← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101108.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101108.5 Rolnummer: Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2011-02-22 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 14:03 Fiche De onroerende voorheffing is verschuldigd door wie op 1 januari van het aanslagjaar zakenrechtelijke aanspraken op het belastbaar goed kan laten gel-den. Als er op 1 januari nog geen faillissement was, is de onroerende voorheffing van dat jaar geen boedelschuld. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - schuld mag van de massa-onroerende voorheffing Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer _______________ Terechtzitting van 08 november 2010 _________________ 2010/AR/39 - In de zaak van: BEERNAERT Nathalie, advocaat, met kantoor gevestigd te 8800 ROESELARE, Dammestraat 93, en DEBOUTTE Filip, wonende te 8800 ROESELARE, Spanjestraat 34, beiden handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de GEBROEDERS VUYLSTEKE N.V., met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Oostnieuwkerksesteenweg 116-120, KBO nr. 0402.773.692, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 15 april 2003, Appellanten q.q., in persoon, tegen het vonnis van de rechtank van eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer van 9 september 2009, (referte: 24.730) tegen: HET VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse minister van Financiën Begroting, Werk, Sport en Ruimtelijke Ordening, met kantoren gevestigd te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 19, in de persoon van de heer Directeur van de Belastingsdienst voor Vlaanderen, onroerende voorheffing met kantoren te 9300 Aalst, Bauwensplaats 13, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CORNUT Michel, advocaat te 9050 GENTBRUGGE, Ankerslaan 72, velt het hof het volgend arrest: Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer, op tegenspraak gewezen op 9 september 2009, gekend onder het rolnummer 05/2524/A. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 7 januari

  1. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. In de besluiten voor het Vlaamse Gewest kan gelezen worden dat de betekening is verricht op 9 december
  2. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten. Het hof nam tevens kennis van de voorgelegde stukken. ANTECEDENTEN I. A. Luidens de notariële akte van 12 augustus 1974 (zie ook hieronder) sloten het echtpaar V.............-V......... en de NV Vulsteke Gebroeders reeds bij notariële akte van 18 maart 1964 door het ambt van mr. Yves Ameye, notaris met standplaats te Roeselare, een huurovereenkomst met betrekking tot een nijverheidscomplex, gelegen te Roeselare, Oostnieuwkerksesteenweg 116 - 120, 1 ha 86 a 25 ca groot, dit voor een termijn van 18 jaar, ingaande op 1 april 1964 om te eindigen op 30 maart
  3. (bundel appellanten q.q.: stuk 1) Met notariële akte van 12 augustus 1974 stonden de toenmalige eigenaars van het nijverheidscomplex, het echtpaar V............ - D..........en het echtpaar V............. - J........... V................, een uitbreiding en verlenging van voornoemde huurovereenkomst toe. Het door de NV Vuylsteke Gebroeders gehuurde goed te Roeselare, Oostnieuwerkerksesteenweg 116 - 120 met een grootte van 3 ha 24 a 86 ca werd in huur gegeven voor een periode van 26 jaar, ingaande op 1 april 1974 om te eindigen op 30 maart
  4. Artikel 2 van de akte bepaalt : "Boven de hierboven bedongen huurprijs zal de vennootschap-huurster ook alle belastingen, op zelfde eigendom te heffen, moeten dragen.". Aan de vennootschap - huurster werd een onherroepelijke optie verleend tot het verlengen van de huurovereenkomst bij de bedongen vervaldag voor een nieuwe periode van achttien jaar (artikel 10, derde alinea). B. Met akte verleden door het ambt van notaris J.Van Cauwenbergh, notaris met standplaats te Lier, op 30 maart 2000, werd vastgesteld dat de NV Vuylsteke Gebroeders bij aangetekende brieven van 2 november 1999 het haar bij de notariële akte d.d. 12 augustus 1974 verleende recht tot huurverlenging heeft uitgeoefend en de door de oorspronkelijke verhuurders verleende optie gelicht heeft aan de bestaande voorwaarden - inclusief het verleende opstalrecht, alsook aan de (te indexeren) prijs, zodat de lopende huurovereenkomst definitief verlengd werd met achttien jaar, ingaande op 31 maart 2000, om van rechtswege te eindigen op 30 maart
