← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101220.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101220.7 Rolnummer: Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2011-02-24 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-01 14:24 Fiche Het reglement van de netwerkbeheerder is strijdig met de WHPC-WMPC - als eigen aansprakelijkheid beperkt wordt tot hypothese van bewijs van fout door de consument. - als er een vrij-stelling van 250 euro gecombineerd wordt met een plafond van 625.000 euro voor schade die te wijten is aan dezelfde oorzaak. - als er geen gelijkwaardige vergoeding is voor de consument ingeval van een vergoe-ding voor laattijdige betaling. - als er op algemene wijze slechts 1 rechtbank exclusief bevoegd wordt verklaard. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Onrechtmatige bedingen Vrije woorden: WHPC - WMPC - Netwerkbeheerder Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ______________ Terechtzitting van 20 december 2010 ______________ na tussenarrest van 22/03/2010 ________________ WHPC ("WMPC") _________________ 2009/AR/1513 - In de zaak van: BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST-AANKOOP V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Hollandstraat 13, KBO nr. 0407.703.668, Appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 10 maart 2009, zetelend in kortgeding, hebbende als raadsman mr. BALATE Eric, advocaat te 7000 MONS, Rue du Gouvernement 50, (referte : EB/EB/HB-D4886.5 - TEST-ACHATS/GASELWEST) tegen: GASELWEST CVBA, met maatschappelijke zetel te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 12, ingeschreven met KBO-nummer 0215.266.160, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN DORPE Luc, advocaat te 8500 KORTRIJK, Louis Verweestraat 2, (referte: 58.998) velt het hof het volgend arrest: De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. * Gezien de voorafgaande procedure. Gezien meer in het bijzonder: - het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 3 juni 2009 tegen het vonnis d.d. 10 maart 2009 gewezen door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, zetelende zoals in kortgeding; - het tussenarrest van dit hof, zelfde kamer d.d. 22 maart 2010, waarbij het hof het hoofdberoep en het incidenteel beroep beide ontvankelijk heeft verklaard en voorts ambtshalve de debatten heeft heropend met verzoek aan de partijen nopens een aantal bedenkingen van het hof nader te antwoorden c.q. standpunt in te nemen. * Voor de feitelijke achtergrond en voorts de procedure, de vorderingen voor de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kortgeding, en tenslotte zijn beslissing, verwijst het hof naar datgene wat hieromtrent is neergeschreven in het tussenarrest van 22 maart 2010 onder "ANTECEDENTEN". Het past evenwel te hernemen wat de vorderingen van de respectieve partijen zijn in de voorliggende beroepsprocedure. De VZW Test-Aankoop vordert de vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het haar oorspronkelijke vordering niet volledig heeft toegekend en eist de toekenning van haar volledige oorspronkelijke vordering. Zij vordert evenwel niet de publicatie van het tussen te komen arrest. Wél vordert zij dat voor recht zou worden gezegd dat de CVBA Gaselwest, bij gebreke van uitvoering van de uit te spreken staking binnen de 48 uur na de betekening van de tussen te komen beslissing, wordt veroordeeld tot een dwangsom van 200.000,00 EUR " per dag vertraging (wat de wijziging van het "Reglement" betreft) en per vast gestelde inbreuk (wat de aanwending ervan in de relatie met de consument betreft) ". De CVBA Gaselwest vordert de afwijzing van het hoofdberoep van de VZW Test-Aankoop als ongegrond. Zij formuleert incidenteel beroep tot - in hoofdorde, het zich zonder rechtsmacht verklaren om recht te doen op de oorspronkelijke vordering van