← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100119.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100119.2 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-01-20 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-02 21:15 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Aanranding van de eerbaarheid STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Verkrachting Vrije woorden: Strafrecht - Verkrachting en aanranding van de eerbaarheid - Referentieleeftijd - Constitutief bestanddeel - Toestemming slachtoffer Tekst van de beslissing Het hof van beroep te Gent, vierde kamer, recht doende in correctionele zaken In de zaak van : B. VERDACHT VAN: te 9000 Gent op 16 april 2006 A. De misdaad van verkrachting gepleegd te hebben, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard ook en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt, toestemming er met name niet zijnde wanneer de daad is opgedrongen door middel -van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer, de misdaad gepleegd zijnde. op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, ter zake op de persoon van E., geboren te op 1991 B. Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van E., geboren te op 1991, de aanranding bestaande van zodra er een begin van uitvoering is. Aannemende dat er aanleiding bestaat om slechts correctionele straffen uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden spruitende uit de afwezigheid van voorgaande veroordelingen tot criminele straffen (artikelen 1 en 2 wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden zoals gewijzigd bij artikel 46 en 47 van de wet van 11.07.1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging). * * * * * * * * * * Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 19° correctionele kamer, met 3 rechters, dd. 14 november 2007, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist: Verbetert de dagvaarding in die zin dat de verzachtende omstandigheden als niet gelezen dienen te worden. STRAFRECHTELIJK Veroordeelt de beklaagde B. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde betichtingen A en B SAMEN tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van TWEE JAAR Beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis, in hoofde van de beklaagde, voor wat betreft de uitgesproken HOHOOFDGEVANGENISSTRAF van TWEE JAAR zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat een veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft. Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 decimes, aldus gebracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EUR, te betalen bij wijze van bijdrage tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Ontzet de beklaagde tevens uit de rechten genoemd in artikel 31 Strafwetboek gedurende een termijn van VIJF JAAR. Beveelt de teruggave van het overtuigingsstuk neergelegd ter correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg alhier onder het nummer 2006 4379/kledij, aan de rechtmatige eigenaar, zijnde het slachtoffer, wonende te CCCC Beveelt de overmaking van het overtuigingsstuk neergelegd ter correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg alhier onder het nummer 2006 4379/één SAS aan het Openbaar Ministerie teneinde te handelen als naar recht. Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 863.58 EUR. Legt de beklaagde eveneens een vergoeding op van ACHTENTWINTIG KOMMA VIERENTACHTIG EURO in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en van art. 77 van het KB van 27 april 2007, houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. BURGERRECHTELIJK ten aanzien van de burgerlijke partijen E en S namens de huwgemeenschap Verklaart de eis van de burgerlijke partij E en S namens de huwgemeenschap toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt de beklaagde om te betalen aan deze burgerlijke partij de provisionele som van 500,00 EUR. Stelt de zaak voor verdere behandeling op burgerrechtelijk gebied voor wat deze burgerlijke partij betreft onbepaald uit en houdt de beslissing over kosten en intresten aan. ten aanzien van de burgerlijke partijen E en S qualitate qua E Verklaart de eis van de burgerlijke partij E en S qualitate qua E toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt de beklaagde om te betalen aan deze burgerlijke partij de provisionele som van 5.000,00 EUR. Beveelt ambtshalve bij toepassing van artikel 379,2°lid van het Burgerlijk Wetboek, zoals laatst gewijzigd bij artikel 3 van de Wet van 13 februari 2003, dat het aan de minderjarige, toegekende bedrag, zal geplaatst worden op een rekening die op naam van de minderjarige is geopend en die, behoudens het recht op wettelijk genot, onbeschikbaar zal zijn tot het tijdstip van haar meerderjarigheid. En alvorens nader te beslissen over de