← België

ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250304.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250304.1 Rolnummer: 2024/FA/278 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-06-26 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-06-18 03:01 Fiche 1 Art. 961/2 Ger. W. bepaalt voorwaarden waaraan een schriftelijke verklaring die in een procedure wordt bijgebracht moet voldoen opdat de rechter er rekening mee kan houden. Die bepalingen zijn belangrijk: die voorwaarden zijn bedoeld om te vermijden dat valse verklaringen worden aangewend in procedures en dat op die manier de behoorlijke rechtsbedeling wordt verstoord. Een verklaring die niet voldoet aan die voorwaarden: er is geen datum, geen handtekening, geen kopie van een identiteitskaart, en geen melding van het besef dat een valse verklaring een misdrijf vormt, moet worden geweerd. Dat heeft voor gevolg dat de rechter bij zijn beoordeling geen rekening houdt met dit stuk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) Fiche 2 Een eventuele inbreuk tegen de verplichting van art. 371 oud BW heeft op zichzelf genomen niet voor gevolg dat een kind niet langer recht zou hebben op onderhoud overeenkomstig art. 203 §1 oud BW. Evenmin kan een dergelijke inbreuk ten aanzien van de ene ouder, die uitgaat van een meerderjarig kind, dat instaat voor zijn eigen gedrag, worden opgeworpen tegen de andere ouder die een alimentatievordering stelt op grond van art. 203bis §2 oud BW. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Fiche 3 De ouder die een verhoging vordert van de onderhoudsbijdrage van de andere ouder, moet noodzakelijk voorhouden dat de ene ouder te veel en de andere ouder te weinig presteert in verhouding tot het aandeel in de samengevoegde middelen. Om dat te beoordelen moet het hof minstens beredeneerd kunnen gissen wat de beschikbare middelen van de ouders zijn, en wat onderscheiden aandeel van beide ouders in de samengevoegde middelen is. Daartoe is vereist dat voldoende stukken worden bijgebracht. Wanneer de rechter een lijst overmaakt van stukken waarvan het de neerlegging vraagt om recht te doen op onderhoudsvorderingen, en een partij die daartoe dus uitdrukkelijk is uitgenodigd, geen recente aanslagbiljetten bijbrengt, wordt de vordering van die partij om een vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage te verhogen afgewezen als ongegrond. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Tekst van de beslissing 2024/FA/278 - In de zaak van: E. R., appellante, hebbende als raadsman mr. RYCKAERT Leen tegen D.L. W., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. NOLMANS Johan wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN

  1. De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter op een correcte en voldoende wijze uiteen gezet in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familie- en jeugdrechtbank, kamer 16DI, d.d. 21 november 2023 (het beroepen vonnis) zodat het om reden van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen. Het hof herneemt slechts, samenvattend en duidelijkheidshalve, dat R. E. (moeder) en W. D.L. (vader) de ouders zijn van Ro. D.L. (Ro.). In dit beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) Zegt voor recht dat de eiser met ingang van 1 augustus 2022 geen bijdrage meer dient te betalen in de kosten van opvoeding, opleiding en levensonderhoud van Ro. D.L.. Verstaat derhalve dat de door de eiser verschuldigde onderhoudsbijdrage en de bijdrage in de buitengewone kosten ten behoeve van het kind zoals bepaald in het vonnis van 24 februari 2015 wordt afgeschaft met ingang van 1 augustus
  2. Wijst het meer of anders gevorderde af als niet gegrond. Zegt dat dit vonnis van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is. Stelt vast dat er geen kosten verbonden zijn aan deze procedure en zegt dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. (...)” II. HOGER BEROEP
  3. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 26 april 2024 stelt R. E. hoger beroep in tegen het vonnis van 21 november 2023 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer 16DI.
  4. Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend.
  5. Op 28 mei 2024 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Bij afwezigheid van geïntimeerde -in persoon- kon de voorzitter overeenkomstig artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. de partijen niet horen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak, en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. Bij beschikking van 28 mei 2024 verleent het hof aan partijen conclusietermijnen en een rechtsdag op 4 februari
  6. Bij deze beschikking is een duidelijke lijst gevoegd van de stukken die moeten worden neergelegd in het kader van de beoordeling van onderhoudsgeschillen.
