id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101108.6 Rolnummer: 2008-AR-1779 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2011-05-05 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 14:03 Fiche Hoewel de mogelijkheid om een bestuurder al dan niet ad nutum af te zetten in eerste instantie een aangelegenheid tussen privé-personen is, is deze regel dermate essentieel in het economsich leven van een sa-menleving dat hij ten allen tijde moet kunnen ingeroepen worden. De aandeelhouders van een nv brengen enkel hun kapitaal in en geven de volledige macht over het beheer van dit kapitaal aan de bestuurders. Een beperking van die macht door de mogelijkheid ten allen tijde het mandaat van een bestuuder te herroepen, beschermt niet enkel het privé belang van de aandeelhouder (namelijk zijn eigendom), het beschermt ook de (economische) samenleving tegen eventuele uitwassen. Een goed vennootschapdsbestuur komt wellicht in eerste instantie de aan-deelhouders ten goede, maar strekt uiteindelijk ook de gemeenschap tot voordeel. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Bepalingen gemeen aan alle vennootschappen - Andere Vrije woorden: ARTIKEL 518 Wb; Venn. Openbare Orde Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer _______________ Terechtzitting van 08 november 2010 _______________ 2008/AR/1779 - In de zaak van: BERLAMONT & DESSEYN V.O.F., met maatschappelijke zetel te 9940 EVERGEM, Doornzeelsestraat 24, ingeschreven met KBO-nummer 0477.030.162, appellante, hebbende als raadsman mr. DEVOS Simon, advocaat te 9810 NAZARETH, Steenweg op Deinze 150 B4, (referte: SD000001/SD/SD/SD) tegen:
- SAGAM N.V., met maatschappelijke zetel te 9031 DRONGEN, Landegemstraat 8 A, ingeschreven met KBO-nummer 0436.200.783, eerste geïntimeerde,
- L........... E......, wonende te ...................... tweede geïntimeerde, hebbende beiden als raadsman mr. VAN EEGHEM Serge, advocaat te 9000 GENT, Zuidstationstraat 34-36, (referte: 34152/07) velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 7 juli 2008 tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (07/956/A) van 11 juni 2008, eerste kamer. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.
- Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. Er werd kennis genomen van de overtuigings- en procedurestukken. II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft de vragen naar: - de precieze verbintenissen van de verschillende partijen; - de toepassing van artikel 518 §3 Wb. Venn..
- Op 28 september 2001 sloten de nv Sagam en de heer L........ enerzijds en de heer F......D....... en mevrouw I..... B......... anderzijds een overeenkomst. Het voorwerp van de overeenkomst omvat de verbintenis om ten laatste op 1 juni 2002 de VOF Berlamont & Desseyn door de algemene vergadering te laten benoemen als bestuurder in de nv Sagam. Artikel 3 regelt de bezoldiging van de VOF. Clausule c van dit artikel, waarover partijen het oneens zijn, bepaalt het volgende: "Op het einde van elk boekjaar van de nv Sagam (boekjaar Sagam lopend van 01.12.XX tot 30.11.XX) zal aan vof Berlamont & Desseyn een "premie" worden betaald op de gezamenlijke nettowinst vóór belasting, gebaseerd op de resultaten volgens de analytische boekhouding van de nv Sagam, van de volgende divisies: ... Elke divisie is een kostenplaats in de analytische boekhouding waarop alle kosten van de directe kostendragers zullen geïmputeerd worden vermeerderd met... ... De "premie" bedraagt 15% op de nettowinst vóór belasting van elk boekjaar van de nv Sagam, verminderd met een vast jaarlijks forfaitair bedrag van 11.300 Euro. Deze "premie" zal elk jaar worden uitbetaald ten laatste 2 maand na het afsluiten van elk boekjaar van de nv Sagam, en voor het eerst m.b.t. het boekjaar eindigend op 30/11/
- Deze premie is verschuldigd tot zolang de vof Berlamont & Desseyn deel uitmaakt van de raad van bestuur van de nv Sagam. In het geval de meerderheid van de algemene vergadering het bestuurdersmandaat van de vof Berlamont & Desseyn zou opzeggen, zal de "premie" in elk geval voor een vaste periode van 10 boekjaren worden uitbetaald, te rekenen van het boekjaar 01/12/01 tot 30/11/
