← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101223.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101223.8 Rolnummer: 2010-AR-1346 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2012-10-25 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-01 14:26 Fiche Een minderjarig kind werd door de moeder (Belg) ongeoorloofd naar België overgebracht. Het hof beveelt de onmiddellijke terugkeer van het kind naar de vader (Amerikaan) op zijn adres in het buitenland. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KIND Vrije woorden: verblijfsregeling kind in internationale context - kinderontvoering - belangen van het kind - Haags Kinderontvoeringsverdrag 25 oktober 1980 - Kinderrechtenverdrag IVRK 20 november 1989 - prioriteit tussen verdragen - tenuitvoerlegging Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 23 december 2010 ________ 2010/AR/1346 - In de zaak van: DE CENTRALE AUTORITEIT VOOR BELGIË, ZIJNDE DE BELGISCHE STAAT / FOD JUSTITIE, DIRECTORAAT GENERAAL WETGEVING, FUNDAMENTELE RECHTEN EN VRIJHEDEN, RECHTSHULP IN BURGERLIJKE ZAKEN, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, bevoegd krachtens artikel 28 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980, optredende voor G........... M.............., zelfstandige, geboren te ...................... op ................., van Amerikaanse nationaliteit, wonende te ............................................................................, appellante, hebbende als raadslieden mr. DE MULDER Wim en mr. DE MEULENAERE Bart, beiden advocaat te 9000 GENT, Tentoon-stellingslaan 54, tegen: B.......... J..............., Belg, wonende te ......................................................, luidens de termen van de akte van hoger beroep: ▪ geboren te ........................, ▪ die woonplaats heeft gekozen ter studie van gerechtsdeur-waarder Wim VAN WALLEGHEM, plaatsvervangend ge-rechtsdeurwaarder in vervanging van Patrick JESPERS, ge-rechtsdeurwaarder gevestigd te 1050 ELSENE, Paul Emile Jansonstraat 37, geïntimeerde, die bij de behandeling van de zaak -o.m. ter te-rechtzitting van 21 oktober 2010- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. MARTENS Patrick, advocaat te 8200 SINT-MICHIELS, Walakker 28, mede in zake: G.............. M.............., zelfstandige, geboren te .............. op .................., van Amerikaanse nationaliteit, wonende te ....................................................................................., doch die woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn raadslieden, hierna vermeld, vrijwillig tussenkomende partij (cf. proces-verbaal van de terecht-zitting van 23 september 2010), die bij de behandeling van de zaak -o.m. ter terechtzitting van 21 oktober 2010- in persoon is verschenen, hebbende als raadslieden mr. DE MULDER Wim en mr. DE MEULENAERE Bart, beiden advocaat te 9000 GENT, Tentoon-stellingslaan 54, velt het hof het volgend arrest: I. PROCESGANG Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 19 mei 2010, heeft de Centrale Autoriteit hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 8 maart 2010 werd verleend door de voor-zitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, recht spre-kend zoals in kort geding. De zaak werd voor het hof behandeld in raadkamer ter terechtzit-ting van 21 oktober 2010. Alle partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden. J........... B.............. en M............. G............... waren tevens in persoon aanwezig en werden gehoord (beiden bijgestaan door de aangestelde tolk, de heer C............. S............., geboren op ............., die na het afleggen van de door de wet vereiste eed: 'Ik zweer getrouw de gezeg-den te vertolken welke aan personen die verschillende talen spreken, dienen overgezegd te worden', de gezegden van het Engels in het Nederlands en omgekeerd heeft omgezet). Advocaat-generaal Philippe GYSBERGS werd op dezelfde te-rechtzitting gehoord in zijn advies. Dit werd mondeling uitge-bracht gelet op de omstandigheden van de zaak. Alle partijen formuleerden bij monde van hun raadslieden een re-pliek (behoudens wat betreft het onderdeel afstand van het inci-denteel beroep waarop geen opmerkingen meer werden gefor-muleerd). De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien. De Centrale Autoriteit legde een stukkenbundel neer met een in-ventaris, die 56 stukken vermeldt. J................. B................. legde een stukkenbundel neer met een inventaris, die 41 stukken vermeldt. II. RELEVANTE FEITEN, RETROACTA EN OMSCHRIJVING VAN DE VORDERINGEN A. VASTSTAANDE FEITELIJKE GEGEVENS J........... B.............. is in B........ geboren, maar verhuisde met haar ouders naar de V.......... S.............toen ze drie jaar oud was (stuk 1 J......... B...............). Zij heeft de Belgische nationaliteit. Zij woont sedert 8 oktober 2009 op het in onderhavige procedure opgegeven domicilie met als vorige verblijfplaats O............... (stuk 1 C........... A............). Uit de feitelijke relatie van J........... B........en M........... G........... werd een dochter - A............... B............- geboren op .................. te G............................. in F................ (stuk 2 C...........A............). Vader en kind hebben de Amerikaanse nationaliteit (volgens de vermeldingen op stuk 2 C............. A..............). Het kind heeft ook de Belgische nationaliteit (volgens de vermeldingen op stuk 7 J............ B............). M............ G.......... woont nog te G.............., aanvankelijk op het door hem in onderhavige procedure opgegeven adres (stuk 2 C.......... A................), dat blijkbaar inmiddels werd gewijzigd zoals blijkt uit de syntheseconclusies. Op 28 oktober 2008 heeft J........... B.............. met A..............B................ het vliegtuig genomen naar België al-waar zij sedertdien verblijf houden. B. PROCEDURELE RETROACTA IN DE VERENIGDE STATEN 1. M............. G............ heeft eind 2006 het C........... C............. van A............. geadieerd in verband met de gezags- en om-gangsregeling voor het kind. Bij beschikking van 7 februari 2007 oordeelde dit C........... C...........dat M...........G......... en J.......... B..............., voor-aleer een procesagenda en rechtsdag te bepalen, eerst een po-ging dienden te ondernemen om al de tussen hen bestaande ge-schillen via bemiddeling op te lossen (stuk 14 C.......... A...........). 2. Op 19 september 2007 (A............ B.............is dan vier jaar oud) sloten beiden een bemiddelingsovereenkomst met een voorlopige regeling waaronder volgende belangrijkste punten (stuk 15 C........... A................): - M.............G............. is de vader van A............ B.............; - de ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit; - A.............B................ heeft haar hoofdverblijfplaats bij moeder; - vader heeft dagelijks (telefonisch) contact met A.......... B............. van 19.45 uur tot 20 uur en er worden een aantal data bepaald waarop hij recht op persoonlijk contact heeft met A......... B.............; - vader betaalt een alimentatie van 73 $ per week voor A............. B........... vanaf 23 september 2007. 3. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 9 november 2007 van het C........ C......... van A....... C......... (F..............) (stuk 5 C.......... A...............) werd: - bevestigd dat M............. G.............de biologische vader van A......... B........... is; - vastgesteld dat het kind met haar moeder woonde in A...................., op een onroerend goed grenzend aan het landgoed van de grootmoeder aan moederszijde en de groot-stiefvader aan moederszijde; - overwogen dat de vader tot voor kort geen actieve rol speelde; - geoordeeld dat de vader tijd nodig zou hebben om een band met zijn dochter te ontwikkelen, zodat nog niet definitief over het omgangsrecht kon worden geoordeeld; - een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag vastge-steld; - een tijdelijke omgangsregeling met de vader opgelegd tenein-de hem toe te laten een band met zijn dochter te ontwikkelen; - de alimentatieplicht vervat in de bemiddelingsovereenkomst bestendigd; - de zaak voor evaluatie uitgesteld naar de terechtzitting van 16 januari 2008. 4. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 16 mei 2008 van het C.......... C......... van A........... C............ (F..........) (stuk 6 C........... A...................) werd een akkoord tussen de ouders bekrachtigd met als belangrijke onderdelen een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, een verblijfsco-ouderschap en een aangepaste onderhoudsregeling. Daarnaast werd er ook geoordeeld dat: - de vader inhaalbezoeken kon uitoefenen; - geen van beide ouders het kind uit A........... C............. (F......) mocht verwijderen zonder de toestemming van de an-dere ouder en zonder te voldoen aan de eisen gesteld door het Statuut 61.121 van F..........; - geen van beide ouders het kind naar het buitenland mocht meenemen zonder voorafgaand akkoord tussen partijen of zonder toestemming van het gerecht. 5. J........ B........... startte vervolgens een procedure als slachtoffer van huiselijk geweld op grond van haar onder eed bevestigd fei-tenrelaas voor het C......... C......... van G.........C......... (F...........) (stuk 2 a J.........B............). Bij beslissing van 26 september 2008 legde het C............. C............. van G............ C........... (F..............) een dringen-de voorlopige maatregel op waarbij M............ G............ geen contact mocht hebben met J........... B........., noch met A............B............... Deze maatregel was echter slechts van kracht tot het verhoor van M......... G.............. en in geen geval langer dan 15 dagen (stuk 2a J......... B.............). 6. Op 6 oktober 2008 maakte M........ G.............. het dossier op-nieuw aanhangig voor het C......... C.......... van A.............. C.........(F.............). Het C........... C............ van A............C........... (F................)) vernietigde diezelfde dag de beslissing van het C........ C.......... te G............C............ (F................) (stuk 16 C.......... A................). 7. Bij beslissing van 5 december 2008 van het C........C............ van A........ C.......... (F............) (stuk 7 C............ A............) werd op tegenspraak geoordeeld dat: - J............. B............. zich schuldig had gemaakt aan min-achting van het gerecht door zich niet te houden aan de be-slissing van 16 mei 2008, door aan forumshopping te hebben gedaan en door de omgang met de vader te weigeren sedert 30 juni 2008; - het verzoek tot bescherming tegen huiselijk geweld, zoals in-gediend door J........ B.......... voor het C.........C.......... van G.......... C............ (F.............), verworpen diende te wor-den en dat een kopie van desbetreffende beslissing van het C......... C......... van A............ C.........(F..........) aan het C........C......... van G........... C............ (F.........) overge-maakt diende te worden; - partijen een bemiddelingscursus "nieuwe start" dienden te volgen; - M.......... G........gedurende een periode van 12 maanden 45 extra dagen inhaal-omgangsrecht met A.......... B.......... toe-bedeeld werd; - tot enige andersluidende beslissing partijen een verblijfsco-ouderschap week om week over A............ B............. zou-den hebben. De partijen en hun raadslieden waren voorafgaand gehoord ter terechtzitting van 6 oktober 2008. Bij vonnis van 21 december 2008 van het C......... C............ van A......... C............. (F..........) (stuk 8 C.......... A...........

  1. t)werd op tegenspraak (met vertegenwoordiging van de afwezige moeder door haar advocaat) geoordeeld dat: - J....... B...........het minderjarig kind A........... B........... ont-voerd heeft; - J......... B....... aangehouden en terug naar A............ (F........) gezonden dient te worden; - J.............. B.............. het kind onmiddellijk, evenals alle paspoorten van het kind, aan M...........G............. dient over te maken; - A............. B............, tot nadere beslissing van het gerecht, enkel bij haar vader, M............. G................., dient te ver-blijven. C. PROCEDURELE RETROACTA IN BELGIË 1. Bij verzoekschrift van 22 januari 2009 heeft J............ B............. een procedure ingesteld voor de jeugdrechtbank te Brugge met het oog op het verkrijgen van de uitsluitende uitoefe-ning van het ouderlijk gezag over A............ B.............., evenals van de domiciliëring van het kind op haar adres (stuk 10 C........... A............). Zij maakte voorbehoud voor het instellen van een onderhoudsvordering ten laste van M............G............. Volgens de C.......... A............. heeft de jeugdrechtbank de zaak (conform art. 16 van het Verdrag van 25 oktober 1980 be-treffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ont-voering van kinderen, hierna kortweg Haags Kinderontvoerings-verdrag genoemd) naar de rol verwezen in afwachting van een uitspraak over het al dan niet ongeoorloofd zijn van het over-brengen van A........... B............ door J........... B............... De overgelegde kopie van het proces-verbaal van de buitenge-wone openbare terechtzitting van 19 mei 2009 wijst op een ambtshalve weglaten van de zittingsrol (stuk 11 C........ A............. 2. D. C........... A................. stelde (krachtens art. 28 Haags Kin-derontvoeringsverdrag) namens M............ G............., bij ver-zoekschrift neergelegd op 27 oktober 2009, de oorspronkelijke vordering in onderhavige procedure in strekkende tot: - het doen zeggen voor recht dat de overbrenging van het kind A.............. B............... op 28 oktober 2008 door J.......... B............ ongeoorloofd was; - de onmiddellijke terugkeer van A............. B............., naar haar vader M.......... G............. in F.............., onder ver-beurte van een dwangsom van 500 EUR per dag; - de verwijzing van J.......... B................ in de kosten van het geding; - de voorlopige uitvoerbaarheid van de tussen te komen be-schikking, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstel-ling. 3. Bij de bestreden beschikking van 8 maart 2010, gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zete-lend "in kort geding" (sic) - bedoeld wordt zoals in kort geding - werd: - de vordering van de C............ A............. ontvankelijk en toelaatbaar verklaard; - gezegd voor recht dat de overbrenging van A............ B..........naar België door J......... B..............ongeoorloofd is; - de vordering tot terugbrenging van A.......... B......... naar F.............. afgewezen als ongegrond, gelet op art. 13 Haags Kinderontvoeringsverdrag; - de C...........A............... veroordeeld tot de betaling van de kosten, begroot op 82 EUR rolrecht en 1200 EUR rechtsple-gingsvergoeding. In verband met het ongeoorloofd karakter van de overbrenging van A..........B............ door haar moeder naar België overwoog de voorzitter wat volgt: "(...) Het is moeilijk voor een rechter in België om te oordelen of de verweerster inderdaad aan rechtsmisbruik heeft gedaan door de zaak aanhangig te maken bij een rechtbank in een andere coun-ty, temeer daar de partijen zelf daar weinig informatie over ver-strekken. Belangrijker is het tweede argument van de vader, namelijk dat de rechter van "G........ C............." - (sic) - aan de verweerster uitdrukkelijk verbod had opgelegd om het kind weg te halen uit de staat F............ en dat zij dit verbod niet heeft gerespecteerd. De verweerster had weliswaar tijdelijk, alleen de uitoefening van het ouderlijk gezag, doch enkel in afwachting van een hoorzitting en onder het beding dat zij het kind niet mocht weghalen uit F............., laat staan het kind overbrengen naar België. Hieruit volgt dat de overbrenging naar België in ieder geval on-geoorloofd is, immers is er geen toestemming van de vader en geen toestemming van een Amerikaanse rechtbank, zodat het verdrag toepasselijk is. (...)". D. ONDERSCHEIDEN VORDERINGEN VOOR HET HOF 1. De conclusies, die respectievelijk de C....... A.......... en M............ G............ op 15 oktober 2010 (41 p.) en J............ B................ op 12 oktober 2010 (44 p.) hebben neergelegd, zijn telkens syntheseconclusies die voor de toepassing van artikel 780, 1ste lid, 3° Ger.W. de vorige conclusies en de gedinginlei-dende akte vervangen (artikel 748 bis Ger.W.). 2.1. De C....... A............. en M............G................vorderen res-pectievelijk (in hun syntheseconclusies neergelegd op 15 oktober 2010): - akte te verlenen aan M............. G.............. van zijn vrijwilli-ge tussenkomst, zoals geakteerd op het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 september 2010 met aanvaarding van zijn hoedanigheid als volwaardige procespartij; - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens wordt gevraagd de bestreden beschikking ten dele te vernietigen en, opnieuw wijzende: - voor recht te zeggen dat A........... B.............. dient terugge-bracht te worden naar F............... binnen de maand na de betekening van het tussen te komen arrest met afgifte van alle noodzakelijke documenten (waaronder de identiteitspapieren van A.............B................ teneinde de terugkeer admini-stratief te kunnen realiseren), dit onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging na de betekening van het tussen te komen arrest; - de veroordeling van J...........B................ tot alle kosten overeenkomstig art. 26 Haags Kinderontvoeringsverdrag, in-clusief de reiskosten van de vader en de kosten van terugkeer van A........... B.............. naar de V........ S.........., alsook de gerechtskosten van beide instanties, zoals begroot; - minstens de kosten om te slaan gelet op het feit dat minstens het onderdeel van de vordering van de C..... A...........aan-gaande het ongeoorloofd karakter van de overbrenging naar België gegrond is en het incidenteel beroep van J........... B..............laattijdig, onontvankelijk en minstens ongegrond is. De C....... A................. vordert, ondergeschikt en oordelend over de tussenvordering ingesteld door haar én overgenomen door M.......... G.............., deze ontvankelijk en gegrond te ver-klaren en dienvolgens de in de syntheseconclusie op p. 39 - 40 - 41 weergegeven verblijfs- en omgangsregeling (in de hypothese van geen terugkeer van A......... B............ naar de V......... S..............) te bevelen. 2.2. De C............ A................. vordert, wat betreft het door J......... B.......... bij appèlconclusies van 25 augustus 2010 in-gestelde incidenteel beroep, te zeggen voor recht dat het in wer-kelijkheid een principaal beroep bij conclusie betreft en vraagt vervolgens dit hoger beroep te verwerpen als zijnde laattijdig, onontvankelijk, minstens ongegrond. De C..............A..................... beoogt voorts de afwijzing van de tussenvorderingen van J......... B.............. betreffende een bijkomend bewijsaanbod, minstens eveneens over te gaan tot het horen van de paternale grootouders, zowel aan de zijde van M.......... G................., als aan de zijde van diens nieuwe echt-genote. Tenslotte vraagt zij te zeggen voor recht dat de aanvullende vor-dering van J.......... B.............. (teneinde M......... G............te doen veroordelen tot het betalen van een onderhoudsgeld voor A.......... B.............., voor zover het hof zich dienaangaande bevoegd zou achten) niet in staat van wijzen is met bevel aan de partijen tot het bijbrengen van de noodzakelijke stukken. 3.1. J........... B.......... besluit (in de syntheseconclusie neergelegd op 12 oktober 2010) wat betreft bepaalde stukken: - alle vertrouwelijke (al dan niet medische alsook strafrechtelij-
  2. ke)documenten omtrent haarzelf (beschreven op p. 14), die onregelmatig buiten haar medeweten werden verkregen door de C............... A................, te weren uit de debatten; - de video-opname, zoals door M......... G............ zonder toe-stemming van J............ B............ of A........... B............Y genomen naar aanleiding van het contact, te weren uit de de-batten. 3.2. Voorts wordt besloten tot het ongegrond verklaren van het hoger beroep en de integrale bevestiging van de bestreden beschik-king, behoudens wat betreft het punt inzake het al dan niet ge-oorloofd zijn van de overbrenging van A........B.............. naar België. 3.3. Bij incidenteel beroep werd immers de gedeeltelijke hervorming van de bestreden beschikking gevorderd, in die zin dat gevraagd werd te zeggen voor recht dat de overbrenging van A........... B............ naar België niet ongeoorloofd was in de zin van art. 3 Haags Kinderontvoeringsverdrag. In ondergeschikte mate vraagt J............ B.............., alvorens recht te doen, het kind te horen (desgevallend met bijstand van een kinderpsychologe), evenals het horen van de maternale grootmoeder en de maternale stiefgrootvader. Meer ondergeschikt vraagt zij een deskundigenonderzoek (waar-bij onder meer en in het bijzonder het kind zou worden gehoord door de deskundige). Eveneens ondergeschikt, in het licht van de medische attesten van pediaters uit F............... en België, vordert J...........B.......... een medisch deskundigenonderzoek door een kinderarts, waarbij het medisch dossier van A............ B............ zowel in F............ als in België wordt opgevraagd, in het licht van de medische toestand van A.........B............. inza-ke de zeer verregaande problematiek van allergie, eczeem, ast-ma etc. bij verblijf in F............ (één en ander in het grootste be-lang van het fysiek algemeen welbehagen van de minderjarige). Verder, eveneens in ondergeschikte orde (onder voorbehoud en in zoverre het hof zich bevoegd zou achten), en bij wijze van re-pliek op de tussenvordering van M.......... G..............vordert zij: - de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door bei-de ouders; - het hoofdverblijf van het kind bij de moeder en de inschrijving ervan in het bevolkingsregister op haar woonplaats; - een nader bepaalde contactregeling van de vader met het kind gecontroleerd, geleidelijk en mits bepaalde modaliteiten te la-ten verlopen, in essentie als volgt: ° via Skype-contacten, zoals nader omschreven; ° in België (met opgave van een verblijfadres door de vader) tijdens de kerstvakantie en de krokusvakantie van het lo-pend schooljaar mits begeleiding van een kinderpsychologe (bij voorkeur kinderpsychologe D...... M..............); ° nadien in de onpare jaren en vanaf 2011, mits gunstige evaluatie, een nader omschreven wisselend verblijf van het kind bij de vader in de V....... S...... tijdens de paas- en zomervakantie; ° in de pare jaren en vanaf 2012, een nader omschreven om-gang met vader in België tijdens de herfst-, kerst- en kro-kusvakantie; ° voor wat de bezoeken in F............ betreft onder voor-waarde dat het bewijs wordt voorgelegd van afstand door de vader van diens rechten hem ten aanzien van A.......... B............... verleend door het C........... C.......... van A........... C......... (F.............) op "15 december 2008" (sic); ° met vraag aan de vader om met betrekking tot dit voorstel standpunt in te nemen en evaluatie door dit hof op een ter-mijn van zes maand; - een onderhoudsbijdrage van maandelijks 250 EUR, met in-dexbinding en ontvangstmachtiging, boven de kinderbijslag die aan de moeder toekomt. J............ B..............vraagt de verwijzing van de C......... A....... in de kosten van beide instanties, zoals begroot. Minstens vraagt zij, in het kader van de kosteloze juridische tweedelijnsbij-stand, de herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot het mi-nimumbedrag van 75 EUR, mocht zij ertoe worden veroordeeld. E. PROCEDUREVERLOOP VOOR HET HOF 1. Op de inleidingszitting van 24 juni 2010 werden de raadslieden van de C............A..................... en J........... B........... ge-hoord. Op hun verzoek werd een procesagenda afgesproken en rechtsdag bepaald op 23 september 2010. 2. Op de terechtzitting van 23 september 2010 is M......... G..............vrijwillig tussengekomen, hetgeen geakteerd werd op het proces-verbaal van desbetreffende terechtzitting. De overige partijen formuleerden geen bezwaar tegen deze vrij-willige tussenkomst. Er werd afstand gedaan van de pleegvor-men desbetreffend. Beide ouders waren, bijgestaan door hun raadslieden, derhalve ook in persoon aanwezig en werden gehoord (beiden bijgestaan door de aangestelde tolk, de heer C...........S................, geboren ............, die na het afleggen van de door de wet vereiste eed: 'Ik zweer getrouw de gezeg-den te vertolken welke aan personen die verschillende talen spreken, dienen overgezegd te worden', de gezegden van het Engels in het Nederlands en omgekeerd heeft omgezet). 3. Tussen de ouders was er een akkoord om onmiddellijk een vrij-willige bemiddeling op te starten bij C.......... V................, er-kend bemiddelaar te Antwerpen, met gelijke verdeling van de kosten. Tevens werd tussen de ouders een tussentijds akkoord gesloten waarbij op 23 september 2010 een contact tussen A........... B............ en haar vader kon doorgaan gedurende 2,5 uur in aanwezigheid van een kinderpsychologe. Op verzoek van de partijen werd de zaak in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 7 oktober 2010. 4. Op de terechtzitting van 7 oktober 2010 werd op verzoek van het openbaar ministerie en met instemming van de partijen de zaak voor sluiten van de debatten en advies van het openbaar minis-terie in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 21 oktober 2010. Op verzoek van J........... B..............., die ondermeer nog wenste te concluderen over de door de vader gemaakte video-beelden van de contacten met A........... B................., werd, met instemming van de partijen, een nieuwe procesagenda be-paald. Beide ouders waren, bijgestaan door hun raadslieden, opnieuw ook in persoon aanwezig en werden gehoord (beiden bijgestaan door de aangestelde tolk, de heer C............ S..........., geboren .......... die na het afleggen van de door de wet vereiste eed: 'Ik zweer getrouw de gezegden te vertolken welke aan personen die verschillende talen spreken, dienen overge-zegd te worden', de gezegden van het Engels in het Nederlands en omge-keerd heeft omgezet). J............. B............. stelde dat de vader met het kind via S............... op geregelde tijdstippen contact kon hebben. 5. Op de uiteindelijke pleitzitting van 21 oktober 2010 verschenen de beide ouders, bijgestaan door hun raadslieden, opnieuw in persoon en werden gehoord (beiden bijgestaan door de aangestelde tolk, de heer C............ S..................., geboren op ......., die na het afleg-gen van de door de wet vereiste eed: 'Ik zweer getrouw de gezegden te ver-tolken welke aan personen die verschillende talen spreken, dienen overge-zegd te worden', de gezegden van het Engels in het Nederlands en omge-keerd heeft omgezet). Er was geen bezwaar tegen het neerleggen van aanvullende stukken wederzijds. De raadsman van J............ B................... deed afstand van zijn verzet omtrent het in het debat houden van stuk 54 (CD met digitale opname(s)), zoals door de C........ A............. overge-legd. 6. Het Openbaar ministerie bracht - gelet op de omstandigheden van de zaak - een mondeling advies uit dat kan worden samen-gevat als volgt (na voorlezing): "1) het ongeoorloofd karakter van de overbrenging van het kind: er wordt verwezen naar de argumentatie van de eerste rechter desbetreffend (verbod voor beide ouders om het kind uit F............. te verwijderen); 2) wat betreft het zog. incidenteel hoger beroep waarbij de vast-stelling van het ongeoorloofd karakter werd bekritiseerd: dit be-trof in werkelijkheid een principaal beroep, zodat het laattijdig is; er moet worden opgemerkt dat zelfs in de laatste synthesecon-clusies nog steeds de integrale bevestiging van het vonnis a quo wordt gevraagd door de geïntimeerde; 3) de toepassing van het internationaal verdrag van de rechten van het kind: er is geen primauteit ten opzichte van het Haags Verdrag; het IVRK kan wel de invulling van de begrippen ‘gevaar' of ‘het op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand brengen' verfijnen / nader definiëren; in casu is het begrip ‘ondraaglijke toestand' het belangrijkste be-grip waar dient naar gekeken te worden: tot het vierde levensjaar waren de contacten tussen de vader en het kind hoogstens zeer sporadisch, nadien - toen die contacten hersteld zijn - bleef het hoofdzakelijk verblijf bij de moeder; er is geen situatie geweest met een normale hechting van het kind aan de vaderfiguur; de feitelijke situatie is zo dat bij een gedwongen terugkeer van het kind naar de VS, het kind van de moeder volledig zou verwijderd worden; er dringt zich naar de mening van het openbaar ministe-rie deskundige voorlichting op (kinderpsycholoog of kinderpsy-chiater) om te na te gaan of het kind - wanneer de terugkeer wordt opgelegd - in een toestand van ‘gevaar' of een ‘ondraaglij-ke toestand' wordt gebracht; ondergeschikt advies: geen terug-keer bevelen: risico dat het kind in een ondraaglijke toestand ge-bracht wordt; de tussenvordering voor wat het bezoek betreft, is ontvankelijk en gegrond in die zin dat contacten kunnen doorgaan op Belgi-sche grondgebied en dat aangedrongen wordt op zeer frequente contacten via S................" 7. Vervolgens deed de raadsman van de J.............B.............. af-stand van het incidenteel beroep met betrekking tot het ongeoor-loofd karakter van de overbrenging. Deze afstand werd aanvaard door de tegenpartijen met gunstig advies van het Openbaar Ministerie zonder verdere opmerkin-gen. III. BEOORDELING A. VRIJWILLIGE TUSSENKOMST VAN M.......... G............ IN DE BEROEPSPROCEDURE Het hof neemt akte van de vrijwillige tussenkomst van M............ G.............. met afstand van pleegvormen, waartegen geen be-zwaar van de andere partijen zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 september 2010. Deze tussenkomst werd naderhand in conclusies geformaliseerd. B. AFSTAND VAN HET INCIDENTEEL BEROEP Van het incidenteel beroep werd afstand gedaan met aanvaar-ding, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 oktober 2010. Deze afstand kan door het hof worden gedecreteerd nu de wette-lijke voorwaarden daartoe zijn vervuld. In de bestreden beschikking werd reeds voor recht gezegd dat de overbrenging van A...........B............... naar België ongeoor-loofd was. Deze beslissing, die het voorwerp was van het incidenteel be-roep, is aldus definitief. C. ONTVANKELIJKHEID EN GRENZEN VAN HET (PRINCIPAAL) HOGER BEROEP 1. De bestreden beschikking werd naar wat de J..........B...............voorhoudt betekend op 19 april 2010. De betekeningsakte ligt weliswaar niet voor. De appèlakte werd evenwel neergelegd ter griffie op 19 mei 2010. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ont-vankelijk. 2. Het hoger beroep van de C........ A.......is beperkt tot de afwij-zing in de beschikking a quo van de vordering tot terugkeer van A............ B............... naar de V........... S.............. en tot de beslissing inzake de kosten. D. EXCEPTIE INZAKE DE OVERLEGGING VAN STUKKEN 1. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak ter terechtzit-ting van 7 oktober 2010 vroeg de raadsman van J......... B............de onmiddellijke verwijdering op het internet van een video waarop de omgang van de vader met A.......... B............. zou te zien zijn. Volgens de raadslieden van de C..........A........ en M......... G.............betrof het een beveiligde site, enkel toegankelijk mits gebruik van een bepaalde code. Desniettemin werd, naar wat wordt voorgehouden, aan het verzoek inmiddels gevolg gegeven Thans wordt een CD-rom met desbetreffende video aan het hof overgelegd om daarvan inzage te nemen (stuk 54 Centrale auto-riteit). Ter terechtzitting van 21 oktober 2010 drong de raadsman van J........... B.............. hoe dan ook niet langer aan om dit stuk te weren, waarvan akte. 2. Rest dan nog de vraag tot wering van de vertrouwelijke docu-menten (medische of strafrechtelijke) met betrekking tot J..............B..............., zonder verdere inventarisduiding, die onrechtmatig zouden zijn verkregen door de C.......... A............... Naar wat het hof uit de omschrijving kan afleiden gaat het om de stukken 12a- f, 20 25, 48 en 52 C...............A........................ Het betreft het strafblad van J............ B.............. over de jaren 2002 - 2006, naast bepaalde strafinformatie in verband met feiten van fraude gepleegd vanuit een drugverslaving in 2003 en een veroordeling daarvoor in 2006. Er worden ook rapporten overgelegd inzake de al dan niet nale-ving van de probatievoorwaarden doorr J.....B......(stukken 20 en 25 C........ A.........). Er zijn tevens medische gegevens in het kader van de prenatale consultatie (stuk 52 C....... A.........). J........ B...........(die zelf een strafblad en strafinformatie overlegt van M................. G..............) toont niet aan dat deze gege-vens onrechtmatig in het bezit kwamen van de C..... A........ Het hof ziet geen reden tot wering van deze stukken. E. VERTROUWELIJKHEID AANGAANDE DE BEMIDDELING EN DE POGINGEN TOT HET BEREIKEN VAN EEN AKKOORD In toepassing van art. 1728, § 1 Ger.W., kan het hof normaliter geen rekening houden met de documenten die werden opge-maakt en de mededelingen die werden gedaan in de loop van en ten behoeve van de vrijwillige bemiddeling die plaatsvond han-gende de beroepsprocedure. Die documenten en mededelingen zijn in principe niet toelaat-baar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Behoudens hun instemming mogen de partijen immers geen en-kele mondelinge of schriftelijke informatie uit de bemiddeling (zo-als uitspraken, standpunten, voorstellen, voorlopige regelingen, ontwerpen, briefwisseling) als bewijsstuk gebruiken. Zij mogen daarnaar ook niet in conclusies verwijzen. Elke communicatie die tussen de partijen in de loop van en ten behoeve van de bemiddeling werd gevoerd is immers gedekt door de vertrouwelijkheid. Verwijzen naar de tussenkomsten van de bemiddelaar of naar de bereidheid van ene of gene partij om een bepaalde regeling te aanvaarden is uit den boze. Beide partijen concluderen echter over bepaalde vertrouwelijke gegevens zonder dat over en weer daarvan enige wering wordt gevraagd. De wederzijdse beweringen zijn evenwel niet congruent en het hof maakt daarvan abstractie. F. WEIGERINGSGRONDEN VOOR DE TERUGKEER De schriftelijke machtiging ex art. 28 Haags Kinderontvoerings-verdrag dateert van 28 januari 2009 (stuk 3 C...........A........), de gedinginleidende vordering van 27 oktober 2009. Ter zake is er minder dan één jaar verstreken tussen de onge-oorloofde overbrenging op 28 oktober 2008. De weigeringsgronden van art. 13 Haags Kinderontvoeringsver-drag kunnen worden ingeroepen en worden hierna verder onder-zocht. 1. artikel 13, 1ste lid
  3. a)Haags Kinderontvoeringsverdrag J............ B.............. beroept zich op art. 13, 1ste lid
  4. a)Haags Kinderontvoeringsverdrag om zich te verzetten tegen de terug-keer. Deze kan in dat geval geweigerd worden indien blijkt dat de ver-zoeker het gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefent of in de toe-stand heeft toegestemd of er ondertussen in berust. Deze weigeringsgrond werd reeds door J............... B........... ingeroepen in eerste aanleg. J.............. B............... houdt in dit verband voor het hof op-nieuw gestand dat de enige geldige rechterlijke beslissing op het ogenblik van haar vertrek naar België deze is van het G.......... C......... C............ C.......... (F................) van 26 september 2008. Deze bewering is onjuist, al was het maar omdat laatstgenoemde beslissing (los van de inhoud ervan en de vernietiging ervan bij beschikking van het C........... C........... van A.......... C.............(F...............) per 6 oktober 2008) hoe dan ook een uiterlijke gelding had tot 15 dagen na de uitspraak ervan, datum die op 28 oktober 2008 reeds was overschreden. Door te verwijzen naar de beslissing van 26 september 2008 kan J........... B............... niet ernstig voorhouden dat M......... G............ het gezagsrecht over A........... B..............niet daadwerkelijk uitoefende op het ogenblik van de terugkeer. Overigens werd door de voorzitter in de bestreden beschikking definitief (gelet op de afstand van het incidenteel beroep en de grenzen van het hoger beroep) beslist tot de ongeoorloofde overbrenging van het kind in de zin van art. 3 Haags Kinderont-voeringsverdrag. Het vermoeden van een daadwerkelijke uitoefening van het ge-zagsrecht door de vader werd aldus reeds aanvaard en het te-genbewijs daarvan wordt door J......... B............... niet gele-verd om haar verzet tegen de terugkeer te kunnen staven. 2. artikel 13, 1ste lid
  5. b)Haags Kinderontvoeringsverdrag 2.1. beoordelingsmarge en wisselwerking tussen het Internatio-naal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (I.V.R.K.) en het Haags Kinderontvoeringsverdrag 2.1.1. Art. 13, 1ste lid
  6. b)Haags Kinderontvoeringsverdrag bepaalt in het bijzonder dat de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt bloot-gesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op eni-gerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. 2.1.2. In de bestreden beschikking werd geoordeeld dat het Kinderrech-tenverdrag primeert op het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Krachtens art. 3 Kinderrechtenverdrag moeten de belangen van het kind steeds de eerste overweging uitmaken en kunnen deze tegengesteld zijn aan de belangen van één ouder. De voorzitter oordeelde dat het begrip "lichamelijk of geestelijk gevaar" van art. 13, 1ste lid