de VZW Test-Aankoop en - in meer ondergeschikte orde, het afwijzen van de volledige oorspronkelijke vordering van de VZW Test-Aankoop als onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens ongegrond. BEOORDELING VOORAF Het hof stelt vast dat de voorliggende procedure doorkruist wordt door de (nieuwe) Wet op de Marktpraktijken en Consumentenbescherming ("WMPC"). De alhier toepasselijke bepalingen behouden de zelfde essentie en hebben hoogstens een andere nummering bekomen. Wél is er de evolutie van het begrip van de "verkoper" in de WHPC naar dat van de "onderneming".in de WMPC. Meteen kan reeds overwogen worden dat het begrip van "ondernemer" breder is dan dat van "verkoper". Indien de CVBA Gaselwest onder het begrip "verkoper" valt (zoals in casu) dan valt de CVBA Gaselwest a fortiori onder het begrip van "onderneming" zoals omschreven in de WMPC. Waar nodig zal hieraan nadere motivering worden gegeven. I. De VZW Test-Aankoop houdt voor dat zij de opdracht heeft om onder meer de belangen van de consumenten te behartigen, oplossingen te zoeken voor hun problemen en hen helpen om hun rechten te laten gelden. Zij houdt voor dat ze onder meer ook gerechtigd is om op te treden voor de hoven en de rechtbanken ingeval van schending door een "verkoper" (wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument), thans de "onderneming" (cf. art. 2 - wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming). Als dusdanig blijkt voorgaande door de CVBA Gaselwest niet betwist te worden. II. Rechtsmacht Ontvankelijkheid / toelaatbaarheid A. Terecht heeft de Voorzitter zijn rechtsmacht weerhouden. De CVBA Gaselwest werpt onder meer op wat volgt: " De functie van DNB ("de netwerkbeheerder") en de opgelegde taken werden ingericht door en onderworpen aan het administratieve recht en het administratieve toezicht van de overheid - in de eerste plaats de V.R.E.G. Vermits concluante géén diensten aanbiedt in de zin van WHPC kan appellante zich dan ook niet wenden tot de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zelf niet tot de rechtbank van koophandel in het algemeen, nu [concluante] geen handelaar is en de diensten in kwestie geen commerciële activiteit uitmaken. " (besluiten voor de CVBA Gaselwest, neergelegd op 25 januari 2010, blz. 14) Krachtens art. 6 § 1 3°

  1. b)van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) vervult deze reguleringsinstantie taken in verband met " het beslechten van geschillen die betrekking hebben op de toegang tot het distributienet, met uitzondering van de geschillen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten in de zin van art. 144 Grondwet ". Art. 144 van de Grondwet schrijft voor dat "geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken ". Om de bescherming van deze rechten te verwezenlijken houdt de Grondwet geen rekening met de hoedanigheid van de procesvoerende partijen, noch met de aard van de handelingen die een krenking van een burgerlijk recht zouden hebben veroorzaakt. Enkel de aard van het beweerdelijk gekrenkte recht is determinerend (cf. Cass. 5 november 1920, Pas., 1920, I, 239). De gekrenkte rechten die door de VZW Test-Aankoop worden ingeroepen zijn die welke zij meent te kunnen tegenwerpen aan de CVBA Gaselwest en die voortspruiten uit de WHPC - thans de WMPC. De rechten voor de consument, waarvoor de VZW Test-Aankoop vermag op te treden, rechten die voortspruiten uit de WHPC - thans de WMPC - , zijn burgerlijke rechten. De procespartij, die beweert houder te zijn van een burgerlijk recht, heeft krachtens art. 144 van de Grondwet het absolute recht om zich tot de gewone rechtbanken te wenden, ook al wordt dat recht betwist. De rechtsmacht is aanwezig. B. Anderzijds heeft de procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, de wettelijke hoedanigheid en het wettelijke belang in de zin van art. 