- Deze vaste "premie" zal gelijk zijn aan het rekenkundig gemiddelde van de uitbetaalde premies van de voorbije afgesloten boekjaren tussen aanvang overeenkomst en het ontslag, met een minimum van 850.000 Bef per jaar. In het geval de Vof Berlamont & Desseyn uit eigen beweging haar ontslag aanbiedt, komt de verbintenis tot uitbetaling van de "premie" te vervallen. De "premie" zal niet meer verschuldigd zijn vanaf het lopend boekjaar waarin haar ontslag wordt aangeboden.". In een tweede overeenkomst, van dezelfde datum, verkoopt de heer D................ een deel van de handelsactiviteit van een vennootschap waarin hij aandeelhouder is. Naar zeggen van de nv Sagam en de heer L............... was het de bedoeling dat er een bevoorrechte handelsrelatie zou ontstaan tussen Sagam en dat deel van de vennootschap waarin de heer D................ (na een naamswijziging) bleef in verder werken. Op de buitengewone algemene vergadering van 19 december 2006 wordt de VOF Berlamont & Desseyn ontslagen als bestuurder. In een aangetekende brief van 2 januari 2007 vordert de VOF Berlamont & Desseyn: 1) de betaling van openstaande facturen ter vergoeding van de vaste bestuurdersvergoeding; 2) de betaling van de minimumpremie van euro 21.070,95 per jaar voor de komende vijf jaar of een totaal bedrag van euro 105.354,
- De nv Sagam en de heer L............... betwisten deze aanspraak. Er volgt briefwisseling, partijen bereiken geen overeenstemming en de VOF Berlamont & Desseyn dagvaardt op 8 maart 2007 in betaling van de genoemde minimumpremie voor vijf jaar.
- De eerste rechter verwierp de vordering. Hij oordeelde dat de verbintenis van de nv Sagam nietig was omdat zij artikel 518 §3 Wb. Venn. schond en dat de heer L............... zich niet persoonlijk verbond, maar zich enkel sterk maakte voor de nv Sagam. III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- De vof Berlamont & Desseyn tekent hoger beroep aan met de volgende grieven. 1) ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat de clausule 3c van de overeenkomst strijdig is met artikel 518 §3 Wb. Venn.; 2) ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat de heer L................ niet persoonlijk gehouden was tot betaling van de vergoeding. Niet alleen maakte hij zich sterk, hij is ook solidair en hoofdelijk gehouden met de nv Sagam.
- De nv Sagam en de heer L............. vorderen het bestreden vonnis te bevestigen. Ondergeschikt vorderen zij: 1) voor zover het beding van artikel 3c niet nietig verklaard wordt, dan toch de vordering ongegrond te verklaren op grond van de vaststelling dat aan de contractuele voorwaarden tot toekenning van dergelijke vordering niet is voldaan; 2) in ieder geval voor recht te zeggen dat de vordering slechts betaalbaar is in vijf jaarlijkse schijven ten bedrage van euro 21.070,95, waarvan de eerste schijf betaalbaar was op 31 januari 2008; 3) vast te stellen dat de heer L.............. zich niet hoofdelijk verbonden heeft en de vordering jegens hem ongegrond is. IV Bespreking Op de volgende gronden hervormt het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk. Artikel 518, §3 Wb. Venn. is van openbare orde - Gevolg
- Terecht heeft de eerste rechter als volgt geoordeeld: "Artikel 518, §3 Wb. Venn. bepaalt dat een bestuurder in een naamloze vennootschap ten allen tijde door de algemene vergadering kan ontslagen worden. In tegenstelling tot wat de eiseres voorhoudt, is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling wel de openbare orde raakt, zodat de verweerders de nietigheid van een clausule strijdig met deze wetsbepaling ten allen tijde kunnen inroepen. De eiseres betwist niet dat in de overeenkomst opgenomen vaste premie bij ontslag van de bestuurder door de algemene vergadering strijdig is met het principe van de ten allen tijde herroepbaarheid van het mandaat van bestuurder. De clausule in verband met deze vaste premie in de overeenkomst van 28 september 2001 is ten aanzien van de eerste verweerster dan ook nietig. De vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster is ongegrond."
