id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101014.10 Rolnummer: Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-07-01 13:52 Fiche Het hof beoordeelt de nietigheid van een eigenhandig testament van een rusthuisbewoner t.a.v. een verzorgster. Er dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Algemeen (schenkingen en testamenten) Vrije woorden: Testament - art. 909 BW Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 14 oktober 2010 ________ 2009/AR/1148 - In de zaak van: V................. G............, , wonende te ........................., woonstkeuze doende bij haar raadsman hierna vermeld, appellante, hebbende als raadsman mr. DEBEL José, advocaat te 8560 GULLEGEM, Oude Ieperstraat 4 tegen :
- V.............. M..........., wonende te ........................................,
- V............... A................, (enige erfgenaam van wijlen zijn echtgenote Mevrouw A......... V..............., voor wie hij het geding hervat heeft), wonende te ........................, geïntimeerden, beiden hebbende als raadsman mr. HOSTE Betty, advocaat te 8870 IZEGEM, Burg. Vandenbogaerdelaan 18 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 april 2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 16 december 2008 én het vonnis d.d. 24 maart 2009, beiden uitgesproken door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Bij voornoemd vonnis d.d. 16 december 2008 werd(en): - de oorspronkelijke vordering van V............. M........... en V............ A............ (rechtsvoorgangster van de tweede geïntimeerde) ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard; - gezegd voor recht dat er geen reden is om voorafgaandelijk aan de beoordeling van de zaak, de prejudiciële vraag, zoals geformuleerd door de appellante aan het Grondwettelijk Hof te stellen; - gezegd voor recht dat het eigenhandig testament van wijlen de heer A...........V................, gedagtekend op 27 mei 2005, neergelegd onder de minuten van notaris L........ d. M......... met standplaats te ......................... en waarbij de appellante werd aangesteld als algemene erfgename, nietig wordt verklaard in toepassing van artikel 909 lid 2 B.W.; - de appellante veroordeeld tot betaling van de kosten van dagvaarding en rolstelling, aldaar nader begroot; - alvorens recht te doen over de resterende gerechtskosten, de debatten ambtshalve heropend teneinde de partijen toe te laten verder standpunt in te nemen, gelet op de inwerkingtreding van de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 met ingang op 1 januari 2008; - de partijen verzocht hun schriftelijke opmerkingen hieromtrent ter griffie neer te leggen; - de rechtsdag waarop de partijen hieromtrent zouden worden gehoord, bepaald op 3 februari
- Bij vonnis d.d. 24 maart 2009 werd akte genomen van de hervatting van het geding door de heer A..........V.............. in zijn hoedanigheid van enige erfgenaam van wijlen zijn echtgenote, mevrouw A........... V..............., oorspronkelijk tweede eiseres en overleden te .......................... Tevens werd, rechtdoende over de resterende gerechtskosten, de appellante veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerden van een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan het basisbedrag van 1.200 EUR. In haar syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 16 december 2009, vorderde de appellante dat het hof: - de betekening van het vonnis van 16 december 2008 op 2 april 2009 van onwaarde zou verklaren, minstens in hoofde van A.......... V................, minstens de betekening zou vernietigen; - het hoger beroep ontvankelijk zou verklaren; - alvorens ten gronde te oordelen de volgende prejudiciële vragen zou stellen aan het Grondwettelijk Hof: Schendt artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu zij voor personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden een rechtsonbekwaamheid invoert om een voordeel te genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt, terwijl er voor personeelsleden van ziekenhuizen geen dergelijk verbod geldt, terwijl zij evenzeer kunnen instaan voor de zorg van patiënten op het einde van hun leven, er in geval van euthanasie slechts een verbod geldt voor leden van het verplegend team dat in regelmatig contact staat met de patiënt in toepassing van artikel 15 van de Wet betreffende de euthanasie van 28 mei 2002 (B.S. 22 juni 2002) en er voor dokters in de genees, heel- en verloskunde en apothekers sprake moet zijn van een behandeling. Schendt artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu zij voor personeelsleden van rustoorden, rust-en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden via een onweerlegbaar vermoeden een rechtsonbekwaamheid invoert om een voordeel te genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt zelfs in de gevallen waar er geen of slechts een zeer sporadisch contact is met de beschikker, terwijl er in geval van euthanasie slechts een verbod geldt voor leden van het verplegend team dat in regelmatig contact staat met de patiënt in toepassing van artikel 15 van de Wet betreffende de euthanasie van 28 mei 2002 (B.S. 22 juni 2002) en er voor dokters in de genees, heel- en verloskunde en apothekers sprake moet zijn van een behandeling en dus ook van een regelmatig contact. Zou er geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaan indien artikel 909 B.W. in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een weerlegbaar vermoeden van captatie invoert voor personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden met betrekking tot voordelen die de personeelsleden zouden genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament vanwege personen die in de instelling verbleven, nu de bejaarden in woonvoorzieningen voor bejaarden niet van elk personeelslid zo afhankelijk zijn als patiënten tijdens hun laatste ziekte waar zij aan overlijden van hun dokters of patiënten die in aanmerking komen voor euthanasie van het verplegend team. Schendt het derde lid van artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat er geen uitzondering wordt voorzien op de rechtsonbekwaamheid om te ontvangen voor aanverwanten tot de vierde graad nu deze over eenzelfde band en dus dezelfde genegenheid (kunnen) beschikken als bloedverwanten tot in de vierde graad. Schendt het derde lid van artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat er geen uitzondering wordt voorzien op de rechtsonbekwaamheid om te ontvangen voor aanverwanten tot de vierde graad voor het aandeel van het vermogen van de beschikker dat de beschikker verkreeg van personen met wie zijn aanverwant in de vierde graad wel bloedverwant is, de vooroverleden echtgenoot in het bijzonder, terwijl de bloedverwant van de laatst overleden echtgenoot wel vrijuit het eigen vermogen van zijn bloedverwant kan ontvangen. - ten gronde: o het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; o de vonnissen van 16 december 2008 en 24 maart 2009 zou vernietigen en opnieuw zou oordelen; o de vordering van de geïntimeerden zou afwijzen als ongegrond; o de geïntimeerden zou veroordelen tot de gerechtskosten, in haar hoofde aldaar nader begroot; o ondergeschikt, vooraleer recht te doen, de appellante zou toelaten te bewijzen met getuigen: "dat A............... V............... op het ogenblik van het opstellen van het testament d.d. 27 mei 2005 gezond van geest was." "dat de vrije wil van wijlen A............. V............., overleden op .........., op het ogenblik van het opstellen van het testament d.d. 27 mei 2005 niet gecapteerd was door de appellante door middel van listen, kunstgrepen en bedrog." o minstens het vonnis van 24 maart 2009 zou hervormen waar het de appellante veroordeelde tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 1.200 EUR en opnieuw oordelende de door de appellante verschuldigde rechtsplegingsvergoeding zou verminderen tot 500 EUR; o de geïntimeerden zou veroordelen tot de gerechtskosten van de beroepsprocedure, in haar hoofde aldaar nader begroot. De geïntimeerden vroegen dat het hof het hoger beroep van de appellante over de hele lijn zou afwijzen, dienvolgens de bestreden vonnissen d.d. 16 december 2008 en 24 maart 2009 integraal zou bevestigen en de appellante zou veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, in hun hoofde aldaar nader begroot. Op de openbare terechtzitting van 16 september 2010 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- Het hoger beroep is tijdig ingesteld zodat de vordering tot ontkentenis van proceshandeling en nietigheid van de betekeningsakte van 2 april 2009 zonder voorwerp is, zoals door de appellante verduidelijkt op de openbare terechtzitting van 16 september
- Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
- De relevante feiten alsmede de respectieve vorderingen en standpunten van partijen werden uitvoerig uiteengezet in het bestreden tussenvonnis van 16 december 2008 (eerste tot en met vijfde blad) zodat het kortheidshalve volstaat om daarnaar te verwijzen.
