id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250114.1 Rolnummer: 2024/FA/696 Zaak: EC v. S.C. Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2025-02-15 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-19 06:48 Fiche Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Personen Vrije woorden: Ouderlijk gezag - horen minderjarige kinderen - bijstand raadsman - vertrouwenspersoon Tekst van de beslissing E.C., appellant, hebbende als raadsman mr. BONNY Veronique tegen S.C., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE JONGHE Nathalie wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN 1. De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter beknopt en helder maar zonder dat het hof op heden kan nagaan of dit ook correct is gebeurd, uiteengezet in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent, familie- en jeugdrechtbank, kamer 16DB, d.d. 6 november 2024 (het beroepen vonnis). Het hof herneemt op dit ogenblik slechts, en duidelijkheidshalve, dat E.C. (vader) en S.C. (moeder) de ouders (vader en moeder samen ook: partijen) zijn van M., geboren te O. op [DD-MM] 2015 (M.). In dit beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) Verklaart de vorderingen van de partijen ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald. 1. Zegt dat het ouderlijk gezag over het gemeenschappelijke minderjarige kind M., geboren te O. op [DD-MM] 2015, exclusief door de moeder wordt uitgeoefend. Zegt dat dit onder meer inhoudt dat de moeder zich met M. naar het buitenland mag begeven zonder toestemming van de vader. Zegt dat de vader zich enkel met uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de moeder met M. naar het buitenland mag begeven. 2. Zegt dat M. ingeschreven blijft op het adres van de moeder als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf. Zegt dat de moeder het fiscaal voordeel verbonden aan deze inschrijving geniet. 3. Zegt dat M. een secundair verblijf bij de vader zal kennen als volgt. Eenmaal om de 14 dagen waarbij de vader op zaterdag M. ophaalt op de locatie waar er dan voetbal is en waarbij de moeder op zondag om 18u M. ophaalt bij de vader in O. 4. Zegt dat het groeipakket en de sociale voordelen aan de moeder toekomen. 5. Veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van M. van 250,00 euro per maand, vooruit de eerste van de maand en ten huize van de moeder te voldoen vanaf 1 augustus 2024. Zegt dat deze bijdrage jaarlijks en voor het eerst op 1 augustus 2025 zal worden aangepast aan de schommeling van de index van de consumptieprijzen volgens de formule: basisuitkering x index juli jaar aanpassing aanvangsindex juli 2024 6. Zegt dat elke partij gehouden is tot betaling van de helft van de buitengewone kosten en kosten die het verblijf overstijgen, volgens de limitatieve opsomming en de modaliteiten zoals hierna omschreven. Conform het K.B. van 22 april 2019 tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan (B.S. 2 mei 2019) bepaalt de Koning welke onderhoudskosten voor kinderen buitengewone kosten zijn, welke kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en akkoord, en hoe de kosten moeten worden afgerekend. In het K.B., dat in werking getreden is op 12 mei 2019, wordt het volgende bepaald : Artikel 1. Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, zijn de buitengewone kosten, bedoeld in artikel 203bis, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, beperkt tot de volgende kosten: 1° de volgende medische en paramedische kosten: a)de behandelingen door artsen-specialisten en de medicaties, gespecialiseerde onderzoeken en verzorging die zij voorschrijven; b)de kosten van heelkundige ingrepen en van hospitalisatie en de specifieke behandelingen die eruit voortvloeien; c)de medische en paramedische kosten en hulpmiddelen waaronder orthodontie, logopedie, oftalmologie, psychiatrische of psychologische behandeling, kinesitherapie, revalidatie, prothesen en apparaten, met name de aankoop van een bril, een beugel, contactlenzen, orthopedische zolen en schoenen, hoorapparaten en een rolstoel; d)de jaarlijkse premie van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering die de ouders of één van hen moeten betalen. De premie moet betrekking hebben op de kinderen; en dit: - voor zover de kosten bedoeld onder a),
- b)en
