← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100930.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100930.11 Rolnummer: Rechtsgebied: Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 13:43 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Rechtspleging derdenverzet Vrije woorden: Belang om derdenverzet in te stellen : -appellante bezit niet het vereiste belang in de zin van art. 17 Ger.Wetboek. - het belang moet voorhanden blijven gedurende het volledig geding. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 30 september 2010 oorspronkelijk derdenverzet onontvankelijk 2009/RK/277 in de zaak van: V.......................L................., bestendig secretaris ACOD LRB Oost-Vlaanderen, wonende te ...................................., appellante, hebbende als raadsman mr. MARTENS Ingrid, advocaat te 9000 GENT, Gustaaf Callierlaan 291 tegen:

  1. HET AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF EVERGEM, met maatschappelijke zetel te 9940 EVERGEM, Fortune De Kokerlaan 11, eerste geïntimeerde,
  2. GEMEENTE EVERGEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 9940 EVERGEM, Fortune De Kokerlaan 11, tweede geïntimeerde, beiden hebbende als raadsman mr. VANOVERBEKE Sabine, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat 3 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 26 oktober 2009 heeft L..........V.................. hoger beroep ingesteld tegen de beschikking in kort geding van 15 juni 2009 op tegenspraak gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden L............. V................ is bestendig secretaris van de representatieve vakorganisatie Algemene Centrale der Openbare Diensten, hierna ACOD genoemd, en heeft in deze hoedanigheid op 23 februari 2009 een brief gericht aan de gemeente Evergem waarin de besprekingen van de nieuwe rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel in herinnering werden gebracht. Tijdens de daaropvolgende vergadering van 9 april 2009 heeft de gemeente gemeld dat zij niet zou ingaan op de herwaardering van een aantal functies. Dit wordt door de gemeente aan het personeel per brief van 16 april 2009 bevestigd. Op 9 april 2009 heeft L........ V................ samen met haar collega van een andere vakorganisatie, het VSOA, een stakingsaanzegging ingediend met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde duur. Hierop hebben het Autonoom Gemeentebedrijf Evergem en de Gemeente Evergem een eenzijdig verzoekschrift neergelegd dat heeft geleid tot de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 24 april 2009 waarbij aan eenieder het verbod werd opgelegd het normale gebruik van de sporthal te Evergem en de sporthal/het zwembad te belemmeren en de vrije toegang tot deze complexen te verhinderen. Er werd tevens een dwangsom opgelegd. De beschikking bleef geldig gedurende twee weken vanaf de betekening ervan. Hiertoe werd overgegaan op 27 april 2009, waardoor de gelding van de beschikking afliep op 11 mei
  3. L............ V.................heeft tegen deze beschikking derdenverzet aangetekend. In de bestreden beschikking op derdenverzet is geoordeeld dat: - L........... V................. belang had bij het door haar ingesteld derdenverzet vermits op dat ogenblik de termijn van twee weken bepaald in de bestreden beschikking nog niet was verstreken; - het Autonoom Gemeentebedrijf Evergem en de Gemeente Evergem terecht hun toevlucht hadden genomen tot het neerleggen van een eenzijdig verzoekschrift vermits de personen die als stakingsposten of anderszins optraden, niet gekend waren en het dus onmogelijk was hen individueel te dagvaarden; - op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift gevaar was voor feitelijkheden die de subjectieve rechten van derden zouden miskennen, zodat de gevraagde maatregelen terecht waren. Het derdenverzet werd dan ook ongegrond verklaard. L...........V............... kan zich met deze beslissing niet verzoenen en is van oordeel dat: - het Autonoom Gemeentebedrijf Evergem en de Gemeente Evergem ten onrechte een beschikking op eenzijdig verzoekschrift hebben uitgelokt; - er van een bezetting van de gebouwen geen sprake was en er ook geen te beteugelen feitelijkheden waren. Het Autonoom Gemeentebedrijf Evergem en de Gemeente Evergem stellen incidenteel hoger beroep in. Zij houden voor dat L.............V................... geen belang heeft bij de procedure en dat deze daarenboven geen voorwerp meer heeft nu de geldingsduur van de bestreden beschikking verstreken is. Bovendien is er geen sprake meer van spoedeisendheid, voorwaarde voor een procedure in kort geding. Ten gronde zijn zij van oordeel dat de beschikking op eenzijdig verzoekschrift terecht werd verleend. beoordeling
  4. Met de beschikking van 24 april 2009 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent aan eenieder - onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per persoon per inbreuk - het verbod opgelegd het normale gebruik van de sporthal te Evergem en de sporthal/het zwembad te belemmeren en de vrije toegang tot deze complexen te verhinderen. Tevens werd voor recht gezegd dat de beschikking "slechts geldig blijft gedurende twee weken te rekenen vanaf de eerste betekening van deze beschikking en dat de betekening mag gebeuren op zaterdag, zondag en op feestdagen en op elk uur van de dag en de nacht". Geïntimeerde de Gemeente Evergem staat voor dat appellante, L........... V.................., niet over het vereiste belang en hoedanigheid beschikt - in de zin van artikel 17 en 18 van het gerechtelijk wetboek - om verzet in te stellen tegen de beschikking gewezen op 24 april 2009 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. In essentie voert zij daartoe aan dat er ondertussen een akkoord is tussengekomen met de vakbonden, zodat de reden van de staking is komen te vervallen en dat de beschikking maar een beperkte geldigheidsduur had. Bovendien hadden de vakbonden te kennen gegeven dat zij zich naar de beschikking zouden conformeren en het daarin opgelegd verbod zouden naleven en werden geen dwangsommen verbeurd, zodat het verzet zonder voorwerp is geworden en L......... V.................. geen belang heeft om haar vorderingen te handhaven.
