id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2024:ARR.20241223.1 Rolnummer: 2024fa50 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-06-24 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-17 09:59 Fiche 1 In de mate dat een vordering die een procespartij bij de eerste rechter heeft gesteld – in dit geval, een vordering tot tussenkomst als procespartij, en dat de vordering van een andere procespartij gegrond zou worden verklaard – in de beroepen beslissing (zelfs gedeeltelijk) is afgewezen geweest, heeft die partij de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om hoger beroep in te stellen tegen die beslissing. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Gemeen procesrecht Fiche 2 het vervullen van een onderhoudsplicht door een onderhoudsplichtige, gedwongen of spontaan, heeft niet voor gevolg dat de onderhoudsplichtige belang en hoedanigheid verkrijgt bij het betwisten van alle schulden van de onderhoudsgerechtigde ten aanzien van derden Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Fiche 3 Op grond van art. 213 oud BW zijn echtgenoten aan elkaar hulp en bijstand verschuldigd en op grond van art. 221, eerste lid oud BW moet iedere echtgenoot naar zijn vermogen bijdragen in de lasten van het huwelijk. De kinderen van die echtgenoten hebben geen uitstaans met die rechtsverhouding tussen de echtgenoten onderling. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Fiche 4 art. 12 IVRK heeft geen rechtstreekse werking, maar richt zich tot de Belgische wetgever, en is geïmplementeerd in artt. 22bis Grondwet en 1004/1 en 1004/2 Ger. W. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VOLKENRECHT - Verdragsrecht Fiche 5 een onderhoudsplichtige kan op elk ogenblik de retroactieve afschaffing van elke onderhoudsuitkering vorderen, maar die retroactiviteit is beperkt tot vijf jaar. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Tekst van de beslissing 2024/FA/50 - In de zaak van: DE P J., wonende te, appellant, DE P M., wonende te, appellant, beiden hebbende als raadsman mr. MARTENS Patrick Bernard, advocaat te 8200 BRUGGE, Gistelse Steenweg 300 tegen D N., wonende te, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MISSAULT Francis, advocaat te 8000 BRUGGE, Koningin Elisabethlaan 34 wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN
- De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter op een correcte en voldoende wijze uiteen gezet in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, familie- en jeugdrechtbank, kamer 23, d.d. 5 oktober 2023 (het beroepen vonnis), zodat het om reden van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen. Het hof herneemt slechts, duidelijkheidshalve, dat N. D (moeder) en J. De P (vader) de ouders zijn van M. De P, geboren op [datum] 1994 (M.). In het beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) In eerste aanleg en op tegenspraak. Verklaart de vordering van J. DE P ontvankelijk, en in de volgende mate gegrond. Schaft de maandelijkse onderhoudsbijdrage te betalen door J. DE P aan N. D ten behoeve van het kind M. DE P af vanaf 01.09.
- Schaft de maandelijkse persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding dewelke J. DE P is verschuldigd aan N. D af met ingang van 1 april
- Laat de kosten van de procedure ten laste van de partij die ze heeft gemaakt, niet nuttig te begroten. Veroordeelt J. DE P en N. D tot betaling van het rolrecht, begroot op 165,00 euro, en dit elk voor de helft, hetzij elk 82,50 euro. De inning en invordering van het rolrecht gebeurt door de Federale Overheidsdienst Financiën. Stelt voor recht dat dat de uitspraak van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, in toepassing van artikel 1322/1 Ger.W. Wijst het meer- en andersgevorderde af. (...)” II. HOGER BEROEP
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 26 januari 2024 stellen J. De P en M. De P hoger beroep in tegen het vonnis van 5 oktober 2023 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, kamer
- Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend.
- Op 13 februari 2024 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Bij afwezigheid van partijen -in persoon- kon de voorzitter overeenkomstig artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. de partijen niet horen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak, en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. Bij beschikking van 13 februari 2024 verleent het hof aan partijen conclusietermijnen en een rechtsdag op 12 november
- Bij deze beschikking is een duidelijke lijst gevoegd van de stukken die moeten worden neergelegd in het kader van de beoordeling van onderhoudsgeschillen.
- Blijkens conclusie van 6 november 2024 beogen J. De P en M. De P om: “Huidig beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens het bestreden vonnis (zoals gewezen door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 05.10.2023, gekend onder het repertoriumnummer 2023/9104 + 9105), gedeeltelijk te vernietigen en te hervormen, in die zin: O De maandelijkse persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding (dewelke dhr. DE P J. is verschuldigd aan D N.) af te schaffen vanaf 29.07.
- Ondergeschikt: vanaf 01.02.2015; Uiterst ondergeschikt: vanaf 09.02.2016 O De maandelijkse persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure (dewelke dhr. DE P J. is verschuldigd aan D N.) af te schaffen vanaf 21.04.
- Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluant begroot op Rolrechten (eerste aanleg): € 165,00 Rolrechten (hoger beroep): PM Bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand: 2 x € 24,00 Rechtsplegingsvergoeding (eerste aanleg & beroep): 2 x € 1.800,00 Ondergeschikt: de (geding)kosten tussen partijen om te slaan gelet op de hoedanigheid van partijen.”
- Blijkens conclusie van 29 oktober 2024 beoogt N. D om: “Het hoger beroep van partij J. De P af te wijzen als ongegrond Het hoger beroep van partij M. De P af te wijzen als onontvankelijk en ongegrond. Op incidenteel beroep -De oorspronkelijke vrijwillige tussenkomst van partij M. De P af te wijzen als onontvankelijk en ongegrond. -de oorspronkelijke vorderingen van partijen M. De P en J. De P af te wijzen als ongegrond, behoudens wat hierboven werd gezegd over het einde van de onderhoudsplicht t.o.v. M.. Partijen De P te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van concluante p.m. begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van beide aanleggen.” Het hof zal hierbij aannemen dat moeder bedoelt, met “behoudens wat hierboven werd gezegd over het einde van de onderhoudsplicht t.a.v. M.”, wat zij schrijft onder nr. 2.6 op blz. 6 van haar laatste syntheseconclusie, dat M. vanaf 1 oktober 2012 was tewerkgesteld en, zo begrijpt het hof, dat met ingang van die datum M. in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en de onderhoudsplicht een einde neemt.
- Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies tijdens het interactief debat ter zitting van 12 november
- J. De P en M. De P zijn daarbij in persoon aanwezig. N. D is daarbij niet in persoon aanwezig. Hierop sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad. Het hof aanziet de conclusie van 6 november 2024 van J. De P en M. De P en de conclusie van 29 oktober 2024 van N. D als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, ter zitting van 12 november 2024 in het debat te houden.
- Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING
- Voorafgaandelijk: het hof gebruikt in dit arrest onder de randnummers cursieve tussentitels. Die zijn bedoeld om de lectuur van het arrest te vergemakkelijken voor de lezer, en maken op zichzelf geen deel uit van de motivering.
- Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van vader Het hoger beroep van vader is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld op 26 januari
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep van vader wordt op zich niet betwist door moeder. Het hof ziet zelf, ambtshalve, niet waarom het hoger beroep van vader niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep van vader is ontvankelijk.
