id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100616.5 Rolnummer: 2008-AR-2226 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-09-13 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 13:15 Fiche De bijzondere verjaringstermijn, zoals bepaald in de Chequewet, is echter enkel van toepassing op 'de regresvorderingen van de houder tegen de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars', alsmede de 'regresvorderingen van de verschillende tot betaling van een cheque verbonden schuldenaars tegen elkander'. geen samenloopverbod tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid wanneer de verweten fout ook een misdrijf uitmaakt. De omstandigheid dat de geleden schade een contractuele schade is, belet niet dat de vordering op grond van artikel 1382 B.W. kan worden ingesteld, mits de fout tevens een misdrijf is De burgerlijke vordering op basis van de uitgifte van een ongedekte cheque is mogelijk wanneer er tussen de uitgifte van de cheque en de levering een oorzakelijk verband bestaat . Dit houdt in dat de vermogensverarming zich niet zou voorgedaan hebben zonder het misdrijf. Artikel 5 Sw. voert een strafuitsluitende verschoningsgrond in. Dit belet niet dat de strafrechter nog bevoegd is om zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon op burgerlijk vlak te veroordelen Ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de Procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. De burgerlijke rechter is een openbaar ambtenaar in de zin van deze bepaling. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Algemeen (misdrijven en hun straffen) Vrije woorden: Chequewet - verjaring - toepassingsgebied - Extracontractuele Aansprakelijkheid (geen samenloop) - misdrijf - uitgifte ongedekte chque - onzakelijk verband - Art. 5 Sw strafuitsluitungsgrond - (geen) gevolgen op burgerrechtelijk vlak. Verplichting tot melding aan Pdk van het bestaan van een misdrijf. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 16 juni 2010 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/2226 van: FLOKSER INSAN YAPIMI DERI VE SUET, vennootschap naar Turks recht met zetel te Catalca Istanbul (Turkije) Hedmköy Istasyon Mh. Atatürk San. Bölgesi Urgüplü Cad. N° 1, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 27-11-2007, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. SUSTRONCK Geert, advocaat te 8500 Kortrijk, Burg. Nolfstraat 10 tegen : V......... D............., wonende te .........................., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. FRANCOIS Yves, advocaat te 8790 Waregem, Eertbruggestraat 10 velt het hof het volgend arrest. Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord en kennis genomen van hun stukken en conclusies. Het hoger beroep tegen het vonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, van 27 november 2007 (AR nr. 07/412) werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 1 september
- Het is regelmatig naar de vorm. Het is eveneens tijdig aangezien er geen betekeningsakte wordt voorgelegd en door geen van de partijen beweerd wordt dat het vonnis betekend is. D............V.............. houdt niet voor dat het hoger beroep onontvankelijk is, terwijl het hof evenmin redenen van onontvankelijkheid vaststelt. Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk. Antecedenten
- Op 21.4.2006 bestelde de nv Ravertex, waarvan D........... V.............. (hierna "V.............." genoemd) afgevaardigd bestuurder was, bij de vennootschap naar Turks recht Flokser Insan Yapimi Deri Ve Suet (hierna in het kort "F............." genoemd) een hoeveelheid textielgoederen. Daartoe ondertekende hij een door F................. opgestelde order-bevestiging dd. 20.4.
- Er werd een eenheidsprijs van 4,95 EUR per stuk overeengekomen. Op verzoek van F........... bezorgde V................ op 15.6.2006 aan de agent van F................ een cheque, met de nv Ravertex als trekker, voor een bedrag van 41.797,80 EUR,. De cheque droeg als datum 31.7.
- Na ontvangst van de cheque leverde Flokser op 21.6.2006 de goederen aan R.................. Terzelfder tijd factureerde zij de goederen aan de prijs van 41.797,80 EUR. De factuur vermeldt onder andere "Cash against goods, by cheque" (vertaald: "cash tegen goederen, door middel van cheque"). Toen F.................... de cheque aanbood voor inning, bleek de cheque niet gedekt te zijn. Omdat nadien evenmin betaling volgde, stelde Flokser Ravertex op 26.10.2006 in gebreke, welke ingebrekestelling herhaald werd door de agent van F.................... met e-mail van 3.11.
