id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101019.1 Rolnummer: Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-10-28 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-01 13:54 Fiche De artikelen 395 en 396 WIB92, die toelaten dat de vroegere eigenaar van een onroerend goed aanduidt wie ondertussen de nieuwe eigenaar geworden is zodat tegen deze laatste het kohier kan worden uitgevoerd, hebben betrekking op de invordering van de belasting. De belastingadministratie is in dat verband dan ook een derde te beschouwen, zodat de belastingsplichtige alleen de overdrachten van eigendom kan tegenwerpen die op 1 januari van het betreffende aanslagjaar een vaste datum hebben. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bijzondere regels - Belastingen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 19-10-2010 BELASTINGEN Nr.2009/AR/1924 in de zaak van: HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse Minister voor Financiën, Begroting, Ruimtelijke Ordening, Werk en Sport, Koning Albert II-laan 19 te 1210 BRUSSEL, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE BOSSCHERE Stefanie loco mr. DE GROOTE Isabel, advocaat te 9000 GENT, Groot-Brittanniëlaan 10 tegen: L.................. X.............., advocaat te ............................, en C............. M.............., advocaat te .......................... In hun hoedanigheid van curator over de gefailleerde NV Ets. Louis De Poortere, textielbedrijf, met maatschappelijke zetel te 7700 MOESKROEN, Rue de la Royenne 45, geïntimeerden q.q., ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. SPEECKE Johan, advocaat te 8500 KORTRIJK, Pres. Kennedypark 8a/0001 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Procedure Bij verzoekschrift van 14 juli 2009 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 18 februari 2009 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart de vordering van eisers q.q. ontvankelijk en gegrond. Verklaart de litigieuze aanslag voor het aanslagjaar 2001 (artikel 201250927933) niet invorderbaar lastens eisers q.q. Beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig art. 418 WIB 1992 Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het Hof de vordering van de geïntimeerden q.q. ongegrond verklaart en de bestreden aanslag bevestigt. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerden zouden veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerden q.q. vorderen de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerden q.q. vragen tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
- Feitelijke gegevens Bij vonnis van 17 augustus 2000 werd de NV "ETS. Louis De Poortere" door de Rechtbank van Koophandel te Doornik failliet verklaard. De geïntimeerden q.q. werden als curator aangesteld. Bij onderhandse akte van 5 oktober 2000 hebben de geïntimeerden q.q. de activa van de gefailleerde vennootschap met toepassing van artikel 49 Faill.W. verkocht. De eigendom van de onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van de betwiste aanslag in de onroerende voorheffing werden door geïntimeerden q.q. meer bepaald overgedragen aan de NV Dry Tex One en de NV Dry Tex Two (de NV Lano kocht het andere deel van de onroerende goederen). De kopers verklaarden hetzij voor zichzelf, hetzij voor rekening van een andere nog nader aan te duiden rechtspersoon te kopen. Op 7 mei 2002 werden de betreffende onroerende goederen uiteindelijk bij notariële akte verkocht aan de NV Louis De Poortere (een nieuwe vennootschap, opgericht bij notariële akte van 10 oktober 2000). In die verkoopakte bevestigen de contractanten dat de koper de onroerende goederen al sinds 5 oktober 2000 bezette, zijnde de dag van de onderhandse verkoop aan de NV Dry Tex One en de NV Dry Tex Two. Die authentieke overeenkomst werd geregistreerd op 14 mei 2002 en bij die gelegenheid werd de inschrijving in de kadastrale bescheiden aangepast. Ondertussen, op 15 oktober 2001, werd op naam van de "NV ETS Louis De Poortere in faling" een aanslag in de onroerende voorheffing met kohierartikel 2.012.509.279/33 gevestigd voor het aanslagjaar
- De administratie steunde zich daarvoor op de kadastrale bescheiden. De geïntimeerden q.q. hebben tegen die aanslag op 21 december 2001 een bezwaarschrift ingediend waarin zij aan de administratie meedelen dat de eigendom van de bedoelde onroerende goederen reeds op 5 oktober 2000 overgedragen werd aan de NV Louis De Poortere, met maatschappelijke zetel 7700 Moeskroen, Rue de la Royenne
- De geïntimeerden q.q. voegden de onderhandse akte van 5 oktober 2000 bij. In zijn directeursbeslissing van 24 januari 2003 wees de appellant het bezwaar af. Met een verzoekschrift van 22 april 2003 stelden de geïntimeerden q.q. hun vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 18 februari 2009 de vordering van de geïntimeerden ingewilligd, zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
- Betwisting tussen de partijen De appellant stelt dat de regel is dat de onroerende voorheffing verschuldigd is door de eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar zoals dat blijkt uit de kadastrale bescheiden. Hij erkent dat de belastingplichtige zich kan beroepen op het feit dat de kadastrale bescheiden niet de juiste eigenaar weergeven en aldus kan vragen dat het belastingkohier zou worden ingevorderd op naam van en tegen de nieuwe eigenaar, maar hij stelt dat daartoe vereist is dat de geïntimeerde het bewijs levert dat de NV Louis De Poortere op 1 januari 2001 (al) de nieuwe eigenaar was. De appellant stelt dat hij de commandverklaring waarop de geïntimeerden q.q. zich beroepen niet moet erkennen omdat ook een overeenkomst van commandverklaring onder artikel 1 Hyp.W. zou vallen. De vergelijking met de overeenkomst van lastgeving zou niet volledig opgaan. Verder roept de appellant in dat de akte van overdracht van eigendom pas op 14 mei 2002 geregistreerd werd en dat de onderhandse overeenkomst van 5 oktober 2000 pas vanaf registratie en het bekomen van een vaste datum aan hem tegenstelbaar werd, dit in het belang van de rechtszekerheid en om misbruik door de belastingplichtige uit te sluiten. Volgens de appellant zou, zelfs als hij de commandverklaring zou moeten erkennen, gelden dat de NV Louis De Poortere met terugwerkende kracht eigenaar is geworden van de onroerende goederen. In dat geval zou artikel 396 WIB92 niet kunnen toegepast worden omdat het om een uitzonderingsbepaling zou gaan. Volgens de appellant heeft de eerste rechter ook ten onrechte aangenomen dat hij door het bezwaarschrift van 21 december 2001 op de hoogte was van de gegevens van de nieuwe eigenaar waardoor aan artikel 395 WIB92 was voldaan. De appellant betwist dat omdat hij toen nog niet in het bezit was van een notariële akte van eigendomsoverdracht. Bovendien zou, omdat het fiscaal recht restrictief geïnterpreteerd moet worden, de vraag om toepassing van artikel 395 WIB92 in een afzonderlijke brief moeten gevraagd worden.