- c)voorgeschreven zijn door een bevoegde arts of instantie; en - onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds, van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering. 2° de volgende kosten betreffende de schoolse opleiding: a)meerdaagse schoolactiviteiten tijdens het schooljaar zoals ski-, zee- en bosklassen, school- en studiereizen en stages; b)noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal en/of schoolkledij, aan speciale taken verbonden, die vermeld staan op een lijst die de onderwijsinstelling aflevert; c)het inschrijvingsgeld en de cursussen voor hogere studies en bijzondere opleidingen alsook niet gesubsidieerd onderwijs; d)de aankoop van informatica-apparatuur en printers met de softwareprogramma's die voor de studie noodzakelijk zijn; e)de bijlessen die het kind moet volgen om in zijn schooljaar te slagen; f)de kosten verbonden aan de huur van een studentenkamer; g)bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma; na aftrek van eventuele school- en studietoelagen en andere studiebeurzen. 3° de volgende kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind, nl.: a)kosten voor kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar; b)lidgeld, basisbenodigdheden en kosten voor kampen en stages in het kader van culturele, sportieve of artistieke activiteiten; c)inschrijvings- en examengeld voor de rijopleiding en de theoretische en praktische examens voor een rijbewijs voor zover dit niet kosteloos langs de school kan behaald worden maar via een rijschool moet gebeuren; alle overige kosten die de ouders in een gezamenlijk akkoord als buitengewoon benoemen of die als zodanig door de rechter gekwalificeerd worden. Artikel 2. Behalve in geval van hoogdringendheid of bewezen noodzakelijkheid, moeten al de in artikel 1 bedoelde kosten het voorwerp uitmaken van een voorafgaand overleg en akkoord, zowel wat de opportuniteit van de uitgave betreft als de hoogte ervan. Artikel 3. §1 Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, dienen de buitengewone kosten: -driemaandelijks te worden afgerekend; -vergezeld te gaan van een kopie van de bewijsstukken door de ouder die de betaling vraagt; en -te worden betaald binnen de vijftien dagen na de mededeling van de afrekening vergezeld van de bewijsstukken. §2 De ouder die de school- en studietoelagen en/of andere studiebeurzen, een tussenkomst van het ziekenfonds, hospitalisatieverzekering of een andere aanvullende verzekering ontvangt of geniet, bezorgt van zodra deze voorhanden zijn en minstens jaarlijks in de maand september een overzicht van alle ontvangen bedragen samen met een kopie van de bewijsstukken. En gelet op de aard van de zaak, nl. geen winnaars/geen verliezers gezien het feit dat het belang van het kind primeert, zegt dat er geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend en verwijst, behoudens toepassing van artikel 1024 Ger. W., partijen elk in de helft van de kosten van het geding, begroot op 24 euro bijdrage aan het Fonds Juridische Tweedelijnsbijstand. Veroordeelt de partijen tot betaling van het rolrecht van 165 euro aan de Belgische Staat, elk voor de helft. Wettelijke bepalingen Ingeval de onderhoudsplichtige nalaat om correct de bij dit vonnis bepaalde onderhoudsbijdrage te betalen, kan de onderhoudsgerechtigde van de familierechtbank de machtiging verkrijgen om de verschuldigde bedragen rechtstreeks in ontvangst te nemen op het loon, de sociale uitkering of elke andere door een derde aan de onderhoudsplichtige verschuldigde geldsom, overeenkomstig artikel 203ter B.W.. De "Dienst voor alimentatievorderingen" (DAVO) kan bijstand bieden aan de onderhoudsgerechtigde ouder voor de invordering van verschuldigde onderhoudsbijdragen op de onderhoudsplichtige ouder. Deze dienst kan voorschotten aan de onderhoudsgerechtigde ouder uitkeren (meer info op (betalend) telefoonnummer 02/572.57.57 of op (gratis) telefoonnummer 0800/123.02 website https://financien.belgium.be/nl/particulieren/gezin/onderhoudsgeld/davo of e-mail naar davo@minfin.fed.be)' Zegt dat dit vonnis van rechtswege uitvoerbaar is bij voorraad. (...)” II. HOGER BEROEP 2. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 3 december 2024 stelt vader hoger beroep in tegen het vonnis van 6 november 2024 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer 16DB. 3. Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend. 4. Op 7 januari 2025 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Krachtens artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. hoort de voorzitter de partijen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. In toepassing van artikel 1253ter/3, §1 Ger.W. stelt de voorzitter de partijen voor om de mogelijkheid van een minnelijke schikking of bemiddeling te onderzoeken. Eveneens ter inleidingszitting meldt advocaat-generaal Inge T’ Hooft voorlopig geen advies te zullen uitbrengen in dit dossier. 