- Over de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van moeder Het incidenteel beroep van moeder is tijdig ingesteld bij eerste conclusie in graad van beroep, neergelegd op 13 mei
- De ontvankelijkheid van het incidenteel beroep wordt niet betwist. Het hof ziet ambtshalve niet waarom het incidenteel beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het incidenteel beroep is ontvankelijk.
- Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van M.. Moeder betwist, vooreerst, de ontvankelijkheid van het hoger beroep van M.. Het hof stelt vast dat M. bij de eerste rechter een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst heeft neergelegd op 16 mei 2023, waarin hij vordert om akte te verlenen van zijn vrijwillige tussenkomst en waarin hij vordert dat de vordering van vader gegrond zou worden verklaard. Vervolgens heeft de eerste rechter de tussenkomst van M. ontvankelijk verklaard, weliswaar enkel in het motiverend en niet in het beschikkend gedeelte van het beroepen vonnis, en de vordering van vader in het beroepen vonnis gedeeltelijk gegrond verklaard en gedeeltelijk afgewezen. In de mate dat een vordering die M. heeft gesteld – namelijk, dat hij mag tussenkomen als procespartij, en dat de vordering van zijn vader gegrond zou worden verklaard – in de beroepen beslissing (zelfs gedeeltelijk) is afgewezen geweest, heeft M. de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om hoger beroep in te stellen tegen die beslissing (zie in dit verband, bijvoorbeeld, Cass. C.00.0567.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 – C.01.0004.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, 24 april 2003, Arr. Cass. 2003, afl. 4, 1018, concl. De Riemaecker, en samengevat, met eigen onderlijning door het hof: “een partij die als eigenaar van een onroerend goed belang had om op te treden, geeft alleen al door het feit dat een van de punten van haar vordering door de eerste rechter is afgewezen, blijk van het vereiste belang om hoger beroep in te stellen, ook al is de eigendom van dat goed vóór de uitspraak van die beslissing overgedragen”). Voor het overige is het hoger beroep tijdig en regelmatig naar de vorm en ziet het hof ambtshalve geen redenen waarom het hoger beroep van M. niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep van M. is ontvankelijk.
- Over de ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst van M.. Uit de uiteenzetting van partijen in hun laatste conclusies, en ook uit hun verklaringen tijdens het interactief debat tijdens de zitting van 12 november 2024, blijkt dat zij in wezen betwisting voeren over de ontvankelijkheid van de tussenkomst van M. als partij in de procedure omtrent de alimentatievorderingen van moeder jegens vader, zowel wat de partneralimentatie (tijdens en na de echtscheiding) betreft als wat de kinderalimentatie betreft. De eerste rechter heeft beoordeeld dat M. op grond van artikel 12 van het verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) van 1989 en artikel 22bis van de Belgische Grondwet het recht heeft om vrijwillig tussen te komen in de procedure tussen zijn ouders, omdat het om een kwestie zou gaan die hem aanbelangt. Moeder betwist dat de tussenkomst van M. ontvankelijk is. Vader en M. vorderen op dit punt de bevestiging van het beroepen vonnis. Daarbij werpen zij op, op blz. 4 van hun laatste conclusie, dat M. het essentieel vindt dat ook zijn stem en zijn versie worden gehoord.
- Herneming en verduidelijking van de procedurele voorgaanden en de inzet van het geschil Het hof herneemt, vooreerst, dat het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot het beroepen vonnis is ingeleid bij verzoekschriften die zijn neergelegd door vader op 12 januari
- Een eerste verzoekschrift, dat bij de eerste rechter door vader is neergelegd in de zaak met rolnummer 23/155/A, heeft betrekking op een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding die vader was verschuldigd aan moeder. Een tweede verzoekschrift, dat bij de eerste rechter door vader is neergelegd in de zaak met rolnummer 23/156/A, heeft betrekking op een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van M. en op een persoonlijke onderhoudsuitkering (tijdens het huwelijk en de echtscheidingsprocedure) die vader was verschuldigd aan moeder. M. is in beide zaken tussengekomen met een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, neergelegd op 16 mei 2023 ter griffie van de eerste rechter. En vrijwillige tussenkomst is, zoals elke rechtsvordering, onderworpen aan een belangvoorwaarde (zie, bijvoorbeeld: Luik 22 mei 2014, JLMB 2015, afl. 3, 112). Dat wil zeggen dat wie wil tussenkomen in een geschil tussen andere partijen, overeenkomstig artt. 17 en 18 Ger. W. de hoedanigheid moet hebben om vorderingen te stellen en er ook belang bij moet hebben dat recht wordt gedaan op die vorderingen. In beide zaken is de inzet van het geschil de vraag of vader, ja dan neen, en ten belope van welke bedragen en op basis van welke rechtsgrond, periodieke betalingen moet verrichten aan moeder. Vader was in het verleden bij verschillende beslissingen veroordeeld tot betaling aan moeder van periodieke onderhoudsuitkeringen, ten behoeve van moeder zelf, en ten behoeve van M., en vordert thans de retroactieve afschaffing van die onderhoudsuitkeringen. Dat is de inzet van dit geschil. Die inzet, de vorderingen die worden gesteld in de betwisting tussen vader en moeder, op grond van wetsbepalingen die, lapidair gesteld, aan de ene het recht toekennen om periodieke betalingen te vorderen van de andere, raken echter niet rechtstreeks de rechtspositie of het vermogen van M. zelf. Het hof merkt hierbij op dat het in deze zaak niet is gevat met een vordering of betwisting op grond van art. 205 oud BW, dat is de bepaling die kinderen verplicht om onderhoud te verschaffen aan hun behoeftige bloedverwanten in opgaande lijn, en evenmin met een vordering tot het bekomen van een onderhoudsuitkering lastens moeder. Eveneens merkt het hof op dat het vervullen van een onderhoudsplicht door een onderhoudsplichtige, gedwongen of spontaan, niet voor gevolg heeft dat de onderhoudsplichtige belang en hoedanigheid verkrijgt bij het betwisten van alle schulden van de onderhoudsgerechtigde ten aanzien van derden. De vorderingen die zijn gesteld en waarop het hof recht moet doen, zijn de vorderingen van vader tot retroactieve afschaffing van de onderhoudsuitkeringen die hij moet betalen aan moeder.