- Het hof voegt nog het volgende toe. Bestuurders van een nv kunnen te allen tijde door de algemene vergadering van aandeelhouders afgezet worden (artikel 518, §3 Wb. Venn.; C. Resteau, Traité, II, 93, nr. 831). Op een ogenblik dat het karakter van openbare orde, net zoals een streng formalisme, in heel wat aangelegenheden in vraag wordt gesteld, is het verantwoord nader te onderzoeken of deze bepaling van openbare orde, dan wel van dwingend recht is. In vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de zogeheten ad nutum herroeping van het bestuurdersmandaat in de nv gekwalificeerd als een regel van openbare orde (Cass. 22 januari 1981, Arr.Cass. 1980-81, 559, RCJB 1981, 495, noot S.J. Nudelhole, BRH 1981, 338; Cass. 13 april 1989, Arr.Cass. 1989-90, 920, TRV 1989, 321, noot M. Wyckaert, TBH 1989, 878, JT 1990, 751, noot D. Michiels, RCJB 1991, 205, noot J.-M. Nelissen Grade). Lagere rechtspraak is hierin gevolgd (zie bvb. Gent (7e k.) 20 januari 2003, TRV 2003, afl. 8, 667, noot VAN GERVEN, D.). Een deel van de rechtsleer betwist dat deze regel zou behoren tot de fundamenten van het economische systeem of de morele orde. De ad-nutumafzetbaarheid beschermt volgens deze rechtsleer de privébelangen van de vennootschap en van de aandeelhouders en is derhalve van dwingend recht (J. Ronse, J.-M. Nelissen Grade en K. Van Hulle, ‘Vennootschappen. Overzicht van rechtspraak (1978-1985), TPR 1986, nr. 160, 996; D. Van Gerven, ‘Kan het ad nutum-karakter van de opdracht van bestuurder in een N.V. worden afgezwakt? Enkele woorden over het ontslag van bestuurders in een N.V.', TRV 1988, 48-50; K. Geens en H. Laga, ‘Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1986-1991), TPR 1993, nr. 109, 1027-1028; K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, ‘Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1992-1998)', TPR 2000, nr. 194, 261; B. Tilleman, o.c., 291-295, nrs. 460-466 en 747-748, nrs. 1178 en 1179; A. Goeminne, ‘De herroeping van een bestuurder', V&F 1997, nr. 3, 129). In recente rechtsleer hebben een aantal auteurs het openbare orde karakter evenwel verdedigd door erop te wijzen dat de mogelijkheid om bestuurders af te zetten zo goed als de enige effectieve bescherming is die aandeelhouders van een nv hebben tegen een bestuur dat zijn zeer sterke positie in de vennootschap voor eigen doeleinden gebruikt en zichzelf door (al dan niet feitelijke) coöptatie bestendigt. Als zodanig zou de ad nutum afzetbaarheid een fundament van de economische orde beschermen, nl. het ultieme beschikkingsrecht van de aandeelhouders (A. Maurau, ‘Onenigheid binnen de vennootschap: de opschorting van een besluit tot ontslag van een bestuurder en de voorlopig bewindvoerder versus de deskundige (noot onder Vz. Hasselt, 11 december 2001, TRV 2003, nr. 8, 434). Deze rechtsleer wordt op zijn beurt betwist (BAERT, P, "Artikel 518 Wb. Venn.", In: X., Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wetboek van Vennootschappen, Boek VIII, Titel IV, Hfdst. I, Afd. 1, 1-21 (21 p.) - augustus 2009, Statuut bestuurders NV, IV, c., 1, met referenties in de voetnoten 82 en 83). Voor deze auteur toont het argument dat de ad nutum afzetbaarheid het belangrijkste verdedigingsinstrument is in handen van de (algemene vergadering van) aandeelhouders dat het primordiaal om de bescherming van privébelangen gaat en bijgevolg om een regel van dwingend recht. Het hof oordeelt in deze zaak dat de bepaling om een bestuurder in de nv ad nutum af te zetten een bepaling van openbare orde is. Er is geen reden om terug te komen op eerdere rechtspraak. Hoewel de mogelijkheid om een bestuurder al dan niet ad nutum af te zetten in eerste instantie een aangelegenheid tussen privé-personen is, is deze regel dermate essentieel in het economisch leven van een samenleving dat hij ten allen tijde moet kunnen ingeroepen worden. De aandeelhouders van een nv brengen enkel hun kapitaal in en geven de volledige macht over het beheer van dit kapitaal aan de bestuurders. Een beperking van die macht door de mogelijkheid ten allen tijde het mandaat van een bestuurder te herroepen, beschermt niet enkel het privé belang van de aandeelhouder (namelijk zijn eigendom), het beschermt ook de (economische) samenleving tegen eventuele uitwassen. Een goed vennootschapsbestuur komt wellicht in eerste instantie de aandeelhouders ten goede, maar strekt uiteindelijk ook de gemeenschap tot voordeel. Ook in geval een nv overgenomen wordt, is het in het belang van de goede werking van de vennootschap, van de aandeelhouders en van de samenleving in haar geheel dat een nieuw bestuur de goede werking van de vennootschap kan bewerkstelligen. Uiteindelijk heeft de samenleving in haar geheel belang bij de gezondheid van de vennootschap. Die gezondheid wordt mede bepaald door het bestuur. Omwille van de weerslag van de werking van een nv op de economie overstijgt het bestuur van de vennootschap het individuele belang van de aandeelhouders. Het privaat en het publiek belang convergeren. Het normdoel rechtvaardigt het karakter van openbare orde van de bepaling van artikel 518 §3 Wb. Venn..