5. Blijkens verzoekschrift van 3 december 2024 beoogt vader om: "Het hoger [beroep] ontvankelijk en gegrond te verklaren, Het bestreden vonnis van 06/11/2024 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen sectie familie- en jeugdrechtbank te Gent AR nr. 24/2163 te niet te doen en te hervormen op het punt 1. waarbij geoordeeld wordt dat het ouderlijk gezag over het gemeenschappelijk kind M. exclusief door de moeder wordt uitgeoefend. Dat dit inhoudt dat de moeder zich met M. naar het buitenland mag begeven zonder toestemming van de vader. Dat de vader enkel met uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de moeder met M. naar het buitenland mag reizen. Op hoger beroep van appellant te horen zeggen voor recht dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over M. en gezamenlijk aan elkaar toestemming moeten vragen als zij het kindje willen meenemen naar het buitenland. Nopens de overige punten het bestreden vonnis te bevestigen. Kosten als naar recht.” 6. Moeder legt nog geen conclusies neer in hoger beroep. 7. Het hof heeft de partijen gehoord in raadkamer in hun middelen en conclusies ter zitting van 7 januari 2025. Vader en moeder zijn daarbij in persoon aanwezig. Ter zitting vraagt het hof partijen standpunt in te nemen over de vraag of het beroepen vonnis op een regelmatige wijze tot stand is gekomen en omtrent de vraag of het in deze zaak aangewezen is een maatschappelijk onderzoek te bevelen, zodat het hof kan worden voorgelicht omtrent de feitelijke gegevens die relevant kunnen zijn om recht te doen op hun vorderingen. De advocaat van vader verduidelijkt dat de betwisting betrekking heeft op de uitoefening van het ouderlijk gezag over M., en vraagt om het beroepen vonnis met betrekking tot die beslissing teniet te doen. Er is geen betwisting omtrent de verblijfsregeling. Zij bevestigt dat een maatschappelijk onderzoek nuttig kan zijn om het hof voor te lichten, en heeft daar geen bezwaar tegen. Evenmin heeft zij er bezwaar tegen dat, zoals de advocate van moeder vraagt tijdens de inleidingszitting, conclusietermijnen en een rechtsdag zouden worden bepaald. De advocaat van moeder vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis. Zij houdt voor dat het beroepen vonnis op een regelmatige manier tot stand is gekomen. Zij merkt op dat partijen nog geen standpunt hebben ingenomen in conclusie en nog geen stukken hebben neergelegd, aan de hand waarvan zij het hof zouden kunnen voorlichten. Volgens de advocaat van moeder is het niet vereist om een maatschappelijk onderzoek te bevelen in deze zaak. Hierop sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad. 8. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING 9. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Moeder heeft tijdens de inleidingszitting van 7 januari 2024 niet opgeworpen dat het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hof ziet ambtshalve niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Vader was partij bij een beslissing van de eerste rechter waarbij een vordering die hij heeft gesteld is afgewezen geweest, en doet in die mate dus ook blijken van het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep is ontvankelijk. 10. Het hof heeft vooreerst aan partijen gevraagd om standpunt in te nemen omtrent de vraag of het beroepen vonnis, in de mate dat het wordt bestreden, op een regelmatige manier is tot stand gekomen. Het hof vat samen, zoals hierna omstandiger toegelicht: - Partijen kunnen hun vordering voor de familierechter brengen door middel van een verzoekschrift. De familierechtbank mag aan de vorm van dat verzoekschrift geen voorwaarden stellen die de wet niet bepaalt. - Vervolgens moet hun zaak worden opgeroepen voor een inleidende zitting die moet plaatsvinden binnen de vijftien dagen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift. - Daar moeten zij dan tegenspraak kunnen voeren over eventuele maatregelen die de familierechter ambtshalve beoogt te bevelen om aan waarheidsvinding te doen, zoals een maatschappelijk onderzoek of de aanstelling van een deskundige. Dat kan beknopt en mondeling, maar moet wel gebeuren. Partijen moeten de kans krijgen om daarover hun inzichten te delen en standpunt in te nemen. - Minderjarige kinderen kunnen worden gehoord overeenkomstig de bepalingen van artt. 1004/1-1004/3 Ger. W., en soms moet dat ook, en die minderjarige kinderen kunnen zich bij dat horen laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, die zij zelf kiezen, als zij dat wensen. - De familierechter kan niet ambtshalve een advocaat of een vertrouwenspersoon aanstellen voor minderjarigen die geen partij zijn in het geding, en er is geen mogelijkheid om het horen van de minderjarige te delegeren naar een advocaat, of anders te organiseren dan zoals de wet het bepaalt. - De vertrouwenspersoon van de kinderen mag niet aanwezig zijn in de raadkamerzittingen, net zomin als de