← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100628.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour d'appel de Gand Avis du 28 juin 2010 No ECLI: ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100628.9 No Rôle: Domaine juridique: Droit international privé Date d'introduction: 2010-11-19 Consultations: 106 - dernière vue 2026-07-02 10:31 Fiche Wanneer een partij binnen het kader van een contractuele relatie op redelijke gronden vreest om te moeten verder handelen met een medecontractant die een vermogenstoestand heeft die volgens de jaarrekening laat vrezen dat hij zijn verbintenissen niet zal kunnen naleven, is deze partij 'belanghebbende' in de zin van art. 333 W. Venn.l Thésaurus UTU: DROIT INTERNATIONAL - DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ - CODE DIP - Obligations - Compétence internationale - Obligations contractuelles et non contractuelles Mots libres: Art. 333 W. venn - belang Texte de la décision Hof van beroep te Gent 7bis Kamer ---------- Terechtzitting van 28 juni 2010 ------------ 2009/AR/1858 - In de zaak van:

  1. V............... P.............., restaurantuitbater, wonende te ........................................., appellant,
  2. L................ S................, restaurantuitbaatster wonende te ....................................., appellante, beiden hebbende als raadsman mr. TORREKENS Rik, advocaat te 9000 GENT, Savaanstraat 72 tegen: 'T LATEMKE B.V.B.A., met vennootschapszetel te 9830 SINT-MARTENS-LATEM, Maenhoutstraat 1, ingeschreven met KBO-nummer 0474164110, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE BRABANDERE Willem, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei 42 velt het hof het volgend arrest: De aanwezige partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.
  3. Bij verzoekschrift, neergelegd op 7 juli 2009, hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 juni 2009 op tegenspraak gewezen door de 1ste kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (A/09/01443). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  4. Bij dagvaarding, betekend op 10 maart 2009, vorderden P............ V................ en S............... L............... (hierna: "appellanten") bij toepassing van art. 333 W. Venn. de ontbinding van de BVBA ‘T LATEMKE (hierna: "geïntimeerde") omdat het eigen vermogen van de vennootschap volgens de jaarrekening per 31 december 2007 was gedaald tot - 425.848,00 EUR, dus beneden het wettelijke minimum van 6.200,00 EUR. Appellanten zijn als verhuurders van een door geïntimeerde gehuurd onroerend goed te Sint-Martens-Latem met haar in procedure, eerst voor de Vrederechter over het Tweede Kanton te Gent en inmiddels in hoger beroep voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dit omtrent hun weigering van een op 19 november 2008 op basis van art. 4 Handelshuurwet aangevraagde handelshuurhernieuwing voor 9 jaar vanaf 1 april
  5. Bij buitengewone algemene vergadering van geïntimeerde van 2 april 2009 onderschreef haar hoofdaandeelhouder NV IMACO een kapitaalsverhoging door 500.000,00 EUR van haar tegoed in R/C naar het kapitaal over te boeken. Na een daaropvolgende kapitaalsvermindering, bedroeg het maatschappelijk kapitaal van geïntimeerde 78.600,00 EUR. Bij conclusie, neergelegd op 20 april 2009, argumenteerde geïntimeerde dat de vordering van appellanten onontvankelijk was omdat zij géén "belanghebbenden" zouden zijn in de zin van art. 333 W.Venn. Ze vorderde bij tegeneis een schadevergoeding van 5.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding. In ondergeschikte orde stelde geïntimeerde dat de hoofdeis ingevolge de regularisatie via kapitaalsverhoging ongegrond was geworden. Bij conclusie, neergelegd op 27 april 2009, erkenden appellanten de regularisatie, zodat hun oorspronkelijke hoofdeis zonder voorwerp was gevallen. Ze stelden dat de gerechtskosten niettemin lastens geïntimeerde moesten worden gelegd, gezien de regularisatie slechts nà de dagvaarding was doorgevoerd. Bij het vonnis a quo van 19 juni 2009 oordeelde de eerste rechter dat de vordering van appellanten onontvankelijk was omdat zij géén "belanghebbenden" zijn in de zin van art. 333 W. Venn. Appellanten werden in de gedingkosten verwezen. De tegeneis op basis van tergend en roekeloos geding werd als ongegrond afgewezen. Procedure in hoger beroep
  6. Voor een uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, kan verwezen worden naar de beroepsakte en hun conclusies. Beoordeling
  7. Appellanten stellen "belanghebbenden" te zijn zoals vereist door art. 333 W.Venn., zodat hun oorspronkelijke vordering ten onrechte als onontvankelijk werd afgewezen. Om dit twistpunt te onderzoeken, moet de rechtsverhouding tussen partijen worden onderzocht, dewelke als een handelshuur moet worden gekwalificeerd. 4.