omvang van de schade stelt aan als deskundige : dr.K , kinder- en jeugdpsychiater met kabinet in met overeenkomstig de art. 962 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek - na behoorlijke oproeping van de partijen en hun (technische) raadslieden - na zich de stukken van partijen te hebben laten voorleggen - zo geen overeenstemming tussen de partijen kan worden bekomen, in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van deze rechtbank E te onderzoeken, zonodig met de medewerking van specialisten van zijn keuze, ter advisering van de rechtbank - de fysieke en eventuele psychische letsels, de genotschade of gebreken in de seksuele ontwikkeling ingevolge de feiten gepleegd op 16 april 2006 te beschrijven, evenals de behandeling ervan tot aan de genezing of consolidatie; - de duur en de graad van de tijdelijke volledige en tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid aan te geven; - de consolidatiedatum te bepalen of desgevallend een datum voor mogelijke herziening vast te stellen indien in de toekomst een verdere evolutie van de invaliditeit te voorzien is; - de graad van blijvende invaliditeit te bepalen; - alle verdere nadelige gevolgen van de restletsels te bepalen zo voor haar economische bedrijvigheid als voor haar algemeen welzijn; - alle vragen van partijen te beantwoorden. Zegt voor recht dat voor wat betreft de verdere toepassing van de artikelen 972 tot en met 979 en de artikelen 987 tot en met 991 bis Gerechtelijk Wetboek de zaak wordt verzonden naar de twintigste kamer van deze rechtbank, belast met de controle over het deskundigenonderzoek. Stelt de zaak voor de installatievergadering (art. 972 Ger.W.) op de terechtzitting van maandag 17 december 2007 om 15.00 uur van de twintigste kamer van deze rechtbank, zetelend in raadkamer in lokaal 0.4 van het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/A. Zegt voor recht dat de griffier overeenkomstig artikel 972, §1, tweede lid en artikel 973, §2, derde lid Gerechtelijk Wetboek kennis zal geven van deze beslissing aan de partijen, hun raadslieden en de deskundige. Nodigt de deskundige uit om, indien zij de opdracht dient te weigeren, dit overeenkomstig artikel 972, §1 Gerechtelijk Wetboek, binnen de acht dagen na de kennisgeving door de griffier met behoorlijk omklede redenen bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden mee te delen. Houdt de beslissing over de intresten en de kosten aan * * * * * * * * * Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: - door de beklaagde, op 27 november 2007; - door het Openbaar Ministerie, tegen de beklaagde voornoemd, op 27 november

  1. * * * * * * * * * Bij arrest van deze kamer van het Hof, dd. 13 oktober 2008 (nr. C/1302/08), rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist: Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk, en vooraleer er ten gronde over te beslissen: Verzoekt het Grondwettelijk Hof uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen:
  2. Schendt (schenden) artikel 372 (en 373) van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 375 van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre zij stellen dat minderjarigen van veertien tot zestien jaar dewelke seksuele handelingen stellen wel bekwaam worden geacht om rechtsgeldig toe te stemmen in een daad van seksuele penetratie, doch daarentegen niet bekwaam worden geacht om rechtsgeldig toe te stemmen met (minder verregaand) gekwalificeerd gedrag inzake aanranding van de eerbaarheid?
  3. Schendt (schenden) artikel 372 (en 373) van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 375 van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre zij stellen dat de beoordeling van de strafwaardigheid van een daad van seksuele penetratie door een meerderjarige geschiedt in het kader van de al dan niet aanwezigheid van toestemming van een minderjarige tussen de veertien en zestien jaar oud en daarentegen bij de beoordeling van de strafwaardigheid van (minder verregaand) gekwalificeerd gedrag inzake aanranding van de eerbaarheid door een meerderjarige deze toestemming van een minderjarige tussen de veertien en zestien jaar oud irrelevant is?
  4. Schendt (schenden) artikel 372 (en 373) van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 375 van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre zij tot gevolg hebben dat een meerderjarige die seksuele handelingen stelt met een minderjarige tussen de veertien en zestien jaar oud en waarbij deze minderjarige in de betrekkingen toestemt - feit dat niet als verkrachting beteugeld wordt - principieel op identieke wijze bestraft wordt als een meerderjarige die zich, insgelijks met toestemming beperkt tot onwelvoegelijke aanrandingen op de persoon van een minderjarige tussen de veertien en de zestien jaar oud?