  5. (bundel appellanten q.q.: stuk 2) Er werd uitdrukkelijk bepaald dat de gebouwen opgericht door NV Vuylsteke Gebroeders (na 12 augustus 1974) ook haar eigendom zijn ingevolge het opstalrecht verleend bij voornoemde akte van 12 augustus 1974 en begrepen in de kadastrale percelen met nummers 732/X en 732/Z, en dus niet begrepen zijn in de huurovereenkomst. Wat de belastingen betreft, bepaalt de akte: "bij toepassing van het artikel 2 van de bijzondere huurvoorwaarden zijn alle belastingen ten laste van de huurster. Er wordt verklaard dat het totaal van de belastingen (staat, provincie en/of gewesten) die door de vennootschap-huurster worden betaald ter ontlasting van de eigenaars belopen op een totaal bedrag van zevenhonderdveertigduizend (740.000) Belgische frank per jaar." (p. 9). C. De aanslag in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2003, ingekohierd op 17 juni 2003 (kohierartikel 2030672903/19), 89.759,35 EUR groot (bundel geïntimeerde: stuk 1), werd nog niet vereffend en door de appellanten q.q. werd niet om een vermindering of vrijstelling van de onroerende voorheffing wegens improductiviteit verzocht. Met betrekking tot deze onroerende voorheffing is tussen partijen betwisting gerezen. De appellanten q.q. zijn van oordeel dat de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2003 een schuld in de massa is, terwijl de geïntimeerde, het Vlaamse Gewest, van oordeel is dat het een schuld van de massa betreft. II. A. Het geding is in rechte ingeleid bij fiscaal verzoekschrift, neergelegd op 1 juli
  6. Het voorwerp van de oorspronkelijke vordering van de appellanten q.q. luidt als volgt: " het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg te zeggen voor recht dat - de aanslag gevestigd onder art. 203.067.290.319 van de aanslag in de onroerende voorheffing kadastrale afdeling Roeselare 4, aanslagjaar 2003, te betalen: euro 89.759,35 - zoals bevestigd bij beslissing d.d. 28 april 2005 van de Belastingsdienst voor Vlaanderen - onroerende voorheffing met refertenummer 9993/11/900013059937/CDV waarvan kopie in bijlage, - geen schuld is van de massa maar een schuld in de massa; - het Vlaamse Gewest te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 356,97 ". B. De eerste rechter oordeelt dat de kwestieuze onroerende voorheffing een schuld van de massa uitmaakt. Aldus verklaart zij de oorspronkelijke vordering van appellanten q.q. ontvankelijk doch ongegrond. De appellanten q.q. worden veroordeeld tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. III. A. De appellanten q.q. concluderen voorafgaandelijk tot de onbevoegdheid van de eerste rechter om te oordelen of een schuld een schuld van de boedel is of een schuld in de boedel. De rechtbank van koophandel zou bevoegd zijn voor dit geschil krachtens artikel 574,2° Ger.W.. Een verwijzing van de zaak naar een andere appelrechter dringt zich evenwel volgens de appellanten q.q. niet op, aangezien de gevatte appèlrechter de rechter in hoger beroep is van de in eerste aanleg bevoegde rechtbank. De curatele werpt op dat de vennootschap het onroerend goed huurde en er geen eigenares van was (stukken 1, 2 en 4), zodat noch de vennootschap noch de appellanten q.q. kunnen worden aangesproken tot de betaling van de onroerende voorheffing (artikel 251 W.I.B. 1992). De appellanten q.q. houden voorts staande dat de onroerende voorheffing in ieder geval een schuld in de massa uitmaakt. Zij benadrukken hierbij dat het kohier een uitvoerbare titel vormt waarin uitsluitend wordt vastgesteld dat de geïntimeerde een fiscale vordering heeft op de NV Vuylsteke Gebroeders. De fiscale schuld ontstaat volgens de fiscale wetgeving op 1 januari van het betreffende aanslagjaar. De grondslag van de vestiging is het kadastraal inkomen zoals dat op 1 januari van het aanslagjaar bestaat (artikel 255, eerste lid W.I.B.). De gevorderde onroerende voorheffing aanslagjaar 2003 was derhalve verschuldigd op 1 januari 2003, hetzij vóór de faillissementsdatum (15 april 2003). De datum van inkohiering is volgens de appellanten q.q. irrelevant. De appellanten q.q. poneren verder dat de fiscale schuld niet werd aangegaan in het kader van het beheer van de boedel. De schuld ontstond