17 en 18 Ger.W., om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht / burgerlijk recht dat door de VZW Test-Aankoop wordt ingeroepen - met name het recht voor de consument om zich op de WHPC / WMPC te beroepen ten opzichte van de CVBA Gaselwest - , betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. Cass., 16 november 2007, R.W., 2009-2010, 532; Cass., 26 februari 2004, R.W., 2006-2007, 133) De oorspronkelijke vordering van de VZW Test-Aankoop is door de Voorzitter terecht ontvankelijk / toelaatbaar verklaard. III. Ten onrechte houdt de CVBA Gaselwest voor dat de distributienetbeheerder niet in het toepassingsveld van de WHPC / WMPC zou vallen. A. Het hof acht de desbetreffende motivering van de Voorzitter in het alhier bestreden vonnis (randnummers 2.1 "De hoedanigheid van verkoper conform art. 1 en 31 WHPC" en 2.2 ‘Het reglementair karakter van de bepalingen" - vonnis blz. 6, 7, 8 en 9, eerste twee alinea'
  2. s)alhier uitdrukkelijk als hernomen, behalve waar zij strijdig zou zijn met wat hieronder bijkomend wordt overwogen. Het begrip van "verkoper" in art. 1 WHPC is thans te vervangen door het begrip van "onderneming" van art. 2 WMPC; het begrip van "onderneming" is breder dan dat van "verkoper" (art. 2 WMPC : " onderneming: elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen "). De CVBA Gaselwest brengt voor het overige geen argumenten naar voor die de voormeld sluitende motivering van de Voorzitter aantasten. B. De oproep van de CVBA Gaselwest om art. 31 / 32 van de WHPC richtlijnconform te interpreteren en/of de vaststelling dat de distributienetbeheerder zich niet begeeft in de vrije markt, doen hoe dan ook geen afbreuk aan de vaststelling dat de CVBA Gaselwest als distributienetbeheerder, in de mate zij leveringen of diensten verricht voor de consument, als een verkoper moet worden aangezien in de zin van de WHPC - thans "de onderneming" in de zin van art. 2 WMPC. In deze context kan nuttig verwezen worden naar het feit dat de wetgever in de regeling van de onrechtmatige bedingen destijds de term ‘voorwaarden' aan ‘bedingen' heeft toegevoegd in artikel 31 § 1 WHPC, ten einde de leveringsvoorwaarden van reglementaire aard en reglementaire bedingen aan de onrechtmatige bedingenleer te onderwerpen (zie Parl.St.Kamer, 1989-1990, 1240/20, blz. 8). Mede op basis van deze bepaling heeft de rechtsleer aangenomen dat de WHPC ook van toepassing is op de reglementaire voorwaarden van de distributiebeheerders (cf. F.Cousy, De Vlaamse distributienetbeheerders voor elektriciteit en de bescherming van de consument, D.C.C.R., 2007, n° 75, 169). Dat er geen concurrentie is en eigenlijk ook niet mag zijn op de markt waarin de CVBA Gaselwest zich begeeft, is niet relevant voor de beoordeling of de CVBA Gaselwest in bepaalde van haar contacten met de consument verkoper is in de zin van de WHPC - onderneming in de zin van de WMPC. C. Waar de CVBA Gaselwest verwijst naar een Decreet van het Waalse Gewest - wat voor het hof de aanleiding is geweest tot de heropening van de debatten - , kan alleen maar besloten worden dat de actieve tussenkomst van de Decreetgever (zij het die van het Vlaamse Gewest, zij het die van het Waalse Gewest - in de beide gewesten is de CVBA Gaselwest actief -) de hoedanigheid van verkoper (WHPC) c.q. van ondernemer (WMPC) niet aantast en dus evenmin de rechten aantast die de VZW Test-Aankoop uit kracht van de WHPC / WMPC kan laten gelden. IV. A. De clausule nopens de bewijslast Art. 8.2.1. "Schade aan zaken gebruikt voor privé-doeleinden" van het "Reglement" van de CVBA Gaselwest bepaalt: " De DNB (distributienetbeheerder) is uitsluitend aansprakelijk voor de door de DNG (distributienetgebruiker) geleden rechtstreekse materiële schade aan zaken gebruikt voor privé-doeleinden, wanneer is aangetoond dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van