- Over de hoedanigheid en het (procesrechtelijk) belang van een kind bij vorderingen inzake kinderalimentatie Overeenkomstig art. 203§1 oud BW moeten ouders naar evenredigheid van hun middelen instaan voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Art. 203bis§1 oud BW bepaalt daarbij dat elke ouder bijdraagt in de kosten die hieruit voortvloeien in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen. M. zou hoedanigheid en belang kunnen hebben indien hij zelf, per hypothese en bijvoorbeeld als procesbekwaam en meerderjarig kind, een onderhoudsuitkering zou vorderen van (één van) zijn ouders, of nog, mocht het geschil betrekking hebben op een aan hemzelf al dan niet verschuldigde onderhoudsuitkering (zie, in dit verband, G. Verschelden, Handboek Belgisch Personen- familie en relatievermogensrecht, Die Keure 2023, volume 1, blz. 273). Er was echter geen dergelijke vordering aanhangig gemaakt bij de eerste rechter en er is geen dergelijke vordering gesteld in graad van beroep, waar het hof thans recht op zou moeten doen. Door of tegen M. zelf worden geen vorderingen gesteld in verband met het levensonderhoud van M.. De vordering die moet worden onderzocht, is de vordering tot retroactieve afschaffing of herziening van de kinderalimentatie voor M. die vader in zijn onderlinge verhouding met moeder, verschuldigd is aan moeder. De vorderingen die worden gesteld met betrekking tot de kinderalimentatie voor M., hebben slechts betrekking op de onderlinge bijdrage die elk van beide ouders moet leveren in de kosten van levensonderhoud van M., voor de periode dat M. nog onderhoudsgerechtigd was. Dat is een zaak tussen de ouders van M., waar M. zelf vreemd aan is. Uit de uiteenzettingen en stukken van partijen en in het bijzonder uit de voor de beslagrechter gevoerde procedure, blijkt dat M. is beginnen werken op 1 oktober 2012, dit is, ongeveer drie maanden nadat hij meerderjarig is geworden. Het staat buiten betwisting dat M. ten laatste op dat ogenblik niet langer onderhoudsgerechtigd is. Zelf houdt hij niets anders voor. Zijn verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst dateert zoals uiteengezet van 16 mei 2023, dat is meer dan vijf jaar en ook meer dan tien jaar na de datum waaromtrent partijen het eens zijn dat hij ten laatste op dat ogenblik niet langer onderhoudsgerechtigd was. Er worden geen vorderingen tot onderhoud gesteld door of tegen M. zelf in verband met het levensonderhoud van M.. M. doet in deze zaak niet blijken van de rechtens vereiste hoedanigheid of het rechtens vereiste belang om tussen te komen bij de behandeling van de vordering van vader jegens moeder tot afschaffing met ingang van 1 september 2008 van de onderhoudsbijdrage die vader ten behoeve van hem zou zijn verschuldigd aan moeder. Om die reden is zijn verzoek tot tussenkomst bij de vorderingen inzake kinderalimentatie niet ontvankelijk.
- Over de hoedanigheid en het (procesrechtelijk) belang van een kind bij vorderingen inzake partneralimentatie, op grond van de plicht tot hulp en bijstand tussen echtgenoten Op grond van art. 213 oud BW zijn echtgenoten aan elkaar hulp en bijstand verschuldigd en op grond van art. 221, eerste lid oud BW moet iedere echtgenoot naar zijn vermogen bijdragen in de lasten van het huwelijk. De kinderen van die echtgenoten hebben geen uitstaans met die rechtsverhouding tussen de echtgenoten onderling. Op grond van die bepalingen is vader in deze zaak onderhoudsplichtig gebleven jegens moeder tot het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis, op 29 juli
- M. heeft niet de hoedanigheid, noch het belang om tussen te komen bij de behandeling van de vordering die vader tegen moeder instelt om de persoonlijke onderhoudsuitkering af te schaffen die hij aan haar is verschuldigd tijdens de echtscheidingsprocedure.
- Over de hoedanigheid en het (procesrechtelijk) belang van een kind bij vorderingen inzake partneralimentatie, op grond van art. 301 oud BW Overeenkomstig art. 301 oud BW kunnen echtgenoten overeenkomen of kan de familierechter beslissen, in het echtscheidingsvonnis of later, dat de ene echtgenoot aan de andere en behoeftige echtgenoot, voor een bepaalde duur, binnen bepaalde grenzen, en onder bepaalde voorwaarden, een uitkering tot levensonderhoud zal betalen. De kinderen van die echtgenoten hebben geen uitstaans met die rechtsverhouding tussen de (ex-)echtgenoten onderling. M. heeft niet de hoedanigheid, noch het belang, om vrijwillig tussen te komen bij de behandeling van de vordering tot afschaffing van de persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding die vader is verschuldigd aan moeder.
- De toepassing van art. 931 Ger. W. Art. 931 Ger. W. bepaalt dat, onverminderd art. 1004/1 Ger. W., bloedverwanten in nederdalende lijn niet mogen worden gehoord in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben. Die bepaling steunt op de overweging dat het niet past dat bloedverwanten in nederdalende lijn stelling innemen in conflicten tussen hun ouders en is van openbare orde. Dit verbod moet worden begrepen in die zin dat geen enkele verklaring van de bloedverwanten in nederdalende lijn, ongeacht de vorm waarin ze is verkregen, tijdens een geding tussen hun ouders, in rechte mag worden overgelegd, behalve verklaringen betreffende feiten waarvan ze persoonlijk het slachtoffer zouden zijn geweest (Cass. C.23.0111.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.2, 4 januari 2024, RABG 2024, afl. 11-12, 905, noot; zie verder ook en ter illustratie en voor toepassingsgevallen: Brussel 1 februari 2022, NjW 2023, afl. 475, 95, noot R. Vasseur, Antwerpen 1 december 2020, T. Not. 2021, afl. 10, 944). De bepaling is zoals gezegd van openbare orde, en beoogt niet alleen de verklaringen of getuigenissen stricto sensu, maar in het algemeen elke tussenkomst in welke vorm ook (Famrb. Waals-Brabant 13 december 2023, Act. dr. fam. 2024, afl. 1, 5, noot S. Jaumotte). Zoals uiteengezet stelt M. zelf geen vorderingen tegen zijn vader of moeder en worden door vader of moeder geen vorderingen gesteld ten aanzien van M.. Integendeel was de eerste rechter en is het hof enkel gevat met vorderingen die zaken betreffen waarin vader en moeder, die bloedverwanten in opgaande lijn zijn van M., tegengestelde belangen hebben. M. heeft geen hoedanigheid om de vorderingen (tot afschaffing of herziening van door vader aan moeder verschuldigde onderhoudsbijdragen) die het hof moet beoordelen te stellen, en heeft evenmin procesrechtelijk belang bij de beoordeling van die vorderingen. Integendeel komt het voor dat M. door middel van zijn vrijwillige tussenkomst in strijd met het verbod van art. 931 Ger. W. stelling neemt in het conflict tussen zijn ouders. De vrijwillige tussenkomst is zoals uiteengezet op zichzelf beschouwd onontvankelijk bij gebrek aan hoedanigheid en belang. Daarnaast is de tussenkomst eveneens onontvankelijk wegens miskenning van het verbod bepaald in art. 931 Ger. W., dat van openbare orde is, en moeten de verklaringen, voor zoveel als die uitgaan van M., eveneens uit de debatten worden geweerd met toepassing van art. 931 Ger. W., en kan het hof ook om die reden geen rekening houden met de uiteenzettingen van M..
