id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101203.8 Rolnummer: 2010-AR-2834 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-10-20 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-01 14:14 Fiche Wanneer enkel op de hoofdvordering de uitvoerbaarheid bij voorraad werd gevorderd miskent de eerste rechter het beschikkingsbeginsel door bij de afwijzing van de hoofdvordering en de toekenning van de tegenvordering de uitvoerbaarheid bij voorraad toe te kennen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Beschikkingsbeginsel Vrije woorden: -vordering tot opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in hoger beroep. -miskenning van het beschikkingsbeginsel door de eerste rechter wat betreft de veroordeling op tegenvordering. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 03-12-2010 tussenarrest opheffing voorlopige tenuitvoerlegging art. 747 Ger.W. 21.06.2013 11.30 uur 2010/AR/2834 in de zaak van: ALWABO B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9130 VERREBROEK, Kieldrechtsebaan 94, ingeschreven met KBO-nummer 0405.002.318, appellante, hebbende als raadsman mr. DE CUYPER Wim, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen: FOUQUAT LUC B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9420 ERPE-MERE, Rooseveltlaan 26, ingeschreven met KBO-nummer 0862.583.881, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE LAT Marc, advocaat te 9420 ERPE-MERE, Gentsesteenweg 157 velt het Hof het volgend arrest:
- Het hof heeft de partijen gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien.
- De appellante heeft, met haar verzoekschrift ter griffie van het hof neergelegd op 2 november 2010, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken door de 1e kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde op 17 juni 2010 (aldaar gekend onder A.R. nr. A/09/03585) tussen: • haarzelf als oorspronkelijke eiseres op hoofdvordering en verweerster op tegenvordering; • de geïntimeerde als oorspronkelijke verweerster op hoofdvordering en eiseres op tegenvordering.
- Middels het bestreden vonnis heeft de eerste rechter: • de hoofdeis (minstens impliciet ontvankelijk verklaard doch) afgewezen als ongegrond; • de tegenvordering ontvankelijk en (deels) gegrond verklaard en dienvolgens de appellante veroordeeld om te betalen aan de geïntimeerde de som van 1.890,69 euro, meer de gerechtelijke interesten en 900,00 euro rechtsplegingvergoeding; • de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toegestaan.
- Met haar hoger beroep (zoals geformuleerd in het beschikkend gedeelte van haar beroepsakte) verzoekt de appellante aan het hof: "Het hoger beroep van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zaak op de inleidingszitting te weerhouden teneinde de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te horen schorsen. Het bestreden vonnis teniet te doen en vervolgens: De aannemingsovereenkomst tussen partijen d.d. 09/12/2008 te ontbinden in het nadeel van BVBA FOUQUAET. De hoofdvordering van verzoekster ten aanzien van BVBA FOUQUAET ontvankelijk en gegrond te verklaren ten belope van 5.882,53 euro, te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 25/08/2009 (datum ingebrekestelling, stuk 17) tot op de dag der dagvaarding en meer de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding. BVBA FOUQUAET, na toepassing van de gerechtelijke compensatie, te veroordelen om aan verzoekster het bedrag van 4.092,53 euro te betalen, meer de vergoedende rente vanaf 25/08/2009 (datum ingebrekestelling, stuk 17) tot op de dag der dagvaarding en meer de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding. BVBA FOUCQUAET te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op: • dagvaardingskosten: 221,74 euro • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (basisbedrag): 650,00 euro • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (basisbedrag): 650,00 euro • rolrecht hoger beroep: p.m."