kinderen zelf, of andere derden. - Overeenkomstig artt. 149 Grondwet en 780 Ger. W., samen gelezen met artt. 1004/1 Ger. W. en 1253ter/6, laatste lid Ger. W. moeten vonnissen met redenen zijn omkleed en moet een familierechter bij zijn beslissingen in bepaalde aangelegenheden rekening houden met de mening van minderjarigen. Dit zijn allemaal bepalingen van dwingend recht. Met die bepalingen wordt beoogd om de rechtspleging behoorlijk te doen verlopen, en heeft de wetgever gepoogd om een evenwicht te vinden en een invulling te geven aan soms conflicterende grondrechten in aangelegenheden die tot de persoonlijke levenssfeer van partijen behoren. In deze zaak is de rechtspleging die heeft geleid tot de beroepen beslissing verlopen met miskenning van die bepalingen, als volgt: - Het gedinginleidend verzoekschrift is geen verzoekschrift, dat het voorwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering zou moeten bevatten, of nog een vrij relaas van relevante feitelijke voorgaanden, een bespreking omtrent hoe het recht moet worden toegepast, en een beschikkend gedeelte met de vorderingen die worden gesteld, maar een invulformulier. - De wettelijk spoedeisende zaak is niet opgeroepen geweest voor een inleidingszitting binnen de vijftien dagen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift. Dat kan soms gebeuren. Maar in deze zaak zijn er zeventig dagen verstreken tussen de neerlegging van het verzoekschrift en de inleidingszitting. - De familierechter heeft bij brief van 11 september 2024 ambtshalve een advocaat doen aanstellen ten behoeve van het minderjarige kind van partijen, als “vertrouwenspersoon”. - Het is voor het hof uit het dossier niet duidelijk of die advocaat dan optreedt als advocaat, of als vertrouwenspersoon in de zin van art. 1004/1 Ger. W. en in het kader van het horen van de minderjarige zoals bepaald in artt. 1004/1 Ger. W. en volgende, dan wel of dit een onderzoeksmaatregel is om aan waarheidsvinding te doen, of nog, in het algemeen, welk doel is beoogd met die – in elke hypothese onregelmatige – beslissing. - Partijen hebben in elk geval geen tegenspraak kunnen voeren over die beslissing om een advocaat aan te stellen. - Het minderjarige kind is in elk geval niet gehoord door de familierechter, al dan niet bijgestaan door een vertrouwenspersoon. - De door de familierechter op onregelmatige wijze aangestelde “vertrouwenspersoon” is vervolgens gehoord geweest tijdens de inleidingszitting, in raadkamer, naar het hof aanneemt, want er is geen verslag beschikbaar, om aldaar de belangen van de minderjarige te behartigen of anders om een uiteenzetting te doen waarvan het hof de inhoud niet kent. - Het is voor het hof uit het beroepen vonnis en uit het dossier van rechtspleging niet duidelijk of en op welke manier met de uiteenzetting van de “vertrouwenspersoon” of anders, met de mening van het kind, rekening is gehouden geweest door de familierechter om de beslissing te nemen zoals die is genomen. 11. Art. 144 Grondwet bepaalt dat geschillen over burgerlijke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. Artt. 1 en 2 Ger. W. bepalen dat het Ger. W. de rechtspleging voor de hoven en rechtbanken regelt, en dat die regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen. De materiële bevoegdheid van de familierechtbank is (o.a.) bepaald in art 572bis Ger. W. en behalve het gemeen procesrecht bevatten ook (o.a.) de bepalingen van artt. 1253bis tot 1253octies Ger. W. regels van procesrecht die van toepassing zijn op de rechtspleging bij de familierechtbank. Overeenkomstig art. 572bis, 4° en 7° Ger. W. is de familierechtbank bevoegd om recht te doen op vorderingen die betrekking hebben op de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling of het recht op persoonlijk contact ten aanzien van minderjarige kinderen en op vorderingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen. Dit zijn dan vorderingen die gebeurlijk door de ene ouder tegen de andere ouder worden gesteld, en waarop de familierechter, als burgerlijke rechter, dan recht moet doen – en waarbij die rechter dan de regels van het burgerlijk en familiaal procesrecht moet toepassen. Het hof merkt hierbij ook reeds op dat alle beginselen en regels van burgerlijk procesrecht van toepassing blijven in familiezaken, tenzij waar het bijzonder familieprocesrecht daarvan afwijkt. 