  5. Schendt (schenden) artikel 372 (en 373) van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 375 van het Strafwetboek de artikelen 12 en 14 van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel in strafzaken, door te bepalen dat de beoordeling van de strafwaardigheid van een daad van seksuele penetratie door een meerderjarige geschiedt in het kader van de al dan niet aanwezigheid van toestemming van een minderjarige tussen de veertien en zestien jaar oud en daarentegen bij de beoordeling van de strafwaardigheid van (minder verregaand) gekwalificeerd gedrag inzake aanranding van de eerbaarheid door een meerderjarige deze toestemming van een minderjarige tussen de veertien en zestien jaar oud irrelevant is? STELT de zaak, in afwachting van het antwoord op de bovenvermelde prejudiciële vragen, in voortzetting op de terechtzitting van dit Hof, vierde kamer op 23 februari 2009 om 09.00 u. Houdt de beslissing nopens de kosten aan. * * * * * * * * * * * Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 14 december 2009 in het Nederlands: - de beklaagde, in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Kristiaan Vandenbussche, advocaat te Gent; - Advocaat-generaal J.M. Cool in zijn vordering; * * * * * * * * * * De burgerlijke partijen, E en S, voor de eerste rechter optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap en als wettelijk beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarige dochter, E, (cf. infra) alhoewel behoorlijk gedagvaard zijn in persoon niet voor het Hof verschenen evenmin als in de persoon van een advocaat die hen vertegenwoordigt, zodat zij derhalve verstek laten gaan. Wat de rechtspleging betreft: a. De verbetering door de eerste rechter van de dagvaarding, zoals omschreven op het 9de blad van het bestreden vonnis is adequaat en als dusdanig te bevestigen. b. Gelet op het door het Hof op tegenspraak gewezen arrest dd.13 oktober 2008 waarbij de hoger beroepen ontvankelijk werden verklaard en alvorens er ten gronde over te oordelen het Grondwettelijk Hof verzocht werd uitspraak te doen over de vier in ditzelfde voormeld arrest omschreven prejudiciële vragen. c. Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof nummer 167/2009 dd. 29 oktober
  6. d. Ter terechtzitting van 16 september 2008 bracht het Hof de beklaagde, ter kennis dat het Hof zich het recht voorbehoudt de tenlastelegging B in zijnen hoofde te herkwalificeren als: "Te 9000 Gent op 16 april 2006: "Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van 16 jaar, op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van E, geboren te Brussel op 19 maart 1991, de aanranding bestaande van zodra er begin van uitvoering is." Het aldus te omschrijven feit stemt overeen met dit voorwerp van de tenlastelegging B en daartoe op de terechtzitting van 15 december 2009 uitgenodigd, heeft de beklaagde, met betrekking tot het voorgaande zijn verdediging aangepast. Ten gronde: I. Op strafrechtelijk gebied: De schuld: 1.a. De tenlastelegging A: Terecht kan de beklaagde, zich niet verzoenen met de beslissing van de eerste rechter waarbij deze de tenlastelegging A in zijnen hoofde bewezen verklaarde. Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de schuld van de beklaagde voornoemd, aan het feit voorwerp van de tenlastelegging A in zijnen hoofde niet afdoende kan worden aangetoond. Vooreerst heeft de beklaagde voornoemd, steeds zijn onschuld met betrekking tot de feiten voorwerp van de tenlastelegging A zowel tijdens het gehele strafonderzoek als voor het Hof met de meeste klem staande gehouden. Meer in het bijzonder heeft de beklaagde voornoemd steeds voorgehouden dat hij op de bewuste avond van 16 april 2006 seksuele betrekking onderhield met het slachtoffer, doch dat zulks gebeurde met instemming van laatstgenoemde. Bovendien wordt het Hof, bij lezing van het strafdossier geconfronteerd met de klassieke bewijsproblematiek van het woord van het slachtoffer tegen het woord van de beklaagde voornoemd, zodat dient te worden gezocht naar bijkomende objectieve bewijselementen die de versie van één van beide partijen ondersteunen en die ertoe leiden dat aan de verklaring van het slachtoffer meer geloof wordt gehecht dan aan deze van de beklaagde voornoemd - die van zijn kant het vermoeden van onschuld geniet. Deze problematiek wordt nog versterkt door: · het ontbreken van een audiovisueel verhoor van het slachtoffer; · het eveneens ontbreken van confrontaties tussen de beklaagde voornoemd met het slachtoffer, en diens vader; · de afwezigheid van een psychologisch onderzoek van het slachtoffer (zie verder). Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat er, buiten de - allerminst eenduidige - verklaringen van het slachtoffer (cf. hierna), geen afdoende objectieve elementen voorhanden zijn die de verklaring van het slachtoffer ondersteunen. Zo duidt de passieve houding van het slachtoffer tijdens het seksueel contact niet eenduidig op een gebrek aan toestemming in haren hoofde. Dergelijke houding kan evenzeer een gevolg zijn van haar gebrek aan seksuele ervaring en/ of het leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de beklaagde voornoemd. Evenmin kan het gegeven dat de beklaagde voornoemd - aldus de moeder van het slachtoffer - reeds voorheen poogde om haar dochter mee te krijgen naar een evenement, een afdoende element uitmaken strekkende tot bewijs van het feit voorwerp van de tenlastelegging A in zijnen hoofde. Hoogstens leidt het Hof hieruit een - weze het hoogst betwistbare (zie verder) - interesse af van de beklaagde voornoemd in het jonge meisje. De ‘seksuele problematiek' zoals beschreven in het psychiatrisch verslag van Dr. F. dd. 31 augustus 2006 - een problematiek die net gekoppeld wordt aan de door de beklaagde voornoemd betwiste verkrachting - kan naar oordeel van het Hof evenmin als een afdoende element tot bewijs van het feit voorwerp van de tenlastelegging A in zijnen hoofde worden aanzien. Uit het voorliggend strafdossier waarop het Hof vermag acht te slaan blijken inderdaad geen afdoende betrouwbare objectieve elementen voorhanden om zonder gerede twijfel te besluiten dat de beklaagde voornoemd E. zou hebben verkracht. Het Hof kan in dit verband niet voorbij aan een aantal ongerijmdheden in de verklaringen van het slachtoffer voornoemd die de geloofwaardigheid ervan naar oordeel van het Hof wel degelijk aantasten. Waar het slachtoffer voornoemd aanvankelijk ontkende dat zij op de fuif slagen heeft gekregen van haar vader, dan dient zij zulks, in haar herverhoor van 6 december 2006 (zie stuk 78 van het aanvullend onderzoek) schoorvoetend toe te geven. Het slachtoffer voornoemd rept in haar eerste verklaring bovendien met geen woord over het feit dat zij de beklaagde voornoemd daags voor de bewuste fuif heeft gezien. De betrouwbaarheid van deze verklaringen kon evenmin worden getoetst aan de hand van een psychologisch onderzoek van het slachtoffer, die niet is ingegaan op de telefonische en schriftelijke oproepingen (van 30 juni en 8 juli 2006) uitgaande van de door de Onderzoeksrechter aangestelde gerechtsdeskundige F.. Dat het gezin de oproepingen niet zou hebben gekregen - dixit S. - wordt tegengesproken door de als bijlage aan het schrijven van de deskundige van 31 augustus 2006 aan de Onderzoeksrechter gehechte gefrankeerde briefomslag (zie stuk 1 OK 3 van het strafdossier). Tenslotte kan het Hof moeilijk voorbij aan de bevreemdende reactie van de vader van het slachtoffer, die nadat hij - naar eigen zeggen - op de fuif zelf van zijn dochter verneemt dat zij werd verkracht, explodeert en zijn dochter begint te slaan in plaats van haar te troosten. Gelet op de zeer ernstige aard van de ten laste gelegde feiten in hoofde van de beklaagde voornoemd past het partijen te wijzen op een tweetal algemene rechts-principes die het Belgisch Strafrecht beheersen, namelijk: · een beklaagde hoeft zijn onschuld niet te bewijzen. Men is onschuldig tot het tegendeel bewezen is; · de minste redelijke twijfel omtrent de schuld van een beklaagde moet hem ten goede komen. Voormelde principes in overweging genomen, en gelet op al hetgeen hierboven in onderhavig arrest werd vastgesteld, is het Hof van oordeel in gemoede te moeten besluiten tot het bestaan van de minst redelijke twijfel in verband met de schuld van de beklaagde voornoemd met betrekking tot het feit voorwerp van de tenlastelegging A in zijnen hoofde. Aldus dient aan de beklaagde voornoemd ontslag van verdere rechtsvervolging te worden verleend wegens de tenlastelegging A in zijnen hoofde. Het Hof stelt vast dat er geen afzonderlijke kosten gevallen zijn wat betreft het onderzoek naar en de vervolging van het feit voorwerp van tenlastelegging A in hoofde van de beklaagde voornoemd. 