  7. b)Haags Kinderontvoeringsverdrag in die zin ruim diende te worden geïnterpreteerd (in casu ook in intrafamiliale situaties). De C....... A......... vecht deze overwegingen aan. 2.1.3. Sinds 15 januari 1992 is België gebonden door het Kinderrech-tenverdrag van 20 november 1989. Art. 11.1. Kinderrechtenverdrag verplicht de Staten maatregelen te nemen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland. Art. 11.2. Kinderrechtenverdrag stelt dat de Staten hiertoe het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of het toetreden tot bestaande overeenkomsten bevorderen. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag van 25 oktober 1980 is een sedert 1980 bestaand akkoord dat door België in 1992 werd ge-ratificeerd, waardoor België tegemoet kwam aan zijn verplichting ex art. 11.2. Kinderrechtenverdrag. De redenering van de eerste rechter dat het Kinderrechtenver-drag zou primeren op het Haags Kinderontvoeringsverdrag, lou-ter omdat het recenter is, volgt het hof niet. Indien er immers andere bepalingen zijn die in het bijzonder bij-dragen tot de verwezenlijking van de rechten van het kind (zoals bijvoorbeeld het Haags Kinderontvoeringsverdrag als het gaat om kinderontvoering) dan dienen deze bepalingen door de rech-ter te worden geraadpleegd. Dit volgt uit artikel 41 Kinderrech-tenverdrag. Art. 20 Haags Kinderontvoeringsverdrag wordt te dezen niet in-geroepen. 2.1.4. Het hof gaat in casu uit van een interpretatie van de weigerings-gronden voor de terugkeer binnen de grenzen geschetst door het Haags Kinderontvoeringsverdrag dat ook het belang van het kind voor ogen heeft. Een grote voorzichtigheid in de beoordelingsmarge van de rech-ter is daarbij noodzakelijk teneinde te vermijden dat het Haags Kinderontvoeringsverdrag dode letter blijft. 2.2. art. 13, 1ste lid
  8. b)Haags Kinderontvoeringsverdrag in concre-to getoetst 2.2.1. J........B........... stelt inhoudelijk de rechtspraak van de Circuit rechter van A.......... C.......... (F..........), S........ H. GRIFFIS III, in vraag. Zij legt zelfs een judiciële poll en subjectieve commentaren van andere rechtzoekenden over om de beweerd "schrijnende absur-diteit" van de vonnissen van deze rechter (sic p. 21 van de syn-theseconclusie) te beklemtonen (stuk 4 J........... B..............). Het is niet aan het hof om inhoudelijk de beslissingen van deze rechter te beoordelen in het kader van de procedure tot terug-keer. Het hof moet trouwens vaststellen dat J.......... B......... (volgens haar wegens haar vertrek uit de V........... S............) tot dusver geen beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2008 van het C............. C.......... van A............ C......... (F............), alhoewel de mogelijkheid daarvoor openstond zoals zij het zelf aangeeft (stuk 40 J........ B.................). Niettegenstaande het gebrek aan ratificatie van het Kinderrech-tenverdrag door de V............ S............. zijn er geen gegronde redenen om aan te nemen dat de bevoegde rechterlijke autoritei-ten inzake familiezaken aldaar ook niet alle waarborgen zouden bieden tot een rechtspraak inzake de gezags- en verblijfsregeling van het minderjarig kind, die waakt over diens belang en dit van beide ouders. 2.2.2. J.......... B................ laat gelden dat de vader de eerste levens-jaren geen interesse betuigde voor het kind, hetgeen deze te-genspreekt. Hij legt enkele (niet gedateerde) foto's over om deze bewering te weerleggen (stukken 17, 18, 22 C....... A..........). J.......... B................ houdt voor dat bepaalde foto's van het kind door haar werden gegeven (stuk 41 J......................... B.......................). Uit het vonnis van 9 november 2007 van het C................ C...............van A............. C............. (F..................) blijkt dat de vader tot dan geen actieve rol speelde. Deze rechtbank werd geadieerd ingevolge een verzoek van de vader van 12 de-cember 2006 (stuk 20 J........... B...............). De contacten werden door desbetreffende rechtbank geleidelijk opgevoerd om tenslotte een akkoord van de ouders voor een ge-lijkmatig verdeeld verblijf voor het kind te bekrachtigen bij vonnis van 16 mei 2008, dat nog werd bestendigd bij vonnis van 5 de-cember 2008 (alhoewel het kind dan reeds naar België was ont-voerd). De niet frequente omgang van de vader met het kind tot de leef-tijd van vier jaar (wie of wat daarvan ook de oorzaak is), is in die omstandigheden niet meer van aard om enige determinerende invloed te hebben op de inschatting van het gevaarsrisico bij een terugkeer. Het is weliswaar juist dat de moeder fungeerde/fungeert als hechtingsfiguur. Het behoorde echter J.............B...............toe, vooraleer het kind mee te nemen naar België en daardoor de contacten met de vader de facto op te schorten, de mogelijke gevolgen van haar daad te overwegen. Zij wist en kon weten dat de vader zich niet zomaar bij de situatie zou neerleggen. Zij kan de feitelijke toe-stand die door haar bewust werd geschapen niet als argument inroepen om de terugkeer te verhinderen. 2.2.3. J............. B......... legt niet gedateerde foto's over van M.............. G............ om wapenbezit in zijnen hoofde te bewij-zen (stuk 5 A J............. B................). Van J.............. B.............. zelf zijn er echter eveneens (niet gedateerde) foto's met gelijkaardige wapens (stuk 24 C........ a........). Het zouden foto's kunnen betreffen gemaakt naar aan-leiding van een gezamenlijke vakantie bij een nonkel (stuk 27 C...... A.......). De C...... A......... legt een politieverslag neer naar aanleiding van een bezoek op 30 juli 2010 (stuk 23 C..... a.........). Daaruit blijkt dat M............... G.................. recent niet in het bezit was van wapens. 2.2.4. Fysiek geweld ten aanzien van J............ B............ tijdens de zwangerschap wordt aangetoond door verklaringen van de grootmoeder langs moederszijde en de grootstiefvader langs moederszijde (stuk 21 J............ B............), naast het medisch dossier van de gynaecoloog (stuk 14 J......... B.............). J........... B............. bewijst met een uittreksel uit het strafregis-ter in hoofde van M.......... G.................. een aantal strafrech-terlijke inbreuken over de jaren 1995 tot 2004, waaronder feiten van huiselijk geweld in 2002, evenwel zonder verdere vervolging (stuk 5 B J.........B..............). J........... B............ legt ook strafinformatie voor aangaande on-der meer geweld dat door M...........G............... werd gepleegd ten aanzien van een ex partner op 1 april 2002 (stuk 33 J............ B.............). In het voormeld politieverslag van 30 juli 2010 wordt in hoofde van M............. G............... bevestigd dat er geen veroordelin-gen zijn voor huiselijk geweld (stuk 23 C......... a..........). Voormelde gegevens zijn niet van aard het hof te overtuigen van een fysiek gevaar of agressie in hoofde van het kind A............. B...................... door contacten met de vader. 2.2.5. J......... B............... maakt gewag van een drugproblematiek in hoofde van M....... G............. De stukken 20 van de C........A......... en 2A van de J........... B........ tonen evenwel aan dat J........... B......................zelf ook een drugprobleem kende. Op 23 mei 2006 kreeg zij bovendien een gevangenisstraf opge-legd wegens fraude gekoppeld aan probatievoorwaarden voor een duur van vijftien jaar. Het rapport van de overtreding van de opgelegde voorwaarden leert dat J...........B............ op 28 oktober 2008 naar België is vertrokken. De verslaggever wijst erop dat J............ B.............. het gezag over haar kind kan verliezen en dat een gevangenis-straf boven haar hoofd hangt. Vermeld wordt dat het zeer on-waarschijnlijk is dat ze naar de V.............S................ zal te-rugkeren. Een schrijven van de schadelijder van 14 juli 2008 bevestigt dat J........... B.....................haar maandelijkse afbetalingsplichten niet meer nakwam sedert maart 2008 (stuk 25 C...... A.........). Los van de vraag of het moederlijk dan wel het vaderlijk milieu nu het best geplaatst is om een integere opvoeding te waarborgen voor het kind, vermag het hof slechts vast te stellen dat J............B................. alvast slecht geplaatst is om zich te be-roepen op een strafrechterlijk verleden in hoofde van de vader. Langs de zijde van de vader liggen een aantal stukken voor die moeten aantonen dat M............. G................ en zijn milieu niet negatief of bedreigend zijn voor A............. B................ (stukken 26, 27 tot en met 47, 50 en 51 C....... A........). Uit niets blijkt dat M.......... G.............., desnoods geholpen door derden (zoals overigens ook J.......... B.............), zich niet zou kunnen kwijten van een goede zorg voor het kind tijdens een verblijf bij hem. J.......... B.............. van haar zijde blijkt op haar beurt een nieuwe start te hebben genomen in België (stuk 41 J........... B................). De vaststelling dat zij bij haar terugkeer naar de V...................... S............. een eventuele gevangenneming riskeert, is het gevolg van haar eigen handelswijze (stukken 8 en 20 C......... A...........) en is niet van aard om het hof te dezen anders te kunnen doen beslissen. Ook het gegeven dat J......... B..........., wars van de problema-tiek van een dreigende gevangenneming, niet van plan zou zijn terug te keren naar de V............. S......... blijft zonder invloed (stuk 38 J......... B..........). 2.2.6. J..........B............. verwijst naar verslaggeving van het M...........B............. H............... C........ te G.......... (F..........) van oktober 2008 (stukken 16 en 17 J........ B............). Het betreft een éénzijdig verslag in verband met ge-dragsproblemen bij A.......... B...........naar aanleiding van de verblijfsregeling, waarop therapie volgde. Deze éénzijdige gegevens zijn niet meer dienend voor de beoor-deling van een beweerd geestelijk gevaar voor het kind op het ogenblik van de terugkeer. J......... B............ verwijst voorts naar de evenzeer éénzijdige verslaggeving in België van psychotherapeute H........... S.............-W..........van 2 juni 2009 (stuk 6 J......... B...........) en van 21 juni 2010 (stuk 25 J........B..........). Het verslag van 2 juni 2009 geeft aan dat J............ B................ uit de V......... S......... vertrok "omdat de Recht-bank aldaar aan de vader een zeer uitgebreid omgangsrecht gaf en de toestemming gaf om aan het kind een andere school toe te wijzen bij de vader en bij de moeder" (p. 1). Daarna volgt het verder gekleurd verhaal van J.........B............ Dit verslag dient aldus minstens te worden gerelativeerd. Het poneert een aantal affirmaties over de vader zonder deze ooit te hebben gezien, noch zijn standpunt te hebben beluisterd. Het verwijst naar beweerde rechtspraak van de Amerikaanse rechter zonder deze klaarblijkelijk op de inhoud te hebben nage-keken. Het evolutieverslag van 21 juni 2010 bevestigt tenslotte dat A.......... B............... zich volledig heeft geïntegreerd in haar leef- en schoolwereld (in België). Dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving is een argument ex art. 12 Haags Kinderontvoeringsverdrag. Dit kan slechts worden ingeroepen in het geval van een verzoek tot terugbrenging dat is gedaan na het verstrijken van de termijn van één jaar sedert de overbrenging, quod non te dezen. Van de contacten die eind september 2010 in België plaatsvon-den tussen A.......... B............. en haar vader werden door het hof bepaalde videobeelden bekeken (stuk 54 C........... A......). Daarop is een normaal spelend kind te zien, dat zich, in de aan-wezigheid van haar vader, niet getraumatiseerd gedraagt bij een in de tijd beperkt contact met hem. Deze beelden zijn uiteraard eveneens éénzijdig en fragmentarisch en daarom niet bepalend, doch zij doen wel vragen rijzen bij het standpunt van de moeder. 2.2.7. De volledige verwijdering van de moeder in geval van terugkeer wordt nog als een weigeringsgrond aangehaald. Het was/is hoe dan ook niet in het belang van het kind dat het slachtoffer werd van het voldongen feit van de ongeoorloofde overbrenging door de moeder en dat het verstoken bleef van re-gelmatig contact met haar vader vanaf medio 2008. Uit de laatste beslissing van het C......... C....... van A........ C......... (F.........) van 21 december 2008 (zie hoger) - op te-genspraak, gewezen louter als gevolg van de ontvoering van het kind - volgt het bevel tot een onmiddellijke terugkeer van het kind naar de vader en een 100 % verblijf bij hem, dit tenzij anders lui-dende beslissing van de rechtbank. De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag ("parental responsability") door beide ou-ders werd klaarblijkelijk onverlet gelaten. Het is hypothetisch om aan te nemen dat, ingevolge de terug-keer, hetzij door rechterlijke tussenkomst of anderszins, er niet een aangepaste verblijfsregeling voor het kind mogelijk is en dat het kind volledig van de moeder zou verwijderd worden. Door de loutere eigenrichting van de moeder verbleef het kind in-tegendeel tot dusver voornamelijk bij haar en werd het van haar vader in haar thuisland volledig verwijderd. Overigens blijkt uit de syntheseconclusie mede namens M............. G............. neergelegd wat volgt (p.12): "... de heer M.......... G......... wenste - en wenst nog steeds - enkel een juridisch geregelde omgangsregeling uitgewerkt te zien worden zodat hij zijn dochter op geregelde tijdstippen kan zien. Gelet op het verleden en dus ook de belangen van het kind, was en is de heer M.......... G............ er zich terdege van be-wust dat het herstellen van het contact met zijn dochter een pro-ject van lange duur zal worden..." In de gegeven omstandigheden kan niet zomaar geponeerd wor-den dat het belang van het kind tegenstrijdig zou zijn met dit van de vader. De argumentatie van J........ B.......... in haar conclusies als zou M.......... G.......... met de op 12 december 2006 gestarte pro-cedure (stuk 20 J........ B...........) en met zijn klacht van 24 maart 2008 (stuk 24 J.......... B.............) enkel de bedoeling hebben gehad om de contacten tussen haar en het kind te ver-breken, is achterhaald. In het vonnis van 16 mei 2008 van het C......... C........ van A..... C........ (F.................) werd immers het akkoord tussen de par-tijen over een verblijfsco-ouderschap bekrachtigd, doch de uit-voering daarvan werd naderhand door de moeder geobstrueerd. 2.2.8. J......... B.......... voert tenslotte ook aan dat een verblijf van A........... B........... in F................. (met een warme en vochti-ge weersgesteldheid) nefast is voor de gezondheid van het kind dat astmatisch is. In België is de ziekte met een verandering van medicatie onder controle (stuk 32 J........... B...............). J............... B................. verwijst naar een medisch attest van dr. C........ C.......... (F..............) die bevestigt het kind in be-handeling te hebben gehad vanaf 9 september 2003 tot 15 okto-ber 2008 (stuk 35 J......... B.............). A......... B........... is slechts bij de attesterende Belgische ge-neesheer in behandeling sedert aanvang 2010, hetzij geruime tijd na haar aankomst in België eind 2008 (stukken 32 en 34 J...........B.............). Uit het verhoor van J.........B..........op 16 april 2009 blijkt dat, volgens de alsdan behandelende neus-, keel- en oorspecialist, het kind in de V........... S........... werd verwaarloosd. Haar amandelen dienden verwijderd te worden hetgeen inmiddels is gebeurd (stuk 9 C......... A.........). De vaststelling dat het astma en eczeem van A.......... B.......... in België onder controle is (stukken 32 en 34 J........B..........) leidt niet tot de noodzakelijke conclusie dat een terugkeer naar de V.......... S.................een heropstoot voor gevolg zou heb-ben, terwijl ook aldaar de noodzakelijke medische zorgen kunnen worden verstrekt. 2.2.9. Tenslotte zijn de V............ S.........., In tegenstelling tot wat J........... B............... in haar stuk 41 tracht voor te houden, niet als een gevaarszone te aanzien wegens een oorlog (tegen terro-risten en drugs) op het eigen grondgebied. 2.2.10. Hetgeen voorafgaat overtuigt het hof dat J........ B............ faalt in haar bewijslast aan te tonen dat er een ernstig risico bestaat dat A.......... B.............. bij haar terugkeer zou worden blootge-steld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of dat zij op een andere wijze in een ondraaglijke toestand zou worden gebracht in de zin van art. 13, 1ste lid
