id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 17 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20100917.3 Rolnummer: 2008-AR-2697 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-11-15 Raadplegingen: 178 - laatst gezien 2026-07-01 13:39 Fiche Het hof beoordeelt de bedrieglijke aankoop/verkoop van een gefinancierde wagen door toedoen van een professioneel autohandelaar. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Toestemming - Bedrog BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop Vrije woorden: Financieringscontract - subrogatierecht - voertuig aankoop en verkoop - professionele autohandelaar bedrog - contractbreuk. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 16 kamer ________ Terechtzitting van 17 september 2010 ________ 2008/AR/2697 in de zaak van: V......... G.......... T......., wonende te ......................., ingeschreven met KBO-nummer 0682.379.855, appellant, hebbende als raadsman mr. BLOMME Koen, advocaat te 8820 TORHOUT, Vredelaan 25 tegen: VAN BREDA CAR FINANCE N.V., met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Ledeganckkaai 7, ingeschreven met KBO-nummer 0475277432, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. JORIS Erwin, advocaat te 2110 WIJNEGEM, Marktplein 22 Wijst het Hof volgend arrest :
- Het hof heeft kennis genomen van het vonnis, gewezen op 23 september 2008 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, tweede kamer. Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep ingesteld. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
- Hangende de onderhavige beroepsprocedure heeft de strafzaak van het openbaar ministerie en van T.......V.... G......... als burgerlijke partij tegen C.......G....... haar beloop gehad. Door de advocaat van T...... V...... G....... wordt thans bij de behandeling van de zaak als stukken 20 e.v. de strafinformatie voorgebracht evenals het correctioneel vonnis gewezen op 2 december door de 16de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge alsook een attest van geen verhaal d.d. 10 september
- Waar de advocaat van T..... V...... G....... op de terechtzitting van 10 september 2010 akkoord is gegaan met de behandeling van de zaak ten gronde en ook desbetreffende heeft standpunt ingenomen en gepleit, moet worden vastgesteld dat diens opgeworpen opschortende exceptie kennelijk zonder voorwerp is geworden. De nadere beoordeling van de dienaangaande geformuleerde grieven en middelen komt dan ook niet dienend voor.
- Primordiale betwisting betreft de vraag of T.......V...... G......... als handelaar in tweedehandsvoertuigen al dan niet wist of moest weten dat er betreffende het op 7 april 2006 van C........ G......... gekochte voertuig Citroën C2 een financiering en eigendomsvoorbehoud kon zijn en door desondanks toch te kopen, desgevallend quasi-delictuele foute medewerking aan contractbreuk heeft verleend. 3.
- T.....V...... G........ zet uiteen dat hij te goeder trouw het kwestieuze voertuig heeft aangekocht van C....... G.......... Hij zou in een "onoverkomelijke onwetendheid" zijn geweest door de valse verklaringen van C....... G....... (wat hij omschrijft als "zwaar bedrog") evenals door de eigen fout van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE (door hem omschreven als het financieren en ter beschikking stellen van een auto aan een insolvabel en malafide persoon alsook na diens wanbetaling het niet passend verhinderen van verduistering). Dit zou in hoofde van T......V...... G...... een rechtvaardigingsgrond uitmaken, waardoor er geen sprake zou zijn van diens kennis van het contract dat werd verbroken. Volgens T...... V...... G......... werd hem op vraag naar het bestaan van een financieringsovereenkomst door