vóór het faillissementsvonnis, en derhalve op een ogenblik dat er nog geen sprake was van een actief of passief beheer van de curatoren. Na het faillissementsvonnis bracht het onroerend goed niets op voor de failliete boedel, aangezien het niet eens kon worden verhuurd wegens bodemvervuiling (stukken 3.a t.e.m. 3.e, dossier appellanten q.q.). De appellanten q.q. vragen dan ook het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens hun oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en te stellen dat de betreffende aanslag in de onroerende voorheffing geen schuld is van de failliete massa en er enkel opname kan gebeuren in het passief van het faillissement. Zij vragen de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten, minstens de door de geïntimeerde gevorderde rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot het minimumbedrag. B. De geïntimeerde vraagt in het dispositief van zijn besluiten voorafgaandelijk de zaak voor verdere behandeling te verwijzen naar de vijfde (fiscale) kamer van het hof van beroep te Gent. Ondergeschikt concludeert de geïntimeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met de veroordeling van de appellanten q.q. tot de kosten van betekening en de kosten van de beroepsprocedure, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. BEOORDELING BEVOEGDHEID VAN DE EERSTE RECHTER EN DE DAARMEE VERBAND HOUDENDE VRAAGSTELLINGEN I A. De curatoren formuleren bedenkingen bij de bevoegdheid van de eerste rechter, de rechtbank van eerste aanleg, om uitspraak te doen over het al dan niet bestaan van een boedelschuld. De kwestieuze bedenkingen komen hoogst eigenaardig over, aangezien de curatoren zèlf het initiatief hebben genomen om de betwisting voor de rechtbank van eerste aanleg te brengen en dit bij wege van de bijzondere fiscale procedure. B. Waar de appèlrechter van de rechtbank van eerste aanleg zowel als die van de rechtbank van koophandel het (gewone) hof van beroep is, hebben de kwestieuze bedenkingen hoogstens academische waarde. II. In het dispositief van de besluiten voor de geïntimeerde leest het hof dat de zaak voor verdere afhandeling zou worden verwezen naar de vijfde (fiscale) kamer van dit hof. Dienomtrent ter pleitzitting gevraagd of de geïntimeerde hiermee een verdelingsincident wenst te verwekken, laat de geïntimeerde kennen dat er geen bezwaar is dat de onderhavige kamer de zaak verder behandelt. III. Bij een en ander stelt het hof vast dat voor de eerste rechter de enige problematiek die was van het in of van de massa zijn van de schuldvordering neergelegd in de aanslag in de onroerende voorheffing van het aanslagjaar 2003, kohierartikel 203.067.290.319 ad 89.759,35 EUR. Alsdusdanig behoort dit soort van betwisting tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel. Voor de eerste maal in graad van hoger beroep betwisten de curatoren dat de gefailleerde vennootschap, de NV Vuylsteke Gebroeders, eigenares is van het onroerend goed waarop de aanslag in onroerende voorheffing is gevestigd... Mocht die eigendomsproblematiek de betwisting zijn geweest voor de eerste rechter, zou er geen twijfel zijn geweest dat de fiscale rechter in de rechtbank van eerste aanleg, bijgevolg de eerste rechter, de bevoegde rechter was. TEN GRONDE I. De curatoren werpen thans op - voor de eerste maal in hoger beroep - dat de onroerende goederen waarop de aanslag is gevestigd, geen eigendom zijn van de gefailleerde vennootschap, doch slechts in huur genomen. Uit de bijlage bij de aanslag (zie stuk nr. 1, dossier geïntimeerde) blijkt dat deze drie onderdelen betreft: - bebouwd perceel D/0732/X: Oostnieuwkerksesteenweg 116/120: KI 2.451 - bebouwd perceel D/0732/Z: Oostnieukwerksesteenweg 116/120: KI 22.523 - materieel en outillage: Oostnieuwkerksesteenweg 116/120: KI 117.406 Wat de percelen betreft, er kan in het schrijven van de FOD Financiën ‘Patrimoniumdocumentatie - Administratie van het Kadaster' d.d. 31 mei 2010 worden gelezen dat er in hoofde van de NV Vuylsteke Gebroeders, sprake is van "OPSTAL" en dit tot