- Ter discussie staat het eigenhandig testament d.d. 27 mei 2005 van wijlen A............. V........... waarin de appellante ‘als enige en algemene erfgenaam' werd aangesteld. De appellante is de nicht van wijlen de echtgenote van A........... V.........., G........... V............, en werkneemster van het OCMW van Wevelgem. Met name is zij in dienst als verzorgster in het OCMW woon- en zorgcentrum 't Gulle Heem, alwaar de decuius ten tijde van de opmaak van zijn testament en tot aan zijn dood op 23 september 2006 heeft verbleven. Artikel 909, tweede lid B.W. bepaalt dat beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden, geen voordeel kunnen genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt. Deze bepaling voert een relatieve onbekwaamheid in om te ontvangen, die beperkt is tot de specifieke verhouding die de wet beoogt. Artikel 909 B.W. voert met name een onweerlegbaar vermoeden van captatie in ten aanzien van bepaalde categorieën van personen die door hun beroepsactiviteiten een zekere invloed (kunnen) uitoefenen op ouderen en zieken. De door voornoemd artikel geviseerde personen hebben aldus niet de mogelijkheid om aan te tonen dat de beschikkingen uit genegenheid en zonder beïnvloeding zijn tot stand gekomen. In dit verband vertonen de talrijke verklaringen die de appellante voorlegt geen enkele relevantie. De appellante meent dat de wetgever door de invoering van het tweede lid van artikel 909 B.W. bij wet van 22 april 2003 op een aantal punten een verschillende behandeling van gelijke situaties en een gelijke behandeling van verschillende situaties heeft ingevoerd, dit in strijd met de artikelen 10 en 11 GW.. Zij verzoekt het hof dan ook om een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Schendt artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu zij voor personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden een rechtsonbekwaamheid invoert om een voordeel te genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt, terwijl er voor personeelsleden van ziekenhuizen geen dergelijk verbod geldt, terwijl zij evenzeer kunnen instaan voor de zorg van patiënten op het einde van hun leven, er in geval van euthanasie slechts een verbod geldt voor leden van het verplegend team dat in regelmatig contact staat met de patiënt in toepassing van artikel 15 van de Wet betreffende de euthanasie van 28 mei 2002 (B.S. 22 juni 2002) en er voor dokters in de genees, heel- en verloskunde en apothekers sprake moet zijn van een behandeling. Schendt artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu zij voor personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden via een onweerlegbaar vermoeden een rechtsonbekwaamheid invoert om een voordeel te genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt zelfs in de gevallen waar er geen of slechts een zeer sporadisch contact is met de beschikker, terwijl er in geval van euthanasie slechts een verbod geldt voor leden van het verplegend team dat in regelmatig contact staat met de patiënt in toepassing van artikel 15 van de Wet betreffende de euthanasie van 28 mei 2002 (B.S. 22 juni 2002) en er voor dokters in de genees, heel- en verloskunde en apothekers sprake moet zijn van een behandeling en dus ook van een regelmatig contact. Teneinde te ressorteren onder het eerste lid van artikel 909 B.W. wordt vereist dat de persoon ten aanzien van wie het vermoeden van captatie geldt de beschikker heeft behandeld. Het is precies de daadwerkelijke behandeling die invloedmisbruik doet vrezen. Door de behandeling groeit een relatie tussen beschikker en arts, waaruit een zekere machtspositie van de arts en een zekere afhankelijkheid en kwetsbaarheid van de beschikker/patiënt kan ontstaan, waardoor invloedsmisbruik mogelijk wordt. Zonder enige behandeling kan er van beïnvloeding geen sprake zijn en valt dus geen captatie te vrezen. Dezelfde redenering kan worden aangehouden wat betreft het regelmatig contact vereist in hoofde van een lid van het verplegend team betrokken bij euthanasie. De invoering van het tweede lid van dit wetsartikel werd gemotiveerd door de talrijke problemen voor het verpleegkundig personeel alsmede voor de beheerders en personeelsleden van rust- en