1.b. De tenlastelegging B: Gelet op hetgeen hierboven onder d. in de rubriek "Wat de rechtspleging betreft" werd overwogen, is er aanleiding tot herkwalificatie van het feit B in hoofde van de beklaagde voornoemd als volgt: " Te 9000 Gent op 16 april 2006: " " Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van 16 jaar, op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van E.,, de aanranding bestaande van zodra er begin van uitvoering is ". De aanranding der eerbaarheid zonder geweld gepleegd op de persoon van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar (artikel 372 lid 1 Sw.) betreft elke tegen het maatschappelijk eerbaarheidgevoel indruisende daad met een seksueel karakter gepleegd op of met behulp van een persoon die geacht wordt er niet vrijwillig in te kunnen toestemmen. De gestelde handelingen dienen een zekere graad van zwaarwichtigheid te vertonen, waardoor de seksuele integriteit van het betrokken slachtoffer wordt aangetast, zoals deze door het collectief bewustzijn van een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip wordt ervaren (zie Cass. 7 januari 1997, A.J.T., 1998-1999, 172). In haar arrest van 29 oktober 2009 heeft het Grondwettelijk Hof verduidelijkt dat uit de tekst van artikel 372 Strafwetboek enkel kan worden afgeleid dat de toestemming op deze leeftijd niet relevant is, zodat de leeftijd van het slachtoffer een constitutief bestanddeel vormt van het misdrijf, zoals in ditzelfde voormeld artikel verstaan. Aan de leeftijdsvereiste is in casu ongetwijfeld voldaan nu de beklaagde voornoemd niet betwist dat het slachtoffer op het ogenblik van de feiten vijftien jaar was. Vervolgens dient te worden nagegaan of de handeling van de beklaagde voornoemd de seksuele eerbaarheid, als maatschappelijke norm, en de individuele fysieke beleving in hoofde van het slachtoffer heeft gekrenkt. De beklaagde voornoemd werpt in dit verband op dat de door hem gestelde daad gepleegd op de persoon van het vijftienjarige meisje, niet indruist tegen het geldend maatschappelijk eerbaarheidgevoel. Deze zienswijze wordt door het Hof geenszins bijgetreden. Waar de beklaagde voornoemd ter staving van zijn stelling, verwijst naar allerhande statistische gegevens en gemiddelden omtrent de leeftijd waarop jongeren hun eerste seksuele beleving ervaren in België en Nederland, dan is het Hof van oordeel dat deze gegevens niet doorslaggevend zijn ter beoordeling van de vaststaande elementen in het voorliggend strafdossier. Immers, alle theoretische beschouwingen ten spijt, kan de beklaagde voornoemd niet voorbij aan het vaststaand gegeven dat hij als - bijna - dertigjarige man op een fuif in de Vooruit "backstage" op enkele luttele minuten seksueel contact heeft gehad met een vijftienjarig meisje. Diezelfde onbetwiste feitelijke gegevens zijn wel degelijk van aard om het maatschappelijk gangbaar eerbaarheidgevoel te kwetsen. De beklaagde voornoemd ‘vergeet' immers dat de eerste seksuele contacten tussen jongeren in de regel geschieden met leeftijdsgenoten en kaderen in het experimenteren in de puberteitsfase - een fase die zich bij de ene adolescent al eerder aandient dan bij de andere. Diezelfde gangbare maatschappelijke opinie heeft echter niet voor ogen dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen seksueel contact zich afspeelt tussen een adolescent van vijftien en een volwassen man van bijna dertig jaar op een fuif ‘achter het gordijn'., in de onmiddellijke nabijheid van de vaste vriendin van laatstgenoemde. Om grond van al de hierboven weerhouden overwegingen is het feit voorwerp van de tenlastelegging B - zoals geherkwalificeerd - naar het oordeel van het Hof dan ook in hoofde van de beklaagde voornoemd ten genoegen van recht bewezen. De bestraffing: Gelet op de tussengekomen vrijspraak