C.......G....... valselijk medegedeeld dat er geen dergelijke overeenkomst bestond, wat ook zo uitdrukkelijk werd vermeld op het aankoopborderel van het voertuig. Op de vraag of de aankoopfactuur kon voorgelegd worden, werd volgens T....V...... G....... geantwoord dat dit niet mogelijk was omdat het voertuig was aangekocht van een familielid en er bijgevolg geen aankoopfactuur was opgemaakt. Door T..... V..... G.......... wordt tevens voorgehouden dat op geen enkele wijze op of in het voertuig of op enig ander document de financiering vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE vermeld was. T...... V...... G...... meent dat hij zodoende niets zou hebben afgeweten van een financieringsovereenkomst en dat hij, na het vruchteloos vragen van de aankoopfactuur, door het laten ondertekenen van een document voor vrij en onbelast, er mocht op vertrouwen (zonder verder onderzoek) dat geen financieringsovereenkomst was afgesloten. Volgens T....V....... G....... kan er lastens hem geen enkele quasi-delictuele fout worden weerhouden en alleszins geen fout die zou kunnen worden gekwalificeerd als derdemedeplichtigheid aan contractbreuk. In dit verband merkt T..... V...... G....... op dat n.v. VAN BREDA CAR FINANCE, als zijnde gesubrogeerd in de rechten van C....... G........., dient te worden beschouwd als contractpartij in de koop-verkoop tussen C...... G......... en T......V.....G............. Zodoende zou n.v. VAN BREDA CAR FINANCE geen buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering kunnen stellen t.a.v. T...... V..... G........... (samenloopverbod). Verder zet T...... V......G....... uiteen dat het samenvallen van de datum van eerste inschrijving en de datum van uitreiking van het kentekenbewijs niet de voorgehouden verkoop door een familielid zou uitsluiten: volgens T..... V...... G....... houden noch de inschrijving noch het houderschap van een kenteken-bewijs op iemands naam in dat deze persoon ook daadwerkelijk eigenaar zou zijn van het voertuig. Tenslotte werpt T......V..... G........ dienaangaande op dat hij slechts autohandelaar in bijberoep zou zijn geweest, dit eerder op beperkte schaal, waardoor jegens hem niet dezelfde strenge vereisten zouden mogen worden gesteld als die van professionele autohandelaars. 3.
- T.....V..... G........ kan in één en ander geenszins worden gevolgd: 3.2.
- Uit de door T.... V.....G...... voorgebrachte stukken 1 (aankoopborderel d.d. 7 april 2006) en 3 (verkoopbewijs d.d. 10 april 2006) blijkt onomstootbaar dat hij betreffende het kwestieuze merkvoertuig wel degelijk heeft gekocht/verkocht als professionele autohandelaar. De (door niets gestaafde noch aangetoonde) bewering dat hij dit slechts zou hebben gedaan in bijberoep en op eerder beperkte schaal is, voor zover aannemelijk, geenszins van aard op enige wijze afbreuk te doen aan de geldende algemene regels en plichten van de door garagisten gevoerde handel, die evident ook en ten volle gelden voor T....... V..... G........ als professionele autohandelaar, hoe bescheiden en tijdelijk dit ook moge zijn geweest. De professionele autohandelaar behoort ervan op de hoogte te zijn dat de aankoop van een wagen doorgaans door middel van financiering gebeurt, waarbij het financieringscontract gewoonlijk verbod oplegt om de wagen de vervreemden, en in regel tevens ten gunste van de kredietverstrekker een clausule bevat van overdracht of van subrogatie in de rechten van de verkoper, en in het bijzonder in zijn voorrecht van onbetaalde verkoper. Op gevaar van zich schuldig te maken aan derdemede-plichtigheid aan contractbreuk behoort hij voor de aankoop van de wagen zich dan ook de originele aankoopfactuur te laten voorleggen en te controleren of de aankoop al dan niet door