← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100426.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 26 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100426.8 Rolnummer: 2008-AR-0266 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-13 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-01 12:45 Fiche -art. 82 F.W. zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2008 kan ingeroepen worden door de voormalige echtgenoot ook voor een verschoon-baarheid deels uitgesproken voor 28 augusrtus 2008 -De bevrijding ex art. 82 F.W. geldt ook voor co-debiteurschap. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Vrije woorden: Bevrijding voormalige echtgenoot- F.W. art. 82, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2008 - toepassing voor voordien reeds uitgesproken verschoonbaar verklaarde gefailleerde Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer _______________ Terechtzitting van 26 april 2010 ______________ 2008/AR/266 - In de zaak van: V.......... N.........., wonende te ...................., woonstkeuze doende bij haar raadsman Mter. DUYCK Patrick, met kantoor te 8900 IEPER, Mgr. De Haernestraat 27, appellante, hebbende als raadsman mr. DUYCK Patrick, advocaat te 8900 IEPER, Mgr. De Haernestraat 27, (referte: 16259) tegen:

  1. KBC BANK N.V., met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, ingeschreven met KBO-nummer 0462.920.226, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DESMET Filiep, advocaat te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 38, (referte: 10593/FD/fd)
  2. V..............................., met kantoor gevestigd te ..................... , in zijn hoedanigheid van curator van het faillis-sement van de heer W............ V................., wonende te ............................., tweede geïntimeerde q.q., in persoon, velt het hof het volgend arrest: De partijen zijn gehoord in raadkamer en het hof heeft kennis ge-nomen van hun stukken en besluiten. * Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 28 januari 2008 tegen het vonnis d.d. 12 november 2007 gewezen door de recht-bank van koophandel te Ieper, enige kamer, en betekend op 28 de-cember 2007, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. ANTECEDENTEN I. A. Met vonnis van 29 juni 1998 verklaart de rechtbank van koophandel te Ieper, op dagvaarding van het Openbaar Ministerie, de heer W............. V......... G............., in staat van faillissement. Alsdan wordt Mr.J.-M.Vanstaen aangesteld als curator. Met vonnis van 12 februari 2007 wordt Mr.J.-M.V.............. als cu-rator vervangen door Mr.J.V..................... Met verzoekschrift van 4 juni 2007 vraagt de curator de sluiting van het faillissement van de heer W.......... V......... G.............. door vereffening en de beoordeling van de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Met vonnis van 4 juni 2007 verklaart de rechtbank de bewerkingen van het faillissement gesloten door vereffening. Verder verklaart de rechtbank de gefailleerde verschoonbaar. De rechtbank heropent evenwel de debatten en beveelt aan de cu-rator aan te tonen dat hij " het nodige gedaan heeft conform artikel 10,2° van de Wet van 20 juli 2005 ". Dienomtrent overweegt de rechtbank wat volgt: " Conform artikel 10 van de Wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 kunnen ook voor de lopen-de faillissementen, die nog niet afgesloten waren op 7 augustus 2005, datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, de kosteloze borgen onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld worden wanneer hun verbintenissen niet in verhouding staan tot hun patrimonium. In casu heeft de schuldeiseres, de NV KBC Bank, weliswaar tijdig een bijkomende verklaring neergelegd met vermelding van de ge-gevens van de persoonlijke zekersteller, doch liet de borg, met na-me Mevrouw N......... V................l, na binnen de vijf maand na 7 augustus 2005 een verklaring neer te leggen. Uit de gegevens van het dossier blijkt echter niet of de curator over-eenkomstig artikel 10, 2° van de Wet van 20 juli 2005, na het vooraf horen van de gefailleerde, de persoonlijke zekersteller, van zodra die bekend was, heeft verwittigd, en dit uiterlijk binnen de vier maanden na de inwerkingtreding van voornoemde wet, dit per aan-getekende brief tegen ontvangstmelding, waarin de tekst van de ar-tikelen 72 bis, 72 ter en 80 van de Faillissementswet van 8 augus-tus 2005 is opgenomen. Aldus dient de Rechtbank met betrekking tot de uitspraak nopens de eventuele bevrijding van de persoonlijke zekersteller de debatten te heropenen teneinde de curator toe te laten aan te tonen dat hij het nodige gedaan heeft conform artikel 10, 2° van de Wet van 20 juli