- Over de vraag of partijen subjectieve rechten kunnen ontlenen aan het IVRK Het hof heeft reeds beoordeeld dat de tussenkomst van M. naar Belgisch recht onontvankelijk is en dat zijn verklaringen, voor zoveel als die van hem uitgaan, met toepassing van het Belgisch recht uit de debatten moeten worden geweerd. M., vader, en ook de eerste rechter verwijzen naar het IVRK en houden voor dat M. aan de bepalingen van dit verdrag het recht zou ontlenen om tussen te komen in de betwisting tussen zijn ouders. Het is waar dat wanneer er een conflict bestaat tussen een internrechtelijke, Belgische norm en een bij verdrag bepaalde internationaalrechtelijke norm, die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, dat de door het verdrag bepaalde regel moet voorgaan (zie in dit verband: Cass. 27 mei 1971, Arr. Cass. 1971, 959; RW 1971-72, 424, noot; Cass. 1 april 1993, Arr. Cass. 1993, 350; TRV 1994, 186, noot S. Raes). De rechtstreekse toepassing van een internationale norm, en zeker de voorrang van een internationale norm boven de bepalingen van intern Belgisch recht, veronderstelt daarbij wel dat die internationale norm rechtstreekse werking heeft. Om rechtstreekse werking te hebben is daarbij - onder meer - vereist dat de norm van een internationaal verdrag voldoende nauwkeurig en volledig is. Dat is niet het geval voor art. 3.1 IVRK en evenmin voor art. 12 IVRK. Deze bepalingen laten aan de Belgische Staat verschillende mogelijkheden tot implementatie, en kunnen niet dienen als bron van subjectieve rechten en plichten voor privépersonen (zie, ter vergelijking, Cass. C.21.0470.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3, 26 januari 2024, JT 2024, afl. 6983, 325, noot J. Fierens; RABG 2024, afl. 11-12, 1134, noot S. Brouwers; Cass. C.98.0125.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020117.10, 17 januari 2002, Arr. Cass. 2002, afl. 1, 179, RW 2003-04, afl. 14, 534, noot W. Rauws; zie, ter vergelijking, ook nog: Cass. C.15.0200.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 10 februari 2020, Act. dr. fam. 2021, afl. 1, 12, noot M. Coune, RW 2021-22, afl. 5, 207; T. Fam. 2020, afl. 7, 198, noot P. Senaeve; Cass. P.99.0689.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.20, 10 november 1999, Arr. Cass. 1999, 1419; TJK 2000, 63, noot K. Hanson, met betrekking tot de bepaling die thans is vervat in art. 432§3 Sw; zie ook nog: Cass. 6 oktober 2017, T. Fam. 2020/5, 137-138, noot P. Senaeve.)
- De implementatie van art. 12 IVRK in de Belgische rechtsorde Artikel 12 van het IVRK luidt als volgt (met eigen onderlijning door het hof): “
- De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
- Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht”. Artikel 12 van het IVRK bepaalt dat de Staten die partij zijn bij het Verdrag, het recht van minderjarigen om te worden gehoord moeten verzekeren. Het (minderjarige) kind moet vervolgens in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord op een wijze verenigbaar met de procedureregels van het nationale recht. Daarbij wordt artikel 12 IVRK toegelicht door het VN-Comité voor de Rechten van het Kind in zijn “General Comment No. 12”
(2009)(“Committee on the rights of the child, General Comment No. 12
(2009)– The right of the child to be heard, CRC/C/GC/12, 1 July 2009”, www2.ohchr.org/english/bodies/crc/docs/AdvanceVersions/CRC-C-GC-12.pdf) (en waarbij het hof opmerkt dat waar zelfs verdragen zonder rechtstreekse werking, als wetgeving kunnen worden beschouwd, deze General Comment in elk geval in de hiërarchie van rechtsbronnen tot de rechtsleer behoort). In de General Comment No. 12
(2009)van het VN-Comité wordt onder meer (niet-limitatief) aangehaald dat: - artikel 12 IVRK één van de vier algemene principes is van de Conventie (p. 3); - sinds de goedkeuring van het Verdrag in 1989 er aanzienlijke vooruitgang is geboekt op lokaal, nationaal, regionaal en mondiaal niveau bij de ontwikkeling van wetgeving, beleidsmaatregelen en methodologieën ter bevordering van de implementatie van artikel 12 IVRK (p.3); - het recht van het kind om te worden gehoord aan de Staten die partij zijn de verplichting oplegt om hun wetgeving te herzien of aan te passen (p. 11); - de ervaring van het Comité leert dat het recht van het kind om gehoord te worden niet altijd wordt meegenomen door de Staten die partij zijn. Het Comité beveelt aan dat Staten waarborgen, via wetgeving, regelgeving en beleidsrichtlijnen, dat de mening van het kind wordt gevraagd en in overweging wordt genomen (p. 13). De General Comment No. 12
(2009)vermeldt aldus dat (en op welke wijze volgens de commentatoren) artikel 12 IVRK volgens het VN-comité door de Verdragsluitende Staten moet worden geïmplementeerd. Artikel 12 IVRK is door de Belgische wetgever – tot wie zich de verplichtingen richten die voortvloeien uit het IVRK – op heden omgezet in artikel 22bis Grondwet en de artikelen 1004/1 en 1004/2 Ger. W.; het Belgisch recht bepaalt reeds dat uitdrukkelijk dat en hoe het recht van elk kind wordt gewaarborgd om zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan, waarbij met die mening rekening gehouden moet worden in overeenstemming met zijn leeftijd en met zijn onderscheidingsvermogen (zie ook: P. Senaeve, “De taak van de voogd ad hoc in afstammingszaken in de verhouding tot de vertegenwoordigde minderjarige”, noot bij Cass. 6 oktober 2017, T.Fam. 2020/5, 142). Meer in het bijzonder bepaalt art. 1004/1 Ger. W. (o.a.) uitdrukkelijk dat: - de minderjarige (wat M. niet is, zie verder) het recht heeft gehoord te worden door een rechter; - in aangelegenheden die hem aanbelangen, - met uitzondering van vorderingen met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen en de louter financiële of vermogensrechtelijke vorderingen die het vermogen van de minderjarige niet rechtstreeks aanbelangen (zoals hier het geval is); - de rechter hoort de minderjarige op een plaats die is afgestemd op het horen van het kind; - de minderjarige mag zich laten bijstaan, bij het horen door de rechter, buiten aanwezigheid van anderen, door een vertrouwenspersoon; - het horen van de minderjarige heeft niet tot gevolg dat de minderjarige partij wordt in het geding; - en met de mening van de minderjarige wordt rekening gehouden in overeenstemming met diens leeftijd en maturiteit en eventuele invloed die op de minderjarige wordt uitgeoefend. Het hof herneemt en vat samen: - art. 12 IVRK heeft geen rechtstreekse werking, maar richt zich tot de Belgische wetgever, en is geïmplementeerd in artt. 22bis Grondwet en 1004/1 en 1004/2 Ger. W.; - die artikelen bepalen de mogelijkheid voor minderjarigen om zelf en rechtstreeks te worden gehoord door een rechter, - op de wijze en onder de voorwaarden zoals bepaald zijn in de wet, en - met de mening zoals die blijkt uit dat horen wordt vervolgens rekening gehouden in overeenstemming met diens leeftijd en maturiteit en mogelijke beïnvloeding; - art 12 IVRK vereist niet dat een minderjarige in de gelegenheid wordt gesteld tussen te komen als partij en een vordering te stellen in geschillen tussen zijn ouders en evenmin dat de minderjarige zou moeten worden bijgestaan door een advocaat (art. 1004/1§6 Ger. W. en Cass. C.15.0200.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9, 10 februari 2020, Act. dr. fam. 2021, afl. 1, 12, noot M. Coune, RW 2021-22, afl. 5, 207; T. Fam. 2020, afl. 7, 198, noot P. Senaeve). Volledigheidshalve: er wordt niet opgeworpen – en wordt niet vermoed, en is voor zoveel als het hof in dit dossier weet niet zo en er bestaat in die zin ook geen enkele aanwijzing – dat de Belgische wetgever onzorgvuldig of onvolledig zou hebben geïmplementeerd, of dat er sprake zou zijn van een inbreuk tegen de fundamentele rechten en vrijheden – in welk geval, gebeurlijk, een prejudiciële vraag zou kunnen worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof (zie, ter vergelijking wat dit punt, betreft ook: Cass. F.16.0078.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180125.5, 25 januari 2018, https://juportal.be en www.jura.be).