middel van een financiering is gebeurd. De voorzichtige autohandelaar mag zich dus niet tevreden stellen met een controle van de boorddocumenten, nu de eventuele vaststelling dat het voertuig is ingeschreven op naam van de aanbieder niet op sluitende wijze zijn eigendomsrecht bewijst. In tegenstelling tot hetgeen T..... V..... G...... poogt voor te houden, is het dan ook geenszins aannemelijk dat tweedehands aankopen zouden kunnen gebeuren enkel op vertoon van de boordbescheiden. Integendeel: dergelijke handelwijze is beslist in strijd met de algemene regels en plichten van de door garagisten gevoerde handel. De professionele autohandelaar mag geen vrede nemen met de verklaring van de verkoper dat de zaak "vrij en onbelast" is, noch met de boorddocumenten: op hem rust een onderzoeksplicht, waaraan hij op foutieve wijze tekort komt door na te laten de originele aankoopfactuur te laten voorleggen. De professioneel weet of behoort te weten dat bedingen van eigendomsvoorbehoud gebruikelijk zijn bij financiering en hij dient zich hiervan te vergewissen door een onderzoek naar de titel van de verkoper. T.... V.....G..... moest zich dus terdege vergewissen of de verkoper wel eigenaar was van het voertuig, of dit voertuig niet gestolen was, of het geen gehuurd voertuig betrof, of nog, of het niet om een gefinancierd voertuig ging. Daartoe was hoe dan ook vereist dat hij zich door de verkoper de aankoopfactuur liet voorleggen: immers, als die aankoopfactuur melding maakte van een financiering, diende hij zich dus evident in te lichten of het voertuig volledig afbetaald was en of de verkoper er dus wel over kon beschikken. T......V..... G......... heeft het voormelde onterecht verzuimd. Hij heeft zich daarentegen beperkt tot enkel de vermelding op het aankoopborderel van de verklaring van de verkoper "dat het voertuig niet het voorwerp is van een financiering, beslag of om het even welke maatregel die het voertuig kan belasten en dat deze de overnemen vrijwaart voor alle vorderingen die zouden worden ingesteld uit dien hoofde" (dossier/V...... G..........., stuk 1). 3.2.
- Het door T...... V..... G....... thans gedane verhaal dat beweerdelijk door verkoper C..... G.................. geen aankoopfactuur kon voorgelegd worden omdat het voertuig was aangekocht van een familielid en er bijgevolg geen aankoopfactuur was opgemaakt, is op zich trouwens volkomen onaannemelijk: Immers, op het aankoopborderel werd - volkomen in tegenstelling daarmede - door T..... V..... G........ zelf uitdrukkelijk ingevuld dat C.......G.......... de eerste eigenaar was. Het is trouwens pas in latere correspondentie, na formele ingebrekestelling en na uitdrukkelijk erop gewezen te zijn dat de aankoopfactuur diende te worden opgevraagd (brief d.d. 6 december 2006 - dossier/V...... G........., stuk 6), dat de advocaat van T...... V...... G.......... voor het eerst bij brief d.d. 2 januari 2007 gewag heeft gemaakt van het beweerde opvragen van een factuur en van de beweerde aankoop van een familielid. Waar uit de voorgebrachte strafinformatie zelfs blijkt dat de verkoper C...... G.........geen identiteitskaart kon voorleggen, waren er meer dan afdoende redenen voor T..... V......G..............als voorzichtige handelaar tot bijzondere twijfel en grotere omzichtigheid desbetreffend: de identiteit van de verkoper stond niet vast, er kon geen aankoopfactuur worden voorgebracht, het voertuig was minder van 1,5 jaar oud ... Het samenvallen van de datum van eerste inschrijving en de datum van uitreiking van het kentekenbewijs, samen met de verklaring dat C...... G........ de eerste eigenaar was van de kwestieuze wagen, sluiten trouwens redelijkerwijze de voorgehouden verkoop door een familielid uit. 3.2.