  7. Dit sluit aan bij wat er hierboven bij de notariële akte van (verlenging) van huur d.d. 30 maart 2000 is genoteerd. Wat het materieel en outillage betreft, uit de voorliggende stukken en de uiteenzetting van de partijen, blijkt dat de gefailleerde vennootschap de exploitatie van de onroerende goederen deed; het staat dan ook voldoende naar recht vast dat ook het materieel en outillage van de gefailleerde was. Waar het Vlaamse Gewest geen leegstandheffing oplegt voor 2009, omdat de NV Vuylsteke Gebroeders geen eigenares zou zijn van de bedrijfsruimte - zie beschikking Vlaamse Minister d.d. 23 september 2009 - dan heeft dit naar de fiscaal relevante werkelijkheid toe geen enkel gevolg. De geïntimeerde toont voldoende naar recht aan dat de in het geding zijnde onroerende voorheffing is gevestigd op datgene wat eigendom was van de NV Vuylsteke Gebroeders in
  8. Overigens geldt de beslissing m.b.t. de leegstandheffing voor 2009 en kan deze bezwaarlijk zonder meer geëxtrapoleerd worden naar
  9. II. Op volgende overwegingen oordeelde de eerste rechter dat de onroerende voorheffing aanslagjaar 2003 als een schuld van de massa in aanmerking dient te worden genomen: "Dat de onroerende voorheffing berekend wordt op basis van het KI zoals het is vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar (art.255 WIB92) betekent niet dat de belasting op 1 januari verschuldigd of eisbaar is. De formele belastingschuld ontstaat pas door inkohiering. Eerst dan is de belastingplichtige gehouden tot betaling voor zover het kohier werd gevestigd binnen de dwingende aanslagtermijn (A. SPRUYT, Inleiding tot het belastingrecht, Die Keure, 1995, 27). Wat het aanslagjaar 2003 betreft, dient vastgesteld dat de aanslag ten tijde van het openvallen van het faillissement, 15.4.2003 nog niet was gevestigd en de belastingschuld pas op 17.6.2003 ontstond. In casu betreft het een boedelschuld nu de curatoren niet ontkennen dat zij de onroerende goederen ter beschikking hadden en er ook daadwerkelijk gebruik van maakten vanaf de datum van het faillissement. De onroerende voorheffing wordt geheven voor een gans aanslagjaar, zonder dat enige opsplitsing van deze schuld is voorzien.". III. Het Hof treedt de zienswijze van de eerste rechter niet bij. Een schuld zal slechts als boedelschuld kunnen beschouwd worden voor zover deze ontstaan is na het faillissement (het zogenaamde chronologisch criterium) en voor zover deze schuld een innige band vertoont met het beheer van de boedel (het zogenaamde functioneel criterium). Voor de onroerende voorheffing is zowel wat het belastbare feit, de schuldenaar als de belastbare grondslag betreft, de toestand op 1 januari van het aanslagjaar determinerend. De onroerende voorheffing is verschuldigd door diegene die op 1 januari van het aanslagjaar zakenrechtelijke aanspraken op het belastbaar goed kan laten gelden, hetgeen inhoudt dat de onroerende voorheffing geen schuld van de boedel kan zijn wanneer op 1 januari van het aanslagjaar er nog geen faillissement was. ( zie o.m. D. VERCRUYSSE en B. VANDER MEULEN, Praktische gids voor faillissementscuratoren, Kluwer 2007, nr. 385 in fine; cf. ook Kh. Dendermonde 21 juni 2004, R.W. 2004-05, 1151). Indien de handelaar - schuldenaar van de onroerende voorheffing - op 1 januari van het aanslagjaar nog niet in staat van faillissement verkeert, wat hier het geval is, heeft het Vlaamse Gewest geen vordering tegen de curator als beheerder van de massa van de in de loop van dat aanslagjaar uitgesproken faillissement. De onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2003 dient als een schuld in de massa te worden beschouwd. IV. De eigenaardige procedurele wegen die de betwisting heeft gekend en de bijzondere omstandigheden van een en ander, leiden ertoe te beslissen dat elk der partijen haar eigen gerechtskosten dient te dragen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik der gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt: Vernietigt het bestreden vonnis; Opnieuw recht doende: Verklaart de vordering van de curatele ontvankelijk en gegrond; Zegt voor recht dat de kwestieuze aanslag in onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2003, ingekohierd op 17 juni 2003 (kohierartikel 2030672903/19), 89.759,35 EUR groot, geen schuld is van de massa van het faillissement van de NV Vuylsteke Gebroeders doch een schuld in de massa, waarvoor de opname in het passief van het faillissement kan geschieden; Slaat de gerechtskosten om. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag acht november tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.