← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100624.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100624.17 Rolnummer: Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-19 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-01 13:20 Fiche Door de weigering van de gemeente om een persoon in te schrijven in de bevolkingsregisters bestaat er een acuut gevaar voor deze persoon om administratieve, fiscale, politieke of sociale rechten te verliezen. De vordering tot inschrijving in de bevolkingsregisters op een referentieadres, bij wijze van voorlopige maatregel, is gegrond. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RIJKSREGISTER - Bevolkingsregister Vrije woorden: Kort geding - hoogdringendheid - vordering tot inschrijving op een referentieadres in de bevolkingsregisters. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 1e Kamer ________ Terechtzitting van 24-06 2010 Nr. 2010/RK/68 --------------------- appellant toegelaten tot de gunst van de rechtsbijstand dd. 22.02.2010 (2010/PD/50) voor de helft van de kosten in de zaak van : P.......V................, werkloos, zonder officiële woonplaats, doch woonst kiezende te ................... appellant toegelaten tot de gunst van de rechtsbijstand bij beschikking van 22.02.2010 (2010/PD/50) van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van beroep te Gent, echter beperkt tot de helft van alle daaraan verbonden kosten, hebbende als raadsman mr. Marnix Decloedt, advocaat met kantoor te 8210 Loppem, Rijselsestraat 3, tegen de STAD BRUGGE, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met burelen in het stadhuis te 8000 Brugge, Burg 12, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Yves Castermans, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Leopold-II-laan 31/301, velt het hof het volgende arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 2 maart 2010 heeft Peter Vanseer hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 10 februari 2010 op tegenspraak gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend in kort geding. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik ter talen in gerechtszaken werd in acht genomen. Voorgaanden P.........V................ is een woonwagenbewoner die deel uitmaakt van de groep "V...............". Rondtrekkende burgers zonder vaste woonplaats ondervonden veel problemen omdat zij niet kunnen worden ingeschreven in de bevolkingsregisters en precies deze inschrijving vereist is voor tal van administratieve verplichtingen, sociale rechten en dergelijke meer. Om die reden werd voor deze personen het referentieadres gecreëerd dat wettelijk werd bevestigd in de wet van 24 januari 1997 (BS 16 maart 1997). Onder referentieadres wordt verstaan het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister van de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven. De natuurlijke of de rechtspersoon die de inschrijving van een andere persoon aanvaardt als referentieadres verbindt zich ertoe daar alle voor die persoon bestemde post of alle andere documenten te laten toekomen. In geval van adreswijziging van de natuurlijke of rechtspersoon bij wie het referentieadres is opgegeven, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Sinds 2 september 2008 had P......... V............. een referentieadres bij de vzw Mensen van de Weg, te ......... aan de .................. Op 6 december 2008 verhuisde de vzw Mensen van de Weg naar het pand gelegen in dezelfde straat op nummer 73/

  1. P......... V.............. was zodoende verplicht een nieuw referentieadres aan te vragen. De Stad Brugge vroeg hem opnieuw te bewijzen dat hij in een mobiele woning woont. Hij legde daartoe het inschrijvings-, het keurings- en het verzekeringsbewijs voor van zowel zijn caravan als van zijn voertuig lichte vracht om deze caravan te trekken. De Stad Brugge weigerde de inschrijving op het referentieadres. In de maanden augustus en september 2009 is er overleg gepleegd tussen de vzw Mensen van de Weg en de Stad Brugge wat evenwel niet geleid heeft tot een inschrijving. P........ V............ houdt voor op 18 juli 2009 administratief hoger beroep te hebben ingesteld bij de FOD Binnenlandse Zaken. Deze laatste instantie nam geen beslissing maar verwees de zaak opnieuw naar de lokale overheid. P........... V........... heeft de FOD Binnenlandse zaken bij aangetekende brief van 18 januari 2010 in gebreke gesteld. De FOD Binnenlandse Zaken liet bij brief van 8 februari 2010 weten dat P.......... V................ in strikte zin niet tot de categorie zou behoren die in de statuten van de vzw Mensen van de Weg staat vermeld en dat het een principiële kwestie betreft. Ook deze brief bevat geen daadwerkelijk beslissing. P.......... V........... is overgegaan tot dagvaarding in kort geding van de Stad Brugge opdat aan haar het bevel zou worden opgelegd P........... V........... met ingang van 10 juli 2009 in te schrijven op het referentieadres te ........................ (...............), ...................... onder verbeurte van een dwangsom van euro 250,00 per dag vertraging ten aanzien waarvan het bevel niet wordt nagekomen, verbeurd met ingang van de dag volgend op de dag dat de tussen te komen beschikking wordt betekend aan de gedaagde. De eerste rechter heeft de vordering van P.........V........... afgewezen omdat de vordering niet hoogdringend is en de gevorderde maatregel geen voorlopig, maar wel een definitief karakter heeft. De Stad Brugge stelt dat aan de vereiste van hoogdringendheid niet is voldaan. P.......... V............. laat ook na de geëigende burgerlijke procedure ten gronde op te starten, waarbij de Stad Brugge opmerkt dat hij er ten onrechte van zou uitgaan een procedure voor de Raad van State te kunnen inleiden. Verder treedt zij het standpunt van de eerste rechter bij dat de gevraagde maatregel een definitief karakter heeft nu daaraan geen beperking in de tijd of voorwaarde wordt gekoppeld. Ten gronde wijst de Stad Brugge erop dat aan de voorwaarden tot het bekomen van een referentieadres niet is voldaan. Beoordeling
  2. Met zijn synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 19 mei 2010, beoogt P..........V..............de vernietiging van de bestreden beschikking en vordert hij dat - opnieuw recht doende - de Stad Brugge wordt veroordeeld om hem voorlopig in te schrijven op het referentieadres te ............ (................), ......................, onder verbeurte van een dwangsom van euro 250,00 per dag vertraging, verbeurd met ingang van de dag volgend op de dag dat het tussen te komen arrest wordt betekend aan de Stad Brugge. Op grond van de informatie, verschaft door partijen ter terechtzitting van 3 juni 2010 is P............. V............. niet ingeschreven op een gewoon of referentieadres.