- In de geschetste omstandigheden kan evenmin door T......V......G.............. ernstig worden ingeroepen "dat op geen enkele wijze op of in het voertuig of op enig ander document de financiering vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE vermeld was". Aangaande deze bijkomstige gegevens staat geenszins enige verplichting in hoofde van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE vast noch enige fout of desbetreffend verzuim. Voor zover controleerbaar en bewezen, ontneemt dit trouwens geenszins de essentiële en primordiale plicht in hoofde van T...... V....... G......... om daadwerkelijk en concreet de voorlegging van de factuur te eisen en zich de moeite te getroosten om effectief na te gaan of de wagen wel werkelijk "vrij en onbelast" was. T........ V....... G....... mocht zich geenszins vergenoegen met enkel de ondertekening van de voormelde verklaring dat het kwestieuze voertuig niet het voorwerp was van een financiering, beslag of om het even welke maatregel die het voertuig kon belasten. T........ V.......G............. behoorde in de gegeven omstandigheden onmiskenbaar te weten dat hij ten zeerste onzorgvuldig handelde en aldus mogelijk de rechten van derden zou schaden. 3.2.
- Zelfs al betreft de beweerde handelwijze in hoofde van verkoper C....... G.......... bedrog en/of oplichting ten aanzien van T..... V.......G................., dan nog ontneemt dit niet in de hiervoor gegeven omstandigheden in hoofde van T......V..... G........ zelf diens ten zeerste onzorgvuldig handelen alsook diens onaanvaardbare lichtgelovigheid, in strijd met de voor de professionele autohandelaar geldende algemene regels en plichten. Precies daardoor kan dan ook evident van de beweerde "onoverkomelijke onwetendheid" in zijnen hoofde geenszins sprake zijn. 3.2.
- Hetzelfde geldt wat betreft de bewering vanwege T...... V...... G........ dat door de eigen fout van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE (door hem omschreven als het financieren en ter beschikking stellen van een auto aan een insolvabel en malafide persoon alsook het na diens wanbetaling niet passend verhinderen van verduistering) er sprake zou zijn van diens beweerde "onoverkomelijke onwetendheid, wat volgens hem in zijnen hoofde als rechtvaardigingsgrond zou gelden en waardoor er geen sprake zou zijn van diens kennis van het contract dat werd verbroken: Immers, nergens wordt op enige wijze een eigen fout vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE in de voormelde zin aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. Blijkens de overeenkomst van verkoop op afbetaling nr. 1842806/001 d.d. 27 oktober 2004 werd bij de kredietverlening gehandeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, meer bepaald art. 14, § 2, 9° en 10° (raadpleging op 13 september 2004 van de gegevensbestanden waaronder de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en het bestand van de niet-gereglementeerde registraties, gehouden bij de Nationale Bank van België (dossier/V.......B.........., stuk 1). Tevens blijkt n.v. VAN BREDA CAR FINANCE over een loonbrief uit die periode te beschikken (maand augustus 2004) waaruit blijkt dat haar kredietnemer C.......G.......... sedert 22 maart 2004 voltijds werkzaam was als bediende (verkoper-chauffeur) bij b.v.b.a. BOFROST ZENTRALE (Wijgmaal) met een netto-loon van maandelijks 1.224,40 EUR (dossier/V........ B........., stuk 20). Uit deze gegevens moet worden besloten dat bij de kredietverlening met kennis van zaken kon worden geoordeeld dat C....G............. een afdoende solvabel persoon was en terdege bij machte tot periodieke betalingen van 228,63 EUR/maand. Nergens blijkt dat hier in hoofde van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE sprake kon zijn van foutief financieren en ter beschikking stellen van een auto aan een insolvabel en malafide persoon, zoals T....... V..... G....... thans beweert doch nergens bewijst. Evenmin blijkt er sprake te zijn van het beweerde "na wanbetaling niet passend verhinderen van verduistering": Immers, op 19 oktober 2005 werd de wanbetaling van 2 vervallen aflossingen vastgesteld, waarvoor aanmaning en ingebrekestelling, herhaald op 2 december 2005 (dossier/V....... B.........., stukken 4 en 5). C....... G......... was toen reeds zonder vast adres (afvoering van ambtswege van zijn adres te Gistel op 29 maart 2006) (dossier/V....... B........., stuk 19). Blijkens de historiek van de adressen zijn er vanaf dan slechts wisselende, kortstondige adressen en pas vanaf december 2007 adressering te Ichtegem. (dossier/V........ G................, stukken 12). Intussen was de kwestieuze wagen reeds lang verkocht (aankoopborderel d.d. 7 april 2006). Waar in de kwestieuze periode C......... G................ ongekend verblijf had, is het aannemelijk dat voor zijn schuldeiser n.v. VAN BREDA CAR FINANCE "passende" bewarende maatregelen t.a.v. diens roerende goederen een onbegonnen zaak waren. Hoe dan ook kan dit alles in de hiervoor geschetste omstandigheden in hoofde van T...... V...... G......... geenszins iets ontnemen van diens ten zeerste onzorgvuldig handelen zoals hoger geschetst, noch van diens onaanvaardbare lichtgelovigheid: er kan dan ook evident geen sprake zijn van de beweerde "onoverkomelijke onwetendheid" in zijnen hoofde noch van enige rechtvaardigingsgrond waardoor hij onmogelijk kennis kon hebben van het contract dat werd verbroken. 3.2.