  3. " B. Uit de verdere gegevens van het gerechtsdossier van de rechtbank van koophandel te Ieper blijkt dat de eerste curator van het faillis-sement mevrouw N.....V................ niet heeft aangeschreven zo-als voorgeschreven door art. 10, 2° van de Wet van 20 juli
  4. De raadsman van mevrouw N......... V.................... legt op 3 ok-tober 2007 verklaring neer met als conclusie de vraag tot de volle-dige bevrijding. Bij dit schrijven is ook een aanslagbiljet in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2006, inkomsten 2005, gevoegd alsook een huwelijkscontract van 31 augustus 2004 met dhr. E.F. te Ieper. II. In het alhier bestreden eindvonnis van 12 november 2007 beslist de eerste rechter als volgt: " Recht doende op tegenspraak. Zegt dat N......... V................. niet in aanmerking komt voor be-vrijding als kosteloze zekersteller. " De motivering van het bestreden vonnis strekt evenwel verder dan het beschikkend gedeelte ervan doet vermoeden. Vooreerst onderzoekt de eerste rechter de vraag naar mogelijke bevrijding van N............V..................... op grond van het toen-tertijd van toepassing zijnde art. 82 van de Faillissementswet, waar de wet de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aanspra-kelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoon-baarheid, bevrijdt van deze verplichting. De eerste rechter neemt aan dat de wetgever niet alleen de toe-stand van borgstelling maar ook die van het co-debiteurschap op het oog had. Hij stelt evenwel vast dat N.......... V................... weliswaar ge-huwd was met de gefailleerde op het ogenblik van het openvallen van het faillissement, maar niet meer bij de sluiting ervan. De eerste rechter overweegt dat de datum waarop er over de verschoonbaar-heid wordt geoordeeld, als aanknopingspunt moet worden weer-houden, zodat N..........V...................... niet kan genieten van de bevrijding op grond van art. 80, tweede lid van de Faillissements-wet. Vervolgens onderzoekt de eerste rechter de mogelijke bevrijding van N..........V.................. als kosteloze borgsteller. Uit de voorliggende stukken besluit de eerste rechter dat N........... V................... in alle opzichten laattijdig was in haar vraag tot be-vrijding, zodat zij er niet voor in aanmerking kan komen. III. A. De appellante, N.........V................l, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en verder dat het hof voor recht zou zeggen dat zij bevrijd is van alle schulden en verbintenissen ten opzichte van de NV KBC Bank. Zij beroept zich enerzijds op het feit dat zij echtgenote was van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, minstens op het ogenblik van de openverklaring van het faillissement. Anderzijds beroept zij zich op de mogelijkheid tot bevrijding als kos-teloze zekersteller. Zij werpt op dat er m.b.t. de mogelijke laattijdig-heid van haar formele vraag tot bevrijding, sprake is geweest van overmacht. B. De NV KBC Bank vraagt de afwijzing van het hoger beroep als on-gegrond. C. De curator vraagt dat het hof zou oordelen naar recht. IV. Bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 25 januari 2010 heeft het hof aan de partijen gevraagd besluiten te nemen no-pens de vraag of en in hoeverre het tweede lid van art. 82 van de Faillissementswet, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2008 van toepassing is op de voorliggende betwisting. BEOORDELING I. Bij wet van 18 juli 2008 (art. 2) is het tweede lid van art. 82 van de Faillissementswet gewijzigd als volgt: " De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echt-genoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt in-gevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd. " Op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad, met name op 28 augustus 2008, is de wet van toepassing geworden. II. A. De wetgever is ervan uitgaan dat art. 82 Faillissementswet