  8. Sinds 1 april 2001 verhuren appellanten een onroerend goed, uitgebaat als horeca-zaak ..........................), aan geïntimeerde, wiens statutair zaakvoerder R............. P................... zich ook als medehuurster en solidaire borg verbond (stuk B/1 appellanten). Er waren in het verleden regelmatig huurachterstallen (stukken B/4 tot B/9 appellanten). Bij aangetekende brief van 19 november 2008 vroegen de huurders o.a. geïntimeerde de handelshuurhernieuwing vanaf 1 april 2010, met als wijzigende voorwaarde dat R........... P....................... zou worden weggelaten als medehuurster en dat zij ook geen persoonlijke solidaire borg zou blijven (stuk B/10 appellanten). Appellanten wensten niet opnieuw te verhuren aan geïntimeerde alléén, gelet op het zwaar negatief eigen vermogen van geïntimeerde volgens haar laatst gepubliceerde jaarrekening per 31 december 2007 (stuk A/4 appellanten). Bij aangetekende brief van 28 januari 2009 weigerden appellanten de handelshuurhernieuwing (stuk B/11 appellanten). Deze weigering werd door geïntimeerde betwist en zij startte de procedure op 24 februari 2009 (stuk B/12 appellanten). Bij dagvaarding in huidige procedure op 10 maart 2009 waren appellanten van oordeel dat geïntimeerde - gelet op haar financiële situatie - geen stabiele handelspartner zou zijn die haar huurverbintenissen voor opnieuw negen jaar vanaf 1 april 2010 correct zou kunnen nakomen. De dagvaarding in ontbinding van geïntimeerde op basis van art. 333 W.Venn. was een middel om de betrokken handelshuurhernieuwing te beletten en te vermijden nog voor jaren verbonden te zijn aan een medecontractant die op dat ogenblik zware exploitatieverliezen leed. 4.
  9. Het belang vereist voor het instellen van een rechtsvordering wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld (Cass., 14 november 1986, Pas. 1987, I, 323). Volgens art. 18 Ger.W. moet het belang waarvan de toelaatbaarheid van een vordering afhangt, bij de inleiding een reeds verkregen en dadelijk belang zijn, wat echter niet vereist dat op dat ogenblik reeds schade werd geleden door de eisende partij (Cass., 29 februari 1996, Arr. Cass. 1996, 210). De vordering kan worden ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen (art. 18,2° Ger. W.). Er waren op 10 maart 2009 geen huurachterstallen. Appellanten waren toen géén schuldeisers van geïntimeerde. Het feit dat in het kader van een huurovereenkomst de huurgelden repetitief opeisbaar worden, maakt van een verhuurder op elk ogenblik nog géén schuldeiser wanneer er geen huurachterstand is. Periodieke schulden worden pas opeisbaar op hun vervaldag. Ook waren appellanten géén aandeelhouders of concurrenten van geïntimeerde. Wel waren (zijn) appellanten medecontractanten van geïntimeerde in het kader van de handelshuur. Ze hadden (hebben) een rechtstreeks belang m.b.t. de financiële situatie van geïntimeerde, hun huurder. Reeds ruime tijd vóóraf hadden appellanten geïntimeerde verwittigd dat ze de procedure op basis van art. 333 W. Venn. zouden inleiden wanneer geïntimeerde niet de nodige maatregelen zou nemen om haar solvabiliteit te herstellen. Er startte reeds correspondentie in dit verband vanaf 14 november 2007 (stukken B/6, B/7 en B/9 appellanten). Het belang van appellanten op 10 maart 2009 betrof niet enkel de correcte en tijdige betaling van de lopende huurprijs, maar was véél ruimer: ze vreesden schade te zullen lijden wanneer ze een handelshuurhernieuwing voor negen jaar zouden worden opgedrongen met als (enige) huurster geïntimeerde die tijdens de voorbije jaren een zwaar negatief eigen vermogen had opgebouwd. Dit is een legitiem belang. Het "belang" van art. 17 Ger. W. bestaat in ieder materieel of moreel daadwerkelijk voordeel dat de eiser kan bekomen uit de vordering op het ogenblik dat hij deze stelt. Nergens wordt als vereiste gesteld dat het belang uitsluitend daadwerkelijk te behartigen moet zijn via een procedure op basis van art. 333 W.Venn. Ook voor een schuldeiser, een aandeelhouder of een concurrent bestaan andere mogelijkheden, wat niet belet dat zij als "belanghebbenden" worden erkend in een procedure op basis van art. 333 W. Venn. Wanneer een partij binnen het kader van een contractuele relatie op redelijke gronden vreest om te moeten verder handelen met een medecontractant die een vermogenstoestand heeft die volgens de jaarrekening laat vrezen dat hij zijn verbintenissen niet zal kunnen naleven, is deze partij "belanghebbende" in de zin van art. 333 W. Venn. (zie ook Antwerpen, 23 maart 2006, TRV 2006, 437). Als medecontractanten van geïntimeerde, verwikkeld in een procedure omtrent een door hen geweigerde handelshuurhernieuwing, moeten appellanten op het tijdstip van 10 maart 2009 worden beschouwd als "belanghebbenden" in het kader van een procedure op basis van art. 333 W. Venn. Het hoger beroep is derhalve gegrond. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond: - Doet het bestreden vonnis teniet inzake de oorspronkelijke hoofdeis; Derhalve opnieuw oordelende: Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten ontvankelijk; Stelt vast dat geïntimeerde haar toestand op 2 april 2009 heeft geregulariseerd, zodat de voorwaarden voor de toepassing van art. 333 W. Venn. sindsdien niet meer vervuld zijn en de oorspronkelijke vordering van appellanten inmiddels zonder voorwerp is gevallen; - Bevestigt het bestreden vonnis inzake de oorspronkelijke tegeneis op basis van tergend en roekeloos geding; - Veroordeelt geïntimeerde tot de gedingkosten van beide aanleggen, vereffend in hoofde van appellanten op: * 221,59 EUR kosten dagvaarding en rolstelling * 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg * 186,00 EUR rolrecht hoger beroep * 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Leentje Mouton, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op achtentwintig juni tweeduizend en tien. Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.