in hoofde van de beklaagde voornoemd wat betreft het feit A en de herkwalificatie van het feit B als zijnde een inbreuk op artikel 372 lid 1 Strafwetboek, vormt de door de eerste rechter opgelegde bestraffing in hoofde van de beklaagde voornoemd naar oordeel van het Hof een te strenge beteugeling in wanverhouding tot de ernst van de bewezen gebleven tenlastelegging B - zoals geherkwalificeerd. In aansluiting aan voormelde overweging en rekening houdend met het blanco strafrechtelijk verleden van de beklaagde voornoemd - een gegeven dat hem tot voordeel strekt - is het Hof van oordeel gunstig onthaal te kunnen verlenen aan het in ondergeschikte orde door de beklaagde voornoemd geformuleerd verzoek hem wegens de bewezen gebleven tenlastelegging B - zoals geherkwalificeerd- de gunst van de opschorting van uitspraak van veroordeling toe te kennen. De voornoemde beklaagde voldoet immers aan de wettelijke voorwaarden daartoe, gezien hij daarmee instemt, hij nog niet veroordeeld werd tot een criminele straf of een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden, het feit niet van die aard zijnde dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, de tenlastelegging in zijnen hoofde bovendien bewezen zijnde. Een strafrechtelijke veroordeling van de beklaagde voornoemd zou in de gekende omstandigheden eerder van aard zijn om hem te declasseren. In het geval van de beklaagde voornoemd zal de openbare orde en de maatschappij voldoende gevrijwaard worden door de gunstmaatregel van de opschorting. * * * De gerechtskosten, de vaste vergoeding, de bijdrageverplichting en de overtuigingsstukken: De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de gerechtskosten (ondeelbaar veroorzaakt zijnde wegens de bewezen gebleven tenlastelegging B, zoals geherkwalificeerd), de vaste vergoeding en de overtuigingsstukken zoals vermeld op het tiende blad van het bestreden vonnis zijn te bevestigen met dien verstande dat de vaste vergoeding thans wordt bepaald op 25,00 EUR. De beklaagde voornoemd is evenwel niet meer verplicht tot de solidariteitsbijdrage. * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * II. Op burgerrechtelijk gebied: Gelet op hetgeen hoger op strafrechtelijk gebied werd overwogen en beslist is het Hof van oordeel dat de hervorming van het bestreden vonnis eerste vonnis zich opdringt. Niettegenstaande is komen vast te staan dat het tussen de beklaagde en het slachtoffer tot stand gekomen seksueel contact niet door eerst genoemde werd opgedrongen, is er naar oordeel van het Hof wel degelijk reële schade in hoofde van het slachtoffer voornoemd enerzijds en haar ouders, E. en S., anderzijds Het bewezen gebleven feit B - zoals geherkwalficeerd - staat in oorzakelijk verband tot deze schade en de beklaagde is gehouden tot vergoeding ervan. Ten aanzien van de rechtsvordering van de burgerlijke partij, partijE. : Het Hof stelt vast dat het slachtoffer, E (geboren op 1991) inmiddels meerderjarig is geworden, zodat wat haar rechtsvordering betreft, de zaak niet in staat van wijzen is. Immers, het Hof kan gelet op het verstek van de burgerlijke partij E., destijds vertegenwoordigd door haar ouders, E. en S., optredend namens de huwgemeenschap alsmede in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun dochter, niet uitmaken of de burgerlijke partij voornoemd volhardt in haar rechtsvordering, desgevallend door het geding in eigen naam te hernemen. Ten aanzien van de rechtsvordering van de burgerlijke partijen, E. en S.: Rekening houdend met de concrete omstandigheden en bij ontstentenis van enig tegensprekelijk debat hieromtrent raamt het Hof de door E. en S., optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap geleden schade - moreel en materieel gemengd - in billijkheid op 250,00 EUR, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 april 2006 tot heden en van dan af meer de gerechtelijke verwijlintresten. * * * * * * * * * * * OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van de beklaagde, en bij verstek ten aanzien van de burgerlijke partijen, Gelet op de artikelen aangehaald door de eerste rechter met uitzondering van de artikelen 65, 373 lid 1 en 3, 375 lid 