← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100902.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100902.5 Rolnummer: Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-01 13:30 Fiche Fouten, die een gerechtelijk deskundige heeft gemaakt bij de uitvoering van zijn opdracht, kunnen in zijn hoofde een onrechtmatige daad uitmaken, die hem ertoe noopt de benadeelde partij te vergoeden voor de door hem geleden schade. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Opdracht Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - fouten van deskundige - onrechtmatige daad Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT 1e kamer ________ terechtzitting van 02-09 2010 na tussenarrest d.d. 10.09.2009 nr. 2007/AR/1783 ------------------------ in de zaak van: N.V. LEUVEN SHOPPING CENTER, met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Kapelanielaan 9 en met ondernemingsnummer 0420.422.051, appellante, hebbende als raadsman mr. Guy Van der Steichel, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 15, tegen I............... D....................., accountant op rust, wonende te ........................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Lieven De Wolf, advocaat met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Oude Mechelsestraat 165, velt het hof het volgend arrest: Na het arrest van 10 september 2009, gewezen op het hoger beroep ingesteld door N.V. Leuven Shopping Center tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zesde kamer, van 15 juni 2007, werden de partijen opnieuw in openbare terechtzitting gehoord en de neergelegde conclusies en stukken ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. voorgaanden

  1. Voor de feitelijke uiteenzetting en de procedurele antecedenten kan worden verwezen naar het arrest van 10 september
  2. Kort samengevat heeft het geschil betrekking op de schadevergoeding die N.V. Leuven Shopping Center (appellante) vordert van accountant I............. D............ (geïntimeerde). Deze laatste was door de onderzoeksrechter te Dendermonde aangesteld als deskundige in het kader van een strafonderzoek dat werd gevoerd ten laste van de bestuurders van appellante, die ervan werden beschuldigd valsheden te hebben gepleegd ten nadele van de N.V. Vlaamse Fusievennootschap (voorheen N.V. Vlako). Nadat - mede op grond van het verslag van geïntimeerde - een aantal bestuurders van appellante in eerste aanleg schuldig waren bevonden aan inbreuken op de wetgeving op de jaarrekeningen en het plegen van valsheid, en veroordeeld werden tot correctionele straffen, werden alle bestuurders bij arrest van de achtste kamer in dit hof van 15 december 1999 ontslagen van rechtsvervolging. Het hof oordeelde onder meer dat er twijfel bestond over de onpartijdigheid, de integriteit en de sereniteit van de deskundige (geïntimeerde), zodat diens verslag als bewijselement uit de debatten diende te worden geweerd. De voorziening tegen dit arrest werd door het Hof van Cassatie verworpen op 30 oktober
  3. Een klacht met burgerlijke partijstelling van appellante tegen geïntimeerde, onder meer wegens valsheid in geschriften, later uitgebreid tot eerroof en schending van het beroepsgeheim, was inmiddels op 22 april 1994 geresulteerd in de definitieve buitenvervolgingstelling van geïntimeerde door de Kamer van Inbeschuldigingstelling (K.I.) in dit hof.
  4. Voor de eerste rechter vorderde appellante van geïntimeerde een schadevergoeding van euro 200.000,00, op grond van de miskenning van de zorgvuldigheidsplicht. Geïntimeerde betwistte de tegen hem gestelde vordering en vorderde bij tegeneis een schadevergoeding van euro 2.500,00 wegens tergend en roekeloos geding, alsmede een vergoeding van euro 2.500,00 voor de kosten van zijn raadsman.
  5. Nadat de eerste rechter de vordering van appellante als niet-ontvankelijk had afgewezen, op de overweging dat haar vordering verjaard was op grond van artikel 2276ter van het Burgerlijk Wetboek, en geïntimeerde een schadevergoeding had toegekend van euro 1.250,00, werd bij arrest van 10 september 2009 beslist dat de vordering van appellante niet was verjaard. Het bestreden vonnis werd teniet gedaan in zoverre het de vordering van appellante onontvankelijk verklaart en haar veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding. Verder werden de debatten heropend, teneinde partijen toe te laten te concluderen over de fout en de schade.