verzorgingstehuizen en van rustoorden voor bejaarden. De huidige sociale context waarin bejaarden steeds vaker terechtkomen in de gekende collectieve woonstructuren maakt dat zij, vaak vereenzaamd en in een fase van fysieke en/of psychische aftakeling, in een zwakke en afhankelijke positie verkeren. De personeelsleden die met de bejaarden omgaan, bepalen mede hun levenskwaliteit. Dat in het tweede lid van artikel 909 B.W., in tegenstelling tot in het eerste lid, niet als bijkomende voorwaarde wordt gesteld dat er enige behandeling of duurzaam contact moet zijn geweest tussen de begunstigde en de beschikker maakt geen inbreuk op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vervat in de artikelen 10 en 11 GW uit. De strengere regeling van het tweede lid van artikel 909 B.W., waarbij de loutere tewerkstelling in de bedoelde woonstructuren volstaat, kan immers wel degelijk verantwoord worden op grond van objectieve criteria. Met name wordt door de appellante geen rechtsongelijkheid aangevoerd tussen categorieën van vergelijkbare personen. De situatie van een arts die de beschikker heeft behandeld tijdens zijn laatste ziekte of van een lid van het verplegend team betrokken bij euthanasie is fundamenteel verschillend van de situatie van een personeelslid in een rusthuis. In het geval van een arts en een lid van het verplegend team betrokken bij euthanasie betreft het een specifieke, in de tijd beperkte tussenkomst die tot afhankelijkheid van de - zieke - beschikker kan leiden. In een voorziening voor bejaarden is er sprake van een meer ‘algemene' en andere wijze van afhankelijkheid, namelijk als gevolg van opname door ouderdom, wat niet gelijkstaat met het zich bevinden aan het levenseinde. Het mogelijk misbruik van machtspositie en van beïnvloeding is in dergelijke voorziening waar de bewoner op duurzame wijze verblijft dan ook veel groter. Er zijn een hele reeks mensen waarmee de bejaarde in dergelijke structuur te maken krijgt (beheerders, verplegend personeel, onderhoudspersoneel, keukenpersoneel, animatieteam, e.d.). Ook de appellante erkent zelf dat bejaarden in een voorziening voor bejaarden in aanraking komen met ‘teveel' personeelsleden. Het ruime verbod zoals ingevoerd in het tweede lid van artikel 909 B.W. houdt derhalve geen onevenredige beperking van rechten in. De situaties, respectievelijk geviseerd in het eerste en tweede lid van artikel 909 B.W. en in het tweede lid van artikel 909 B.W. en de euthanasiewet zijn niet zonder meer vergelijkbaar en het onderscheid is redelijk verantwoord. Voor zover verpleegkundigen in ziekenhuizen niet zouden ressorteren onder het eerste lid van artikel 909 B.W. - namelijk in de veronderstelling dat deze niet begrepen zijn onder de term ‘officieren van gezondheid' - dient opgemerkt dat dit geen afbreuk doet aan het redelijk verantwoord onweerlegbaar vermoeden van captatie zoals bepaald in het tweede lid van dit artikel. De discriminatie zou hier hoogstens voortvloeien uit het feit dat de wetgever ten aanzien van verpleegkundigen in ziekenhuizen niet in een soortgelijke bepaling heeft voorzien en zit niet vervat in het tweede lid van artikel 909 B.W.. Tot slot dient opgemerkt dat het de facto moeilijk valt in te zien waarom een bejaarde in een rusthuis een personeelslid zou begunstigen waarmee hij of zij geen dan wel slechts sporadisch contact heeft. Het voorbeeld dat de appellante aanhaalt van ‘de tuinman die nooit in contact kwam met de bewoner maar voor wie de bewoner een bijzondere genegenheid kreeg omdat hij dagelijks een aangenaam verblijf in de tuin kon doorbrengen' is dan ook bijzonder vergezocht. De appellante geeft bovendien toe dat zij veelvuldige contacten onderhield met de decuius, weze het dat deze zich voornamelijk buiten haar werkuren zouden hebben gesitueerd en slechts zeer sporadisch in het kader van haar tewerkstelling zouden hebben plaatsgevonden. Zulks is vooreerst volstrekt oncontroleerbaar en bovendien kan niet worden ontkend dat de vele contacten mede werden mogelijk gemaakt door de tewerkstelling van de appellante in het rusthuis, waardoor zij steeds in de onmiddellijke nabijheid van haar oom vertoefde. Aangezien artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 