12. Overeenkomstig art. 700 Ger. W. worden vorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, of nog bij verzoekschrift, als een bijzondere regel dat mogelijk maakt. In zgn. spoedeisende familiezaken geldt als bijzondere regel dat vorderingen met betrekking tot (o.a.) het ouderlijk gezag overeenkomstig art. 1253ter/4 §2 Ger. W. worden geacht spoedeisend te zijn, en kunnen worden ingesteld hetzij bij dagvaarding, hetzij bij verzoekschrift op tegenspraak, hetzij bij gezamenlijk verzoekschrift. De voorwaarden waaraan een dergelijk verzoekschrift moet voldoen, zijn bepaald in artt. 1253ter juncto 1034bis en volgende Ger. W. en het komt de rechter (of het rechtscollege, of een afdeling van het rechtscollege) niet toe om bijkomende voorwaarden te stellen waaraan de akte van rechtsingang zou moeten voldoen. In deze zaak is dat wel gebeurd, naar het hof aanneemt, overeenkomstig de usantiën van de afdeling Gent van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, en met als gevolg, behalve dat partijen op onregelmatige wijze in hun vrijheid zijn beknot geweest om hun zaak te verdedigen zoals hen dat goeddunkt, dat het hof thans niet beschikt over een deugdelijke Hof van beroep Gent – 2024/FA/696 – p. 10 korte samenvatting van de middelen van de vordering, over een vrij relaas van feitelijke voorgaanden en een helder beschikkend gedeelte. 13. Het hof weet niet uit het dossier waarom aan partijen is opgelegd geweest om een gedinginleidend invulformulier te gebruiken. Voor zoveel als de bedoeling zou zijn om werkprocessen te uniformiseren en de rechtspleging vlotter te doen verlopen, is dat niet een resultaat dat is bereikt. Art. 1253ter/4 §2 Ger. W., voorlaatste lid, bepaalt dat de inleidende zitting moet plaatsvinden uiterlijk binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie. Het gedinginleidend invulformulier is neergelegd op 14 augustus 2024 en partijen zijn pas voor hun familierechter kunnen verschijnen op 23 oktober 2024. Van 14 augustus 2023 tot 23 oktober 2023 zijn zeventig dagen verstreken. 14. Ook in familiezaken geldt onverkort het beschikkingsbeginsel, en de regel van art. 811 Ger. W. dat een rechter niet ambtshalve mag bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Het hof merkt hierbij ook op dat noch de artt. 3, 9 of 12 IVRK, noch art. 8 EVRM of art. 22bis Grondwet vereisen dat minderjarige kinderen als partij kunnen tussenkomen en een vordering zouden kunnen stellen in geschillen tussen hun ouders met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag over hun persoon, de verblijfsregeling of de uitoefening van het recht op persoonlijk contact door de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent. Overeenkomstig art. 1004/1 § 1, Ger. W. heeft elke minderjarige het recht gehoord te worden door een rechter in materies die hem aanbelangen aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact. Krachtens art. 1004/1, §6 Ger. W. wordt aan de mening van de minderjarige passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit, maar heeft het onderhoud van de familierechter met de minderjarige niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt (Cass. C.15.0200.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9, 10 februari 2020, Act. dr. fam. 2021, afl. 1, 12, noot M. Coune; R.W. 2021-22, afl. 5, 207; T. Fam. 2020, afl. 7, 198, noot P. Senaeve). Eveneens merkt het hof op dat het ook een uitdrukkelijke en recente keuze is geweest van de wetgever om minderjarige kinderen niet tussen te laten komen als partij in geschillen tussen hun ouders met betrekking tot hoe die ouders de uitoefening van het ouderlijk gezag of de verblijfsregeling willen organiseren (Parl. St. Kamer 2019-2024, nr. 55-780, volledige wetgevingsdossier). Ook de wijze waarop art. 12 IVRK wordt geïmplementeerd en waarop minderjarige kinderen worden gehoord door een familierechter en bij dat horen kunnen worden bijgestaan door een vertrouwenspersoon – die de minderjarige zelf kiest, niet een vertrouwenspersoon die ambtshalve wordt aangesteld door een rechter of aangewezen door de balie – weerspiegelt recente keuzes die de wetgever heeft gemaakt met de aanpassing van artt. 1004/1 – 1004/3 Ger. W. (Wet 28 maart 2024, BS 29 maart 2024, err. BS 4 april 2024). Dit alles impliceert ook en noodzakelijk dat een familierechter die wordt gevat met een vordering van één ouder tegen een andere ouder, geen andere partij, minderjarig of meerderjarig, mag betrekken in het geding, en niet ambtshalve een advocaat mag aanstellen om de belangen van een derde in die procedure ter zitting te komen behartigen. 