- Op de inleidingzitting werd de zaak enkel en alleen in beraad genomen voor wat betreft de vordering van de appellante strekkende tot het ongedaan maken van de door de eerste rechter uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis, zodat de beoordeling van de ontvankelijkheid en/of gegrondheid van het hoger beroep thans niet aan de orde is. De geïntimeerde gedroeg zich wat betreft deze vordering naar de wijsheid van het hof. 6.a. Zoals reeds aangegeven heeft de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van het door hem gewezen vonnis toegestaan. Bij artikel 1402 Ger. W. wordt voorgeschreven : "De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid". Deze bepaling strekt ertoe te verhinderen dat de appelrechter de opportuniteit van de in eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt. Artikel 1402 Ger.W. staat er evenwel niet aan in de weg dat de appelrechter de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd (en de eerste rechter derhalve ultra petita oordeelde), wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging (vgl. Cass., voltallige kamer, AR C.03.0231.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5, 1 juni 2006, P. & B. 2006, p. 210 e.v., noot MOUGENOT, D., "Exécution provisioire et appel-nullité, p. 213 e.v.) 6.b. Het hof stelt vast dat: • de appellante in haar inleidende dagvaarding d.d. 18 november 2009 (strekkende tot veroordeling van de geïntimeerde tot betaling aan haar van het bedrag van 4.092,53 euro, meer nadere bepaalde interesten) verzocht dat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement; • door de geïntimeerde een tegenvordering werd geformuleerd (strekkende tot veroordeling van de appellante tot betaling aan haar van het bedrag van 2.082,73 euro, meer de gerechtelijke interesten) waarbij de geïntimeerde niet verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis; • de eerste rechter de hoofdvordering afwees en de tegenvordering (deels) gegrond verklaarde en (zonder nadere motivering) de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis toestond. 6.c. Er bestaat geen betwisting tussen de partijen dat de door de eerste rechter toegestane uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis niet door enige wettelijke bepaling wordt verboden. De appellante brengt desbetreffend overigens geen middelen aan en evenmin zijn er dienaangaande ambtshalve door het hof op te werpen middelen voorhanden. Het hof stelt evenwel vast dat door de door de eerste rechter toegestane uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis het beschikkingsbeginsel werd miskend. De tegenvordering (in de zin van artikel 14 Ger. W.) vertoont een autonoom karakter ¬opzichtens de oorspronkelijke vordering en moet dus hiermee geen samenhang vertonen (FETTWEIS, A., Manuel de procéd¬ure civile, Luik, 1985, Faculté de droit d'économie et de sciences sociales, nr. 556, p. 401 en nr. 90, p. 98). De tegenvordering is immers geen accessorium van de hoofdvordering en vertoont aldus een grote autonomie die alleen getemperd wordt door de toepasselijke bevoegdheidsregels. Zij moet overigens, in tegenstelling tot een uitgebreide of gewijzigde vordering niet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding (vgl. art. 807 Ger.W.; Cass. 26 mei 1976, Pas. 1976, I, 1032). De tegenvordering heeft dus een voorwerp dat totaal onafhankelijk is of kan zijn van de oorspronkelijke vordering die slechts de aanleiding is. Gelet op deze autonomie van deze tegenvordering dient derhalve besloten te worden dat waar: • de uitvoerbaarheid enkel werd gevorderd door de appellante voor wat betreft de door haar ingestelde hoofdvordering en deze hoofdvordering (volledig) als ongegrond werd afgewezen; • de tegenvordering (deels) gegrond werd verklaard doch op tegenvordering de uitvoerbaarheid bij voorraad niet werd gevorderd; de eerste rechter aldus het beschikkingsbeginsel heeft miskend en uitspraak heeft gedaan over een niet-gevorderde. Aldus dient de vordering van de appellante tot opheffing van de door de eerste rechter toegestane uitvoerbaarheid bij voorraad te worden ingewilligd.
- De partijen hebben ter terechtzitting overeenkomstig artikel 747 §1 Ger.W. een verklaring neergelegd waarbij zij onderling conclusietermijnen hebben afgesproken. Het hof neemt akte van deze conclusietermijnen, bekrachtigt deze en bepaalt een rechtsdag, dit alles zoals hierna nader bepaald. OM DEZE REDENEN, HET HOF, op tegenspraak; in acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- Stelt vast dat het alsnog uitsluitend gevat werd om uitspraak te doen met betrekking tot de het ongedaan maken van de voorlopige uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis. Ontvangt uitsluitend wat deze voorlopige tenuitvoerlegging betreft de vordering van de appellante en verklaart deze gegrond. Heft aldus de (voorlopige) uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis op. Neemt akte van en bekrachtigt de conclusietermijnen overeengekomen door partijen zoals die blijken uit hun akkoord neergelegd ter terechtzitting van 26 november
- Bepaalt derhalve de conclusietermijnen, waarbij de conclusies dienen te worden medegedeeld en neergelegd ter griffie vóór de volgende data, als volgt: - voor de geïntimeerde vóór 1 februari 2011; - voor de appellante vóór 31 mei 2011; - voor de geïntimeerde vóór 27 september 2011; - voor de appellante vóór 20 december 2011; - voor de geïntimeerde vóór 27 maart 2012; Bepaalt de rechtsdag overeenkomstig artikel 747 §2, derde lid Ger.W. op 21.06.2013 om 11.30 uur, met een pleitduur van 30 minuten. Houdt de beslissing over de kosten van de beide instanties aan. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer H. Verhaest Kamervoorzitter, De heer A. Colpaert Raadsheer, De heer M. Baranyai Raadsheer, en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op drie december tweeduizend en tien, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div