← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101108.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101108.4 Rolnummer: Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2011-02-22 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-01 14:02 Fiche CMR - Een bevoegheidsbeding dat een exclusiviteit impliceert en hiermee de bevoegdheid zoals vastgelegd in art 31, 1 a & b CMR uitsluit, is nietig met toepassing van art. 41, 1 CMR. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: CMR - Bevoegdheidsbeding - art. 31, 1 & 41, 1 CMR Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ------------------ Terechtzitting van 08 november 2010 ----------------- 2009/AR/2688 - In de zaak van: E.C.S. EUROPEAN CONTAINERS NV, met maatschappelijke zetel te 8380 ZEEBRUGGE (BRUGGE), Karveelstraat 1, ingeschreven met KBO-nummer 0435.131.508, appellante, hebbende als raadsman mr. VERBEKE Lino, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Diksmuidse Heerweg 126, (referte: 14656) tegen: FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te Duitsland, 33442 Herzebrock, Dieselstrasse 79-83, ingeschreven in het handelsregister van het Amtsgericht Gütersloh, onder nummer HRB 7064, woonstkeuze doende bij haar raadsman, Mr. ASPEELE Emmanuel, 8200 SINT-ANDRIES, Gistelse Steenweg 259, (conform besluiten FAR DIENSTLEINGS GmbH), geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ASPEELE Emmanuel, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Gistelse Steenweg 259, (referte: AB5065) velt het hof het volgend arrest: Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, tweede kamer, op tegenspraak gewezen op 7 juli 2009, gekend onder het rolnummer A/08/00178. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 16 oktober 2009. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, noch wordt er voorgehouden dat er een betekening is verricht. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten. Het hof nam tevens kennis van de voorgelegde stukken. ANTECEDENTEN I. A. Eind maart 2007 gaf de vennootschap naar Duits recht, FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH, de geïntimeerde, aan de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS, de appellante, een aantal transportopdrachten waarbij goederen dienden te worden vervoerd van Duitsland naar het Verenigd Koninkrijk. Het bleek dat de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS op 17 april 2007 de in opdracht van FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH vervoerde goederen niet kon afleveren bij de bestemmeling(

  1. en)waardoor de wachttijden opliepen. De NV ECS EUROPEAN CONTAINERS bezorgde diezelfde dag aan FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH bij e-mail een overzicht van de opgelopen meerkosten ingevolge de onmogelijkheid de goederen te lossen (9.904 EUR). Zij verzocht om betaling ervan (bundel appellante: stuk 17). De dag nadien vroeg de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS nogmaals aan FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH de meerkosten te voldoen (bundel appellante: stuk 17). Op 20 april 2007 factureerde de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS N.V. aan FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH de opgelopen meerkosten tot beloop van een totaal bedrag van 9.904 EUR (bundel appellante: stukken 1 t.e.m. 14). Bij brief van 4 mei 2007 deelde FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH mee dat de transportkosten 60.480 EUR bedragen (i.p.v. 70.334 EUR). Zij verzocht om een aangepaste rekening. (bundel geïntimeerde: stuk 5) Bij factuur d.d. 31 mei 2007 met nr. 20070775/1 rekende de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS de eigenlijke transportkosten aan (60.480 EUR). Op 29 augustus 2007 werd FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH met aangetekende schrijven aangemaand achterstallige factuurschulden te voldoen, hetzij de som van 13.549,19 EUR, met inbegrip van de interesten wegens te late betaling. Bij brief van 30 augustus 2007 deelde de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS aan FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH mede dat zij nog een bedrag van 9.854 EUR verschuldigd is. B. De partijen zijn het erover eens dat FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH de eigenlijke transportkosten van de NV ECS EUROPEAN CONTAINERS integraal heeft betaald. De discussie tussen de partijen betreft de vraag of FAR DIENSTLEISTUNGS GmbH kan worden aangesproken tot de betaling van voornoemde door NV ECS EUROPEAN CONTAINERS hierboven omschreven meerkosten, meer interesten en een forfaitaire schadevergoeding. De zaak is ingeleid bij dagvaarding van 4 december 2007. De oorspronkelijke vordering van de appellante strekt ertoe de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van: - de hoofdsom van 9.904 EUR, te vermeerderen met de conventionele interesten aan 12 % per jaar vanaf de respectieve vervaldata van de facturen tot de datum der algehele betaling en de gerechtelijke interesten tot de datum der algehele betaling; - een forfaitaire schadevergoeding gelijk aan 1.485,60 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot de datum der algehele betaling. C. De eerste rechter beslist dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben. Hij veroordeelt de appellante tot de gerechtskosten. II. A. De appellante houdt voor dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld over geen rechtsmacht te beschikken. Zij baseert de rechtsmacht van de rechtbanken te Brugge op artikel 8 van de algemene voorwaarden zoals opgenomen op de achterzijde van haar facturen. Zij benadrukt dat artikel 31.1 C.M.R.-verdrag aan de partijen bij een vervoersovereenkomst de mogelijkheid biedt de bevoegde rechter bij beding aan te wijzen. Het bevoegdheidsbeding zou niet strijdig zijn met artikel 31.1 C.M.R.-verdrag. Het C.M.R.-verdrag zou evenmin voorzien in vormvereisten waaraan een bevoegdheidsbeding zou moeten voldoen. De stelling dat een bevoegdheidsbeding waarin een bepaald gerecht exclusief bevoegd wordt geacht, steeds nietig is wegens strijdigheid met artikel 31.1 C.M.R.