- Met schrijven van 16.11.2006 verzocht de raadsman van F............... V.......................... tot betaling van 41.797,80 EUR, omwille van de uitgifte van de niet-gedekte cheque en het feit dat, volgens afspraak, de goederen slechts zouden afgeleverd worden tegen cash betaling. Hij beschuldigde V.................. bovendien van oplichting. Met brief van zijn raadsman dd. 24.11.2006 betwistte V.............. de aanspraak van F.............. Hij beweerde dat op het ogenblik van de uitgifte van de cheque R.............over voldoende fondsen beschikte, onder meer middels diverse faciliteiten bij de banken. Hij betwistte eveneens de beschuldiging van oplichting, omdat de cheque op datum van uitgifte gedekt was. Er was volgens hem geen enkele rechtsgrond om hem persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor het niet nakomen van de betalingsverplichting door de nv Ravertex. Intussen was de nv Ravertex op 7.11.2006 failliet verklaard.
- Omdat F............ geen betaling verwachtte uit het faillissement, ging zij op 16.2.2007 over tot dagvaarding van V................., ertoe strekkende hem te veroordelen tot betaling van 41.797,80 EUR, meer de moratoire rente vanaf 16.11.2006 tot 16.2.2007 en vanaf dan de gerechtelijke rente tot de dag der betaling, alsmede meer de gerechtskosten, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welk rechtsmiddel ook, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. Verleyen deed vooreerst beroep op de exceptio iudicatum solvi (exceptie van borgstelling van de eisende partij) en vroeg de rechtbank F................ te verplichten een borg te stellen. Ten gronde argumenteerde V.............. dat: - de vordering op grond van de artikelen 52 en 53 Chequewet verjaard was; - tegen hem als afgevaardigd bestuurder van de nv Ravertex en dus orgaan van de vennootschap geen vordering op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid kon gesteld worden, ingevolge het samenloopverbod tussen de contractuele en buitencontractuele vordering; - geen fout in zijnen hoofde was bewezen; volgens hem was niet bewezen dat de cheque op de datum van de uitgifte niet gedekt was; - er evenmin oplichting was bewezen; - de oorzaak van de levering niet de cheque is maar wel het order van 21.4.2006; - hij ingevolge artikel 5 van het Strafwetboek niet strafrechtelijk kan veroordeeld worden. Zich steunende op het Internationaal Verdrag van Den Haag dd. 1.3.1954, meende F........... dat zij geen borg moest stellen. Volgens F............. was de vordering niet verjaard, doch gold de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Ondergeschikt meende zij dat, ook wanneer de verjaringstermijn volgens de Chequewet van toepassing was, de vordering niet verjaard was. Verder stelde F............ dat V............... geen beroep kon doen op het samenloopverbod omdat het samenloopverbod en de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent niet geldt in geval van een strafrechtelijke inbreuk of schending van een iedereen opgelegde verplichting. F.......... argumenteerde dat V............. zich schuldig gemaakt had aan de uitgifte van een cheque zonder dekking en aan oplichting, gelet op het feit dat de levering het gevolg was van de uitgifte van de cheque. Zonder de uitgifte van de cheque zou er nooit geleverd zijn, aldus F....................... De schade bestond volgens F........... in de waarde van de goederen, die met het bedrag van de cheque overeenkomt. Ten slotte betwistte F.......... dat V................. beroep kon doen op artikel 5 Strafwet om aan zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid te ontsnappen.