15. Naast de onderzoeksmogelijkheden naar gemeen procesrecht (zoals die zijn vermeld in het Ger. W.) bestaan ook specifieke bepalingen voor de familierechter om aan waarheidsvinding te doen (zoals die ook zijn vermeld in het Ger. W.). Art. 1253ter/6 Ger. W. vermeldt (onder meer) dat de familierechter een deskundig onderzoek of een maatschappelijk onderzoek kan bevelen, en vermeldt ook dat de rechtbank in voorkomend geval rekening houdt met de meningen van de kinderen die zijn geuit geweest op de wijze bepaald bij art. 1004/1 Ger. W. Terzijde: het horen van de kinderen en het in rekening brengen van de door de kinderen uitgedrukte mening bij de beoordeling van de vorderingen van partijen – en dat is de taak van de familierechter – impliceert ook en noodzakelijk dat het horen van de kinderen deel uitmaakt van de waarheidsvinding. De bepalingen van artt. 1004/1 Ger. W. en volgende maken in het Ger. W. deel uit van een “Hoofdstuk VIII. Bewijs.” Recent verscheen in de rechtsleer volgende bedenking: “Het hoorrecht is er in eerste plaats gekomen om een meerwaarde te bieden aan kinderen en jongeren zelf, als een kans voor hen om hun mening vrijelijk te uiten en om de persoon te ontmoeten die beslissingen zal nemen van grote impact op hun dagelijks leven. Het is een opportuniteit voor rechters om kinderen een stuk van hun leven opnieuw in eigen handen te kunnen laten nemen, wat, als het goed gebeurt, tot stressverlaging kan leiden. Het hoorrecht mag niet ingevuld worden als een middel om bij te dragen tot het feitenonderzoek en om zo in het voordeel te spelen van de rechter, de procedure of een van de ouders.”(E. Merckx, T. Fam. 2024, afl. 10, 313-334, nr. 56). Behalve dat het één het ander niet uitsluit, blijft het zo dat een burgerlijke rechter, en ook een familierechter, als taak heeft om met toepassing van de wet, recht te doen op de Hof van beroep Gent – 2024/FA/696 – p. 12 vorderingen die partijen stellen. Die taak valt inhoudelijk uiteen in een onderdeel waarheidsvinding, een onderdeel rechtsvinding, en een onderdeel oordeelsvorming. Het horen van kinderen – en het achterhalen van de mening van die kinderen, precies opdat er rekening mee kan worden gehouden, maakt deel uit van de waarheidsvinding. Indien dat niet het geval zou zijn, dan zou er in het geheel geen reden bestaan voor de familierechter om die minderjarigen te horen, om de mening van de minderjarigen te kennen, om er rekening mee te houden. Die mening behoort tot de feitelijke elementen, als onderscheiden van de abstracte rechtsregels, die de familierechter in beeld moet brengen om vervolgens met toepassing van de rechtsregels op die feitelijke elementen, een oordeel te vormen. Dat daarbij en op die wijze aan die kinderen de mogelijkheid wordt geboden eigen rechten uit te oefenen (met name, het recht om te participeren in de waarheidsvinding, op de manier zoals de wetgever dat heeft beslist), zoals die worden gewaarborgd door art. 22bis Grondwet en art. 1004/1 en volgende Ger. W., is waar, staat ook met zoveel woorden in de bepaling van art. 1004/1§1 Ger. W., en sluit het voorgaande niet uit. Het is ook waar dat één en ander op een kindvriendelijke manier moet gebeuren. Het blijft niet minder waar dat het horen van kinderen tezelfdertijd de waarheidsvinding dient en moet geschieden op de wijze zoals de wetgever bepaalt. 16. De mogelijkheden van de familierechter om aan waarheidsvinding te doen, kunnen net als de algemene onderzoeksmogelijkheden van de burgerlijke rechter ook onder bepaalde voorwaarden ambtshalve worden benut, dat wil zeggen, zonder daartoe te zijn gevorderd, op eigen initiatief van de familierechter. Als de familierechter dat doet, moet hij net zoals elke burgerlijke rechter de grenzen van het geschil en het recht op tegenspraak eerbiedigen (zie: N. Bourgeois en I. Boone, “De onderzoeksmaatregelen bevolen door de familierechtbank”, in P. Senaeve (ed.), Handboek familieprocesrecht, 407-432). Dit is belangrijk. Onderzoeksmaatregelen in het familiaal procesrecht impliceren immers een ingrijpende inmenging, door de rechter, in het privéleven van partijen en zijn belastend voor die partijen, en vaak ook voor de betrokken minderjarige kinderen. In deze zaak is dat niet gebeurd. De familierechter heeft bij brief van 11 september 2024 ambtshalve en zonder tegenspraak een advocaat doen aanstellen ten behoeve van de minderjarige M., en vervolgens pas op 23 oktober 2024 partijen voor het eerst gezien. 17. Art. 757§2, 3° Ger. W. bepaalt dat gerechtelijke procedures inzake het ouderlijk gezag in raadkamer verlopen. De rechter kan de openbaarheid van de debatten bevelen (in welk geval derden aanwezig kunnen zijn, maar daarom niet een uiteenzetting mogen doen). Uit het dossier van rechtspleging blijkt niet dat dit in deze zaak zou zijn gebeurd of dat daartoe reden zou zijn geweest. Dat wil zeggen dat geen derden – zoals de op onregelmatige wijze door de familierechter aangestelde advocaat, of nog de minderjarige zelf, of nog om het even welke andere derde – mogen aanwezig zijn, laat staan een uiteenzetting komen doen, bij de behandeling van de zaak ter zitting. 