1, 2 en 5, 389 en 483 Strafwetboek en artikel 77 van het KB van 27 april 2007, al deze wetsbepalingen thans niet of /niet meer van toepassing zijnde, en gelet op: - artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; - artikel 372, lid 1, van het Strafwetboek; - de artikelen 186, 190, 195, 211 en 212 Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 3, 5 en 6 van de Wet van 29 juni 1964, zoals gewijzigd; - artikel 36 van de Wet van 7 februari 2003; - artikel 1 van het K.B. van 31 oktober 2005; - artikel 6 van de Programmawet (II) van 27 december 2006, zoals gewijzigd; - artikel 71 van de Wet van 28 juli 1992 en het K.B. van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het KB van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd bij K.B van 23 december 1993 en bij K.B. van 11 december 2001; al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de heer Voorzitter aangehaald. Thans ten gronde beslissende: Op strafrechtelijk gebied: BEVESTIGT het bestreden vonnis: Ø wat betreft de beslissing aangaande de gerechtskosten (ondeelbaar veroorzaakt zijnde wegens de bewezen gebleven tenlastelegging B, zoals geherkwalificeerd), de vaste vergoeding en de overtuigingsstukken zoals vermeld op het veertiende blad van het bestreden, met dien verstande dat de lastens de beklaagde, opgelegde vaste vergoeding thans wordt bepaald op 25,00 EUR. HERVORMT het voor het overige, en opnieuw wijzende: Ø verklaart het feit voorwerp van de tenlastelegging A in hoofde van de beklaagde, niet ten genoegen van recht bewezen, en ontslaat dienvolgens de beklaagde voornoemd van verdere rechtsvervolging wegens de tenlastelegging A in zijnen hoofde; Ø stelt vast dat er geen afzonderlijke kosten gevallen zijn wat betreft het onderzoek naar en de vervolging van het feit voorwerp van tenlastelegging A in hoofde van de beklaagde voornoemd Heromschrijft de tenlastelegging B in hoofde van de beklaagde, als volgt: "Te 9000 Gent op 16 april 2006: " Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van 16 jaar, op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van E., geboren 1991, de aanranding bestaande van zodra er begin van uitvoering is ". Verklaart het feit voorwerp van de tenlastelegging B, zoals heromschreven, in hoofde van de beklaagde, ten genoegen van recht bewezen. GELAST de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling in hoofde van de beklaagde, gedurende een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden, dit wegens de bewezen tenlastelegging B, zoals geherkwalficeerd, in zijnen hoofde. Veroordeelt de beklaagde, tot de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, te begroten op 161,36 EUR. * * * * * * * * * * * Op burgerrechtelijk gebied: HERVORMT het bestreden vonnis, en opnieuw wijzende Wat betreft de rechtsvordering van E. en S., optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap: Veroordeelt B. om te betalen aan E. en S., optredend namens de tussen hen huwgemeenschap van de som van 250,00 EUR te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 april 2006 tot heden, en van dan af meer de gerechtelijke verwijlintresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt B. tot de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen E. en S., optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap; en verwijst hem tot zijn eigen kosten veroorzaakt door zijn hoger beroep op burgerrechtelijk gebied met betrekking tot de rechts-vordering van de burgerlijke partijen voornoemd. * * * * * Wat betreft de rechtsvordering van E.: Stelt vast dat de beoordeling van de rechtsvordering van de burgerlijke partij voornoemd niet in staat van wijzen is. Houdt de beslissing aangaande de kosten inmiddels aan. * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * Dit arrest is gewezen door de vierde correctionele kamer van het Hof van beroep te Gent, samengesteld uit kamervoorzitter Chr. Van Damme, raadsheer J. Doom en raadsheer C. Gassée, en in openbare terechtzitting van 19 januari 2010 uitgesproken door kamervoorzitter Chr. Van Damme, in aanwezigheid van advocaat-generaal J.M. Cool, met bijstand van Y. Henderickx, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.