- Bij vonnis van 27.11.2007 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde hij F......................... tot de gerechtskosten. Zij overwegingen zijn kort samengevat de volgende: - gelet op artikel 17 van het Internationaal Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, opgesteld te 's Gravenhage op 1.3.1954, bestaat er geen aanleiding om de exceptie van de borgstelling in te willigen; - de vordering van F................. is niet verjaard, aangezien zij gesteund is op de overweging dat V............ zich schuldig heeft gemaakt aan de misdrijven "cheques zonder dekking" en oplichting en dat hij minstens een burgerlijke fout in de zin van artikel 1382 B.W. heeft begaan; de vordering verjaart bijgevolg overeenkomstig artikel 2262bis B.W.; de termijn van 5 jaar was op het ogenblik van de dagvaarding niet verstreken; - het bestaan van een strafuitsluitende verschoningsgrond neemt de strafbaarheid en bijgevolg het foutieve karakter van de gepleegde feiten niet weg, zodat V......................... hoe dan ook burgerlijk als dader van een door hem gepleegd misdrijf door F........ kan worden aangesproken, zelfs indien hij het misdrijf in zijn hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder van de nv Ravertex heeft gepleegd; - de constitutieve bestanddelen van het misdrijf "cheque zonder dekking" zijn in hoofde van V......... bewezen; - echter zijn de constitutieve bestanddelen van het misdrijf "oplichting" niet bewezen aangezien F............. niet tot afgifte van de goederen werd bewogen ingevolge een listige kunstgreep, maar zij tot levering was gehouden ingevolge een orderbevestiging, die dateert van vóór de datum, waarop de cheque werd afgegeven; - ook de vordering gesteund op het misdrijf "cheque zonder dekking" kan niet worden ingewilligd, omdat de verbintenis tot levering reeds ontstaan was op het ogenblik van de orderbevestiging, dus vooraleer de cheque werd overhandigd; in de orderbevestiging wordt niet opgenomen dat de goederen "cash tegen goederen" dienden te worden betaald. Deze vermelding duikt pas voor het eerst op in de factuur en het is niet bewezen dat V............ zich hiermee namens R...............ex akkoord had verklaard; daarenboven dateert de factuur van 6 dagen na 15.6.2006, zijnde de datum waarop de cheque was uitgeschreven en aan de agent van F.............. was overhandigd; - ook in zoverre de vordering gesteund wordt op de algemene zorgvuldigheidsnorm, die in artikel 1382 B.W. is vervat, is de vordering ongegrond, omdat F............ enkel contractuele schade heeft geleden, aangezien zij geen betaling heeft bekomen van de door R.............bestelde en door haar geleverde goederen.
- F........... vraagt het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend, V.............. te veroordelen tot betaling van 41.797,80 EUR, meer de moratoire rente vanaf 16.11.2006 tot 16.2.2007, de gerechtelijke rente vanaf 17.2.2007 tot de datum van betaling en de gerechtskosten. Verleyen vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en Flokser te veroordelen tot de gerechtskosten. Beide partijen hernemen hun argumenten, zoals uiteengezet voor de eerste rechter. V.................... doet echter geen beroep meer op de exceptie van borgstelling van de eisende partij. Beoordeling
- De vordering van F......................... strekt ertoe vergoeding van de schade te verkrijgen die zij beweert geleden te hebben ingevolge de uitgifte van een ongedekte cheque en oplichting, door V............begaan, en die zou bestaan in de waarde van de goederen, die zij ingevolge de ontvangst van de ongedekte cheque heeft geleverd.
- Verwijzende naar de artikelen 52 en 53 Chequewet, is de vordering volgens V................ verjaard. De bijzondere verjaringstermijn, zoals bepaald in de Chequewet, is echter enkel van toepassing op "de regresvorderingen van de houder tegen de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars", alsmede de "regresvorderingen van de verschillende tot betaling van een cheque verbonden schuldenaars tegen elkander". De door F................... gestelde vordering, zoals hiervoor omschreven, is geen regresvordering, terwijl V..................geen endossant, trekker of andere chequeschuldenaar is. Terecht besloot de eerste rechter dat op de vordering de gemeenrechtelijke verjaringstermijn overeenkomstig artikel 2262bis B.W. van toepassing is. De vordering is ingesteld binnen deze verjaringstermijn zodat ze niet verjaard is.
- V..................doet beroep op de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Overeenkomstig dit beginsel kan de contractant (nv Ravertex) of diens uitvoeringsagent (V................... als afgevaardigd bestuurder van de nv Ravertex) tegenover de medecontractant (F..............) slechts buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld, indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt, niet (alleen) aan de contractuele verbintenis, maar (ook) aan de algemene zorgvuldig-heidsplicht die op hem rust, en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt. Hieruit wordt door de meerderheid van de rechtsleer en de rechtspraak een samenloopverbod tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid afgeleid. Enkel wanneer de fout louter van buitencontractuele aard is én de fout andere dan aan de slechte uitvoering van de overeenkomst te wijten schade heeft veroorzaakt, is een vordering op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid mogelijk. Dit samenloopverbod geldt echter niet wanneer de verweten fout ook een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt. In dit geval mag de benadeelde omwille van de eenheid van het strafrechtelijk en civielrechtelijk schuldbegrip, zich ook jegens zijn medecontractant of diens uitvoeringsagent beroepen op de buitencontractuele aansprakelijkheidsregelen (vgl. VAN GERVEN, W., "Verbintenissenrecht", 2006, p. 308). De omstandigheid dat de geleden schade een contractuele schade is, belet niet dat de vordering op grond van artikel 1382 B.W. kan worden ingesteld, mits de fout tevens een misdrijf is (vgl. V............., H., V.........Q.............., H., W............, L en D................, M., "Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1994-1999)", T.P.R., 2000, nr. 4, p. 1942). F............. houdt voor dat de fout van V....... tevens een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, meer bepaald de uitgifte van een cheque zonder dekking en oplichting. Bijgevolg dient te worden nagegaan of één van deze misdrijven of beide bewezen zijn.
