id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100921.2 Rolnummer: 2009-AR-1371 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-10-07 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 11:35 Fiche Op grond van het gelijkheidsbeginsel moet niet alleen gren soverschrijdende fusies maar ook fusies tussen een Belgische dochtervennootschap en een Belgische moedervennootschap belastingneutraal worden doorgevoerd. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden: Artikel 5 van de fusierichtlijn 90//434/EEG van 23 juli 1990 heeft rechtstreekse werking Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 21-09-2010 BELASTINGEN Nr.2009/AR/1371 in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, appellant, hebbende als raadsman mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9000 GENT, Brugsesteenweg 318 tegen: LAINE CVOA, c/o B.V.B.A. BEVER-MANNA, met maatschappelijke zetel te 3520 ZONHOVEN, Beverzakbroekweg 91; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0428.835.317, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. LETTENS Stefaan, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Procedure Bij verzoekschrift van 19 mei 2009 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 16 februari 2009 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart de eis van eiseres toelaatbaar en gegrond. Vernietigt de volgende aanslag gevestigd in hoofde van eiseres in de vennootschapsbelasting: - artikel 00872005746, gemeente Zwevegem, aanslagjaar 2006, inkomsten van de balans op 1 juli 2006, datum uitvoerbaarverklaring kohier 14 juni 2007, te betalen saldo 17.637,29 EUR. Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de vernietigde aanslag zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de moratoire intresten voorzien in artikel 418 WIB
- De appellant werd ook nog veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de vordering van de geïntimeerde ongegrond verklaart en de bestreden aanslag bevestigt. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de appellant in de kosten. Subsidiair werpt ze de volgende prejudiciële vraag op die aan het Europese Hof van Justitie zou moeten gesteld worden: Schendt artikel 211 §2 WIB 92, zoals van toepassing voor aanslagjaar 2006 speciaal, dat bepaalt dat in geval van fusie, splitsing of met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting het bedrag van het gestort kapitaal, en van de voorheen gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap, ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap verminderd wordt met het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven en dat inzover de inbreng niet wordt vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschap in het bezit is van de aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap de vermindering verhoudingsgewijs wordt aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend, het artikel 5 van de Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat dat bepaalt dat de fusie belastingneutraal moet verlopen, in die mate dat bij een fusie door overname waarbij de overnemende vennootschap een participatie bezit in de overgenomen vennootschap en waarbij de inbreng niet volledig wordt vergoed door aandelen, dit wetsartikel tot gevolg heeft dat de onbelaste reserves van de overgenomen vennootschap worden belast? De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
- Feitelijke gegevens De BVBA Bever & Manna bezat 998 aandelen van de geïntimeerde. De andere twee aandelen waren in bezit van twee natuurlijke personen. Op 1 augustus 2006 werd een fusievoorstel voorgelegd voor een fusie door overneming van de geïntimeerde door de BVBA Bever & Manna overeenkomstig artikel 693 W.Venn. Bij notariële akte van 5 januari 2007 werd besloten tot ontbinding van de geïntimeerde zonder vereffening en werd de vennootschap overgenomen door de BVBA Bever & Manna. De fusie werd gedaan tegen de volgende voorwaarden: • 1.000 volstorte nieuwe aandelen van de BVBA Bever & Manna worden uitgereikt aan de aandeelhouders van de geïntimeerde tegen inlevering van 1.000 oude aandelen van de geïntimeerde naar verhouding van één nieuw aandeel van de BVBA Bever & Manna tegen één oud aandeel van de geïntimeerde; • de 998 aandelen van de geïntimeerde in het bezit van de BVBA Bever & Manna worden niet geruild conform artikel 703 §2, 1° W.Venn. Er is geen opleg in geld voorzien. Het gedeelte van de inbreng dat niet vergoed wordt met nieuwe aandelen is bijgevolg gelijk aan 99,8 %. Met ingang van 1 juli 2006 worden de handelingen van de geïntimeerde boekhoudkundig geacht te zijn verricht voor rekening van de BVBA Bever & Manna. De geïntimeerde heeft voor het aanslagjaar 2006 speciaal (boekjaar van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006) een aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend met een negatief resultaat van 9.296,56 euro. Met een bericht van wijziging van de aangifte van 26 april 2007 stelde de appellant dat de vrijgestelde reserve "verwezenlijkte meerwaarde" van 64.452,32 euro ten onrechte werd opgenomen in de begintoestand van de belaste reserve zonder dat dit ooit in het resultaat werd genomen. Volgens de taxatiedienst moest naar aanleiding van de ontbinding-met-fusie-door-overname op die vrijgestelde reserve een aanrekening van 99,8 % gebeuren. De geïntimeerde ging niet akkoord met dat bericht van wijziging van de aangifte. In zijn kennisgeving van beslissing tot taxatie van 31 mei 2007 stelde de appellant gedeeltelijk rekening te zullen houden met de argumenten van geïntimeerde. Hij erkende dat er ten onrechte geen rekening was gehouden met het verlies van 9.296,56 euro. De winst van het belastbaar tijdperk werd nu bepaald op 55.026,85 euro en, na aftrek van vorige verliezen, werd de belastbare grondslag beperkt tot 48.608,59 euro. De betwiste aanslag werd gevestigd overeenkomstig de kennisgeving van beslissing tot taxatie, namelijk de aanslag gevestigd in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2006 (speciaal), artikelnummer 00872005746, uitvoerbaar verklaard op 14 juni
- Door de accountant van de geïntimeerde werd op 9 oktober 2007 tegen die aanslag bezwaar ingediend. In zijn directeursbeslissing van 14 november 2007 wees de appellant het bezwaar af als ongegrond. Met een verzoekschrift van 13 februari 2008 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 16 februari 2009 de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaard, zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
- Grieven en argumenten van de partijen 3.
- Standpunt van de appellant De appellant voert in eerste orde aan dat de feitelijke situatie niet kan beschouwd worden als een geval dat onder de toepassing van artikel 5 van de richtlijn 90/434/EEG valt. De richtlijn zou slechts voorzien in een vrijstelling van belasting op de vrijgestelde reserves op voorwaarde dat deze reserves bij de overnemende vennootschap kunnen worden teruggevonden op het passief van de balans. Indien deze reserves niet voorkomen op het passief van de balans van de overnemende vennootschap zou de richtlijn de Lid-Staten niet verbieden om die reserves te belasten ten name van de overgenomen vennootschap en zou die vennootschap zich niet op de in artikel 5 van die richtlijn voorziene vrijstelling kunnen beroepen. De appellant zou terecht artikel 211, § 1, eerste lid, 2°, WIB92 hebben toegepast omdat in het concrete geval het bedrag van de vrijgestelde reserve, met name 64.452,32 euro van de overgenomen vennootschap, ten name van de overnemende vennootschap verminderd werd met het gedeelte van de inbreng dat niet werd vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting werden uitgegeven (99,8 %), met name 64.323,42 euro. Dat zou inhouden dat de vrijgestelde reserve slechts voor een bedrag van 128,9 EUR (0,2 %) opgenomen werd in het vermogen van de BVBA BEVER-MANNA, en niet voor een bedrag van 64.452,32 euro. De appellant is van mening dat in het geval de overnemende vennootschap de vrijgestelde reserves niet overneemt, de bepaling van artikel 211, § 1, eerste lid, 2° en §2 WIB92 niet in strijd is met artikel 5 van de richtlijn 90/434/EEG. In tweede orde beroept de appellant zich op een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12 oktober 2009 waarin wordt aangenomen dat de vermelde fusierichtlijn niet geldt voor de fusie tussen Belgische vennootschappen. De vraag naar de al dan niet rechtstreekse werking van artikel 5 van de richtlijn zou hier niet relevant zijn omdat het enkel betrekking zou hebben op de fiscale impact in België van grensoverschrijdende fusies. Dat de omzettingsverplichting van de voor grensoverschrijdende fusies uitgeschreven richtlijn door de Belgische overheid niet is nageleefd in de periode die voorafgaat aan de wet van 12 december 2008, belet volgens de appellant niet dat de Belgische wetgever, onafhankelijk van een omzetting, een louter interne fusie zelf vrijelijk fiscaal vermocht te regelen (en vrij te beslissen of hij zich in dat geval voor de fiscale regeling van zulke interne fusie aansloot bij de regels van de richtlijn). In zoverre de geïntimeerde daaruit een ongelijkheid afleidt, stelt de appellant dat de artikelen 10 en 11 GW louter internrechtelijke situaties viseren, terwijl de fusierichtlijn nergens zou bepalen dat internrechtelijke fusies fiscaal op gelijke voet moeten worden behandeld als internationale fusies. Bijkomend stelt de appellant dat, zelfs mocht artikel 5 van de richtlijn toepasselijk zijn en rechtstreekse