18. Art. 149 Grondwet en 780 Ger. W. bepalen, samengevat, dat een vonnis met redenen moet zijn omkleed. Artt. 1004/1 §6 Ger. W. bepaalt dat aan de mening van de minderjarige passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit, alsook met de eventuele invloed die op hem wordt uitgeoefend. Het is waar dat art. 1004/1 §5/3 Ger. W. bepaalt dat de minderjarige zelf (niet: de familierechter) elementen kan aanduiden die vertrouwelijk zijn en die dan niet worden opgenomen in het verslag van het onderhoud tussen de familierechter en de minderjarige. Dit artikel impliceert niet dat de familierechter zelf zou mogen meningsuitingen van de minderjarige vertrouwelijk maken. Dat doen zou trouwens precies ook de rechten van de minderjarige beknotten. Die mogelijkheid is bedoeld om te vermijden dat de ouders van de minderjarige kennis zouden nemen van bepaalde dingen die de minderjarige aan de familierechter vertrouwelijk zou willen zeggen hebben tijdens het onderhoud, en om zodoende nodeloze familiale spanningen en conflicten te vermijden. Als een “vertrouwenspersoon” evenwel het perspectief van de minderjarige komt vertolken tijdens een gesloten raadkamerzitting waar de ouders zelfs expliciet verplicht in persoon aanwezig moeten zijn, dan valt in art. 1004/1 §5/3 Ger. W. in elk geval geen reden te vinden om niet weer te geven wat dat perspectief van de minderjarige dan is. De mogelijkheid om (gedeeltelijke) vertrouwelijke verklaringen te doen doet er geen afbreuk aan dat wanneer de familierechter kennis heeft genomen van de bezorgdheden en mening van de minderjarige – wat moet gebeuren op de wijze zoals bepaald in de wet, en niet anders – dat de beslissing die de familierechter neemt, wel moet vermelden op welke wijze daarmee dan rekening is gehouden geweest, ook indien er gebeurlijk geen rekening is gehouden met de mening of bezorgdheden van de minderjarige. Er is geen verslag van de uiteenzetting door de “vertrouwenspersoon”, en noch uit het proces-verbaal van terechtzitting, noch uit het beroepen vonnis zelf blijkt wat de mening of bezorgdheden van de minderjarige zijn, of en op welke wijze de mening of bezorgdheden van de minderjarige dan in de oordeelsvorming zijn betrokken geweest. 19. Naar Belgisch recht is de ambtshalve aanstelling van een advocaat door een familierechter, zonder tegenspraak, om op te treden als “vertrouwenspersoon” van een minderjarige, die geen partij is in het geding, en om vervolgens mondeling in raadkamer aanwezig te zijn en een uiteenzetting te doen, niet mogelijk. Het hof leest zowel in het proces-verbaal van terechtzitting van 23 oktober 2024 als in het beroepen vonnis van 6 november 2024, dat de vertrouwenspersoon zou zijn gehoord “conform art. 12 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind”. Het is waar dat wanneer er een conflict zou bestaan tussen een internrechtelijke, Belgische norm en een bij verdrag bepaalde internationaalrechtelijke norm, die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, dat de door het verdrag bepaalde regel moet voorgaan (zie in dit verband: Cass. 27 mei 1971, Arr. Cass. 1971, 959; RW 1971-72, 424, noot; Cass. 1 april 1993, Arr. Cass. 1993, 350; TRV 1994, 186, noot S. Raes). De rechtstreekse toepassing van een internationale norm, en zeker de voorrang van een internationale norm boven de bepalingen van intern Belgisch recht, veronderstelt daarbij wel dat die internationale norm rechtstreekse werking heeft. Om rechtstreekse werking te hebben is daarbij - onder meer - vereist dat de norm van een internationaal verdrag voldoende nauwkeurig en volledig is. Dat is niet het geval voor art. 12 IVRK. Die bepalingen laten aan de Belgische Staat verschillende mogelijkheden tot implementatie, en kunnen niet dienen als bron van subjectieve rechten en plichten voor privépersonen (zie, ter vergelijking, Cass. C.21.0470.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3, 26 januari 2024, JT 2024, afl. 6983, 325, noot J. Fierens; RABG 2024, afl. 11-12, 1134, noot S. Brouwers; Cass. C.98.0125.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020117.10, 17 januari 2002, Arr. Cass. 2002, afl. 1, 179, RW 2003-04, afl. 14, 534, noot W. Rauws; zie, ter vergelijking, ook nog: Cass. C.15.0200.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 10 februari 2020, Act. dr. fam. 2021, afl. 1, 12, noot M. Coune, R.W. 2021-22, afl. 5, 207; T. Fam. 2020, afl. 7, 198, noot P. Senaeve; Cass. P.99.0689.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.20, 10 november 1999, Arr. Cass. 1999, 1419; TJK 2000, 63, noot K. Hanson, met betrekking tot de bepaling die thans is vervat in art. 432§3 Sw; zie ook nog: Cass. 6 oktober 2017, T. Fam. 2020/5, 137-138, noot P. Senaeve.) Het is niet zo dat art. 12 IVRK aan de familierechter of aan partijen of derden een rechtsgrond zou bieden om het dwingend Belgisch recht terzijde te schuiven (zie ook Gent 2024FA50, 23 december 2024). 