- Om te slagen in haar vordering, dient F.............. het bewijs te leveren van: - een misdrijf van V...................; - eigen schade; - een causaal verband tussen het misdrijf en de schade. 4.
- Als misdrijf beroept F................. zich op de uitgifte van een ongedekte cheque en oplichting. Overeenkomstig artikel 61 Chequewet is strafbaar, hij die wetens en willens een cheque of enig ander door deze wet met de cheque gelijkgesteld waardepapier uitgeeft zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds. De constitutieve elementen van het misdrijf zijn: - de uitgifte; - de afwezigheid van een voorafgaande, toereikende en beschikbare dekking; - het algemeen opzet, erin bestaande dat de dader wist dat de cheque op het ogenblik van de uitgifte niet gedekt was (vgl. D...... N..........., A., "Inleiding tot het bijzonder strafrecht", 2005, p. 340-342). 4.1.
- Er bestaat geen betwisting over dat V....................... als afgevaardigd bestuurder van de nv Ravertex op 15.6.2006 een cheque uitschreef met de nv Ravertex als trekker en F............. als begunstigde en deze cheque diezelfde dag aan (de agent van) F......... heeft overhandigd. De cheque werd gedateerd op 31.7.
- Het staat vast dat, op het ogenblik dat F............ de cheque aanbood, namelijk op 1.8.2006, de bankrekening van Ravertex onvoldoende geprovisioneerd was om de cheque uit te betalen. 4.1.
- V............. houdt echter voor dat niet bewezen is dat de cheque, op het ogenblik van de uitgifte, niet gedekt was. De bewijslast van de onvoldoende provisionering op het ogenblik van de uitgifte rust inderdaad op F...................... Dit bewijs kan door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen, worden geleverd. Elke partij, ook degene op wie principieel niet de bewijslast rust, draagt een medewerkingsplicht inzake bewijsvoering. Alle partijen in het geding dienen samen te werken bij het vaststellen van de objectieve waarheid, door alle bewijselementen voor te leggen, waarover zij beschikken of gemakkelijk kunnen beschikken, terwijl de andere partij niet over deze mogelijkheid beschikt. Een partij kan zich niet hullen in stilzwijgen of zich afzijdig opstellen onder het voorwendsel dat de bewijslast rust op de andere partij, wanneer die partij over bewijsmateriaal beschikt of daarover gemakkelijk kan beschikken, terwijl de andere partij die mogelijkheid niet heeft (vgl. DE B........., A., S.........., S., en V......... R................, R., "Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen", 2009, p. 30-31). Uit de weigering daaraan mee te werken, kan de rechter een vermoeden tegen hem afleiden, wanneer het bewijs door vermoedens is toegelaten (vgl. D........... B..............., A., S............, S., en V........... R................, R., a.w., p. 37). Indien de bankrekening van de nv Ravertex voldoende geprovisioneerd was op het ogenblik van de uitgifte van de cheque, dan zou V................. dit gemakkelijk kunnen bewijzen aan de hand van de bankuittreksels. Hij kan er zich niet achter verschuilen dat alle stukken zich bij de curator bevinden. Indien dit ook het geval is met betrekking tot de bankuittreksels, dan kan hij deze gemakkelijk bij de curator opvragen, of desnoods de nodige stukken opvragen bij de bank van de vennootschap, waarvan hij afgevaardigd bestuurder was. F.............. beschikt niet over deze mogelijkheid. De onterechte weigering van V........................ deze stukken voor te leggen levert een gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend vermoeden op dat de cheque op het ogenblik van de uitgifte niet gedekt was. Dat de nv Ravertex op het ogenblik van de uitgifte van de cheque nog over voldoende vertrouwen van de bank beschikte, is niet alleen niet bewezen doch, zelfs indien deze bewering juist zou zijn, dan doet dit niets af aan het feit dat de cheque niet gedekt was. De provisie kan niet bestaan in kredietoverschrijdingen of kasfaciliteiten, toegestaan door de betrokkene (vgl. D.... N.........., A., "Inleiding tot het bijzonder strafrecht", 2005, p. 341). 4.1.