  9. b)Haags Kinderontvoeringsverdrag. Er zijn geen redenen om over te gaan tot het verhoor van de moederlijke grootmoeder en moederlijke grootstiefvader, ter aan-vulling van de voorliggende bewijslevering. Hun standpunt blijkt reeds ten overvloede uit hun verklaringen in de stukken 3, 21
  10. a)en 21
  11. b)overgelegd door J......... B...............waarvan het hof vermocht kennis te nemen. Verdere onderzoeksmaatregelen (zoals bv. het horen van de grootouders langs vaderszijde) zijn overbodig nu het hof afdoen-de is voorgelicht door de overgelegde stukken en in het bijzonder ook door de herhaalde verschijning van de ouders zelf voor het hof. 3. artikel 13, 2de lid Haags Kinderontvoeringsverdrag De rechterlijke autoriteit kan, krachtens art. 13, 2de lid Haags Kinderontvoeringsverdrag eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en een mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Het hof stelt vast dat A............ B............. pas sedert septem-ber 7 jaar is geworden. A...........B............ volgt het tweede leerjaar in de Stedelijke Basisschool dr. E....M....... te O......... Het kind presteert zeer goed en is aangepast en geïntegreerd in het schools milieu (stukken 22 en 23 J......... B.............). De goede integratie is, zoals hoger reeds werd aangehaald, een criterium van art. 12 Haags Kinderontvoeringsverdrag en speelt te dezen niet. A............ B............... heeft samengevat noch de leeftijd, noch de maturiteit waarbij aan haar eventuele mening een doorslag-gevend belang kan worden gehecht. In de gegeven omstandigheden is er geen aanleiding om in te gaan op de gevorderde onderzoeksmaatregel, hetzij het horen van het kind door het hof, hetzij een deskundigenopdracht, te-meer het hof zich terdege voorgelicht acht. G. MODALITEITEN VAN DE TERUGKEER EN HET VERBEUREN VAN EEN DWANGSOM 1. De voorwaarden om de onmiddellijke terugkeer van A........... B............ (die ongeoorloofd door haar moeder naar België werd overgebracht) te bevelen naar haar vader op zijn adres in F.............., zijn in rechte vervuld in toepassing van art. 12, 1ste lid Haags Kinderontvoeringsverdrag. 2. In toepassing van art. 1322 undecies Ger.W. bepaalt de voorzit-ter (c.q. het hof) de nadere regels betreffende de tenuitvoerleg-ging van zijn beslissing, rekening houdend met het belang van het kind, en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging ervan. 3. M........ G............ vordert enkel een dwangsom te verbeuren omdat gebleken is dat J......... B........... het niet zo nauw neemt met gerechtelijke beslissingen, hetgeen het verleden (de forum-shopping, de kinderontvoering) reeds heeft bevestigd. Afgezien van de open vraag naar de actuele financiële situatie van de moeder die juridische tweedelijnsbijstand geniet, gaat het hof niet in op dit verzoek. De ouders hebben in de V............. S.......... reeds een bemid-deling ondernomen, met resultaat. Zij hebben zich ook voor dit hof, bij de aanvang van de procedure tot terugkeer, bereid ver-klaard om zich tot een bemiddelaar te wenden en ondernamen een bemiddelingspoging. Ook hun raadslieden hebben lopende de procedure een onder-handelende houding aangenomen in het meerdere belang van A............... B......................... Het hof suggereert daarom de partijen, in het kader van de ten-uitvoerlegging van onderhavige beslissing, een bemiddelde, min-stens een onderhandelde oplossing zonder hen daartoe te kun-nen verplichten. Bij een niet-naleving van onderhavig arrest loopt J............ B................. trouwens het risico op strafrechtelijke vervolging in België. H. TUSSENVORDERINGEN De tussenvorderingen met een aanvullend bewijsaanbod werden hoger reeds als niet gegrond afgewezen. De respectieve tussenvorderingen inzake de eventuele gezags-, verblijfs- en onderhoudsregeling voor A.............B.................werden - afgezien van de vraag naar de rechtsmacht van het hof om ter zake te oordelen, dan wel de ontvankelijkheid ervan - telkenmale in ondergeschikte orde inge-steld. Nu de terugkeer wordt bevolen zijn zij niet meer aan de orde. I. GEDINGKOSTEN J............. B.................... dient als in het ongelijk gestelde par-tij te worden verwezen in de gedingkosten van beide instanties. Zij geniet voor onderhavige procedure juridische tweedelijnsbij-stand en volledige kosteloosheid (stuk 13 J.............. B.................). In toepassing van art. 1022, 4de lid Ger.W. kan ingegaan worden op haar verzoek om de rechtsplegingsvergoe-dingen te herleiden tot het minimum van 75 EUR. Ingevolge art. 26, laatste lid Haags Kinderontvoeringsverdrag, kan het hof, zo nodig, de persoon die het kind heeft overgebracht verplichten tot de betaling van alle noodzakelijke kosten die door of namens de verzoeker zijn gemaakt waaronder in het bijzonder de reiskosten en de kosten van de terugkeer van het kind. Het hof ontwaart geen reden om J............... B................. daartoe te veroordelen. Deze kosten zijn overigens niet begroot, ook niet provisioneel. In toepassing van art. 1322 sexies Ger.W. dient de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (c.q. het hof) voor onderhavige zaak uitspraak te doen zoals in kort geding. Het hof wijst de andersluidende conclusies van de hand als overbodig en ter zake niet dienstig of ontoereikend. In verband met het bepaalde in art. 1118 Ger.W. dient dit arrest niet voorlopig uitvoerbaar te worden verklaard. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak en zoals in kort geding, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; geeft akte aan M............ G.............. van zijn vrijwillige tussen-komst; decreteert de afstand van het incidenteel beroep van J............ B...............; verklaart het hoger beroep van de C......... A......... ontvankelijk en als volgt gegrond: doet de bestreden beschikking, binnen de perken van het hoger beroep, teniet in zoverre: - de vordering tot terugbrenging van A............ B.............. als niet gegrond werd afgewezen; - de C......... A....... werd verwezen in de gedingkosten; wijst dienaangaande opnieuw als volgt: gelast de terugkeer van A........... B............, geboren ................ te G............., Al............... C........... in F.............. (V............. S........ van A...............), naar het adres van haar vader M............. G............., thans wonende te V............ S............ V......... A.............., FL ........... G............, F............, , binnen de maand na de betekening van onderhavig arrest; zegt voor recht dat alle noodzakelijke documenten (waaronder de identiteitspapieren van A............. B.............) voor de terugkeer ter beschikking dienen te worden gesteld; verwijst J............ B.............. in de gerechtskosten van beide instanties; verstaat dat deze kosten aan haar zijde niet nuttig te vereffenen zijn; vereffent de kosten aan de zijde van de C........... A..............op: - rolrecht eerste aanleg: 82 EUR; - rolrecht beroep: 186 EUR; - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 75 EUR; - rechtsplegingsvergoeding beroep: 75 EUR; verstaat dat art. 1024 Ger.W. onverminderd geldt; wijst het meer of anders gevorderde af als niet gegrond. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op drieëntwintig december tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.