GW klaarblijkelijk niet schendt, is het hof niet gehouden tot het stellen van de voormelde prejudiciële vragen. Zou er geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaan indien artikel 909 B.W. in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een weerlegbaar vermoeden van captatie invoert voor personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden met betrekking tot voordelen die de personeelsleden zouden genieten van beschikkingen onder levenden of bij testament vanwege personen die in de instelling verbleven, nu de bejaarden in woonvoorzieningen voor bejaarden niet van elk personeelslid zo afhankelijk zijn als patiënten tijdens hun laatste ziekte waar zij aan overlijden van hun dokters of patiënten die in aanmerking komen voor euthanasie van het verplegend team. Aangezien hoger geen schending werd weerhouden, behoeft deze vraag geen antwoord. Schendt het derde lid van artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat er geen uitzondering wordt voorzien op de rechtsonbekwaamheid om te ontvangen voor aanverwanten tot de vierde graad nu deze over eenzelfde band en dus dezelfde genegenheid (kunnen) beschikken als bloedverwanten tot in de vierde graad. Het derde lid van artikel 909 B.W. voorziet een uitzondering op het hoger geformuleerd onweerlegbaar vermoeden van captatie in die zin dat algemene beschikkingen ten voordele van bepaalde bloedverwanten aan het wettelijk vermoeden van captatie ontsnappen. Een gift aan bloedverwanten, bij afwezigheid van afstammelingen, is allicht geïnspireerd door genegenheid. De uitzondering kan evenwel niet uitgebreid worden tot aanverwanten in die graad (H. NYS, M. COENE, Comm. art. 909 B.W.). Met name kan aanverwantschap zowel juridisch als feitelijk niet worden gelijkgesteld met bloedverwantschap en is de graad van aanverwantschap onvoldoende om uit te gaan van een spontane en niet afgedwongen vrijgevigheid. Er dient dan ook besloten dat het onderscheid tussen bloed- en aanverwanten redelijk verantwoord is. Aangezien artikel 909, lid 3 B.W. de artikelen 10 en 11 GW klaarblijkelijk niet schendt, is het hof niet gehouden tot het stellen van de voormelde prejudiciële vraag. Schendt het derde lid van artikel 909 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat er geen uitzondering wordt voorzien op de rechtsonbekwaamheid om te ontvangen voor aanverwanten tot de vierde graad voor het aandeel van het vermogen van de beschikker dat de beschikker verkreeg van personen met wie zijn aanverwant in de vierde graad wel bloedverwant is, de vooroverleden echtgenoot in het bijzonder, terwijl de bloedverwant van de laatst overleden echtgenoot wel vrijuit het eigen vermogen van zijn bloedverwant kan ontvangen. Het door de appellante aangeklaagde verschil in behandeling berust hier op een hypothetische ongelijkheid die het gevolg is van feitelijke omstandigheden. De vraag betreft geen rechtsongelijkheid tussen twee categorieën van vergelijkbare personen. Besluit: er is geen aanleiding tot het stellen van welkdanige prejudiciële vraag zodat het testament van wijlen A.............V............... d.d. 27 mei 2005 nietig is op grond van artikel 909, tweede lid B.W.. De overige argumenten van partijen dienen bijgevolg niet te worden ontmoet.
- De eerste rechter heeft terecht aan de geïntimeerden de basisrechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen toegekend. De beperkte financiële draagkracht van de appellante wordt geenszins aangetoond door het louter voorleggen van een loonstrook daterend van januari
- Bovendien beschikt de appellante vooralsnog ingevolge schenking over minstens 208.426,34 EUR (stuk 29 appellante). De appellante dient als in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot de kosten gevallen in deze instantie, aan de zijde van de geïntimeerden eveneens te begroten op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt, deels op andere gronden, de bestreden vonnissen. Veroordeelt de appellante tot de gedingkosten in deze instantie, aan haar zijde niet nuttig te begroten, en aan de zijde van de geïntimeerden te begroten op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 14 oktober 2010, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div