- V.............. ontkent niet dat hij op het ogenblik van de uitgifte van de cheque op de hoogte was van de toestand van de bankrekening van de nv Ravertex. Dit kan overigens ook worden verondersteld, gezien zijn hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder van de nv Ravertex. Hij wist derhalve dat de cheque niet gedekt was op het ogenblik van de uitgifte ervan. Het argument van V............. dat hij op het ogenblik van de uitgifte van de cheque niet wist dat de levering niet zou betaald kunnen worden, is niet relevant, aangezien het moreel element van het misdrijf er enkel in dient te bestaan dat hij wist dat de cheque op het ogenblik van de uitgifte niet gedekt was. 4.1.
- De eerste rechter heeft bijgevolg terecht besloten dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf "uitgifte van cheque zonder dekking" bewezen zijn. 4.
- De schade bestaat in de vermogensverarming van F............. ingevolge de overdracht van de goederen aan Ravertex. Deze goederen werden niet betaald. Deze schade stemt overeen met de waarde van de goederen op het ogenblik van de overdracht. De vordering strekt niet tot betaling van de cheque, noch tot betaling van de factuur van 21.6.2006, doch wel tot vergoeding van de schade, bestaande in de vermogensverarming, die overeenstemt met de waarde van de goederen. Deze waarde stemt overeen met het gefactureerde bedrag en het bedrag van de cheque. 4.
- Ten slotte moet het causaal verband tussen deze schade en het misdrijf worden bewezen. Er is sprake van een causaal verband wanneer de schade zich zonder de fout (het misdrijf) niet zou hebben voorgedaan. De burgerlijke vordering op basis van de uitgifte van een ongedekte cheque is mogelijk wanneer er tussen de uitgifte van de cheque en de levering een oorzakelijk verband bestaat (vgl. D........ N.............., A., a.w., p. 343, CASS., 6.12.1995, R.W., 1996-1997, p. 255). Dit houdt in dat de vermogensverarming zich niet zou voorgedaan hebben zonder het misdrijf. Met andere woorden, indien het vaststaat dat zonder de uitgifte van de cheque, F............niet tot levering zou zijn overgegaan, zou de schade zich niet hebben voorgedaan en is het causaal verband bewezen. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd, vermoedens inbegrepen. Het hof is van oordeel dat dit bewijs geleverd wordt door gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens. Uit hetgeen hierna wordt overwogen volgt eveneens dat de discussie tussen partijen omtrent het op de overeenkomst tussen F......... en Ravertex toepasselijk recht niet relevant is. 4.3.
- De cheque werd aan de agent van F............. overhandigd op 15.6.2006, vóór de levering, die geschiedde op 21.6.
- Dit impliceert dat de partijen overeengekomen waren dat, alvorens F..............tot levering zou overgaan, V................. een cheque ter betaling van de goederen zou afleveren. Deze afspraak had geen zin wanneer F............... zelfs zonder de cheque tot levering zou zijn overgaan. Weliswaar blijkt niet dat de partijen dit op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst hadden afgesproken, doch niets belet dat, na sluiting van de overeenkomst, de partijen akkoord waren gekomen omtrent deze betalingsmodaliteit, namelijk de afgifte van een cheque ter waarde van de te leveren goederen, vooraleer tot levering zou worden overgegaan. 4.3.
