← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20101025.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 25 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:AVIS.20101025.7 Rolnummer: Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-01-27 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-01 13:58 Fiche Een speelschuld heeft een ongeoorloofde oorzaak en art. 1965 B.W . raakt de openbare orde. De wet staat geen rechtsvordering toe voor een speelschuld of voor de betaling van een weddenschap. Vorderingen die gebaseerd zijn op de uitbetaling van winsten ingevolge het roulettespel, zijn ontoelaatbaar. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering Vrije woorden: Ontoelaatbaarheid van de vordering Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer _____________ Terechtzitting van 25 oktober 2010 _______________ Na tussenarrest van 20 juni 2002 _______________ Vorderingen ontoelaatbaar 2001/AR/2311 - In de zaak van: M............. M.............., wonende in .................., ......................., woonstkeuze doende bij haar raadsman, mr. MOREAU Michel, advocaat te 8370 BLANKENBERGE, Mgr. Waffelaertlaan 9 appellant, hebbende als raadsman mr. MOREAU Michel, advocaat te 8370 BLANKENBERGE, Mgr. Waffelaertlaan 9, (referte: 11219) tegen: PRIVÉ-CLUB CASINO BLANKENBERGE VZW, met maatschappelijke zetel te 8370 BLANKENBERGE, Zeedijk 150, (conform besluiten VZW Privé-club Blankenberge) geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ANDRE-DUMONT Hubert, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 250 bus 64 hebbende als raadsman mr. CRIVITS Rik, advocaat te 8000 BRUGGE, Ezelstraat 25, velt het hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.

  1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 9 november 2001, heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 26 oktober 2001 op tegenspraak gewezen door de 5de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (AR. 01/2590/A). Een exploot van betekening ligt niet voor. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld. Feiten en procedure in eerste aanleg
  2. M........... M................... (hierna: "appellant") speelde tussen 20 mei 2001 en 9 juli 2001 zeer geregeld en voor grote bedragen met de roulette in de speelzaal van het casino te Blankenberge, uitgebaat door de VZW PRIVECLUB CASINO BLANKENBERGE (hierna: "geïntimeerde") en hij maakte hierbij aanzienlijke winsten. Appellant won in totaal 24.694.000,- BEF (= 612.148,27 EUR), waarvan aan hem kontant 15.894.000,- BEF (= 394.001,96 EUR) werd uitbetaald en voor in totaal 8.800.000,- BEF (= 218.146,30 EUR) aan cheques werden overhandigd. Op zeker ogenblik kreeg het personeel van geïntimeerde argwaan omtrent de spelmethode van appellant en vermoedde het gebruik van een microcomputer voor "wheel tracking" waarbij met relatieve zekerheid de zone kan worden voorspeld waarin het balletje zal terechtkomen. Op 13 juli 2001 deed de Algemeen Directeur van geïntimeerde bij de politie aangifte van een vermoeden van oplichting. Geïntimeerde gaf opdracht aan haar bank om de betaling van de nog niet uitbetaalde cheques op te schorten. Bij brief van 14 augustus 2001 stelden de raadslieden van appellant geïntimeerde in gebreke tot uitbetaling van de betrokken cheques. Bij brief van 24 augustus 2001 wees geïntimeerde alle aanspraken af en stelde appellant in gebreke tot terugbetaling van 15.894.000,- BEF (= 394.001,96 EUR). Bij dagvaarding, betekend op 3 september 2001, vorderde appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, uit hoofde van 9 onbetaalde cheques in datum van resp. 7 en 9 juli 2001, betaling lastens geïntimeerde van in totaal 8.800.000,- BEF (= 218.146,30 EUR), méér 7% moratoire rente vanaf resp. 7 en 9 juli 2001, minstens vanaf 14 augustus 2001 (datum aangetekende ingebrekestelling) tot dagvaarding, méér de gerechtelijke rente en de kosten. Op 20 september 2001 legde geïntimeerde in handen van de onderzoeksrechter te Brugge strafklacht met burgerlijke partijstelling neer tegen appellant o.a. op basis van oplichting. Bij conclusie, neergelegd