- Verder: het toepassingsgebied van het IVRK zelf Uit de inhoud van het IVRK zelf blijkt, ten overvloede, dat het IVRK niet van toepassing kan zijn in deze zaak. M. is zoals uiteengezet geboren op [datum] 1994 en is dus meerderjarig geworden op [datum]
- Thans is hij 30 jaar oud. Artikel 1 van het IVRK bepaalt: “voor de toepassing van dit Verdrag onder een kind wordt verstaan ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt”. Het IVRK is met andere woorden enkel van toepassing op minderjarige kinderen. Het hof herneemt dat de gedinginleidende akten in deze zaak dateren van 12 januari 2023 en het verzoekschrift tot tussenkomst van M. van 16 mei
- Ook op dat ogenblik was M. 28 jaar en 10 maanden oud en reeds geruime tijd meerderjarig, en niet langer een kind. Door de grondwetswijziging van 22 december 2008 is ook in de Belgische Grondwet een bepaling aangaande het hoorrecht (niet: de hoedanigheid als procespartij) van minderjarigen ingelast. Artikel 22bis, tweede lid van de Grondwet bepaalt: “Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen”. Het IVRK en artikel 22bis van de Belgische Grondwet zijn in deze zaak ook inhoudelijk niet van toepassing en kunnen ook om die reden geen rechtsgrond bieden op basis waarvan M. hoedanigheid en belang zou kunnen verkrijgen hebben om als partij tussen te komen in het geschil tussen zijn ouders.
- Over de verjaring van vorderingen tot retroactieve afschaffing van onderhoudsbijdragen Er is tussen partijen betwisting omtrent de toepassing van de regels inzake verjaring op de vorderingen die in deze zaak worden gesteld. Moeder houdt voor dat de vorderingen van vader (geheel of gedeeltelijk) verjaard zijn. Vader betwist dat. Het hof zet uiteen wat volgt. De vordering tot herziening van een onderhoudsuitkering (en dit kan de verhoging, de vermindering of de afschaffing zijn van een onderhoudsuitkering) is voor de doeleinden van de toepassing van de verjaringsregels niet verschillend van een vordering om een onderhoudsuitkering toe te kennen. De materiële rechtsgrond en de partijen die hoedanigheid en belang hebben om de vordering te stellen, zijn identiek. Onderhoudsverplichtingen in relationele en familiale context, zoals de onderhoudsverplichting van ouders ten aanzien van hun kinderen bepaald in art. 203 §1 oud BW, de verplichting tot hulp en bijstand tussen echtgenoten bepaald in art. 213 en 221, eerste lid oud BW, en de onderhoudsverplichting bepaald in art. 301 oud BW, bestaan krachtens de wet en ongeacht een vordering in rechte tot concretisering. De onderhoudsverplichtingen bestaan – of bestaan niet, en nemen dus ook een einde – zodra de voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook al worden ze nog niet gevorderd. Een onderhoudsschuld laat achterstallen en kan dus ook voor het verleden, retroactief, worden gevorderd - en dus ook worden toegekend of afgeschaft (zie: S. Mosselmans, “Kroniek kinderalimentatie”, RW 2023-24, 887, nr. 17, met verwijzingen aldaar, en hier met eigen toevoeging en onderlijning door het hof). Dat de onderhoudsverplichtingen bestaan (of niet bestaan) krachtens de wet, betekent ook dat elke ouder of echtgenoot behoort of wordt verondersteld te weten dat die verplichting bestaat (of niet bestaat) en vaststaand is. De onderhoudsplichtige ouder die zijn onderhoudsplicht niet spontaan nakomt, dient beducht te zijn dat een onderhoudsvordering met terugwerkende kracht kan worden ingesteld door de onderhoudsgerechtigde ouder (M. Govaerts, “Wat kan een onderhoudsplichtige ouder nog inbrengen tegen een retroactieve onderhoudsvordering”, noot bij Cass. 20 januari 2023, RABG 2023/12-13, blz. 1036). Hetzelfde geldt noodzakelijk opnieuw en omgekeerd voor de onderhoudsgerechtigde ouder ten aanzien van wie de wettelijke voorwaarden die recht geven op een onderhoudsuitkering niet langer zijn vervuld, en die zou blijven betaling ontvangen of uitvoering benaarstigen terwijl of voor een periode dat geen onderhoudsuitkering (meer) is verschuldigd. Daarbij geldt dat art. 2277 oud BW bepaalt dat schuldvorderingen van uitkeringen tot levensonderhoud en ook van de buitengewone kosten bedoeld in art. 203bis §3 oud BW (in het kader van de kinderalimentatie) verjaren door verloop van vijf jaren. Die verjaring neemt een aanvang op het ogenblik dat de aanspraak opeisbaar en de schuld betaalbaar wordt – wat het geval is zodra de toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, want de schuld bestaat rechtstreeks krachtens de wet (zie ook H. De Page en R. Dekkers, Traité, VII, nr. 1333). Uit het louter nalaten van een het instellen van een onderhoudsvordering – of dus van een vordering tot retroactieve afschaffing – kan daarbij op zich geen foutieve nalatigheid, rechtsmisbruik of rechtsverwerking in hoofde van de eiser van die vordering worden afgeleid. De vijfjarige verjaringstermijn biedt in het algemeen de nodige bescherming tegen de omvorming van opgelopen periodiek vervallen alimentatie tot een kapitaalschuld – en mildert dus ook de impact van een retroactieve afschaffing.