- Beoordeling De artikelen 395 en 396 WIB92 luiden als volgt: Art. 395 Zolang een eigendom in de stukken van het kadaster niet is overgeschreven, zijn de vroegere eigenaar of zijn erfgenamen, tenzij zij bewijzen dat de belastbare goederen op een andere eigenaar zijn overgegaan en dat zij de identiteit en het volledige adres van de nieuwe eigenaar laten kennen, aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, behoudens hun verhaal op de nieuwe eigenaar. Art. 396 Ingeval van overlegging van het in artikel 395 bedoelde bewijsstuk, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling werd uitgereikt. Er kan in redelijkheid niet betwist worden dat geïntimeerden q.q. op 5 oktober 2000 de activa die zich in de failliete boedel bevonden overgelaten hebben, enerzijds aan de NV's Dry Tex One en Dry Tex Two en anderzijds aan de NV Lano. Anders dan waar de geïntimeerden q.q. van uitgaan, daarin gevolgd door de eerste rechter, hebben de artikelen 395 en 396 WIB92 geen betrekking op de vestiging van de belasting. Deze wetsbepalingen slaan uitsluitend op de invordering van de onroerende voorheffing, meer bepaald op de vraag wie voor de betaling van de reeds ingekohierde onroerende voorheffing aansprakelijk is. Wat de invordering betreft, wordt de fiscale administratie beschouwd als een derde (Van Houtte, J., Beginselen van het Belgisch Belastingrecht, E.Story-Scientia, Gent-Leuven, 1979, nr. 50, p. 51 en 56, p. 56). Dat houdt in dat de appellant er niet toe gehouden is de overeenkomsten die de belastingplichtige met derden sloot te erkennen als deze geen vaste datum hebben; of anders uitgedrukt, derden moeten niet erkennen dat de onderhandse akte van de datum is die op die akte vermeld staat en pas vanaf de vaste datum heeft die akte geldingskracht jegens derden (toepassing artn. 1165 en 1328 BW) In het bijzonder geldt hier bovendien artikel 1 Hyp.W. dat stelt dat men zich niet op de akten (o.a.) van overdracht van eigendom kan beroepen tegen derden zolang ze niet zijn overgeschreven in een daartoe bestemd register op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de goederen gelegen zijn. Artikel 395 WIB92 is bedoeld voor gevallen waarin de akten van overdracht van eigendom daterend uit het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar nog niet verwerkt zijn in de kadastrale gegevens op 1 januari van dat aanslagjaar, hoewel zij op dat moment al een vaste datum hebben, vnl. door hun registratie (met zelfs de uitdrukkelijke vermelding dat de vorige eigenaar zich ook dan nog tot de nieuwe eigenaar kan richten). In dat geval dringt de overdracht van eigendom zich op ten aanzien van iedereen, dus ook ten aanzien van de belastingadministratie. De overdracht van de eigendom van de geïntimeerden q.q. aan de NV Louis De Poortere is slechts aan derden en dus ook aan de appellant tegenstelbaar vanaf de registratie op 14 mei 2002 van de notariële akte van 7 mei
- Op 1 januari 2001 behoorde de eigendom officieel nog steeds toe aan de failliete boedel die de geïntimeerden q.q. vertegenwoordigen. Bij gebrek aan overdracht van eigendom met vaste datum vóór die datum, leveren de geïntimeerden q.q. niet het in artikel 395 bedoelde bewijs dat de belastbare goederen op een andere eigenaar zijn overgegaan. Daardoor is artikel 396 WIB92 niet toepasselijk. Het hoger beroep is dus gegrond.
- De gerechtskosten De geïntimeerden q.q. worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.500,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de geïntimeerden q.q. ontvankelijk verklaarde; doet opnieuw recht en wijst de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden q.q. af als ongegrond; veroordeelt de geïntimeerden q.q. tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.500,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.500,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerden q.q.: nihil Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op NEGENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN TIEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D.Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div