  6. Appellante is van mening dat de door haar aangestelde experts hebben aangetoond dat het verslag van geïntimeerde een aantal fouten en onnauwkeurigheden bevat die moeten doen besluiten dat een inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm vaststaat. Volgens haar hebben de door geïntimeerde begane fouten aanvankelijk geleid tot de veroordeling van haar bestuurders en is zij hierdoor een benadeelde partij die kan aanspraak maken op schadevergoeding. Op grond van het verslag van een door haar aangestelde deskundige vordert appellante thans betaling van een bedrag van euro 176.853,13, te vermeerderen met de intresten vanaf 30 oktober
  7. Dit bedrag is samengesteld als volgt: · euro 31.159,17, uit hoofde van vergoedingen betaald aan de door haar geraadpleegde experts; · euro 56.186,73, uit hoofde van de prestaties van haar accountant, haar bestuurders en hun verplaatsingskosten; · euro 53.694,74, uit hoofde van de vergoedingen betaald aan haar advocaten; · euro 10.445,77, uit hoofde van gerechtskosten; · euro 25.000,00, uit hoofde van ‘badwill'.
  8. Geïntimeerde werpt op dat appellante, die zelf niet correctioneel werd vervolgd, geen schade heeft geleden. Ondergeschikt meent hij dat er geen causaal verband bestaat tussen de hem aangewreven fout en de beweerde schade. Minstens vraagt hij de herleiding van de door appellante gevorderde schadevergoeding. beoordeling
  9. de fout De overwegingen van het vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 21 oktober 1996 laten er geen twijfel over bestaan dat de rechters hun beslissing in hoofdzaak hebben gesteund op het verslag van geïntimeerde. Dit verslag was aldus de aanleiding tot de veroordeling in eerste aanleg van een aantal bestuurders van appellante. In het arrest van 15 december 1999 heeft de achtste kamer in dit hof met betrekking tot het verslag van geïntimeerde onder meer overwogen dat: - geïntimeerde bij aanvang van en tijdens zijn deskundige verrichtingen contacten had met de partijen in hun wederzijdse afwezigheid; - de heer H............., beheerder van N.V. Vlako, in een schrijven gewag heeft gemaakt van het verslag van geïntimeerde nog vooraleer dit was neergelegd, zodat de burgerlijke partij de inhoud ervan niet mocht of kon kennen; - het verslag van geïntimeerde tendentieuze uitlatingen en slordigheden bevat; - het niet duidelijk is op welke stukken geïntimeerde zijn besluitvorming heeft gebaseerd en hij blijkbaar bepaalde conclusies heeft getrokken, zonder over de noodzakelijk stukken te beschikken. Op grond van deze vaststellingen komt het hof tot het besluit dat het deskundigenverslag van geïntimeerde dient te worden beschouwd als een onrechtmatig bewijs, dat als bewijselement uit de debatten dient te worden geweerd, omdat: - geïntimeerde een schijn van partijdigheid heeft gewekt, hetgeen ernstige twijfel doet rijzen nopens de onpartijdigheid, integriteit en sereniteit van de gerechtsdeskundige; - geïntimeerde blijkbaar niet wars was van enig vooroordeel ten laste van de beklaagden (de bestuurders van appellante). Deze beschouwingen volstaan om te besluiten tot een onrechtmatige daad in hoofde van geïntimeerde. In haar conclusies citeert appellante uitvoerig uit een verslag van een door haar aangestelde accountant-deskundige (S......... L..............), die wijst op een aantal onzorgvuldigheden en/of fouten in het verslag van geïntimeerde. Of het hier nu een afwijkende interpretatie van bepaalde boekhoudkundige problematieken betreft, dan wel daadwerkelijke fouten begaan door geïntimeerde, is verder niet relevant, aangezien om de hiervoor vermelde redenen de fout van geïntimeerde vaststaat.