  7. Blijkens conclusie van 21 november 2024 beoogt R. E. om: “ Het hoger beroep van de appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis van de 16e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dd. 21.11.2023 (A.R. 14/3157A), teniet te doen en opnieuw wijzende; Te zeggen dat: De oorspronkelijke hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Geïntimeerde te veroordelen tot het betalen een maandelijkse onderhoudsbijdrage voor het kind van 400,00 EUR, en dit voor het eerst vanaf augustus 2022 naar evenredigheid te worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen volgens de formule: basisuitkering x index mei jaar van de aanpassing aanvangsindex juni 2022 Te zeggen dat beide partijen elk voor de helft zullen instaan voor de buitengewone kosten zoals voorzien in het K.B. van 22.04.
  8. Geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtskosten zijnde het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.800,00 EUR in eerste aanleg en de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.800,00 EUR in beroep.”
  9. Blijkens conclusie van 10 januari 2025 beoogt W. D.L. om: “
  10. Het hoger beroep en de vorderingen van appellante af te wijzen.
  11. Appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep.”
  12. Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 4 februari
  13. R. E. is daarbij in persoon aanwezig. W. D.L. is daarbij niet in persoon aanwezig. Hierop sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad. Het hof aanziet de conclusie van 21 november 2024 van R. E. en de conclusie van 10 januari 2025 van W. D.L. als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, ter zitting van 4 februari 2025 in het debat te houden.
  14. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING
  15. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het hof ziet, ambtshalve, niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk.
  16. De blijvende betwisting in beroep betreft het onderhoud van Ro.. De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis beslist dat Ro. met ingang van 1 augustus 2022 niet langer onderhoudsgerechtigd is. Moeder vordert dat vader verder een maandelijkse onderhoudsbijdrage van 400 EUR voor de gewone kosten van Ro. zou betalen, en dat de buitengewone kosten bij helften zouden worden verdeeld. Vader vordert de bevestiging van het beroepen vonnis.
  17. Als stuk 1 van haar bundel brengt moeder een handgeschreven brief bij van Ro., die als dochter van partijen een bloedverwant in nederdalende lijn is van vader en moeder. Dit document is niet gedateerd of ondertekend en evenmin is een kopie gevoegd van een officieel document waaruit de identiteit van Ro. blijkt. Vader vordert de wering van dit stuk. Art. 931, tweede lid Ger. W. bepaalt: “Onverminderd artikel 1004/1, mogen bloedverwanten in nederdalende lijn niet worden gehoord in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben.” Art. 961/2 Ger. W. bepaalt: “De schriftelijke verklaring vermeldt de naam, de voornamen, de geboortedatum en -plaats 2[en de woonplaats]2 van de opsteller ervan alsook, zo nodig, diens graad van bloed- of aanverwantschap met de partijen, of er sprake is van ondergeschiktheid tegenover de partijen, of ze samenwerken dan wel of ze gemeenschappelijke belangen hebben. De schriftelijke verklaring vermeldt voorts dat ze is opgesteld voor overlegging aan de rechtbank en dat de opsteller ervan weet heeft van het feit dat hij zich door een valse verklaring aan straffen blootstelt. De schriftelijke verklaring wordt geschreven, gedagtekend en door de opsteller ervan ondertekend. Hij moet daaraan als bijlage het origineel of een fotokopie toevoegen van elk officieel document dat zijn identiteit aantoont en waarop zijn handtekening voorkomt.” In deze zaak hebben vader en moeder tegengestelde belangen. Moeder vordert van vader een bijdrage in de kosten die zij in natura ten behoeve van Ro. presteert in uitvoering van een wettelijke onderhoudsplicht en vader houdt voor dat die onderhoudsplicht is beëindigd omdat Ro. sedert 2022 kan instaan voor haar eigen onderhoud. Overeenkomstig art. 931 Ger. W. mag Ro. zelf niet worden gehoord in deze zaak. Om die reden moet ook haar schriftelijke verklaring worden geweerd. Dat wil zeggen dat het hof bij zijn beoordeling geen rekening houdt met de inhoud van dit stuk. Daarnaast bepaalt art. 961/2 Ger. W. voorwaarden waaraan een schriftelijke verklaring die in een procedure wordt bijgebracht moet voldoen opdat de rechter er rekening mee kan houden. Die bepalingen zijn belangrijk: die voorwaarden zijn bedoeld om te vermijden dat valse verklaringen worden aangewend in procedures en dat op die manier de behoorlijke rechtsbedeling wordt verstoord. De verklaring van Ro. voldoet niet aan die voorwaarden: er is geen datum, geen handtekening, geen kopie van een identiteitskaart, en geen melding dat Ro. beseft dat een valse verklaring een misdrijf vormt. Ook om die reden moet het stuk 1 van moeder worden geweerd, en mag het hof bij zijn beoordeling geen rekening houden met dit stuk.