- Terecht oordeelde de eerste rechter dat artikel 3c van de overeenkomst tussen partijen nietig is ten aanzien van de nv Sagam. Dit heeft voor gevolg dat de vordering van de vof ongegrond is, voor zover ze gericht is tegen de nv Sagam. De nietigheid van de clausule 3c ten overstaan van de nv Sagam heeft niet de nietigheid ten opzichte van de heer L............... persoonlijk tot gevolg. Artikel 518 §3 Wb. Venn. is enkel van toepassing op de vennootschap. De interpretatie van de overeenkomst
- Het hof treedt de beoordeling van de eerste rechter met betrekking tot de interpretatie van de overeenkomst bij. Naar aanleiding van dit ontslag [het ontslag van de vof Berlamont & Desseyn als bestuurder in de nv Sagam] is er tussen de partijen een betwisting ontstaan over de interpretatie van de voorlaatste alinea van het hierboven geciteerd artikel 3, c van de overeenkomst van 28 september
- De eiseres [de vof Berlamont & Desseyn] houdt voor dat het behalen van winstcijfers geen vereiste is voor de betaling van de premie na het einde van het mandaat als bestuurder de eiseres [vof Berlamont & Desseyn] stelt dienaangaande dat het de bedoeling was haar gedurende minimum tien jaar een bepaald inkomen te bezorgen en dit als compensatie voor het inkomstenverlies dat het gevolg was van de overname door de eerste verweerster [nv Sagam] van de activiteiten van NSS, waaruit de heer D............... en mevrouw B.................. hun inkomsten haalden. Op de terechtzitting van 14 mei 2008 verklaarden de verweerders [nv Sagam en de heer L................] dat volgens hen de minimumclausule opgenomen in artikel 3 c van de overeenkomst enkel tot doel had om betwistingen over de winstcijfers voor de periode na de beëindiging van de samenwerking te vermijden. In hun syntheseconclusie stellen zij verder dat het hoe dan ook niet de bedoeling was de riante minimumvergoeding uit te keren indien de winstdoelstellingen tot dusver niet werden behaald. De rechtbank kan de interpretatie en uitleg van de verweerders [nv Sagam en de heer L.................] niet volgen. De koppeling van de uitkering van de "vaste premie" na ontslag aan het behalen van de winstdoelstelling in de voorgaande jaren blijkt, zelfs met een erg ruime lezing van artikel 3, c van de overeenkomst, niet uit de bewoordingen van de overeenkomst. De koppeling aan het voorheen uitkeren van een winstpremie wordt nergens gemaakt. De uitleg van de verweerders [nv Sagam en de heer L................] over het doel van de opname van het minimumbedrag (het vermijden van betwistingen over de omvang van de winstcijfers) houdt al evenmin steek. De "vaste premie" na ontslag wordt immers uitdrukkelijk enkel en alleen begroot op voorheen uitbetaalde premies en niet aan de hand van de winst van de vennootschap gemaakt nà het ontslag van de eiseres [de vof]. De verweerders [nv Sagam en de heer L........................] slagen er binnen hun invulling van de overeenkomst van 28 september 2001 niet in een zinnige uitleg te geven voor de opname van de minimumvergoeding bij ontslag. De enige mogelijke bedoeling van de partijen bij het afsluiten van de overeenkomst die de rechtbank ziet, is dat de partijen de heer D............... en mevrouw B...................t bij de overname van hun activiteiten gevoerd binnen de nv Computil een persoonlijk inkomen/vergoeding te geven (lees: ... die de rechtbank ziet, is de partijen ...). Hiervoor werd er een vast bedrag per maand voorzien, aangevuld met een eventuele vergoeding voor de desgevallend toch te leveren prestaties als bestuurder en een extra indien de zaken goed zouden gaan en winsten zouden worden gegenereerd. De opgenomen minimumvergoeding kan in deze context verklaard worden als een zekerheid voor de heer D........... en mevrouw B.................t dat zij hoe dan ook een wel bepaald bedrag zouden ontvangen naar aanleiding van de