  10. de schade De vervolging van de bestuurders van appellante is niet veroorzaakt door de hiervoor in hoofde van geïntimeerde vastgestelde fout, maar is in eerste instantie een gevolg van de klacht van N.V. Vlako en de daarop door het openbaar ministerie genomen initiatieven. Wel kan worden aangenomen dat zonder de fout van geïntimeerde de beklaagden door de raadkamer niet zouden zijn verwezen naar de correctionele rechtbank en zij in eerste aanleg geen veroordeling zouden hebben opgelopen. Het zijn immers de vermeende valsheden die door geïntimeerde werden aangehaald die tot verdere vervolging voor de strafrechter hebben geleid. De door de fout van geïntimeerde veroorzaakte schade bestaat er dan ook in dat er gedurende meerdere jaren een strafprocedure heeft gelopen, waardoor de verdedigingskosten van de beklaagden (experts en advocaten) hoger zijn opgelopen dan het geval zou geweest zijn zonder de fout van geïntimeerde.
  11. het causaal verband Tenslotte stelt zich de vraag naar het oorzakelijk verband tussen de fout van geïntimeerde en de schade waarvoor appellante een vergoeding claimt. 3.
  12. Niettegenstaande niet appellante zelf, maar haar bestuurders het voorwerp waren van de klacht van N.V. Vlako en de daaropvolgende vervolging door het openbaar ministerie, is het duidelijk dat de vennootschap er alle belang bij had aan te tonen dat haar boekhouding regelmatig was. De erelonen van de experts die in dit verband werden geraadpleegd, zijn dan ook een reële schadepost voor appellante, in zoverre de prestaties van deze deskundigen betrekking hebben op de weerlegging van het verslag van geïntimeerde. Onder verwijzing naar een per 20 april 2010 gedateerd verslag dat bedrijfsrevisor P........... B................. in opdracht van appellante heeft opgesteld omtrent de schadebegroting (stuk 22 van haar dossier), brengt appellante de erelonen van de deskundigen L..........., C..........., V..........S............., D......J........... en B.............. in rekening. Op basis van dit verslag vordert appellante uit hoofde van ‘Erelonen deskundigen' een totaal bedrag van euro 31.159,
  13. Noch in de conclusies van appellante, noch in het verslag B............. wordt dit bedrag evenwel verantwoord of wordt verwezen naar enig stuk ter staving van deze vordering. Betreffende de voornoemde deskundigen zijn in het dossier van appellante enkel de volgende facturen terug te vinden (bedragen exclusief btw): - L...............: 47.850 + 40.335 + 9.680 + 35.000 = 132.865 frank (= euro 3.293,63); - C...............: 62.250 frank (= euro 1.543,14); - V............. S..............: 34.000 frank (= euro 842,84); - D........J...............: 26.040 frank (= euro 645,51). In het totaal is aldus een bedrag van euro 6.325,12 toewijsbaar. Uit het verslag B.................... blijkt dat appellante als belastingplichtige de btw heeft kunnen verrekenen. Het verslag van B...........n, op wie appellante een beroep heeft gedaan om haar bij te staan bij de schadebegroting, komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu het niet bewezen is dat in dit verband technische bijstand noodzakelijk was. De kost van dit verslag is als zodanig geen element van de door appellante geleden schade. 3.
  14. De tweede schadepost die in het verslag B............. wordt weerhouden, zijn de prestaties van de bestuurders en de accountant van appellante. Deze post komt niet in aanmerking voor vergoeding als element van de schade geleden door appellante. Vooreerst zijn de prestaties van de bestuurders van appellante en hun verplaatsingskosten in functie van het strafonderzoek waarvan zij het voorwerp waren, eigen aan deze personen zelf. Er is geen enkele grond om de uren die de gedelegeerd-bestuurder (P..........D...............) en de andere bestuurders aan dit dossier gewijd hebben, af te wentelen op appellante, die in dit verband dan ook geen eigen schade bewijst. Naast de prestaties van de bestuurders worden ook de kosten en erelonen van de accountant van appellante in rekening gebracht. Appellante verantwoordt haar vordering met de overweging dat accountant C......... D............... het universitair diploma van licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen heeft behaald en kan bogen op meer dan 10 jaar ervaring. In deze omstandigheden valt, gelet op de kwalificaties van deze accountant, niet direct in te zien waarom appellante dan nog een beroep heeft moeten doen op een aantal externe accountants om het verslag van geïntimeerde te weerleggen. Deze kosten van accountant D............. kunnen dan ook niet worden toegekend, mede omdat deze dubbel gebruik zouden uitmaken met de kosten van de externe experts, zoals hoger toegekend. 3.