  18. Ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind (art. 203, § 1 oud BW). Het doorlopen van die verplichting na de meerderjarigheid is, in het algemeen, afhankelijk van een aantal voorwaarden: 1) de studies moeten een normale voortgang kennen; 2) de plicht vervalt bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs; 3) de eigen inkomsten van het kind moeten in rekening worden gebracht; 4) er moet rekening worden gehouden met de prioritaire onderhoudsaanspraak binnen het huwelijk; 5) er is geen verplichting om bij te dragen in niet-noodzakelijke meeruitgaven; 6) bij flagrante miskenning door het meerderjarige kind van de plicht tot eerbied voor de ouders, kan dit kind zijn recht op voortgezet onderhoud verliezen (zie, illustratief, I. BOONE, “De ouderlijke onderhoudsplicht ten aanzien van meerderjarige studerende kinderen”, T. Fam. 2019, afl. 1, 5-19). De onderhoudsverplichting raakt de openbare orde en bestaat krachtens de wet zelf. Elke ouder draagt bij in de kosten die hieruit voortvloeien in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen (art. 203bis, §1 oud BW). Bij de begroting van de onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met de inkomsten en mogelijkheden van elke ouder, de gewone en buitengewone kosten van het kind of de behoeften van het kind, de bijdrage in natura door elke ouder tijdens het verblijf van het kind, alsook het bedrag van de kinderbijslag, de fiscale voordelen van alle aard en de inkomsten uit het genot van de goederen van het kind die elk van de ouders ontvangt (art. 1321, § 2 Ger.W.). Artikel 203, §2 oud BW voorziet dat met middelen van de ouders onder andere wordt bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. Bovendien dient bijkomend in acht te worden genomen de indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rekening houdend met bepaald gewichtige vermoedens gesteund op de gegevens van het dossier alsook, in bepaalde gevallen, met het verdienvermogen van de ouder die vrijwillig stopt met werken of minder gaat werken. Om de onderhoudsbijdrage te begroten dienen overeenkomstig de nieuwe wet de samengevoegde middelen van beide ouders vastgelegd te worden en vervolgens in verhouding tot het aandeel van elke ouder in die samengevoegde middelen bepaald te worden op welke wijze elke ouder dient bij te dragen in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, §1 oud BW bepaalde verplichting. Hierbij wordt er niet enkel rekening gehouden met de reële inkomsten, maar ook met de virtuele inkomsten of het verdienvermogen van partijen, alsook met de niet-samendrukbare uitgaven, zoals een hypothecaire lening- of huurlast, de onderhoudslasten van een kind uit een andere relatie of eventuele medische kosten van een ouder. De vaste dagelijkse of maandelijkse uitgaven (zoals kosten van elektriciteit, gas, en waterverbruik, telefoon en internetkosten, allerhande heffingen belastingen – met uitzondering van persoonsbelastingen – verzekeringspremies, enz.) komen in principe niet in aanmerking bij het bepalen van de omvang van de onderhoudsverplichting, omdat deze verplichting voorrang heeft op alle andere lasten, die elke ouder dan ook moet aanpassen aan zijn financiële mogelijkheden en noden van het kind. Met schulden kan rekening worden gehouden voor zover deze absoluut niet kunnen ongedaan worden gemaakt zoals fiscale schulden, hypothecaire aflossingen of schulden aangegaan door de ouder om in zijn bestaan te voorzien (de zgn. ‘niet-samendrukbare’ schulden). Andere lopende schulden kunnen niet als prioritair worden beschouwd want de ouders moeten hun budget beheren in verhouding tot de nog beschikbare bedragen na hun onderhoudsverplichting te hebben voldaan en niet omgekeerd. Hierover anders oordelen zou impliceren dat de onderhoudsbijdrage van de kinderen wordt berekend op wat de ouders nog overhouden na betaling van schulden en lasten, hetgeen niet overeenstemt met de notie “middelen” zoals bepaald in de artikelen 203 en 203bis oud BW. Met toepassing van de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, dient de familierechtbank (en in graad van hoger beroep, het hof) de nodige gegevens van de partijen te verkrijgen. De voormelde criteria en wettelijke bepalingen dienen immers te worden getoetst aan de concrete situatie van de partijen binnen de ter beschikking staande gegevens. Het hof kan derhalve enkel voortgaan op de gegevens die op heden door partijen worden voorgelegd. Mogelijke onvolledigheid dan wel onjuistheid van deze gegevens is voor rekening van partijen zelf. Bij gebrek aan concrete, bewezen cijfers omtrent bepaalde mee in acht te nemen elementen kan het aandeel van elke ouder in de samengevoegde middelen niet op exacte wijze worden bepaald en kan niet (volledig) worden voldaan aan de vereisten vervat in artikel 1321 Ger.W.
  19. Uit die stukken van partijen waar het hof wel rekening mee houdt, blijkt dat Ro. in 2022 het diploma “bachelor in de orthopedagogie” heeft gehaald, dit is, een diploma dat toegang verleent tot de arbeidsmarkt. Vervolgens is zij niet onmiddellijk gaan werken maar heeft zij zich ingeschreven in de opleiding “bachelor rechtspraktijk”, om dat diploma te behalen in 2024 en met ingang van 1 juli 2024 aan de slag te gaan bij een gerechtsdeurwaarderskantoor. Ro. is nooit een studiejaar verloren en heeft integendeel het diploma rechtspraktijk, normaalgezien een opleiding van 3 jaar, op 2 jaar tijd behaald. In totaal heeft zij 5 jaar gestudeerd.
  20. Een eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of Ro. na het behalen van haar eerste professionele bachelor, nog onderhoudsgerechtigd is gebleven. Indien het antwoord op die vraag positief is, moet het hof onderzoeken of de onderhoudsregeling zoals die voordien gold, moet worden aangepast. Daarbij bespreekt het hof de middelen en argumenten van partijen in de volgorde zoals het hof dat gepast acht.
  21. Vader werpt op dat Ro. flagrant haar plicht tot respect ten aanzien van hem miskent en dat zij elke communicatie en elk contact met haar vader weigert, terwijl hij nochtans inspanningen doet om contact te zoeken met haar. Het hof stelt vast en betreurt dat Ro. inderdaad contact met haar vader zou weigeren – en er zijn inderdaad aanwijzingen in de uiteenzettingen en stukkenbundels van partijen dat dit zo is. Ro. is meerderjarig, valt niet onder het ouderlijk gezag, is handelingsbekwaam en procesbekwaam en is geen partij in dit geding. Het hof kan dus moeilijk beoordelen of zij inderdaad een inbreuk heeft begaan tegen de bepaling van art. 371 oud BW. dat een kind op elke leeftijd respect is verschuldigd aan zijn ouders. Een eventuele inbreuk tegen de verplichting van art. 371 oud BW heeft echter op zichzelf genomen niet voor gevolg dat een kind zelf niet langer recht zou hebben op onderhoud overeenkomstig art. 203 §1 oud BW (zie: I. Boone, “De ouderlijke onderhoudsplicht ten aanzien van meerderjarige studerende kinderen”, T. Fam. 2019, afl. 1, 5-19; Cass. 3 juni 2010, AR C.09.0125.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5, Arr.Cass. 2010, 1618, concl. G. Dubrulle, NJW 2011, 460, noot C. Declerck, RABG 2011, 333, noot E. De Maeyer en C. Vergauwen, RW 2010-11, 1648, noot F. Swennen, T.Fam. 2011, 101, noot F. Denissen en TJK 2010, 297, noot E. Callebaut; Zie ook: S. Brouwers, Kinderalimentatie, Brussel, Larcier, 2017, 19-22; Antwerpen (3e k.) 9 november 2016, Limb.Rechtsl. 2017, 88; Antwerpen (3e k.) 8 februari 2017, 2016/FA/167; Gent (11e quater k.) 3 december 2015, 2015/AR/277; Gent (11e quater k.) 11 februari 2016, 2014/AR/2805; Gent (11e quater k.) 19 mei 2017, 2016/FA/336.) Evenmin kan een dergelijke inbreuk ten aanzien van de ene ouder, die uitgaat van een meerderjarig kind, dat instaat voor zijn eigen gedrag, worden opgeworpen tegen de andere ouder die een alimentatievordering stelt op grond van art. 203bis §2 oud BW.