werking hebben, de richtlijn nog vereist dat de (met vrijstelling van belasting gevormde) reserves van de inbrenger worden teruggevonden bij de ontvanger. Belastingplichtige zou niet bewijzen dat dit verbod van aantasting van vermelde reserves werd nageleefd. De appellant wijst erop dat de vroeger belastingvrije reserves niet meer bij de geïntimeerde werden teruggevonden na de verrichting. Het verzoek van de geïntimeerde tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie zou daarom irrelevant zijn omdat het antwoord geen invloed zou kunnen hebben op de oplossing van het geschil. Subsidiair stelt de appellant dat de richtlijn door de Wet van 11 december 2008 werd omgezet in het Belgisch recht voor verrichtingen die plaatsvinden vanaf 12 januari
- Omdat de betrokken verrichting het aanslagjaar 2006 "speciaal" betreft, zou ze niet onder deze nieuwe regeling vallen. Er zou in 1992 doelbewust door de wetgever voor gekozen zijn om de fiscaliteit pas aan te passen "wanneer in een later stadium (inzonderheid na de goedkeuring van het voorstel van tiende richtlijn inzake naamloze vennootschappen) grensoverschrijdende overnameverrichtingen overeenkomstig het Belgisch vennootschapsrecht mogelijk zouden worden", terwijl hij benadrukt dat door de Belgische wet enkel de nationale fusies en splitsingen geregeld werden en niet de internationale omdat op Europees vlak vennootschapsrechtelijk de transnationale verrichtingen nog niet geregeld waren. Bijgevolg berust het tijdstip van omzetting van de richtlijn 90/434/EEG in het Belgisch intern fiscaal recht volgens de appellant op een weloverwogen beslissing van de Belgische Staat om samenhang in het intern recht te waarborgen en liggen geen praktische moeilijkheden, enige nalatigheid of andere fouten aan de basis voor het overschrijden van de in artikel 12 van de richtlijn 90/434/EEG opgenomen limietdatum. Het zou niet volstaan hebben dat het Belgisch vennootschapsrecht grensoverschrijdende fusies vanaf 1 januari 1999 mogelijk maakte, met name door de invoering van artikel 558 W.Ven.: eerst zou de omzetting in het Belgisch vennootschapsrecht van de richtlijn 2005/56/EG die het vennootschapsrecht van grensoverschrijdende fusies op Europees vlak coördineert moeten zijn doorgevoerd; dat zou van essentieel belang geweest zijn alvorens het zin zou gehad hebben om het intern fiscaal recht aan te passen. De omzetting van de richtlijn 90/434/EEG in het Belgisch fiscaal intern recht kon volgens de appellant slechts nuttig zijn als het vennootschapsrecht van grensoverschrijdende fusies op Europees vlak reeds gecoördineerd was (richtlijn 2005/56/EG) en in het Belgische intern recht omgezet zou zijn. Uit de doelstellingen van de twee richtlijnen leidt de appellant af dat, om inzake grensoverschrijdende fusies tot een goede werking van de interne markt te komen, een coördinatie op Europees vlak van zowel de vennootschapsrechtelijke aspecten als de fiscale aspecten van grensoverschrijdende fusies noodzakelijk was. Het niet omzetten van de richtlijn 90/434/EEG in het Belgisch intern recht vóór de omzetting van de richtlijn 2005/56/EG zou daarom het nuttig effect van de bepalingen van de eerst vermelde richtlijn niet geschaad hebben. Gelet op het feit dat de richtlijn 2005/56/EG slechts vanaf 15 december 2007 in het Belgisch intern fiscaal recht omgezet moest worden zou overeenkomstig het standpunt van de appellant een omzetting van de richtlijn 90/434/EEG vóór die datum niet nuttig geweest zijn voor het bereiken van het doel van die richtlijn en kan in het huidige geval voor het aanslagjaar 2006 "speciaal" niet worden ingeroepen dat de richtlijn 90/434/EEG al moest zijn omgezet in het intern fiscaal recht. De Belgische Staat zou ook niet veroordeeld zijn voor de laattijdige omzetting van artikel 5 van de richtlijn 90/434/EEG. Waar de geïntimeerde inroept dat zij niet in de mogelijkheid was "om de vrijgestelde reserve over te dragen aan de overnemende vennootschap", stelt de appellant dat de richtlijn nergens bepaalt op welke manier de reserves moeten worden overgezet. Het enige dat telt, zou het eindresultaat zijn: pas als de reserves zijn overgezet, zou sprake kunnen zijn van een belastingneutrale verrichting ingeval een moedervennootschap een dochtervennootschap overneemt. De geïntimeerde zou niet het bewijs leveren dat de doelstellingen van de richtlijn in de concrete fusie-operatie werden gerealiseerd. Het probleem van artikel 78 §6 KB Venn. is volgens de appellant een louter boekhoudkundig probleem dat losstaat van wat het fiscale eindresultaat moet zijn. Het CBN zou slechts in een keuzestelsel voorzien maar geen verplichtingen opleggen omtrent de wijze waarop dergelijke fusieoperaties boekhoudkundig kunnen worden verwerkt. 3.