- Toepassing in deze zaak van de verjaringsregels op de vorderingen van vader Vader heeft zijn vorderingen tot retroactieve afschaffing van zijn onderhoudsverplichtingen in de zaak waarmee het hof thans is gevat, op een regelmatige en ontvankelijke wijze gesteld bij verzoekschriften van 12 januari
- Met die verzoekschriften en dus op die datum is de zaak ingeleid waar het hof thans kennis van neemt. Op dat ogenblik waren reeds vijf jaren verlopen sedert 11 januari
- Met toepassing van art. 2277 oud BW moet het hof nu onderzoeken of er voor de periode met ingang van 12 januari 2018 de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn om de alimentatievorderingen waarmee het hof is gevat, gegrond te verklaren of niet. Voor de periode voorafgaand aan 12 januari 2018 is de vordering van vader tot retroactieve afschaffing van zijn onderhoudsverplichtingen, verjaard, want er waren voor die periode reeds vijf jaren verlopen op het ogenblik dat vader zijn vorderingen heeft gesteld. Voor de periode vanaf 12 januari 2018 waren nog geen vijf jaren verlopen op het ogenblik dat de vorderingen van vader die het hof thans moet beoordelen, zijn gesteld. Uit dit alles volgt, en volledigheidshalve en duidelijkheidshalve merkt het hof hierbij op: - de verjaring van (een gedeelte) van de vordering tot afschaffing (of herziening of toekenning), heeft niets te maken met de verjaring van de titel waarbij die onderhoudsbijdragen gebeurlijk reeds zijn toegekend geweest; - het staat tussen partijen buiten betwisting dat hun echtscheiding in kracht van gewijsde is getreden in 2014, ruim vóór 12 januari 2018, zodat er geen toepassing dient te worden gemaakt van de regel bepaald in art. 2253 oud BW dat tussen echtgenoten de verjaring niet loopt; partijen waren immers niet langer gehuwd in de gehele niet-verjaarde periode die het hof nog kan onderzoeken; - de persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheiding, op grond de verplichting tot hulp en bijstand tussen echtgenoten zoals bepaald in artt. 213 en 221 oud BW, heeft een einde genomen bij het definitief worden van de echtscheiding in 2014, ruim vóór 12 januari 2018, zodat de vordering om die persoonlijke onderhoudsuitkering retroactief af te schaffen, is verjaard; - het staat tussen partijen zoals gezegd buiten betwisting dat M. is beginnen werken en niet langer onderhoudsgerechtigd was met ingang van 1 oktober 2012, ruim vóór 12 januari 2018, zodat er evenmin betwisting bestaat dat in elk geval met ingang van 12 januari 2018, niet langer een onderhoudsverplichting ten behoeve van M. bestaat, en de vordering om die onderhoudsuitkering met ingang van een eerdere datum af te schaffen, is verjaard; - er is in deze zaak geen sprake van rechtsmisbruik of rechtsverwerking: zoals uiteengezet wordt de impact van de laattijdigheid gemilderd door toepassing van de vijfjarige verjaring, bestaan onderhoudsplichten krachtens de wet zodat zowel de onderhoudsplichtige als ook de onderhoudsgerechtigde worden verondersteld de draagwijdte van de onderhoudsrechten en -plichten op elk ogenblik te kennen, het voordeel dat vader voor zichzelf beoogt is gelijk aan het nadeel dat hij beoogt toe te brengen aan moeder (met name komt een betaling die hij wel of niet moet verrichten ten belope van hetzelfde bedrag ten goede aan het vermogen van moeder als hij ermee wordt verarmd), en vader heeft nooit de indruk gewekt dat hij zou berusten in de uitspraken waarbij hij is veroordeeld tot betaling van een onderhoudsuitkering, maar integendeel bevestigt moeder zelf in haar laatste conclusie dat hij steeds heeft gepoogd zich te onttrekken aan zijn verplichtingen; - waar de eerste rechter en moeder gewag maken van de tienjarige verjaringstermijn bepaald in art. 2262bis oud BW, blijkt uit lectuur van het beroepen vonnis en de laatste conclusie van moeder dat zij lijken te bedoelen dat een onderhoudsplichtige over een termijn van tien jaar zou beschikken vanaf de rechterlijke beslissing waarbij een onderhoudsuitkering wordt toegekend om de herziening of afschaffing te vorderen van die onderhoudsuitkering, maar dat is niet het recht, het recht is zoals het hof hoger onder nr. 22 van dit arrest heeft uiteengezet: een onderhoudsplichtige kan op elk ogenblik de retroactieve afschaffing van elke onderhoudsuitkering vorderen, maar die retroactiviteit is beperkt tot vijf jaar.
- De periode waarvoor beoordeeld moet worden of een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding is verschuldigd door vader aan moeder Bij vonnis van 26 mei 2014 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, is vader veroordeeld tot betaling aan moeder van een persoonlijke uitkering tot levensonderhoud met een basisbedrag van 600 EUR per maand en dit gedurende 103 maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van datzelfde vonnis. Het staat buiten betwisting van partijen dat het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden op 29 juli 2014, zoals ook de eerste rechter vermeldt, zodat vader overeenkomstig het vonnis van 26 mei 2014 een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding zou zijn verschuldigd tot 28 februari
- Het hof dient dus te onderzoeken of vader voor de periode met ingang van 12 januari 2018 en tot 28 februari 2023 nog een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding is verschuldigd aan moeder, en zo ja, ten belope van welk bedrag.