  15. Waar hiervoor werd weerhouden dat de fout van geïntimeerde oorzaak is van de lange duur van de strafprocedure tegen appellante kan worden aangenomen dat de erelonen van de advocaten op wie appellante een beroep heeft gedaan, ten dele een gevolg zijn van de fout van geïntimeerde. Appellante vordert uit dien hoofde een bedrag van euro 53.694,
  16. Enerzijds geldt dit evenwel slechts voor een fractie van deze kosten en anderzijds kan het arbitrair vastgesteld bedrag van de erelonen van de diverse advocaten niet zonder meer worden afgewenteld op geïntimeerde. Gelet op de onmogelijkheid om deze schade aan de hand van concrete en objectieve criteria te bepalen, dringt een begroting ex aequo et bono zich op. Het hof is van oordeel dat een bedrag van euro 15.000,00 redelijk en verantwoord is. 3.
  17. Over de gerechtskosten verbonden aan onderhavige procedure wordt verder beslist. Deze kosten maken geen deel uit van de door appellante geleden schade. 3.
  18. Appellante vordert tenslotte een vergoeding van euro 25.000,00 voor ‘badwill'. Deze vordering is gestoeld op de overweging dat door de lange procedure voortdurend een ‘zwaard van Damocles' boven het hoofd van appellante hing en een (onterechte) veroordeling het voortbestaan van de vennootschap in het gedrang zou hebben gebracht. Bovendien zou het hangend geschil de kredietwaardigheid van appellante bij de kredietinstellingen en de leveranciers hebben aangetast. Ongetwijfeld kan worden aangenomen dat het strafonderzoek ten laste van haar bestuurders en het daaropvolgend proces het imago van appellante tijdelijk in zekere mate heeft aangetast. Evenwel geeft het verslag B................. niet de minste aanwijzing van een concreet negatief gevolg voor appellante wat haar kredietwaardigheid betreft, terwijl door de uiteindelijke vrijspraak het voortbestaan van de vennootschap niet in het gedrang is gekomen. Materiële schade is derhalve niet bewezen, terwijl een rechtspersoon slechts aanspraak kan maken op morele schade indien haar vermogen is aangetast, wat ten deze niet het geval is. Dienvolgens is deze schadepost niet toewijsbaar. 3.
  19. Samengevat komt de vordering van appellante gegrond voor tot beloop van (6.325,12 + 15.000,00) euro 21.325,
  20. Op dit bedrag kunnen de vergoedende intresten worden toegekend vanaf het arrest van het Hof van Cassatie van 30 oktober 2001, zoals door appellante gevorderd.
  21. Geïntimeerde vordert tevergeefs een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 5.000,00 voor de procedure in eerste aanleg. Aangezien de wet van 21 april 2007 pas op 1 januari 2008 in werking is getreden en het bestreden vonnis werd gewezen op 25 juni 2007, zijn de nieuwe tarieven niet van toepassing op de procedure in eerste aanleg. Aangezien een fout in hoofde van geïntimeerde weerhouden wordt, moet hij worden beschouwd als de principieel in het ongelijk gestelde partij. Omdat evenwel de beide partijen omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld (de vordering van appellante bedraagt euro 176.853,13, waarvan slechts euro 21.325,12 wordt toegekend), dient het bedrag van de aan appellante toekomende rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te worden verminderd tot euro 2.000,00, overeenkomstig artikel 1017, alinea 4 van het Gerechtelijk Wetboek. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep in de hierna volgende mate gegrond. Verklaart de vordering van appellante ten dele gegrond. Veroordeelt geïntimeerde om aan appellante te betalen de som van euro 21.325,12, meer de vergoedende intresten vanaf 30 oktober 2001 en de gerechtelijke intresten. Wijst het meergevorderde af als ongegrond. Verwijst geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, die aan zijn zijde niet dienen te worden begroot daar zij hem ten laste blijven, en aan de zijde van appellante begroot worden op euro 259,77 kosten dagvaarding, euro 364,40 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 186,00 rolrecht en euro 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de eerste kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Dirk Floren, kamervoorzitter, Bart Wylleman, raadsheer, Linda Tavernier, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op twee september tweeduizend en tien, bijgestaan door Daniël Van den Driessche, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.