-verdrag zonder in concreto na te gaan of de eiser zich beroept op het uitsluitend karakter van het beding en of de aanwijzing van de bevoegde rechtbank afbreuk doet aan de bevoegdheid van de gerechten bedoeld in artikel 31.1 C.M.R.-verdrag, gaat, volgens de appellante, in tegen de rechtsleer en rechtspraak en tegen de ratio legis van de artikelen 31.1 en 41 C.M.R.-verdrag. De appellante poneert verder dat een exclusief bevoegdheidsbeding een dubbele werking heeft: enerzijds wijst zij een bijkomend gerecht aan dat volgens partijen bevoegd is naast de gerechten die reeds krachtens artikel 31.1 C.M.R.-verdrag bevoegd zijn (prorogerende werking), anderzijds komen partijen overeen om de andere gerechten uit te sluiten en alleen het gerecht aangewezen in het beding als bevoegd te aanzien (derogerende werking). Enkel de derogerende werking van het bevoegdheidsbeding zou strijdig zijn met artikel 31.1 C.M.R.-verdrag en derhalve nietig zijn op grond van artikel 41 C.M.R.-verdrag. Artikel 41 C.M.R.-verdrag zou er enkel kunnen toe leiden dat bepalingen nietig worden verklaard in de mate ze afwijken van de bepalingen van het C.M.R.-verdrag - hierbij verwijst de appellante naar het Arrest van het Hoogste Rechtscollege van Oostenrijk van 27 november 2008 -; Het voorliggende bevoegdheidsbeding zou dan ook slechts nietig zijn in zoverre het voorziet in een exclusieve rechtsmacht. Het zou de partijen vrij staan om de gerechten aangewezen in het bevoegdheidsbeding dan wel de gerechten bevoegd ex artikel 31.1 C.M.R.-verdrag te adiëren. Terwijl de appellante bij een gebeurlijke procedure opgestart door geïntimeerde voor een gerecht ex artikel 31.1 C.M.R.-verdrag, zich niet zou kunnen beroepen op het (exclusief karakter van het) bevoegdheidsbeding, zou de appellante wel een procedure kunnen inleiden voor het gerecht dat bevoegd is volgens het conventioneel bevoegdheidsbeding. Van enige nietigheid van het voorliggend bevoegdheidsbeding op grond van artikel 41 C.M.R.-verdrag zou er dan ook in casu geen sprake zijn. De appellante benadrukt verder dat de geïntimeerde is overgegaan tot de betaling van haar facturen waarin de eigenlijke transportkosten werden aangerekend, zodat geïntimeerde wordt vermoed in te stemmen met de algemene voorwaarden op de factuur (artikel 25 W.Kh.). B. Wat de grond van de zaak betreft, de appellante verwijt de geïntimeerde de levering van de goederen niet te hebben aangemeld bij de diverse LIDL-vestigingen. De geïntimeerde zou zich telefonisch uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard de opgelopen extra kosten te dragen. C. De appellante vraagt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, te zeggen dat er wel degelijk sprake is van rechtsmacht en voor het overige haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. De geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, en vraagt de appellante te veroordelen tot de kosten van de beroepsprocedure. BEOORDELING I. Artikel 31.1 C.M.R.-verdrag, waarvan de toepasselijkheid niet wordt betwist, bepaalt: "Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan: a). de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten, of b). de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen, zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.". Artikel 41.1. C.M.R.-Verdrag bepaalt: "Behoudens de bepalingen van artikel 40 is nietig ieder beding, dat middellijk of onmiddellijk afwijkt van de bepalingen van dit Verdrag. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de overige bepalingen van de overeenkomst tot gevolg.". Het in artikel 8 van de algemene voorwaarden van ECS EUROPEAN CONTAINERS N.V. opgenomen bevoegdheidsbeding luidt als volgt: "Huidige overeenkomst is, behoudens uitdrukkelijk anders overeengekomen, onderworpen aan de bepalingen van het Belgisch recht. Alle geschillen betreffende de interpretatie en de uitvoering van deze overeenkomst vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de Rechtbanken te Brugge. Ingeval van betwisting nopens de interpretatie van de huidige algemene contractvoorwaarden zal de Nederlandstalige versie doorslaggevend zijn." (bundel appellante: stuk 15) II. A. Het hierboven ter discussie staande bevoegdheidsbeding bepaalt: " alle geschillen (...) vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de Rechtbanken te Brugge ". (onderstreept door het hof) Deze stipulering laat weinig ruimte voor interpretatie. Eruit volgt dat de in artikel 31.1 C.M.R.-verdrag, littera a en b, als bevoegd aangewezen rechtbanken worden uitgesloten. Op grond van artikel 41.1 CMR-verdrag impliceert dit de nietigheid van het kwestieuze bevoegdheidsbeding. (cf. Cass. 21 januari 2010, nr. C.08.0246.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.5 - www.cass.be). Op de beweerde aanvaarding ervan door de geïntimeerde - ten gevolge van de betaling van de vrachtgelden - hoeft in deze omstandigheden niet nader te worden ingegaan. Het beweerd aanvaarde beding is immers nietig. B. De benadering die de appellante aan de problematiek wil geven, met name die welke neerkomt op een in beginsel ‘open' bevoegdheidsclausule waarbij ook nog de mogelijkheden van artikel 31.1 C.M.R.-verdrag zouden open blijven, is totaal onverzoenbaar met de dan toch wel ondubbelzinnige en zeer expliciete bewoordingen van het bevoegdheidsbeding die zeer duidelijk de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken te Brugge bepalen. III. De eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat er geen rechtsmacht is van de Belgische rechtbanken. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik der gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de appellante tot de gerechtskosten verbonden aan de onderhavige beroepsprocedure die niet nader cijfermatige aan haar zijde dienen te worden vastgesteld, daar zij te haren laste blijven en die vastgesteld worden aan de zijde van de geïntimeerde op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag acht november tweeduizend en tien. Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.