- Op de factuur, die werd afgegeven op het ogenblik van de levering van de goederen, en die door Ravertex aanvaard werd, is genoteerd: "cash against goods, by cheque" (vertaald: "cash tegen goederen, door middel van cheque"). Dit betekent dat de goederen werden afgegeven tegen de afgifte van de cheque, met andere woorden dat de afgifte van de cheque doorslaggevend geweest is voor de levering. Niet de betaling van de goederen was de voorwaarde voor de levering, maar wel de afgifte van een cheque, waardoor aan F.............. de indruk werd gegeven dat Ravertex over voldoende financiële middelen beschikte om de goederen te betalen. Deze factuur werd niet geprotesteerd door Ravertex, zodat deze als aanvaard dient beschouwd te worden. De aanvaarde factuur levert aldus het bewijs van de overeenkomst tussen F............. en Ravertex (art. 25 W. Kh.). De factuur wordt door de aanvaarding, behoudens tegenbewijs, beschouwd de getrouwe weergave van de overeenkomst te zijn. Het tegenbewijs wordt niet geleverd. Zoals reeds opgemerkt belet de omstandigheid dat daaromtrent op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst geen afspraken werden gemaakt, niet dat partijen deze afspraak later gemaakt hebben. Deze afspraak wordt vervolgens bewezen door de uitvoering, meer bepaald de afgifte van de cheque alvorens tot levering werd overgegaan. De vermelding "cash against goods" (vertaald: "Cash tegen goederen") strookt wel met de werkelijkheid, gelet op wat eraan toegevoegd wordt, namelijk "by cheque" ("door middel van cheque"). Het is duidelijk dat daarmee bedoeld wordt dat de goederen geleverd zijn tegen de afgifte van de cheque, die een betaalmiddel is. Het is wel juist dat de cheque niet werd afgegeven op het ogenblik van de levering. De vermelding op de factuur toont enkel aan dat het de bedoeling was de goederen te leveren tegen ontvangst van de cheque. Dat de ontvangst van de cheque gebeurd is op het ogenblik van de levering of ervoor doet daaraan geen afbreuk. 4.3.
- In diens aanmaning dd. 16.11.2006, gericht aan V..............., schreef de raadsman van F..............: "Conform de vooraf bestaande overeenkomsten van bestellingen en orderbevestiging was de afspraak dat de goederen slechts zouden worden afgeleverd tegen cash betaling. U verbond zich een cheque te bezorgen en u heeft dit ook gedaan door het opsturen van het bedoeld document dd. 31.07.2006 ad 41.778,00 euro." Daaromtrent antwoordde de raadsman van V................. bij brief van 24.11.2006 concreet: "Op 13.06.2006 meldt uw cliënte via de agent dat het order klaar is voor verzending en wordt de pro forma-factuur opgemaakt. Op dat ogenblik wordt een cheque ter betaling gevraagd. Op 15.06.2006 wordt de op 31.07.2006 gedateerde cheque door mijn cliënte overgemaakt." Alhoewel de raadsman van V............. vooraf stelde de inhoud van de brief van 16.11.2006 "integraal en formeel" te betwisten, sprak hij niet concreet tegen dat de afspraak erin bestond dat de goederen zouden worden afgeleverd tegen cash betaling, met dien verstande dat hij preciseerde dat op het ogenblik dat werd meegedeeld dat het order klaar was voor verzending, een cheque ter betaling werd gevraagd, waarop V....................... de cheque bezorgde. Hij hield niet voor dat de goederen ook zonder afgifte van de cheque zouden geleverd zijn.
- V................ verwijst naar artikel 5 Sw. dat bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor misdrijven, die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd en dat, wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, enkel degene, die de zwaarste fout heeft begaan, kan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld. Op basis daarvan meent V..............niet strafrechtelijk te kunnen worden veroordeeld. De eerste rechter verwierp terecht dit argument, stellende: "Artikel 5, lid 2 van het Strafwetboek, dat de gevallen regelt waarin de verantwoordelijkheid van een natuurlijke persoon en van een rechtspersoon in het geding zijn wegens eenzelfde misdrijf, voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene die de minst zware fout heeft begaan. Die verschoningsgrond geldt voor de dader van het door onvoorzichtigheid of onachtzaamheid gepleegde misdrijf en niet voor degene die willens en wetens heeft gehandeld (o.m. Cass., 8 november 2006). Het bestaan van een strafuitsluitende verschoningsgrond neemt de strafbaarheid (en bijgevolg het foutieve karakter) van de gepleegde feiten evenwel niet weg (o.m. Cass., 29 januari 1974), zodat D.......... V................. hoe dan ook - dit wil zeggen ongeacht de vraag of hij strafrechtelijk zou kunnen veroordeeld worden - burgerlijk als dader van een door hem gepleegd misdrijf door F.............. kan worden aangesproken, zelfs indien hij dit misdrijf in zijn hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder van N.V. Ravertex heeft gepleegd (zie ook: S. V...........D........ & J. V......................., "Het lot van de burgerlijke vordering bij toepassing van de strafuitsluitende verschoningsgrond uit art. 5, 2 Sw.", Tijdschrift voor Strafrecht, 2004, pp. 189 en volgende)." Het hof sluit zich hier volledig bij aan en maakt deze motivering, die door V..................... niet wordt weerlegd, tot de zijne. Artikel 5 Sw. voert een strafuitsluitende verschoningsgrond in. Dit belet niet dat de strafrechter nog bevoegd is om zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon op burgerlijk vlak te veroordelen (vgl. V... D.... W.................., C., "Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht", 2006, p. 138). Een verschoningsgrond heeft enkel betrekking op de straftoemeting, niet op het misdrijf zelf of de schuld van de dader (vgl. V... D....W.................., C., a.w., p. 237).