- Standpunt van de geïntimeerde In hoofdorde stelt de geïntimeerde dat artikel 211, §2 WIB92 in strijd is met de Europese Fusierichtlijn van 23 juli 1990 nu die richtlijn directe werking zou hebben en voorziet in belastingneutraliteit bij een fusie. Uit het algemene stelsel van de Fusierichtlijn zou voortvloeien dat het uitgewerkt systeem van uitstel van belastingheffing, zonder onderscheid van toepassing is op elke fusie, splitsing, inbreng van activa en aandelenruil, ongeacht om welke reden deze plaatsvindt en ongeacht hoe deze plaatsvindt. Het feit of de onbelaste reserves al dan niet werden overgenomen door de BVBA Bever-Manna zou niet relevant zijn. De Fusierichtlijn zou rechtstreekse werking hebben en ook toepasselijk zijn op een fusie tussen twee Belgische ondernemingen. De geïntimeerde maakt de vergelijking met de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn: deze richtlijn was - zo stelt de geïntimeerde - ook slechts toepasselijk op grensoverschrijdende situaties, maar de Belgische rechtspraak heeft deze eveneens van toepassing verklaard op interne situaties. Bovendien leidt het feit dat de Fusierichtlijn enkel van toepassing zou zijn op grensoverschrijdende fusies en niet op interne fusies volgens de geïntimeerde tot een schending van de artikelen 10 en 11 GW. De Wet van 11 december 2008 die de Fusierichtlijn uiteindelijk in de Belgische wetgeving heeft geïmplementeerd, zou benadrukken dat het de bedoeling van de wetgever is een volledig gelijke behandeling na te streven tussen intracommunautaire reorganisaties en louter nationale verrichtingen. Het Hof van Justitie zou zich in het Leur-Bloem arrest bevoegd verklaard hebben om het Gemeenschapsrecht uit te leggen in zuiver interne (binnenlandse) verhoudingen, zodat de geïntimeerde zich wel degelijk zou kunnen beroepen op de Europese Fusierichtlijn om de belastingvrije fusie te vorderen. In de memorie van toelichting bij de Wet van 11 december 2008 zou de wetgever bevestigd hebben dat de fiscale regelgeving zoals van toepassing in huidige betwisting in strijd was met de Europese regelgeving. De geïntimeerde voert ook aan dat zij niet in de mogelijkheid was om de vrijgestelde reserve over te dragen aan de overnemende vennootschap omdat zij artikel 78, §6 KB.Venn. moest naleven en daarin voorzien wordt dat, indien de overnemende vennootschap aandelen bezat van de overgenomen vennootschap, deze aandelen bij de fusie worden ingetrokken en de verschillende bestanddelen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap slechts in de boekhouding van de overnemende vennootschap worden opgenomen tot beloop van de fractie die overeenstemt met de aandelen van de overgenomen vennootschap die omgewisseld werden tegen aandelen van de overnemende vennootschap. Gelet op het feit dat de overnemende vennootschap een aandelenparticipatie had van 99,8% in de overgenomen vennootschap werd, zo stelt de geïntimeerde, het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap slechts overgenomen tot beloop van 0,2%. Dit geldt voor het overgedragen verlies, de wettelijke en vrijgestelde reserves van de overgenomen vennootschap. Het advies van de CBN waar de appellant naar verwijst, zou geen bindende werking hebben en bovendien dateren van na de wetswijziging. De geïntimeerde voert ook aan dat de Belgische Staat de Fusierichtlijn niet tijdig in het interne recht heeft omgezet. België zou herhaaldelijk zijn aangemaand door de Europese Commissie om de Europese Fusierichtlijn om te zetten in het Belgische recht. Het argument van de appellant dat de implementatie slechts mogelijk was nadat een grensoverschrijdende reorganisatie van vennootschappen mogelijk zou zijn ingevolge het vennootschapsrecht, zou zijn weggevallen door de invoering van artikel 558 in het W.Venn. Vermits die richtlijn al had moeten geïmplementeerd zijn op het ogenblik van de betrokken fusie, zou de geïntimeerde zich wel degelijk kunnen beroepen op de inhoud van die richtlijn. Meest subsidiair werpt de geïntimeerde de hoger geformuleerde prejudiciële vraag voor het Europese Hof van Justitie op.
