id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101123.8 Rolnummer: Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-02-17 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-01 14:08 Fiche Een beschikking tot opheffing van het beslag kan niet gelden als een intrekking van een niet bestreden machtigende beschikking. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Beslag- en executierecht- bewarend beslagverzet - vormvereisten - intrekking van de beschikking Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 23 november 2010 ________ NA TA 23.03.2010 ---------------------- 2009/AR/2288 in de zaak van: N.............. M............, wonende te ................................., handelend in eigen naam en als rechtsopvolger en gedinghernemende namens haar overleden echtgenoot V............ P................, .....................; appellante, hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Kurt, advocaat te 8600 DIKSMUIDE, Woumenweg 109 appellante van een beschikking van de Beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Veurne van 20 mei
- tegen:
- T............... M............... C.............., geïntimeerde,
- D............... I..........., geïntimeerde, beiden wonende te ........................... en hebbende als raadsman mr. CUYPERS Ilse, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof heeft bij tussenarrest van 23 maart 2010 ambtshalve de heropening van het debat bevolen en partijen gevraagd standpunt te willen innemen omtrent het door het Hof ambtshalve opgeworpen middel van ontoelaatbaarheid van het verzet van appellante. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 26 oktober 2010 bij monde van hun raadslieden. Zowel de na tussenarrest neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. Beoordeling
- De verzetsakte van appellante en wijlen haar echtgenoot dd.5 maart 2008 strekt ertoe het op verzoek van geïntimeerden gelegde bewarend beslag betekend per exploot van 28.02.2008 in te trekken of minstens op te heffen en de kopers te zeggen voor recht dat voormeld beslag geen uitwerking kan hebben en hen te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag van 2.500 EUR. Wanneer het bewarend beslag gelegd is krachtens een beschikking van de beslagrechter, dient de beslagene tegen deze beschikking derdenverzet aan te tekenen (art.1034 Ger.W.) en de beschikking tot intrekking geldt als opheffing van het beslag (art.1419 Ger.W.). Het derdenverzet moet niet in bepaalde sacrale woorden worden gesteld. Het is voldoende dat uit het exploot voldoende duidelijk blijkt dat de beschikking op eenzijdig verzoekschrift op grond waarvan het beslag is gelegd, wordt aangevochten. Bij nazicht van de verzetsakte blijkt dat het beschikkend gedeelte van de dagvaarding uitsluitend strekt tot opheffing van het bewarend beslag en dat nergens wordt verwezen naar de machtigende beschikking van 14 februari
- Zelfs in de overwegingen van de verzetsakte wordt nergens verwezen naar de beschikking van 14 februari
- Deze beschikking wordt overigens in de verzetsakte in het geheel niet vermeld.
- Wanneer bewarend beslag is gelegd krachtens een beschikking van de beslagrechter, dient de beslagene die dat beslag wenst aan te vechten, derdenverzet aan te tekenen tegen die beschikking. Het Hof is van oordeel dat het verzet van appellante niet als een derdenverzet tegen de beschikking kan worden beschouwd, vermits niet van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing kan worden gesproken wanneer deze beslissing in het geheel niet wordt aangevochten, a fortiori wanneer zij zelfs in het geheel niet wordt vermeld. Het verweer van appellante in haar conclusie na tussenarrest dat noch huidige geïntimeerden, noch de eerste rechter in de procedure voor de eerste rechter enige ontoelaatbaarheid van het derdenverzet hebben opgeworpen, heeft niet voor gevolg dat deze ontoelaatbaarheid door de bestreden beschikking zou zijn ‘gedekt'. De toelaatbaarheid van de vordering raakt de openbare orde en kan in elke stand van het geding, zelfs voor het eerst in hoger beroep, door de tegenpartij en ambtshalve door de (appel)rechter worden opgeworpen. De regels inzake de nietigheid van proceshandelingen (art.861-867 Ger.W.) zijn ter zake niet van toepassing. Er is geen sprake van een exceptie van nietigheid van een proceshandeling, maar van een middel van ontoelaatbaarheid van het verzet zelf. Zoals hiervoor vastgesteld, werd in de verzetsakte uitsluitend de intrekking of opheffing gevraagd van het beslag gelegd op 28.02.
- Er wordt hoegenaamd niet verwezen naar de machtigende beschikking van 14.02.2008, die aan de basis ligt van dit beslag. Waar een uitdrukkelijk verzoek tot intrekking van de machtigende beschikking bij gegrondverklaring ingevolge artikel 1419 Ger.W. automatisch ook leidt tot de opheffing van het op grond van die beschikking gelegde beslag, kan omgekeerd niet worden gesteld dat de inwilliging van een verzoek tot opheffing van het beslag automatisch de intrekking tot gevolg heeft van de voorafgaande beschikking, die machtiging geeft tot dit beslag, zonder dat deze beschikking op enige wijze wordt vermeld in het verzoek tot opheffing. Een beschikking tot intrekking van de machtigende beschikking geldt als opheffing van het beslag - omdat het de titel op grond waarvan het beslag werd gelegd teniet doet - doch een beschikking tot opheffing van het beslag kan niet gelden als intrekking van een niet bestreden machtigende beschikking. De beschikking van 14 februari 2008 heeft gezag van gewijsde en behoudt haar uitwerking zolang zij niet ingevolge een daartoe voorzien rechtsmiddel wordt gewijzigd/ingetrokken/vernietigd. Het verzet van appellante is ontoelaatbaar en het hoger beroep beroep dienvolgens ongegrond. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar, doch ongegrond; Stelt vast dat het verzet van appellante ontoelaatbaar is; Bevestigt de bestreden beschikking; Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet nader te begroten en aan de zijde van geïntimeerden begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 23 november 2010 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div