een pro-cedurewet is die automatisch van toepassing is op de nog niet defi-nitief beslechte geschillen (zie Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 52K1032/005,2). Dit betekent dat elke ex-echtgenoot waaromtrent nog niet definitief is beslist nopens de bevrijding tengevolge van de verschoonbaar-heid van de ex-echtgenoot, van de nieuwe bevrijdingsregeling kan genieten. Het was de uitdrukkelijke wil van de wetgever om niet alleen te be-schikken over de gevolgen van de in de toekomst uit te spreken verschoonbaarheden, maar ook over de gevolgen van de reeds vroeger uitgesproken verschoonbaarheden (zie Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 52K1032/002 en Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 52K1032/003,3). In de voorliggende zaak is het faillissement afgesloten geworden bij vonnis van 4 juni 2007 met de vastlegging van de verschoonbaar-heid van W........... V......... G..............., die de echtgenoot was van N........... V................l ten tijde van de faillissementsuitspraak doch ex-echtgenoot ten tijde van de sluiting van het faillissement. B. Zoals de NV KBC Bank voorhoudt, is het correct als algemene regel te stellen dat de datum van de sluiting van het faillissement met de verschoonbaarheidverklaring moet worden aangenomen als het ogenblik waarop gevolgen van de verschoonbaarheid, met name de rechten en plichten van de betrokkenen worden vastgelegd. Echter, wanneer er met betrekking tot een met de sluiting van het faillissement en verschoonbaarheid samenhangende beoordeling, nl. met betrekking tot de gevolgen van de uitgesproken verschoon-baarheid nog een beroepsprocedure hangende is - met name de onderhavige beroepsprocedure -, kan niet voorgehouden worden dat de rechten en plichten ten gevolge van de alsdan uitgesproken verschoonbaarheid onaantastbaar zouden zijn vastgelegd. Een en ander is precies het voorwerp van de concreet onderhavige beroepsprocedure. Uit wat voorafgaat volgt dat N............ V..................l als voorma-lige echtgenote van W.......... V....... G.................. met toepas-sing van het thans geldende art. 82, 2° lid van de Faillissementswet bevrijd is van haar verbintenissen ten opzichte van de NV KBC Bank. Zij bevindt zich immers in alle wettelijke voorwaarden om van de bevrijding te genieten op de grond van dit art. 82, 2° lid van de Fail-lissementswet. C. De NV KBC Bank kan niet gevolgd worden in haar stelling dat de bevrijding ex art. 82 Faillissementswet niet zou gelden voor co-debiteurschap doch enkel voor de borgstelling. Het woord ‘aansprakelijk' in "persoonlijk aansprakelijk" zoals opge-nomen in art. 82, 2° lid van de Faillissementswet is precies opge-nomen om dergelijke betwisting te voorkomen (zie o.m. M.V.............. en B.W............, ‘De verschoonbaarheid en de be-vrijding van de persoonlijke zekerheidsteller: nieuwe regels, nieuwe zorgen' in ‘Insolventierecht', reeks Themis 2006-2007, blz. 11-12, nr. 8). II. In acht genomen voormelde vaststelling, komt de tweede door N........ V................ ingeroepen grond tot bevrijding, met name die van de bevrijding uit hoofde van kosteloze borgstelling, niet aan de orde. III. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt de NV KBC Bank veroordeeld tot de gerechtskosten, die, gelet op de aard van de zaak, begroot worden op de minimumvergoeding van 75,00 EUR voor de niet in geld waardeerbare zaken. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken is toegepast; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt; Vernietigt het vonnis a quo in zoverre bestreden; Desbetreffend opnieuw recht doende: Verklaart de vordering van N............ V............... tot bevrijding ontvankelijk en gegrond; Zegt voor recht dat N............V.................l ten opzichte van de NV KBC Bank bevrijd is van de schulden en verbintenissen die door W........V.......... G................. zijn aangegaan tijdens de duur van hun huwelijk. Veroordeelt de NV KBC Bank tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van N..........V.............. op 186,00 EUR rolrecht beroepsakte en 75,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de curator op nihil. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag zesentwintig april tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.