- De voorliggende overeenkomst voorziet dat het krediet voortkomende uit de kwestieuze verkoop op afbetaling d.d. 27 oktober 2004 (tussen verkoper-aanbieder/kredietbemiddelaar b.v.b.a. VANDERKEILEN en consument C....... G.........) samen met alle rechten, waarborgen en verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst, overgedragen wordt aan de kredietgever n.v. VAN BREDA CAR FINANCE (dossier/V...... B..........., stuk 1). De algemene en bijzondere voorwaarden bij die overeenkomst voorzien onder art. 2.c) dat de consumenten, voor het geval zij in gebreke zouden blijven hun verbintenissen na te komen, aan n.v. VAN BREDA CAR FINANCE mandaat met substitutiemacht geven teneinde de in zijn bezit gekomen gefinancierde voorwerpen te verkopen en de prijs ervan te ontvangen onverminderd de toepassing van art. 33bis van de wet van 12 juni 1991, en dat zij bovendien mandaat geven aan n.v. VAN BREDA CAR FINANCE om de verkoopprijs te compenseren met door hen nog verschuldigde sommen. De opmerking van T..... V...... G........ dat n.v. VAN BREDA CAR FINANCE gesubrogeerd zou zijn in de rechten van C...... G....... en zodoende zou dienen beschouwd te worden als contractpartij in de koop-verkoop tussen C...... G....... en T..... V......G......................, steunt kennelijk op een verkeerde lezing en een verkeerd begrip van de voormelde bepalingen van de overeenkomst van verkoop op afbetaling. Nergens blijkt tussen n.v. VAN BREDA CAR FINANCE en T......V.......G........................een contractuele band te bestaan en/of te zijn tot stand gekomen. Het daarop gesteunde middel dat zodoende n.v. VAN BREDA CAR FINANCE wegens het samenloopverbod geen buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering zou kunnen stellen t.a.v. T........V......... G.............. faalt dan ook volkomen. 3.
- Gelet op het geheel van de voormelde overwegingen staat de quasi-delictuele foute medewerking aan contractbreuk in hoofde van T....... V............... G............. vast: Immers, T......... V...... G.............. wist, minstens behoorde hij te weten, dat het kwestieuze voertuig niet "voor vrij en onbelast" kon worden aangekocht en dat hij zich precies door die aankoop derdemedeplichtig maakte aan de contractbreuk vanwege de debiteur van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE. Aan de cumulatieve voorwaarden opdat van schuld in de zin van art. 1382 B.W. sprake zou zij, zoals opgesomd door de eerste rechter (geldige vooraf bestaande contractuele verbintenis; bekend of verondersteld bekend aan de derde medeplichtige; schending van deze contractuele verbintenis; bewuste medewerking van de derde medeplichtige aan deze schending) is aldus voldaan en het oordeel van de eerste rechter is wat dit onderdeel betreft te bevestigen.