  22. De volgende vraag is of Ro. onderhoudsgerechtigd is gebleven in de periode 2022-2024, hoewel zij in 2022 reeds een diploma heeft behaald dat toegang verleent tot de arbeidsmarkt. Gelet op volgende elementen: - Ro. heeft in totaal vijf jaar gestudeerd, wat correspondeert met de duur van een universitaire studie; - Ro. heeft geen vertraging opgelopen in haar studies, maar integendeel de studieduur verkort; - Het behalen van beide diploma’s samen – orthopedagogie en rechtspraktijk – verbetert de positie van Ro. op de arbeidsmarkt gevoelig, en maakt haar een geschiktere kandidate in sectoren waarin zowel welzijn en justitie aan bod komen; - Zodat het studietraject van Ro. als normaal moet worden beschouwd; - Beide ouders beschikken – voor zoveel als het hof weet, waarover verder meer – over normaal gemiddelde middelen en inkomsten, en zijn in verhouding tot hun levensstandaard gehouden om aan hun dochter de mogelijkheid te kunnen bieden een normaal studietraject te doorlopen; - Met ingang van 1 juli 2024 is Ro. beginnen werken bij een gerechtsdeurwaarderskantoor; Oordeelt het hof dat Ro. onderhoudsgerechtigd is gebleven tot 30 juni 2024 en dat zij niet langer onderhoudsgerechtigd was met ingang van 1 juli
  23. Een volgende vraag is of er sprake is van gewijzigde elementen ten opzichte van de eerdere beslissing van de familierechter van 24 februari
  24. Vader heeft de familierechter gevat middels conclusie in blijvende saisine neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 14 februari
  25. In strijd met art. 1253ter/4 §2 Ger. W., voorlaatste lid, dat bepaalt dat de inleidende zitting moet plaatsvinden uiterlijk binnen 15 dagen na de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie, is de zaak opgeroepen geweest voor de zitting van 18 april 2023, dit is, 63 dagen later. Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen uitgesteld naar de zitting van 30 mei
  26. De eerste besluiten van moeder zijn ter griffie neergelegd op 20 juli
  27. Noch in die eerste besluiten van 20 juli 2023, noch in de laatste syntheseconclusie voor het hof van 21 november 2024, duidt moeder aan welke nieuwe omstandigheden er zouden zijn ten opzichte van 2015 die een aanpassing van de onderhoudsregeling voor Ro., zoals die was beslist op 24 februari 2015, zouden verantwoorden. Art. 1253ter/7§1 Ger. W. bepaalt dat een zelfde zaak, waarin dus al uitspraak was gedaan, opnieuw voor de rechtbank kan worden gebracht indien er sprake is van nieuwe elementen. Deze nieuwe elementen moeten, op straffe van nietigheid, worden aangeduid in de conclusie of in het schriftelijk verzoek. Nieuwe elementen zijn: in het algemeen, een feit dat niet bekend was bij het eerste verzoek. Voor een uitkering tot levensonderhoud gaat het om nieuwe omstandigheden waarin de partijen of de kinderen verkeren, en die hun situatie ingrijpend kunnen wijzigen. Met betrekking tot de organisatie van de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact en de uitoefening van het ouderlijk gezag, gaat het om nieuwe omstandigheden die de toestand van de partijen of die van het kind kunnen wijzigen. In dit laatste geval kan de rechtbank dit nieuwe verzoek echter enkel inwilligen indien het belang van het kind zulks rechtvaardigt. De vordering van moeder om de onderhoudsbijdrage voor gewone kosten te verdubbelen, moet om die reden reeds worden afgewezen.