- Beoordeling 4.
- De appellant heeft voor het vestigen van de bestreden aanslag toepassing gemaakt van het (toenmalige) artikel 211 §2 WIB92 dat immers tot gevolg heeft dat bij fusie door opslorping de inbreng die niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven, ten name van de overgenomen vennootschap als een belastbaar dividend wordt beschouwd. In die mate werd de fusie door opslorping van de geïntimeerde door de BVBA Bever en Manna niet belastingneutraal behandeld. 4.
- Met reden heeft de eerste rechter aangenomen dat deze regeling in strijd is met artikel 5 van de Fusierichtlijn 90/434/EEG van 23 juli 1990 (hierna ‘de richtlijn) en dat dit artikel rechtstreekse werking heeft. Artikel 5 van de richtlijn luidt als volgt: De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat de reserves die door de inbrengende vennootschap in overeenstemming met de voorschriften met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting zijn gevormd, behoudens de reserves uit vaste inrichtingen in het buitenland, onder dezelfde voorwaarden worden overgenomen door de vaste inrichtingen van de ontvangende vennootschap welke zijn gelegen in de Staat van de inbrengende vennootschap, waarbij de ontvangende vennootschap de rechten en verplichtingen van de inbrengende vennootschap overneemt. Deze bepaling is voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk geformuleerd zodat de geïntimeerde zich op de rechtstreekse werking ervan kan beroepen, nu de Lid-Staten ertoe gehouden waren artikel 5 van de richtlijn in hun interne recht om te zetten vóór 1 januari 1992 en de bestreden aanslag betrekking heeft op feiten die dateren uit
- De omzetting van artikel 5 van de richtlijn laat immers geen ruimte aan de Lid-Staten voor een discretionaire uitvoeringsmaatregel waarmee de Lid-staten het door de richtlijn opgelegde resultaat wezenlijk zouden kunnen en mogen beïnvloeden. De uitvoeringsbevoegdheid van de Lid-Staten strekt immers niet verder dan de macht om de wijze te bepalen waarop de overgang van de vrijgestelde reserves van de overgenomen vennootschap naar de overnemende vennootschap toe zich op fiscaal technisch vlak kan voltrekken (zie D. Van Bortel, "Belastingneutrale Moeder-dochterfusie op grond van art. 5 van de Fusierichtlijn", T.F.R. 2009, p. 567-568). Artikel 5 van de richtlijn stelt ook geen enkele voorwaarde. Anders dan de appellant voorhoudt, is het niet zo dat de richtlijn slechts voorziet in een vrijstelling van belasting op de vrijgestelde reserves op voorwaarde dat deze reserves bij de overnemende vennootschap kunnen worden teruggevonden op het passief van de balans. De richtlijn strekt er zonder meer toe om de fusie belastingneutraal te laten verlopen. Zoals de geïntimeerde terecht laat gelden, bestond - gelet op artikel 78, §6 KB Venn. de mogelijkheid niet om ook de ingetrokken aandelen op te nemen in de boekhouding van de overnemende vennootschap. Waar de vraag aan de orde is of de Belgische internrechtelijke regeling in overeenstemming was met de richtlijn, kan de appellant bezwaarlijk een argument putten uit een omstandigheid die voortvloeide uit de eigen Belgische internrechtelijke regeling. Terecht laat de geïntimeerde verder gelden dat het geen argument was voor de Belgische Staat om de richtlijn nog niet om te zetten om vennootschapsrechtelijke redenen. De al dan niet vermeende belemmering voor de omzetting is in elk geval weggevallen door de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen in 1999, nu artikel 558 van dat wetboek het principe bevat dat de algemene vergadering het recht heeft de statuten te wijzigen zonder de wezenlijke bestanddelen nog langer uit te sluiten van het recht om de nationaliteit van een