op 20 september 2001, vorderde geïntimeerde bij tegeneis de terugbetaling van 15.894.000,- BEF (= 394.001,96 EUR), méér de vergoedende rente vanaf de dag van uitbetaling, minstens vanaf 24 augustus 2001, méér de gedingkosten. Tevens vorderde ze afgifte van de betrokken cheques binnen de 24 uur na betekening van het tussen te komen vonnis, op straffe van een dwangsom van 100.000,- BEF (= 2.478,94 EUR) per cheque en per dag vertraging. Bij het tussenvonnis a quo van 26 oktober 2001 oordeelde de eerste rechter omtrent de betwiste schorsing van de burgerlijke procedure als volgt: "Zegt voor recht dat de vorderingen door partijen gesteld (de hoofdvordering bij dagvaarding van 3 september 2001 en de tegenvordering bij besluiten van 20 september 2001) geschorst zijn, gelet op de strafklacht met burgerlijke partijstelling dd. 20 september 2001, door verweerster neergelegd in handen van de heer Onderzoeksrechter Gevaert te Brugge"... "Laat de zaak dienvolgens voorlopig op de bijzondere rol". Procedure in hoger beroep
  3. Het hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke eiser. Appellant verwees naar het formeel en abstract karakter van de chequeverbintenis, stellende dat de zaak m.b.t. zijn oorspronkelijke hoofdeis ten onrechte werd geschorst. Bij tussenarrest van 20 juni 2002 bevestigde het Hof het bestreden vonnis en verwees de zaak bij toepassing van art. 1068, 1° Ger.W. naar de rol, in afwachting van de definitieve beslechting van de strafklacht. Het hoger beroep werd ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Het strafonderzoek werd inmiddels afgesloten. Appellant werd bij beschikking van de raadkamer te Brugge van 26 maart 2008 buiten vervolging gesteld. Hierna hebben partijen hun resp. vorderingen hernomen voor het Hof. Voor een uitgebreide uiteenzetting van hun middelen en argumenten, wordt verwezen naar de beroepsakte en de conclusies. Beoordeling
  4. Terecht verwijst geïntimeerde naar de exceptie van spel en weddenschap. Artikel 1965 B.W. bepaalt: "De wet staat geen rechtsvordering toe voor een speelschuld of voor de betaling van een weddenschap." De spelovereenkomst is volstrekt ongeoorloofd en alle overeenkomsten tot organisatie van de exploitatie ervan zijn dat dus ook ; dit staat los van haar strafbaarstelling (Cass., 30 januari 2006, R.W. 2007-2008, 1241). Artikel 1965 B.W. bepaalt dat de wet geen rechtsvordering toestaat voor een speelschuld of voor de betaling van een weddenschap. De bedoelde rechtsvordering is een burgerlijke rechtsvordering (Cass., 29 april 2008, www.cass.be). Een speelschuld heeft een ongeoorloofde oorzaak en deze wetsbepaling raakt de openbare orde. De bepalingen van de Kansspelwet van 7 mei 1999 laten niet toe af te wijken van artikel 1965 B.W. dat geen rechtsvorderingen toestaat voor betalingen van een speelschuld (Gent, 20 juni 2007, NjW 2008, 362). De vorderingen van beide partijen zijn gebaseerd op de uitbetaling van winsten ingevolge het roulettespel. Appellant vordert uitbetaling van winsten en geïntimeerde vordert terugbetaling van uitbetaalde winsten, wat in beide gevallen kadert binnen de uitvoering van de ongeoorloofde spelovereenkomst. Geïntimeerde kan zich niet beroepen op art. 1967 B.W. waar zij géén bedrog, list of oplichting heeft kunnen bewijzen, dit ondanks een zeer grondig strafonderzoek. Bijgevolg zijn zowel de oorspronkelijke hoofdeis als de oorspronkelijke tegeneis ontoelaatbaar en dienen beide partijen hun eigen gedingkosten in beide aanleggen te dragen. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Recht doende op tegenspraak ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Gelet op het tussenarrest van 20 juni 2002 ; Verklaart zowel de oorspronkelijke hoofdeis van appellant als de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde ontoelaatbaar ; Verwijst elke partij in haar eigen gedingkosten van beide aanleggen ; Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Frank Deschoolmeester, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag vijfentwintig oktober tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.