  3. Krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek doet de Voorzitter van de rechtbank, zetelend in kort geding, uitspraak in alle gevallen die hij spoedeisend acht. Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het hoger beroep tegen een eindbeslissing het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep. Daaruit volgt dat, tot beoordeling van de vraag of er sprake is van hoogdringendheid, de appelrechter zich hierbij dient te plaatsen op het ogenblik van zijn uitspraak (Cass., 11 mei 1998, Arr. Cass., 1998, 505). Wanneer de appelrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks noodzakelijk mee dat de vordering bij gebrek aan spoedeisendheid ongegrond is.
  4. Anders dan de eerste rechter, is het Hof van oordeel dat vordering van P........... V.............. spoedeisend is en dat de gevorderde maatregel gegrond voorkomt. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat appellant, P......... V................, ambtshalve werd afgeschreven op 10 juli
  5. Teneinde tot een minnelijke oplossing te komen in het geschil tussen enerzijds de Stad Brugge en anderzijds de diverse woonwagenbewoners, die ambtshalve werden uitgeschreven, werd meermaals gecorrespondeerd tussen de vzw Mensen van de Weg en de Stad Brugge en heeft er bovendien diverse malen overleg plaats gevonden tussen voornoemde partijen. Dit alles vond plaats in de maanden augustus en september 2009, zodat het tijdstip van dagvaarding, met name 19 november 2009, niet als laattijdig kan worden beschouwd, en de urgentie op het moment van de dagvaarding nog steeds voorhanden was.
  6. P.......... V............... is thans niet ingeschreven in de bevolkingsregisters. Bijgevolg beschikt hij niet over de mogelijkheid om een identiteitskaart te bekomen, om zich in regel te stellen ten overstaan van de administratieve overheden en om de nodige sociale uitkeringen of voorzieningen aan te vragen of te behouden en is bijgevolg het risico dat hij bepaalde administratieve, fiscale, politieke of sociale rechten zou verliezen acuut aanwezig, en is de vrees voor schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken reëel, zodat de vordering de vereiste urgentie vertoont en bijaldien gegrond is. Daarenboven valt niet in te zien welk nadeel de inschrijving in de bevolkingsregisters - bij wijze van voorlopige maatregel in afwachting van een uitspraak ten gronde - zou kunnen teweeg brengen bij de Stad Brugge. De Stad Brugge voert daar overigens geen concrete middelen of argumenten toe aan.
  7. Het hoger beroep is dus gegrond en de oorspronkelijke vordering is bijgevolg eveneens gegrond.
  8. De Stad Brugge wordt als in het ongelijk gestelde partij, in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten, die hierna aan de zijde van P.............V................ worden begroot. Zij worden niet begroot aan de zijde van de Stad Brugge, aangezien ze haar ten laste blijven. De vordering betreft een niet in geld waardeerbare zaak. De Stad Brugge meent dat er redenen zijn om slechts de minimum in plaats van de basis rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Zij verwijst daarvoor naar vier andere gelijkaardige procedures die voor deze kamer van het Hof hangend zijn en die gelijktijdig werden behandeld, en gekend zijn onder het algemeen rolnummer 2010/RK/70, 2010/RK71, 2010/RK/72 en 2010/RK/
  9. In al deze procedures werden de eisende partijen vertegenwoordigd door dezelfde raadsman en werden quasi identieke besluiten neergelegd. Al deze procedures werden samen behandeld op de openbare terechtzitting van 3 juni
  10. Gezien de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022, eerste lid een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en de erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij, komt het inderdaad kennelijk onredelijk voor om voor al deze zaken afzonderlijk een volledige basisrechtsplegings-vergoeding toe te kennen, nu de onderscheiden eisers door dezelfde raadsman werden bijgestaan, de conclusies sterk gelijklopend zijn en de zaken samen behandeld werden. Gelet op hogerstaande, wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in deze aanleg bij toepassing van artikel 1022, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaald op het een bedrag van 600,00 euro OP DEZE GRONDEN Het Hof, recht doende op tegenspraak Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, en in volgende mate gegrond; Vernietigt dienvolgens de bestreden beschikking; En opnieuw recht doende; Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond; Veroordeelt de Stad Brugge om P............ V............. binnen de acht dagen na de betekening van onderhavig arrest voorlopig in te schrijven op het referentieadres te ................ (...................), .................. ., onder verbeurte van een dwangsom van euro 50,00 per dag vertraging. Wijst al het anders of meer gevorderde af als ongegrond; Verwijst de Stad Brugge in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van P.............V................. vereffend worden op 600,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de eerste kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Dirk Floren, kamervoorzitter, Bart Wylleman, raadsheer, Linda Tavernier, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op vierentwintig juni tweeduizend en tien, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.