vennootschap te wijzigen; dat houdt in dat de aandeelhouders geldig kunnen beslissen over de fusie van een Belgische vennootschap door overname door een vennootschap die gevestigd is in een andere Lid-Staat van de Europese Unie. Dat blijkt ook (impliciet) uit artikel 112 Wb.IPR van 16 juli 2004 (zie A. Huyghe en M. Isenbaert, "De Fusierichtlijn en Bedrijfsreorganisaties naar Belgisch recht: Leidt de Europese Draad van Ariadne de Belastingplichtige uit het Belgische Labyrint?", in B. Peeters (ed.) Europees belastingrecht, Brussel, Larcier, 2005, nrs. 12 tot 15). 4.
- Waar de appellant aanvoert dat artikel 5 van de richtlijn slechts toepasselijk is op grensoverschrijdende fusies, terwijl het hier een zuiver interne fusie betreft, stelt de geïntimeerde terecht dat het niet toepassen van die bepaling een ongeoorloofde ongelijkheid tot gevolg zou hebben. De overgenomen vennootschappen zouden immers verschillend worden behandeld naargelang de vestigingplaats van de overnemende vennootschap. Meer bepaald gaat het om een "omgekeerde discriminatie", zijnde de situatie waarbij de interne situatie ongunstiger wordt behandeld als de grensoverschrijdende situatie (vgl. Arb.H. arr.nr. 74/95, 9 november 1995, waar het Arbitragehof de Belgische regeling, die interesten die Belgische rijksinwoners ontvingen van andere Belgische rijksinwoners ongunstiger behandelde dan interesten die Belgische rijksinwoners ontvingen van buitenlandse schuldenaars, strijdig bevond met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel). Er bestaat kennelijk geen enkel rechtvaardigingsgrond voor deze verschillende behandeling (zie o.a. F. VAN ISTENDAEL, "De belasting van grensoverschrijdende fusies", AFT, 5 mei 1991, p. 153; M. DE MUYNCK, G. DENEEF, C. AMAND, Overdracht van Ondernemingen. Fiscaal-juridische aspecten, Brussel, Larcier, 1999, p. 535). Het is trouwens net om die gevallen van omgekeerde discriminatie te vermijden dat bij de omzetting van de Fusierichtlijn door de wet van 11 december 2008 door de wetgever ervoor werd geopteerd om het daarin vervatte stelstel van belastingneutraliteit uit te breiden tot interne bedrijfsreorganisaties (Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 1398/001, p. 4: "Bij deze omzetting wordt er voor geopteerd geen afzonderlijke of bijkomende fiscale regeling te voorzien voor de intra-Europese grensoverschrijdende verrichtingen. Dit heeft tot gevolg, enerzijds, dat de voorgestelde wetswijziging toelaat dat de specifieke fiscale bepalingen die fiscaal neutrale intra-Europese grensoverschrijdende verrichtingen mogelijk maken geïntegreerd worden in de bestaande bepalingen die de louter Belgische verrichtingen viseren, en anderzijds dat de bepalingen die de louter Belgische verrichtingen viseren worden aangepast om te voldoen aan de vereisten die gesteld worden door de op 17 februari 2005 gecoördineerde richtlijn"). Ten einde de grondwettelijke gelijkheid, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 GW, te respecteren, moet artikel 5 van de richtlijn, die rechtstreekse werking heeft, evenzeer toegepast worden op de interne fusie waarbij de geïntimeerde door de BVBA Bever en Manna werd opgeslorpt. Het standpunt van de eerste rechter moet bijgevolg gevolgd worden, zodat het hoger beroep ongegrond is.
- De gerechtskosten De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 1.100,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis. veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: nihil - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.100,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op EENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D.Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div