- De persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding – algemene principes De toekenning van een aanspraak op alimentatie na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk is aan de zijde van de ene ex-echtgenoot afhankelijk gesteld van de behoefte aan een uitkering en aan de zijde van de andere ex-echtgenoot van de mogelijkheden om in deze behoefte te voorzien. De rechter kan op verzoek van de behoeftige ex-echtgenoot een onderhoudsuitkering na echtscheiding toekennen ten laste van de andere (draagkrachtige) ex-echtgenoot (art. 301, § 2, eerste lid oud BW). Enkel de behoeftige ex-echtgenoot kan aanspraak maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding ten laste van de andere ex-echtgenoot. Bij de bepaling van wie recht heeft op een onderhoudsuitkering na echtscheiding moet worden uitgegaan van het onevenwicht in de respectieve globale economische situatie van beide ex-echtgenoten, dit wil zeggen het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten: de minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot is behoeftig in de zin van artikel 301, § 2, eerste lid oud BW en dus in principe onderhoudsgerechtigd, de meest begoede of economisch sterkste ex-echtgenoot is in principe onderhoudsplichtig. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 april 2007 blijkt immers dat de wetgever bij de redactie van het artikel 301 oud BW op het oog had: - de economisch zwakste ex-echtgenoot in principe onderhoudsgerechtigd te maken ten aanzien van de economisch sterkste ex-echtgenoot, los van de schuldvraag en los van de procespositie als eisende of verwerende partij in de echtscheidingsprocedure; - de economisch sterkste ex-echtgenoot onderhoudsplichtig te maken ten aanzien van de economisch zwakste. Aangezien de situatie van beide partijen niet noodzakelijk dezelfde blijft, kan de initieel onderhoudsplichtige ex-echtgenoot later onderhoudsgerechtigd worden en omgekeerd. De economisch zwakste ex-echtgenoot moet zich bovendien in staat van behoefte bevinden, dit wil zeggen dat hij met zijn middelen en mogelijkheden niet in zijn behoefte kan voorzien (vgl. Cass. C.13.0076.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140206.2, 6 februari 2014). Hieronder moet worden verstaan dat daarmee minstens de elementaire behoeften moeten worden voldaan zoals onder meer de huisvesting, energie, voeding, kledij en medische kosten, rekening houdend met de normale levensstandaard waarin de onderhoudsgerechtigde gelet op zijn sociale status verkeerde (Cass. C.13.0304.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150917.14, 17 september 2015). Alleen dan kan de economisch zwakste ex-echtgenoot aanspraak maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding. Na de behoeftigheid te hebben vastgesteld, moet de rechter het daarmee overeenstemmende bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding bepalen. Overeenkomstig artikel 301, § 3, eerste lid oud BW dient het bedrag van die uitkering minimaal de staat van behoeftigheid van de onderhoudsschuldeiser te dekken, zodat die in zijn essentiële behoeften kan voorzien. Bij het vastleggen van de hoegrootheid van de toe te kennen onderhoudsuitkering na echtscheiding zal de rechter rekening houden met: - enerzijds de globale inkomsten, lasten en mogelijkheden om inkomsten te verwerven bij beide ex-echtgenoten; - anderzijds met een door hem vast te stellen aanzienlijke terugval in de economische situatie en verdienmogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde door of wegens het huwelijk en gebeurlijk wegens de echtscheiding (art. 301, § 3, tweede lid oud BW). De rechter waardeert die aanzienlijke terugval door zich in concreto te baseren op: - het gedrag van de partijen inzake de organisatie van hun noden tijdens het samenleven, de levenskeuzes die zij toen gemeenschappelijk hebben gemaakt en het ten laste nemen van de opvoeding en / of het onderhoud van de gemeenschappelijke kinderen tijdens het samenleven en erna, die niet alleen invloed hadden op de levenssituatie en -standaard van de partijen, maar mogelijk ook in meerdere of mindere mate op de te verwachten ontwikkeling in de beroepsmogelijkheden en het verdienvermogen van de onderhoudsgerechtigde; - de duur van het huwelijk; - de leeftijd van de partijen. Waar de bewoordingen 'ten minste' in artikel 301, § 3, eerste lid oud BW aangeven dat de onderhoudsuitkering nooit minder mag bedragen dan hetgeen nodig is om de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde te dekken, kan die uitkering derhalve hoger liggen in het geval een aanzienlijke terugval in de economische toestand van de onderhoudsgerechtigde plaats heeft gevonden. De rechter kan rekening houden met (enkel) de terugval door of wegens het huwelijk, maar (daarnaast) ook met de terugval wegens de echtscheiding. De rechter mag derhalve de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven in aanmerking nemen, althans indien bijzondere omstandigheden voorhanden zijn. De lange duur van het huwelijk en de hoge leeftijd van de onderhoudsgerechtigde kunnen bijvoorbeeld dergelijke bijzondere omstandigheden uitmaken. De rechter bepaalt die aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde op een in feite onaantastbare wijze. De toekenning van een hoger bedrag dan het minimum wegens de aanzienlijke terugval in de economische toestand van de uitkeringsgerechtigde veronderstelt een vergelijking tussen de daadwerkelijke economische situatie op het ogenblik van de echtscheiding en de situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienvermogen door niet- of onderbenutting van zijn professionele mogelijkheden. Bij het vaststellen van de hoegrootheid van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding wordt uiteraard ook rekening gehouden met de fiscale weerslag ervan voor beide partijen. De uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding strekt er geenszins toe de uitkeringsgerechtigde louter in de levensstandaard van tijdens het samenleven als gehuwden te herstellen, alhoewel hiermee rekening moet worden gehouden. De rechter kan in het algemeen een vastgestelde aanzienlijke economische terugval van de onderhoudsgerechtigde gedeeltelijk compenseren door die mede in rekening te brengen bij het bepalen van het bedrag van de uitkering na echtscheiding. Tot bepaling van de economische draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt rekening gehouden met zijn werkelijke inkomsten, met zijn werkelijke lasten en met zijn daadwerkelijke mogelijkheden om inkomsten te verwerven. De onderhoudsuitkering na echtscheiding wordt voorts bekomen uit de inkomsten én goederen van de onderhoudsplichtige, met deze beperking weliswaar dat de uitkering 1/3de van zijn netto-inkomsten (niet van zijn goederen) niet mag overschrijden (art. 301, § 3, derde lid oud BW). De netto-inkomsten betreffen het bedrag dat de onderhoudsplichtige overhoudt na aftrek van zijn fiscale en sociale lasten. De omstandigheid echter dat de 1/3de grens aldus niet mag worden toegepast op het patrimonium (zoals de waarde van onroerende goederen, waardepapieren en kapitaal) zelf van de onderhoudsplichtige, betekent nochtans niet dat er geen rekening mag worden gehouden met de inkomsten van die goederen of met de inkomsten welke die goederen normaal voortbrengen.
