ENGINEERING. De kwestieuze factuur betreft uitsluitend de kogelgewrichten gebruikt voor de voetsteunen zoals door appellante besteld. Hieruit blijkt reeds een eenheidsprijs voor de kwestieuze kogelgewrichten ten belope van respectievelijk euro 112,00 en euro 121,00 !!!" De hoger door de B.V.B.A. BEMA aangehaalde factuur van de N.V. STROBBE ENGINEERING van 17 juli 2007 vermeldt : "ALGEM D Kogelgewricht Dia 50 compleet (aantal)11 (prijs) 112,00 (totaal) 1.232,00 ALGEM D Kogelgewricht Dia 60 compleet (aantal)11 (prijs) 121,00 (totaal) 1.331,00" Het gefactureerde bedrag in hoofdsom betreft : 2.563,00 EUR (het factuurbedrag BTW inclusief bedraagt 3.101,23 EUR). Zelfs als de N.V. STROBBE ENGINEERING als loutere uitvoeringsagent van de B.V.B.A. BEMA heeft gehandeld en zelfs als deze laatste louter heeft doorgefactureerd met een winstmarge, blijft de vraag bestaan of nu voor het kwestige werk kennelijk te veel werd aangerekend of niet (rekening houdende met het hoger geschetste referentiekader onder randnr. 3.2.3.1.3.). Het past (zoals hoger reeds gezegd), alvorens verder recht te doen, een deskundige aan te stellen met de opdracht zoals hierna bepaald in het dispositief. OM DEZE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
  25. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Bevestigt het vonnis van de eerste rechter wat betreft de uitspraak omtrent hoofdsom, conventionele intresten en schadebeding met betrekking tot de litigieuze factuur van 22 mei
  26. Alvorens verder recht te doen ten gronde wat betreft de factuur van 28 juli 2007, stelt aan als gerechtsdeskundige, bij gebrek aan partijkeuze, de heer Guy BEEL, Boonstede 42, 9031 Gent-Baarle, tel.: 09 3450165, met opdracht : - na voorgaande verwittiging van de partijen en hun raadslieden; - kennis te nemen van de stukken en alle dienstige bescheiden, haar door partijen te bezorgen overeenkomstig art. 972bis § 1 Ger.W. alsook desbetreffende alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden; - partijen te horen en hun verzoening te bevorderen; - zijn advies te geven over de door de B.V.B.A. BEMA in haar factuur van 28 juli 2007 gefactureerde prijs, meerbepaald of deze prijs kennelijk overdreven voorkomt rekening houdende met het hoger onder randnr. 3.2.3.1.
  27. geschetste referentiekader en in voorkomend geval - aan te duiden wat dan wel een correcte prijs zou geweest zijn in de gegeven omstandigheden. - alle dienstige vragen van partijen te beantwoorden; - na afloop van deze verrichtingen kennis te geven aan de partijen van het voorverslag en navolgend omstandig antwoord te geven op hun dienende opmerkingen, die zij hem laten geworden binnen de 14 dagen na de toezending van het voorverslag; - het onder eed bevestigd verslag ter griffie van dit hof in te dienen binnen de 6 maanden na het aanvaarden van de opdracht. Dit alles met inachtneming van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (zoals gewijzigd bij wet van 30 december 2009, B.S. 15 januari 2010, in werking getreden op 25 januari 2010); Verstaat dat de vergadering aanvang werkzaamheden zal worden gehouden op de plaats en datum te bepalen door de gerechtsdeskundige, na overleg en afspraak met de partijen; Verstaat dat de gerechtsdeskundige na de partijen hiervan schriftelijk te hebben verwittigd betreffende diens werkzaamheden of bepaalde deelaspecten ervan, nader advies kan inwinnen van speciaal daartoe bevoegde technische raadgevers, adviezen die tegensprekelijk in het deskundig verslag dienen te worden opgenomen; Voorziet dat de gerechtsdeskundige en de partijen of hun raadslieden, in toepassing van artikel 973 §1 Ger. W. op vrijdag 15 april 2011 om 9u zullen verschijnen voor de 9ter kamer van het hof, zetelende in raadkamer, teneinde toelichting te verschaffen over het verloop van de deskundige werkzaamheden; Verstaat evenwel dat deze verschijning zal vervallen indien het verslag vóór de gestelde datum wordt neergelegd of indien alle partijen hun schriftelijk akkoord hebben gemeld met een verlenging van de toegestane termijn; Zegt dat de partijen elk voor de helft de kosten en de erelonen van de gerechtsdeskundige zullen voorschieten; Bepaalt het voorschot, aldus door hen ter griffie van het hof te consigneren binnen de 8 dagen na de kennisname van onderhavig arrest, op 1.000,00 EUR + 21 % BTW, samen zijnde 1.210,00 EUR (waarvan elk de helft, dus elk 500,00 EUR + 21% BTW, hetzij samen 605,00 EUR); Bepaalt het redelijk deel van het voorschot dat reeds aan de gerechtsdeskundige kan worden vrijgegeven, teneinde de kosten van het onderzoek te kunnen dekken, op 375,00 EUR + 21 % BTW, samen zijnde 453,75 EUR; Houdt de beslissing over de gedingkosten aan; Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van de 9ter kamer van dit hof; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 11 juni 2010 Aanwezig: Martin Van den Bossche, raadsheer wn. voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.