- Blijvende betwisting betreft tevens de in ondergeschikte orde door T.......V....... G..............beweerde doorbraak van causaliteit door vreemde oorzaak tussen de voormelde fout en de geleden schade. T....... V......... G...................zet uiteen dat dit zich zou situeren op 2 vlakken, met name: - door het bedrog en de valse verklaringen van C........G........ (waardoor T....... V...... G....... hem de koopsom rechtstreeks zou hebben uitbetaald in plaats van deze aan n.v. VAN BREDA CAR FINANCE te betalen); - door de risicoaanvaarding vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE (door T....... V........G........ omschreven als het financieren en ter beschikking stellen van een auto aan een insolvabel en malafide persoon, het na diens wanbetaling niet passend verhinderen van verduistering, alsook het niet aanbrengen van uiterlijke tekenen inzake het eigendoms-voorbehoud hetzij op het voertuig zelf hetzij op enig boorddocument). Ook op dit punt kan T..... V...... G.......... geenszins worden gevolgd. Er kan slechts sprake zijn van een "vreemde oorzaak", voor zover dit niet kon worden voorzien noch vermeden door T...... V.... G............. en de uitvoering/nakoming van diens eigen verbintenis/verplichting onmogelijk zou maken. Daarvan is geenszins sprake wat betreft het bedoelde bedrog en valse verklaring vanwege C........ G...................: Immers, deze konden ten volle worden voorzien of vermeden, mits het eigen zorgvuldig en niet lichtgelovig handelen door T...... V......G............... conform de voor hem als professionele autohandelaar geldende algemene regels en plichten; deze waren bovendien geenszins van aard de nakoming van de eigen verplichtingen door T...... V......G.............. onmogelijk te maken. Zoals hoger reeds overwogen (sub 3.2.
- en 3.2.5.) wordt nergens op enige wijze een eigen fout of verzuim (in de zin van de voormelde door T...... V..... G............ uiteengezette foute risicoaanvaarding) vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. Bovendien was er hierdoor geenszins sprake van onmogelijkheid vanwege T..... V..... G.............. om de eigen verbintenissen uit te voeren en/of verplichtingen na te komen. Ook hier kan aldus evenmin sprake zijn van een "doorbraak van de causaliteit door vreemde oorzaak". In dit verband wordt trouwens onterecht door T.......V......G..................... opgeworpen dat n.v. VAN BREDA CAR FINANCE zich niet (eerst) of niet afdoende zou hebben gericht tegen haar tekortkomende medecontractant en schuldenaar C........... G..............(door bv. het instellen van een rechtsvordering). Immers, wanneer meerdere aansprakelijken door hun fout aan de oorzaak liggen van de schade, zijn zij elk ten aanzien van de benadeelde gehouden tot vergoeding van de gehele schade (in solidum). In hun verhouding tot de benadeelde is er van een verdeling geen sprake. Een verdeling kan wel gebeuren tussen de aansprakelijken onderling. Uit de omstandigheid van de fout van de ene aansprakelijke in oorzakelijk verband met het schadegeval, valt niet af te leiden dat tussen de fout van de andere aansprakelijke en dat schadegeval geen oorzakelijk verband zou bestaan. Deze regel betekent bij derdemedeplichtigheid aan een contractbreuk dat zowel de nalatige contractant als de derdemedeplichtige tot de volledige schadevergoeding worden veroordeeld. Er is geen sprake van "gedeeltelijke" oorzakelijkheid. In de mate dat T....... V...... G............ ingevolge zijn eigen quasi-delictuele fout in solidum met C........... G........... gehouden is, kan het gebeurlijk niet instellen van een rechtsvordering tegen C........... G......... geenszins T..........V............ G............. ontslaan van zijn eigen aansprakelijkheid. Waar er geen grond is tot uitsluiting van aansprakelijkheid in hoofde van T.......V........ G....... noch sprake is van gedeelde aansprakelijkheid/oorzakelijkheid, kan de schadelijder n.v. VAN BREDA CAR FINANCE zich dan ook ten volle tegen T....... V..........G........... richten alvorens pogingen te ondernemen jegens C........ G....................
