id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100628.10 Rolnummer: Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-11-19 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 10:31 Fiche In het kader van de WCO kan de rechter een reorganisatieplan homologeren dat een vermindering van de fiscale schuld omzet, zonder dat er een schending van art. 172 Grondwet of van de openbare orde bestaat. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Continuïteit van de ondernemingen Vrije woorden: Wet op de continuïteit der ondernemingen - fiscale schuldvordering Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP te Gent 7bis Kamer ------------------ Terechtzitting van 28 juni 2010 ----------------- WCO publicatie ----------------- 2009/AR/3006 - In de zaak van: BELGISCHE STAAT / FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger der directe Belastingen te Gent 6, met kantoor te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/110, appellant, hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Harlekijnstraat 9 tegen: V.............. R.............., bloemist, geboren te ............. ............, wonende te ............................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERHOEVEN Paul, advocaat te 9070 DESTELBERGEN, Verenigde Natieslaan 1 velt het hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien. Het Openbaar Ministerie legde schriftelijk advies neer op 3 mei 2010, waarna appellant repliceerde bij conclusie, neergelegd op 18 mei 2010. 1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 25 november 2009, heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 6 november 2009 op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (WCO 2009/02). Het vonnis a quo werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 17 november 2009. Feiten en procedure in eerste aanleg 2. Bij vonnis van 18 mei 2009 verklaarde de rechtbank van koophandel te Gent de procedure gerechtelijke reorganisatie open van R........... V............. (hierna: "geïntimeerde"). De duur van de opschorting werd bepaald op 6 maanden om te verstrijken op 18 november 2009. Door de schuldenaar werd op 15 juni 2009 een reorganisatieplan neergelegd ter griffie, waarbij o.m. volgend voorstel werd geformuleerd: "Daar mogelijks geen integrale uitbetaling kan vooropgesteld worden, wordt een voorstel geformuleerd in terugbetaling van de schuldeisers op volgende basis:
(1)bijzonder bevoorrechte schuldeisers: integraal à 100% ;
(2)algemeen bevoorrechte en chirografaire schuldeisers: 80% van de uitstaande vordering in hoofdsom, excl. intresten, schadevergoeding en kosten." Geïntimeerde heeft bij het Ontvangkantoor Gent 6 een openstaande fiscale schuld waarvoor door appellant aangifte werd ingediend. De schuldeisers werden bij gerechtsbrief van 11 september 2009 uitgenodigd om opmerkingen te formuleren betreffende het voorgestelde reorganisatieplan. Op 27 oktober 2009 verzette appellant zich tegen het reorganisatieplan wegens de vermindering van de hoofdsom van de belastingschuld tot 80%. Ze stelde dat dit strijdig is met de Grondwet en de openbare orde. Bij het vonnis a quo van 6 november 2009 werd het reorganisatieplan gehomologeerd en de sluiting van de reorganisatieprocedure bevolen. Procedure in hoger beroep
- Voor een uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en de conclusies. Beoordeling
- Artikel 55, 2° WCO bepaalt dat de rechter de homologatie kan weigeren wegens schending van de openbare orde. Appellant verwijst als grief naar artikel 172, 2° Grondwet, stellende dat er géén vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet. Appellant stelt dat, in tegenstelling tot art. 30 WGA of art. 1675/10 §3 Ger.W. (collectieve schuldenregeling), de WCO geen enkele uitzondering bevat op het principe van artikel 172, 2° Grondwet, zodat er geen vermindering kan worden voorzien voor fiscale schuldvorderingen. Uit artikel 2d WCO blijkt dat enkel de titularissen van schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of een hypotheek en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars als "buitengewone" schuldeisers in de opschorting worden gekwalificeerd. Appellant behoort tot de algemeen bevoorrechte schuldeisers en valt onder de categorie "gewone" schuldeisers in opschorting. Deze positie van appellant ligt vast en vloeit voort uit de wet (WCO) zelf en voldoet derhalve aan de vereisten van art. 172 Grondwet. De WCO voorziet nergens dat fiscale schulden een speciaal regime genieten, m.a.w. dat zij zouden afwijken van de bepalingen die van toepassing zijn op de algemeen bevoorrechte en de gewone schuldeisers. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel gebiedt dat schuldeisers die zich wettelijk in dezelfde situatie bevinden, op gelijke manier worden behandeld. Verschillen in behandeling tussen de schuldeisers mag niet willekeurig zijn, maar moet verantwoord zijn. Appellant moet op gelijke wijze behandeld worden als de andere algemeen bevoorrechte en gewone schuldeisers. Het reorganisatieplan in casu respecteert deze gelijkheid: aan de buitengewone schuldeisers in opschorting wordt een integrale uitbetaling voorzien en aan de andere schuldeisers 80%. Schuldeisers van dezelfde categorie krijgen dezelfde behandeling, zodat er geen strijdigheid met de openbare orde en de Grondwet bestaat. Besluit: In het kader van de WCO kan de rechter een reorganisatieplan homologeren dat een vermindering van de fiscale schuld omvat, zonder dat er een schending van art. 172 Grondwet of van de openbare orde bestaat (zie ook: Brussel, 11 maart 2010, Fiscale Actualiteit nr. 17, week 29 april - 5 mei 2010, blz. 5-6). Het hoger beroep is derhalve ongegrond. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellant tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, vereffend in hoofde van geïntimeerde op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer, bijgestaan door Leentje Mouton, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op achtentwintig juni tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div