een aan de DNB toerekenbare fout. Bijgevolg is de DNB niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek in de zaak tenzij wordt aangetoond dat het gebrek te wijten is aan een fout van de DNB. " a. Elektriciteit is een product in de zin van art. 2 Wet Productaansprakelijkheid. Anderzijds is de distributienetbeheerder een producent in de zin van de Wet Productaansprakelijkheid. (cf. Cass. 6 april 2006, TBBR, 2007, 188) b. De Wet Productaansprakelijkheid heeft de objectieve aansprakelijkheid ingevoerd voor producenten van gebrekkige producten. De consument dient "alleen maar" zijn schade, het gebrek en het oorzakelijk verband aan te tonen (art.7 van de Wet Productaansprakelijkheid). Het begrip "fout" is desbetreffend niet aan de orde. Uit art. 1 en 10 § 1 van de Wet Productaansprakelijkheid volgt dat de aansprakelijkheid van de producent ten aanzien van het slachtoffer niet kan worden uitgesloten of beperkt bij overeenkomst. c. Uit art. 32, 27 ° WHPC / art. 74, 30 ° WMPC volgt dat een dergelijk voormelde voorwaarde een voorwaarde is waarbij de wettelijke rechten van een consument worden beperkt en bijgevolg een onrechtmatig beding is, wat beteugeld dient te worden. In die mate is het hoger beroep van de VZW Test-Aankoop gegrond. B. De clausule nopens de opgenomen forfaits (vrijstelling en plafond) Art. 8.2.1. van het "Reglement" van de CVBA Gaselwest bepaalt: " Voor schade aan zaken gebruikt voor privé-doeleinden is de aansprakelijkheid van de DNB (distributienetbeheerder) als volgt geregeld:
  3. b)in geval van gewone fout / nalatigheid stelt de DNB (distributienetbeheerder) de DNG (distributienetgebruiker) volledig schadeloos onder aftrek van een vrijstelling van 250 euro per benadeelde DNG. ‘ Art. 8.2.1.
  4. c)van hetzelfde reglement bepaalt verder: " De maximale vergoeding van de door de DNG geleden rechtstreekse materiële schade aan zaken gebruikt voor privé-doeleinden, wordt in ieder geval beperkt tot het bedrag van maximum 625.000 euro en dit voor het geheel van de vorderingen van de DNG en derden die in hun geheel of hoofdzakelijk gesteund zijn op een zelfde vastgestelde oorzaak. In voorkomend geval zullen de vorderingen van de DNG naar evenredigheid worden voldaan. " Hieromtrent besluit de Voorzitter terecht tot de strijdigheid met art. 32, 27 ° WHPC, thans art. 74, 30 ° WMPC. Het hof acht de motivering van het bestreden vonnis onder randnummer 2.3.1.2. (vonnis blz. 11, 12 en 13) alhier uitdrukkelijk als hernomen. De Voorzitter acht terecht de combinatie van de vrijstelling van 250,00 EUR met een plafond van 625.000,00 EUR als een niet gepaste beperking. Er zij desbetreffend volgende expliciet geciteerd wat de Voorzitter onder meer heeft overwogen: " Dergelijke beperking zou vooreerst inhouden dat er een ongelijkheid ontstaat tussen de slachtoffers van een panne met een klein bereik en de slachtoffers van een panne met een groot bereik. Ondanks het feit dat de schade identiek is zal de eerste categorie desgevallend meer ontvangen dan de tweede categorie. Bovendien kan dergelijk plafond ertoe leiden dat bij een panne met een groot bereik, een vergoeding wordt uitgekeerd die in vergelijking met de werkelijke schade verwaarloosbaar is. " C. De bepaling van art. 9.3 van het reglement: de verwijlrente Wat dit onderdeel van de vordering van de VZW Test-Aankoop betreft, het hof acht de motivering van de Voorzitter onder randnummer 2.3.2. alhier eveneens uitdrukkelijk als hernomen, met dien verstande dat het thans niet meer art. 32, 15° WHPC betreft, doch wél art. 74, 17° WMPC. Aan de consument wordt door het reglement een zware rentevergoeding opgelegd, terwijl er hiervoor niets in de plaats staat aan de zijde van de CVBA Gaselwest ten voordele van de consument. D. De bepaling van art. 11.3 van het reglement: de bevoegdheidsclausule Wat dit onderdeel van de vordering