- Tenslotte blijft T....... V...... G.......... betwisting voeren m.b.t. de schade op zich. Meer bepaald zet T..... V........ G.......... dienaangaande uiteen dat er geen aan diens fout toerekenbare schade zou zijn nu er en zolang er niet eerst door n.v. VAN BREDA CAR FINANCE getracht wordt het openstaande bedrag te recupereren vanwege C.........G................. De gebeurlijke schade zou volgens T....... V........ G........... uitsluitend te wijten zijn aan het desbetreffend eigen dralen of stilzitten vanwege n.v. VAN BREDA CAR FINANCE. Ook in dit standpunt kan T..... V..... G.......... niet worden gevolgd. Zoals hoger reeds overwogen gaat het om schade ontstaan ingevolge een eigen quasi-delictuele fout van T...... V..... G........... waardoor hij in solidum met de hoofdschuldenaar C........ G.............. aansprakelijk is. In tegenstelling tot hetgeen door T....... V...... G........... wordt voorgehouden moet, zoals hoger reeds overwogen, n.v. VAN BREDA CAR FINANCE als schadelijder geenszins trachten eerst de hoofdschuldenaar uit te winnen en moet zij dit dan ook nergens aantonen. N.v. VAN BREDA CAR FINANCE dient in deze enkel aan te tonen dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de ingeroepen oorzaak. Door n.v. VAN BREDA CAR FINANCE wordt daaraan voldaan nu vaststaat dat zij precies haar eigendomsvoorbehoud op de wagen niet langer kan uitoefenen ingevolge de litigieuze transactie vanwege T...... V........G.......... M.a.w. had T...... V...... G.......................... niet zijn medewerking verleend aan de contractbreuk, dan had n.v. VAN BREDA CAR FINANCE haar vordering kunnen uitwinnen op het voertuig, minstens zou zij daartoe de kans hebben gehad. Wat de omvang van de geleden schade betreft, toont n.v. VAN BREDA CAR FINANCE aan dat haar contractuele vordering op de kredietnemer op 2 december 2005 de som van 8.614,10 EUR beliep, te verhogen met de intresten vanaf genoemde datum (dossier/V........ B..........., stuk 5). Waar het voertuig door T.......V.......G......... werd doorverkocht voor de prijs van 6.300,00 EUR (dossier/V....... B.........., stuk 7), beloopt de schade in hoofde van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE minstens deze laatste som, nu het redelijkerwijze aannemelijk is dat zij ook zelf deze prijs had kunnen bekomen indien zij de wagen had kunnen terugnemen en verkopen. T....... V........ G............... is aldus bij toepassing van artikel 1382 B.W. gehouden deze door n.v. VAN BREDA CAR FINANCE geleden schade te vergoeden. Het oordeel van de eerste rechter is ook wat dit onderdeel betreft te bevestigen. Alle anders luidende conclusies en (ook ondergeschikt aangevoerde) middelen worden, gelet op het voorgaande en op dezelfde gronden, verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Wijst het hoger beroep af als ongegrond; Bevestigt aldus het vonnis d.d. 23 september 2008; Verwijst T...... V......... G......... in de beroepskosten, op heden te bepalen in hoofde van n.v. VAN BREDA CAR FINANCE op de basisrechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900,00 EUR; Aldus gewezen door de ZESTIENDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Luc Thabert, raadsheer - wn. kamervoorzitter Peter Marcoen, raadsheer, Martin Van den Bossche, raadsheer en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 17 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door Carine Sonneville, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div