  28. Verder en ten overvloede geldt wat volgt. Ouders moeten overeenkomstig art. 203 oud BW bijdragen in de kosten van hun onderhoudsgerechtigde kinderen in verhouding tot hun aandeel in de samengevoegde middelen. De ouder die een verhoging vordert van de onderhoudsbijdrage van de andere ouder, moet noodzakelijk voorhouden dat de ene ouder te veel en de andere ouder te weinig presteert in verhouding tot het aandeel in de samengevoegde middelen. Om dat te beoordelen moet het hof minstens beredeneerd kunnen gissen wat de beschikbare middelen van de ouders zijn, en wat onderscheiden aandeel van beide ouders in de samengevoegde middelen is. Daartoe is vereist dat voldoende en bewijskrachtige stukken worden bijgebracht. Het hof heeft samen met de beschikking ex art. 747 Ger. W. van 28 mei 2024 aan partijen een lijst overgemaakt van stukken waarvan het de neerlegging vraagt om recht te doen op onderhoudsvorderingen. Hoewel moeder daartoe uitdrukkelijk is uitgenodigd, brengt zij geen aanslagbiljetten bij. Haar vordering om de vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage voor Ro. te verhogen moet in elke hypothese worden afgewezen als ongegrond.
  29. Tot slot en eveneens enigszins ten overvloede merkt het hof nog op wat volgt. De eigen inkomsten van Ro. uit studentenarbeid – die zij combineerde met voltijdse studies – moeten niet in rekening worden gebracht. Uit de gegevens die het hof kent blijkt dat partijen beide over een normaal inkomen beschikken, en in die omstandigheden is het redelijk, en billijk, en pedagogisch correct dat Ro. haar inkomsten uit studentenarbeid mag sparen of besteden naar eigen inzichten, zonder dat zij die zou moeten aanwenden om voor haar eigen levensonderhoud in te staan.
  30. Al wat partijen meer of anders uiteenzetten, brengt het hof niet tot een ander inzicht dan dat het beroepen vonnis moet worden bevestigd, met dien verstande dat waar de eerste rechter heeft beslist dat de onderhoudsplicht eindigt op 1 augustus 2022, die onderhoudsplicht pas eindigt op 1 juli
  31. Beide partijen zijn gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. In die omstandigheden moeten de kosten van de rechtspleging bij helften worden verdeeld. De eerste rechter had dit reeds zo beslist. Ook het hof zal dit zo doen, zoals hierna begroot. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Bevestigt het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familie- en jeugdrechtbank, kamer 16DI, van 21 november 2023, met dien verstande dat waar de eerste rechter heeft beslist dat vader met ingang van 1 augustus 2022 geen bijdrage meer moet betalen in de kosten van Ro., en de onderhoudsbijdragen met ingang van die datum worden afgeschaft, dat het hof, opnieuw wijzende, beslist dat vader met ingang van 1 juli 2024 geen bijdrage meer moet betalen in de gewone of buitengewone kosten van Ro.; Wijst het in beroep meer of anders gevorderde af; Veroordeelt R. E. en W. D.L. tot de gedingkosten in hoger beroep, te begroten op:

(1)het reeds in rekening gebrachte en door de griffie geïnde bedrag van 24,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (BS 31 maart 2017),
(2)400,00 euro (elk partij 200,00 euro) rolrecht in hoger beroep voor de Belgische Staat, FOD Financiën met toepassing van artikel 269
(1)en
(2)W. Reg. Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen om. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 4 maart tweeduizend vijfentwintig. Aanwezig: Jelle Flo, raadsheer - alleenrechtsprekend Kevser Aygün, griffier Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.