van de VZW Test-Aankoop betreft, het hof acht de motivering van de Voorzitter onder randnummer 2.3.3. alhier eveneens uitdrukkelijk als hernomen, met dien verstande dat het thans niet meer art. 32, 20° WHPC betreft, doch wél art. 74, 23° WMPC. Het kwestieus gelaakte beding verschaft aan de CVBA Gaselwest de mogelijkheid om een andere rechter aan te spreken dan die welke wordt aangewezen in art. 624, 1°, 2° en 4° Ger.W. De exclusiviteit die in art. 11.3 van het reglement wordt voorbehouden "overeenkomstig de zetel" van de CVBA Gaselwest, is strijdig met art. 74, 23 ° WMPC. E. Conclusie Het hoger beroep van de VZW Test-Aankoop is gegrond, terwijl het incidenteel beroep van de CVBA Gaselwest ongegrond is (onder voorbehoud van wat volgt in verband met de dwangsom). Ten onrechte vordert de VZW Test-Aankoop een dwangsom van 200.000,00 EUR per dag vertraging bij het niet aanpassen van het reglement door de CVBA Gaselwest c.q. per vastgestelde inbreuk. Uit de uiteenzetting van de CVBA Gaselwest begrijpt het hof dat zij zich heeft geconformeerd aan de uitspraak a quo. Er is geen enkele reden waarom dit niet het geval zal zijn waar het de bijkomende verbodsbepaling betreft. Er is integendeel alle reden om in die omstandigheden de dwangsom van 5.000,00 EUR te verminderen tot 1.000,00 EUR. V. Het bestreden vonnis zal worden aangevuld en tevens geherformuleerd, voornamelijk daar intussen de WHPC aangepast moet worden naar de WMPC zoals hierboven reeds uiteengezet. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep in grote mate gegrond; Verklaart het incidenteel beroep in zeer beperkte mate (dwangsom) gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in overgrote mate, verruimt het in de toekenning van de vordering van de VZW Test-Aankoop en herformuleert het als volgt: Verklaart over de rechtsmacht te beschikken. Verklaart de vordering van de VZW Test-Aankoop ontvankelijk en in overgrote mate gegrond. Stelt in hoofde van de CVBA Gaselwest een inbreuk vast op art. 74, 17° WMPC (vroeger: art. 32, 15° WHPC), art. 74, 23° WMPC (vroeger: art. 32, 20° WHPC), art. 74, 30 ° WMPC (vroeger: art. 32, 27° WHPC): - waar zij in art. 8.2.1. van haar reglement in haar relatie tot de consument zich slechts aansprakelijk acht ingeval van een door de consument te bewijzen fout; - waar zij in art. 8 van haar reglement in haar relatie tot de consument gebruik maakt van een vrijstelling van euro 250,00 in combinatie met een algemeen plafond van euro 625.000,00 voor alle schade die te wijten is aan een zelfde oorzaak; - waar zij in art. 9.3 van haar reglement voorziet in een vergoeding voor laattijdige betaling zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien voor de consument; - waar zij in art. 11.3 van haar reglement op algemene wijze voorziet dat de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken bepaald wordt overeenkomstig haar zetel. Beveelt de CVBA Gaselwest op te houden met elke verdere overtreding van bovengenoemde artikelen in haar relatie met de consument; Legt haar verbod op de voornoemde bepalingen van haar reglement nog langer aan te wenden in haar relatie met de consument of deze nog langer te vermelden op welke informatiedrager dan ook en dit vanaf de betekening van onderhavig arrest, dit alles onder de verbeurte van een dwangsom van euro 1.000,00 per vastgestelde inbreuk die loopt vanaf een termijn van één maand na de betekening van het onderhavig arrest, met een maximum van euro 1.000.000,00. Bevestigt tevens de veroordeling van de CVBA Gaselwest door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel tot de gerechtskosten; Veroordeelt de CVBA Gaselwest bovendien tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de VZW Test-Aankoop op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag twintig december tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.