verkoop/overname van hun beroepsactiviteiten. Zonder de opgenomen minimumvergoeding zou deze zekerheid voor hen onbestaande zijn gelet op de herroepbaarheid van het mandaat van bestuurder. De omvang van de in de overeenkomst opgenomen minimumvergoeding kan worden gekoppeld aan de overeengekomen vaste maandelijkse bestuurdersvergoeding en het leveren van een beperkt aantal prestaties op jaarbasis en de contractuele vergoeding hiervoor.". Het hof maakt het voorgaande tot het zijne, met dien verstande dat de derde laatste paragraaf zo moet gelezen worden dat het de vof Berlamont & Desseyne is, die een vergoeding ontving en niet de vennoten persoonlijk.
- De argumentatie van de nv Sagam en de heer L................. onder de randnummers 18 tot 23 voegt niets nieuws toe en weerlegt de beoordeling van de eerste rechter niet. Er is hoe dan ook een minimum vastgelegd in de overeenkomst, zonder dat daaraan voorwaarden gekoppeld zijn.
- Indien het werkelijk de bedoeling zou geweest zijn een vergoeding bij de beëindiging van de overeenkomst nauw te koppelen aan de gerealiseerde prestaties, zoals Sagam en de heer L............... argumenteren (p. 8-9 van hun syntheseconclusie in hoger beroep), dan zou de clausule 3c anders geformuleerd zijn. Nu is er overeengekomen dat bij beëindiging door de algemene vergadering de premie "in elk geval" zal uitbetaald worden. De conclusie die deze partijen wensen te trekken, kan niet afgeleid worden uit de libellering van de overeenkomst en ook niet uit het loutere feit dat een tweede overeenkomst dezelfde dag werd afgesloten. De mededeling dat Sagam en de heer L......... "hoe dan ook... ten stelligste de beweerde logica [betwisten] dat de vergoeding onrechtstreeks deel zou uitgemaakt hebben van de bedongen totaalprijs voor de overname voor (lees: door) [Sagam] van een deel van de activa van de vroegere nv Computil" (zie p 8-9 van de syntheseconclusie van geïntimeerden) is niet voldoende om hun stelling te onderbouwen. Bovendien is niet geoordeeld dat het een deel van de overnameprijs is van bepaalde activiteiten van Computil, maar wel dat de vof een vergoeding ontving na de overdracht, ter vervanging van de inkomsten die de heer D............. en mevrouw B............... tevoren uit de overgedragen activiteiten bij Computil genereerden. De vordering ten aanzien van de heer L..............- De verschillende hoedanigheden van de partijen in de overeenkomst van 28 september 2001 - Gevolg
- De overeenkomst wordt aangegaan tussen, enerzijds, de nv Sagam, vertegenwoordigd door de heer L............. en de heer L........... "optreden (lees: "optredend") in eigen naam, zowel als voor de nv Sagam, voor wie hij zich sterk maakt" en, anderzijds, de heer F........ D............... en mevrouw I..........B............., "beiden handelend in eigen naam, zowel als in naam van een op te richten vennootschap onder firma "Berlamont & Desseyn", voor wie zij zich sterk maken". Uit deze bewoordingen leidt het hof af dat de heer L................ in drie hoedanigheden de verbintenissen uit de overeenkomst is aangegaan: 1) als vertegenwoordiger van de nv Sagam, al is niet nader bepaald in welke hoedanigheid hij daar optreedt; 2) in eigen naam, als sterkmaker voor de nv Sagam; 3) in eigen naam en voor zichzelf. Artikel 1 bevestigt dit: "De heer E.......... L.................... verbindt zich ertoe en maakt zich sterk voor de nv Sagam om ten laatste op 1 juni 2002 de VOF Berlamont & Desseyn door de algemene vergadering te laten benoemen als bestuurster in de raad van bestuur van de nv Sagam". Dit wordt nog bevestigd door de hoedanigheden waarin op het laatste blad de overeenkomst ondertekend wordt "nv Sagam vertegenwoordigd door E.......... L........... (lees: L..................) " en "de heer E...........L.............. (lees: L...................) optredend in eigen naam, en zich sterkmakend voor de nv Sagam". Ook de heer D.......... en mevrouw B........................ handelen in eigen naam en treden op namens de op te richten vof. De libellering is voor alle partijen voldoende duidelijk. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de sterkmaking en het handelen in eigen naam. De nv Sagam en de heer L.............. onderbouwen hun stelling niet dat de heer L............. enkel in eigen naam tekende in zoverre hij zich sterk maakte (p. 11 van hun syntheseconclusie in hoger beroep). Het blijft bij een onbewezen bewering. Het is niet nodig dat alle verbintenissen waartoe de heer L..............t zich persoonlijk verbond in de overeenkomst apart opgesomd of herhaald zouden worden. De vennootschap en de heer L.................t gingen dezelfde verbintenissen aan. De aparte ondertekening in eigen naam, naast en bovenop de sterkmaking, is geenszins betekenisloos, nu de heer L................hierdoor gehouden werd voor met name alle overeen gekomen vergoedingen, waaronder deze van artikel 3c van de overeenkomst. De uitvoering die in de praktijk gegeven werd aan de overeenkomst, namelijk het feit dat de bestuurdersvergoedingen uitbetaald werden door de nv Sagam en dat de facturen van de vof aan haar gericht waren, verandert niets aan het voorgaande. Indien de nv Sagam in gebreke zou gebleven zijn op dit punt, dan kon de vof op basis van de overeenkomst tegen de heer L......................... vorderen.
- De heer L............... is persoonlijk gehouden tot het uitvoeren van de verbintenissen van de overeenkomst. De heer L..................t vordert ondergeschikt dat de "premie" van 850.000,- Bef of euro 21.070,95 in vijf jaarlijkse schijven vanaf 31 januari 2008 zou mogen uitbetaald worden. de vof verzet zich hiertegen. Artikel 3c van de overeenkomst bevat duidelijk een jaarlijkse premie. Uit niets blijkt dat bij een ontslag het resterende bedrag ineens zou opeisbaar worden. De ondergeschikte vraag van de heer L............is dan ook terecht. Wel dient vastgesteld te worden dat inmiddels drie vervaldata verstreken zijn, zodat reeds drie termijnen openstaan. Bijgevolg wordt de heer L.............. veroordeeld om de beëindigingsvergoeding te betalen aan de vof Berlamont & Desseyn van - 3 x euro 21.070,95 of euro 63.212,85, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 februari 2008 tot aan de algehele betaling; - 2 x euro 21.070,95 te betalen respectievelijk op 31 januari 2011 en op 31 januari
- Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt de heer L................. tot betaling van de kosten veroordeeld. De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 5.000,- voor elke aanleg. OP DIE GRONDEN, het hof , Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, en gegrond in de hierna volgende mate. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis, zij het met een enigszins andere motivering en behalve wat de verwerping van de vordering tegen de heer L........... en de ten laste legging van de kosten betreft; veroordeelt de heer L.............. om aan de vof Berlamont & Desseyn de sommen te betalen van: * 3 x euro 21.070,95 of euro 63.212,85, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 februari 2008 tot aan de algehele betaling; * 2 x euro 21.070,95 te betalen respectievelijk op 31 januari 2011 en op 31 januari 2012; - verwerpt de vorderingen voor het overige; - veroordeelt de heer L................. tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: appellante: eerste aanleg: dagvaarding: euro 287,81 rechtsplegingvergoeding: euro 5.000,00 hoger beroep: rolrecht: euro 186,00 rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 5.000,
- Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Frank Deschoolmeester, raadsheer, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag acht november tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div