- Aanpassing van een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding in functie van nieuwe omstandigheden Overeenkomstig art. 301§7 oud BW kan de familierechter op vordering van partijen die uitkering verhogen, verminderen of afschaffen indien het bedrag ervan niet meer is aangepast ingevolge nieuwe omstandigheden, onafhankelijk van de wil van partijen. In deze zaak moet het hof de vergelijking maken tussen de situatie zoals die bestond bij het in sluiten van de debatten en in beraad nemen van de zaak op 5 mei 2014, waarna het vonnis van 26 mei 2014 is gevolgd, en de situatie zoals die bestond in de periode tussen 12 januari 2018 en 28 februari 2023, rekening houdende met de nieuwe omstandigheden die vader naar voren brengt. Het hof verduidelijkt daarbij dat het vonnis van 26 mei 2014 niet beroepen is geweest maar integendeel reeds zeer geruime tijd in kracht van gewijsde is getreden, en dat er dus geen mogelijkheid meer bestaat om nog op te werpen dat het vonnis van 26 mei 2014 zou zijn geschraagd op een onjuist feitenrelaas of anders behept met onregelmatigheden. Het staat buiten betwisting en is vanzelfsprekend dat het hof niet is gevat met een hoger beroep tegen het vonnis van 26 mei 2014, en dat een dergelijk hoger beroep manifest laattijdig zou zijn. De rechter heeft in het vonnis van 26 mei 2014, door het hof beknopt samengevat, rekening gehouden met de volgende feitelijke omstandigheden: - moeder is geboren op 19 april 1966 en werkt sedert 14 december 2009 als arbeidster; - zij werkt deeltijds, 24 uur per week, en ontvangt een wedde van ongeveer 950 EUR netto per maand, waarbij nog vakantiegeld en eindejaarspremie moet worden gerekend; de rechter houdt er evenwel rekening mee dat zij voltijds zou kunnen werken; - zij brengt geen stukken bij en meldt niet dat zij een woonkost zou te dragen hebben; - vader is ambtshalve afgeschreven sedert 2010, is zonder gekende woon- of verblijfplaats, laat verstek in de procedure, en moeder kan redelijkerwijze geen stukken of informatie meedelen omtrent zijn inkomsten of mogelijkheden, zodat de inkomsten, middelen, mogelijkheden en kosten van vader niet kunnen worden geraamd; - de rechter neemt aan dat moeder de behoeftige echtgenoot is en in staat van behoefte verkeert. Het hof overloopt de elementen die vader aanhaalt en in verband waarmee hij voorhoudt dat er sprake is van nieuwe omstandigheden: - het faillissement van vader dateert blijkens zijn eigen stukkenbundel en verklaringen van 2008, zodat dit geen nieuwe omstandigheid is die zich heeft voorgedaan na het sluiten van de debatten op 5 mei 2014; - hetzelfde geldt voor de tewerkstelling van vader in de periode 2008 tot 2011, zoals die zou blijken uit zin stukken 10 en 11, en uit zijn ambtshalve afgeschreven zijn, een omstandigheid die de rechter in het vonnis van 26 mei 2014 uitdrukkelijk vermeldt en die dus geen nieuwe omstandigheid kan vormen; - dat dus ook de rechter in het vonnis van 26 mei 2014 reeds rekening hield met het afgeschreven zijn van vader en het ontbreken van relevante informatie zijnerzijds en dat de bestendiging van die toestand in de periode nadien geen nieuwe omstandigheid kan vormen; - waar vader als zijn stuk 23 een verklaring, gedateerd op 12 juli 2024 bijbrengt, waarin S.J. zich kenbaar maakt als bestuurder van bv MKGRO en verklaart dat vader sedert 9 februari 2016 bij hen uit dienst is omdat hij (bij hen) niet langer de arbeid kon verrichten die hij (bij hen) moest verrichten omwille van zijn fysieke toestand, dat het hier gaat om één verklaring van één persoon, waarmee het hof, ook indien het waar is dat vader op dat ogenblik tewerkgesteld was bij MKGRO en dat die tewerkstelling toen is beëindigd naar aanleiding van de fysieke toestand van vader, in het geheel niet op een ernstige en afdoende wijze is voorgelicht omtrent de inkomsten, middelen, mogelijkheden en kosten van vader in 2016; dat het hof in het bijzonder niet weet hoeveel zijn inkomsten voor dat jaar, net zoals voor de periode voordien, bedroegen, of hoe zijn verdienvermogen anders geraamd zou kunnen worden, of wat zijn kosten waren; - zodat het hof, samen met de eerste rechter op blz. 11 van het beroepen vonnis, slechts de invaliditeit van vader met ingang van 1 april 2021 en zoals die blijkt uit zijn stuk 19 als nieuwe omstandigheid kan bewezen achten; - terwijl voor de periode daaraan voorafgaand, dit wil zeggen, van januari 2018 tot maart 2021, niet het bewijs wordt geleverd van nieuwe omstandigheden ten opzichte van 5 mei 2014; - dat vader een aanslagbiljet voor inkomstenjaar 2021, aanslagjaar 2022, bijbrengt, waaruit voor dat jaar geen belastbare inkomsten blijken, terwijl het hof niet beschikt over nadere informatie voor de periode 2014 tot 2020 inbegrepen. Net zoals de eerste rechter oordeelt ook het hof dat uit de verklaringen en stukken van partijen blijkt dat er met ingang van 1 april 2021 niet langer sprake is van een onevenwicht in de economische situaties van beide ex-echtgenoten. Het hof maakt zich op dit punt de oordeelkundige motieven eigen van de eerste rechter, zoals die worden toegelicht op blz. 11 en 12 van het beroepen vonnis, die hier als hernomen moeten worden beschouwd, en zoals die door partijen niet afdoende worden weerlegd, minstens niet aan de hand van voldoende overtuigende stukken.
- De kosten van de rechtspleging De eerste rechter heeft correct geoordeeld over de kosten van de rechtspleging. Ook in graad van beroep zijn de vorderingen van partijen gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk onontvankelijk, dan wel ongegrond verklaard. Een verdeling bij helften van de kosten van de rechtspleging dringt zich op, zoals hierna begroot. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 en de andere bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep gegrond in de mate zoals hierna bepaald, en voor het overige, ongegrond; Bevestigt, in de mate dat het is bestreden, het beroepen vonnis van 5 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, met dien verstande dat: - de vordering in vrijwillige tussenkomst van M. De P is onontvankelijk en wordt afgewezen; - de verklaringen en uiteenzettingen van M. De P worden geweerd uit de debatten in de mate dat zij uitgaan van M. De P; - de vordering tot afschaffing van de maandelijkse onderhoudsbijdrage die J. De P aan N. D moet betalen ten behoeve van M. De P, is zonder voorwerp voor de niet-verjaarde periode, nu M. De P ten laatste sedert 1 oktober 2012 niet langer onderhoudsgerechtigd was en er ten behoeve van hem ten laatste op dat ogenblik niet langer een onderhoudsbijdrage is verschuldigd, en wordt afgewezen; - de vordering tot afschaffing van de maandelijkse onderhoudsbijdrage die J. De P aan N. D moet betalen ten behoeve van M. De P, is voor het overige verjaard, en wordt afgewezen; - de vordering tot afschaffing van de persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure die J. De P is verschuldigd aan N. D, is verjaard, en wordt afgewezen; - de beslissing van de eerste rechter dat J. De P met ingang van 1 april 2021 niet langer een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding is verschuldigd aan N. D, wordt bevestigd, net zoals de beslissing van de eerste rechter omtrent de kosten van de rechtspleging in eerste aanleg; Wijst het in graad van beroep meer of anders gevorderde af als onbewezen en ongegrond; Veroordeelt J. De P, M. De P en N. D tot de gedingkosten in hoger beroep, te begroten op:
(1)het reeds in rekening gebrachte en door de griffie geïnde bedrag van 24,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (BS 31 maart 2017),
(2)400,00 euro rolrecht in hoger beroep voor de Belgische Staat, FOD Financiën met toepassing van artikel 269
(1)en
(2)W. Reg. Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen om. Verplichte vermeldingen
(1)DAVO: De Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) bij de FOD Financiën, die tot opdracht heeft het toekennen van voorschotten op onderhoudsbijdragen en de invordering van verschuldigde onderhoudsbijdragen, kan bereikt worden: - via de website: https://financien.belgium.be/nl/particulieren/gezin/onderhoudsgeld/davo - telefonisch: 0257/257.57 - per e-mail: davo@minfin.fed.be - adres: DAVO Intake, Gaston Crommenlaan 6 bus 110, 9050 Gent
(2)Ontvangstmachtiging: Ingeval de onderhoudsplichtige nalaat om correct de bij dit arrest bepaalde onderhoudsbijdrage te betalen, kan de onderhoudsgerechtigde van de familierechtbank de machtiging verkrijgen om de verschuldigde bedragen rechtstreeks in ontvangst te nemen op het loon, de sociale uitkering of elke andere door een derde aan de onderhoudsplichtige verschuldigde geldsom, overeenkomstig artikel 203ter oud BW. Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 23 december tweeduizend vierentwintig. Aanwezig: Jelle Flo, raadsheer - alleenrechtsprekend Kevser Aygün, griffier Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.20 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020117.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140206.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150917.14 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180125.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div