20. Artikel 12 van het IVRK luidt als volgt: “1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. 2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door Hof van beroep Gent – 2024/FA/696 – p. 15 tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht”. Ook indien art. 12 IVRK rechtstreekse werking zou hebben, wat niet het geval is, biedt deze bepaling geen rechtsgrond voor de familierechter om ambtshalve en zonder tegenspraak een advocaat aan te stellen voor een minderjarige, die geen partij is in het geding, en om vervolgens in raadkamer aanwezig te zijn en een uiteenzetting te doen. Die mogelijkheid is niet bepaald in dat artikel. 21. Uit het verzoekschrift hoger beroep van vader en de uiteenzettingen tijdens de inleidingszitting van 7 januari 2024 blijkt dat het beroepen vonnis slechts op één punt is bestreden, en met name, waar de eerste rechter beslist dat het ouderlijk gezag over M. exclusief door moeder wordt uitgeoefend (en daarbij aansluitend en verduidelijkend, dat dit voor gevolg heeft dat moeder zich zonder toestemming van vader met M. naar het buitenlang mag begeven, terwijl vader de toestemming van moeder nodig heeft om naar het buitenland te gaan). In de mate dat de beroepen beslissing wordt bestreden, wordt zij teniet gedaan, en zal het hof opnieuw recht doen. 22. Ter zitting van 7 januari 2024 heeft het hof partijen bevraagd of het in deze zaak aangewezen is een maatschappelijk onderzoek te bevelen, en hebben partijen tegenspraak gevoerd over die vraag. Zoals uiteengezet bevestigt de advocaat van vader dat een maatschappelijk onderzoek nuttig kan zijn om het hof voor te lichten, en heeft vader daar geen bezwaar tegen. De advocaat van moeder acht het niet nodig om een maatschappelijk onderzoek te bevelen en verklaart zich bereid om zelf stukken bij te brengen om haar oorspronkelijke vordering te schragen. Het hof is van oordeel dat het hof op heden niet over voldoende objectieve informatie beschikt om behoorlijk recht te doen op de betwisting van partijen over de vraag of vader en moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over M. zullen uitoefenen, dan wel of moeder dit alleen zal doen. Daarom zal het hof een maatschappelijk onderzoek bevelen, om de persoonlijkheid van het kind en de milieus van vader en moeder te kennen. Dit moet aan het hof en aan partijen toelaten te worden voorgelicht omtrent wat het belang van de minderjarige vergt, en welke middelen voor zijn opvoeding het meest geschikt zijn. 23. Voor het overige wordt de zaak in voortzetting gesteld en worden conclusietermijnen en een rechtsdag verleend, zoals hierna bepaald. 24. De kosten van de rechtspleging in graad van beroep blijven aangehouden. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Doet het beroepen vonnis teniet in de mate dat het is bestreden, en met name waar het de uitoefening van het ouderlijk gezag over M. exclusief toevertrouwt aan moeder, en opnieuw rechtdoende; Alvorens verder recht te doen, zegt voor recht dat door bemiddeling van een justitieassistent burgerrechtelijke opdrachten van het Justitiehuis te Gent en in toepassing van artikel 1253ter/6 Ger.W. alle dienstige inlichtingen zullen worden ingewonnen die nodig zijn om de persoonlijkheid van M., en het milieu waarin hij wordt grootgebracht te kennen teneinde uit te maken wat in zijn belang is en welke middelen voor hun opvoeding of behandeling geschikt zijn; bepaalt dat de justitieassistent hiertoe alle nuttige inlichtingen mag inwinnen bij derden, zegt dat dit verslag van maatschappelijk onderzoek dient te worden neergelegd op de griffie van het hof van beroep uiterlijk binnen drie maanden nadat de opdracht werd gegeven, zegt voor recht dat een losse kopie van dit arrest aan het betrokken Justitiehuis zal worden toegestuurd door de griffie, stelt ambtshalve conclusietermijnen vast als volgt: - Conclusies voor geïntimeerde tegen 24 maart 2025; - Conclusies voor appellant tegen 30 april 2025; - Conclusies voor geïntimeerde tegen 12 mei 2025; stelt de zaak in voortzetting op de terechtzitting van 27 mei 2025 om 10 uur (pleitduur 30’). Houdt de kosten van de rechtspleging in graad van beroep aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 14 januari tweeduizend vijfentwintig. PDF document ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250114.1 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.20 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020117.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240126.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div