- Bijgevolg is V............... op grond van artikel 1382-1383 B.W. aan F................... vergoeding verschuldigd van de schade, die zij geleden heeft ingevolge de uitgifte van de ongedekte cheque, bestaande in de waarde van de goederen, die ingevolge de uitgifte van de ongedekte cheque zijn geleverd. Deze waarde is gelijk aan het bedrag dat voor deze goederen werd gefactureerd, namelijk 41.797,80 EUR. Aangezien de vordering kan gesteund worden op het misdrijf van de uitgifte van een ongedekte cheque, dient niet nader onderzocht te worden of V............... zich schuldig gemaakt heeft aan oplichting. Op het bedrag van 41.797,80 EUR is rente verschuldigd vanaf 16.11.2006, zoals gevorderd. Echter is deze rente niet van moratoire aard, maar wel van vergoedende aard. Vanaf de datum van huidig arrest is dit gerechtelijke rente.
- Overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de Procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. De burgerlijke rechter is een openbaar ambtenaar in de zin van deze bepaling. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het hof tot het besluit komt dat V.................... zich schuldig gemaakt heeft aan de uitgifte van een ongedekte cheque, die overeenkomstig artikel 61 Chequewet te beschouwen is als een wanbedrijf. Bijgevolg wordt aan de griffier bevolen een kopie van huidig arrest alsmede een kopie van de stukken van F............. en van stuk 1 van V........... over te maken aan de Procureur des Konings te Kortrijk.
- Gelet op de gegrondheid van de vordering van F............ vallen alle gerechtskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, ten laste van V.................. Artikel 10 van het Koninklijk besluit van 26.10.2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 in werking zijn getreden op 1 januari
- De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 heeft het Koninklijk besluit van 30.11.1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9). Het heeft nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (artikel 2). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op het huidig geding in hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de eerste rechter dient begroot te worden volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving, met name het Koninklijk Besluit van 30.11.1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg. De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken (vgl. V............, S., "Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W., 2007-08, p. 1130). Een zaak is hangend tot een eindbeslissing wordt geveld in de betrokken aanleg (vgl. L...................., J.-D., "De toepasselijkheid van de Wet verhaalbaarheid Erelonen op "hangende" geschillen", R.W., 2007-08, p. 1387). Het eindvonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 27 november 2007, dus vóór de inwerkingtreding van de wet van 21.4.
- Aldus gelden voor deze aanleg de rechtsplegingsvergoedingen overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 30.11.
- OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en in volgende mate gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis in de mate het bestreden wordt en opnieuw rechtsprekend, Verklaart de vordering van F.......... I........ Y.......D...... V...S................ in volgende mate gegrond, Veroordeelt D.........V.......... om aan F....... I.......... Y.......... D..........V........ S..............EENENVEERTIGDUIZEND ZEVENHONDERD ZEVENENNEGENTIG EURO EN TACHTIG CENT (41.797,80 EUR) te betalen, meer de vergoedende rente vanaf 16.11.2006 tot heden en de gerechtelijke rente vanaf heden tot de datum van betaling, telkens aan de wettelijke rentevoet; Beveelt de griffier een kopie van huidig arrest, van de stukken van F......... I........ Y....... D...... V..... S.......en van stuk 1 van D......... V.............. over te maken aan de Procureur des Konings te Kortrijk; Verwijst D......... V..........n in de gerechtskosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze te zijnen laste vallen, en aan de zijde van F.......... I...... Y.......... D..... V........ S.........te begroten op 258,70 EUR dagvaardingskosten, 371,84 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht in hoger beroep en 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger. W. Aldus gewezen door de twaalfde kamer van het Hof van Beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: - mevrouw A. Van de Putte, raadsheer, wn. Voorzitter; - de heer E. Dursin, raadsheer; - de heer G. Danneels, raadsheer, die mede over de zaak heeft beraadslaagd maar in de onmogelijkheid verkeert het arrest te ondertekenen (art. 785 Ger.W.), en uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 16-6-2010, bijgestaan door de heer Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div