  5. Bij de bestreden beslissing van 15 juni 2009 heeft de eerste rechter de argumentatie van de Gemeente Evergem afgewezen en de vordering van L...... V............. ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De eerste rechter overwoog daartoe dat de op derdenverzet bestreden beschikking gold voor een periode van twee weken, te rekenen vanaf de betekening, die gebeurde op 27 april
  6. Aangezien de geldigheid van de beschikking aldus slechts op 11 mei 2009 afliep en het derdenverzet werd ingeleid bij dagvaarding van 4 mei 2009, had L........ V............. op dat ogenblik nog belang bij het instellen van haar vordering. De Gemeente Evergem kan zich met het vonnis a quo niet verzoenen en stelde op dit punt incidenteel hoger beroep in.
  7. Hoewel het gerechtelijk wetboek zelf geen omschrijving geeft van het begrip belang, kan het belang worden omschreven als ieder materieel of moreel - daadwerkelijk, maar niet theoretisch - voordeel dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig maakte, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (VAN REEPINGHEN, Ch., "Verslag over de gerechtelijke hervorming", Pasin. 1967, 320). Het belang is dus anders gezegd het voordeel dat uit een rechtsvordering kan worden verkregen door degene die een recht te verdedigen heeft. In die optiek kan het er niet mee volstaan als belang aan te voeren dat men een theoretisch recht heeft. Een eisende partij moet ook aantonen dat haar vorderingen berusten op een eigen subjectief recht. Met belang in de zin van artikel 17 gerechtelijk wetboek wordt aldus bedoeld het persoonlijk en concreet belang dat de eiser moet bezitten om zijn recht voor de rechter te doen gelden (KRINGS E., conclusie bij Cass. 25 oktober 1985, Arr. Cass. 1985-86, 249; R.W., 1986, 2411 e.v.).
  8. Het Hof is thans van oordeel dat appellante niet het vereiste belang bezit in de zin van artikel 17 van het gerechtelijk wetboek. 4.
  9. Zoals hierboven uiteengezet werden de in de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 24 april 2009 opgelegde verbodsmaatregelen beperkt in de tijd en bleef de beschikking slechts geldig gedurende twee weken te rekenen vanaf de eerste betekening van de beschikking. Aangezien de beschikking werd betekend op 27 april 2009 had ze dan ook geen uitwerking meer na 11 mei
  10. Hoewel op datum van de dagvaarding - 4 mei 2009 - de beschikking ontegensprekelijk nog uitwerking had, en appellante dus kon schaden in haar subjectieve rechten, zodat vanuit die optiek L......... V.................. nog belang had derdenverzet aan te tekenen tegen de op eenzijdig verzoekschrift tussengekomen beschikking, was dit belang echter verdwenen na 11 mei 2009, gezien de bestreden beschikking vanaf dan geen enkele uitwerking meer had of een enig nadeel kon berokkenen aan appellante. Het belang moet nochtans voorhanden blijven gedurende het volledig geding (DE CORTE, R., "Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen materieel recht en gerechtelijk recht", in Procesrecht vandaag, red. M. STORME, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1980, p. 14, nr. 34). Nu het belang vanaf 11 mei 2009 niet langer voorhanden was, stelt het hof vast dat het derdenverzet en de vordering van L......... V...............e zonder voorwerp zijn geworden en haar vordering derhalve niet langer meer toelaatbaar is (VANLERSBERGHE, P., "Artikel 17 Ger.W.", in X, Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.). 4.
  11. Daarenboven blijkt uit de door partijen voorgelegde stukken dat er tussen partijen een sociaal akkoord is tussengekomen en dat alle personeelsleden het werk hebben hervat, zodat appellante ook om deze reden geen enkel actueel belang meer heeft om de op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking nog langer aan te vechten. 4.
  12. Bovendien hebben L........ V.......... en de vakbondsafgevaardigden altijd staande gehouden dat zij de verbodsbepalingen als geformuleerd in de op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking van 24 april 2009 zouden naleven en handelen conform de tussengekomen beschikking. En werden ook geen dwangsommen verbeurd, zodat appellante ook om deze reden geen concreet of juridisch beschermd belang had om derdenverzet aan te tekenen tegen de op eenzijdig verzoekschrift gewezen beschikking van 24 april
  13. Het door haar aangehaalde moreel belang is dan ook in wezen slechts een theoretisch belang, aangezien zij met haar vordering enkel beoogt de grenzen en de juridische principes van het stakingsrecht in algemene zin te horen beoordelen, wat niet voldoet aan de bepalingen van artikel 17 van het gerechtelijk wetboek, zodat haar vordering onontvankelijk is.
  14. Aangezien het derdenverzet van L.......V............. wordt afgewezen als onontvankelijk, dient het hof het door partijen ontwikkeld verweer en de argumentatie met betrekking tot de gegrondheid van de vorderingen thans niet verder te ontmoeten.
  15. Nu appellante geen belang had om derdenverzet aan te tekenen, dienen de gedingkosten in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek voor beide aanleggen ten hare laste te blijven. Waar de vordering een niet in geld waardeerbare vordering betreft, wordt de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen bepaald op de het basisbedrag van 1.200 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar en in de volgende mate gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis. En opnieuw oordelend: Verklaart het derdenverzet onontvankelijk. Verwijst appellante in de kosten, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van geïntimeerden vereffend worden op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, kamervoorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op DERTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.