id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250318.1 Rolnummer: 2025/FA/360 Zaak: X Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-04-11 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-06-17 02:00 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) Vrije woorden: Familierecht - ouderlijk gezag - voorlopige omgangsregeling kinderen - verblijfsregeling - horen minderjarige - vertrouwenspersoon - dwangsom - art. 1004/1 §5/1 Ger. W. - Art. 374 oud BW Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan 2025 / Datum van uitspraak op op op 18 maart 2025 € € € BUR BUR BUR Rolnummer 2024/FA/360 Niet aan te bieden aan de ontvanger Hof van beroep Gent elfde septies kamer Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 2 2024/FA/360 - In de zaak van: D. V. I., appellante, hebbende als raadsman mr. GLAS Christophe, advocaat te 9620 Zottegem, Meerstraat 134 tegen R. J., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN TRIMPONT Filip, advocaat te 7860 LESSINES, Rue de la Halle 10 wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN
- De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter op een correcte en voldoende wijze uiteen gezet in het beroepen tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, familie- en jeugdrechtbank, kamer D33, d.d. 25 april 2024 zodat het om reden van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen. Het hof herneemt slechts en duidelijkheidshalve dat J. R. (vader) en I. D. V. (moeder) de ouders zijn van V. R., geboren te G. op dd mmm 2015 (V.). In het beroepen tussenvonnis is als volgt beslist: “(…) -spreekt recht op tegenspraak. -verklaart de vorderingen van partijen ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: 1) bevestigt de voorlopige verblijfsregeling voor V. met verweerder (vader), zoals bepaald bij tussenvonnis van deze kamer en rechtbank van 11 januari 2024; dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per keer dat eiseres (moeder) nalaat de verblijfsregeling na te leven, zijnde een verblijf van V. gedurende zes onafgebroken uren bij verweerder, na de betekening van huidig tussenvonnis. 2) zegt voor recht dat de te verbeuren dwangsom in totaal maximum 25.000 euro kan bedragen. 3) nodigt partijen uit om de ouderschapsbemiddeling bij het CAW verder te zetten. Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 3 - stelt de zaak voor evaluatie van de verblijfsregeling van V. in voortzetting naar de zitting van donderdag 6 juni 2024 om 9.00 uur van de D33 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familierechtbank, in aanwezigheid van beide partijen in persoon. - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. - houdt de beslissing over de gerechtskosten aan. (...)” II. HOGER BEROEP
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 29 mei 2024 stelt moeder hoger beroep in tegen het tussenvonnis van 25 april 2024 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, kamer D
- Blijkens gerechtsdeurwaardersexploot is het beroepen vonnis betekend op 30 april
- Op 25 juni 2024 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Krachtens artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. hoort de voorzitter de partijen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. In toepassing van artikel 1253ter/3, §1 Ger.W. stelt de voorzitter de partijen voor om de mogelijkheid van een minnelijke schikking of bemiddeling te onderzoeken. Eveneens ter inleidingszitting meldt advocaat-generaal Inge T’ Hooft advies te zullen brengen in dit dossier. Bij beschikking van 25 juni 2024 verleent het hof aan partijen conclusietermijnen en een rechtsdag op 17 december
- Bij deze beschikking is een duidelijke lijst gevoegd van de stukken die moeten worden neergelegd in het kader van de beoordeling van onderhoudsgeschillen. Ter terechtzitting van 17 december 2024 verzoeken de partijen om de zaak uit te stellen. Het hof stelt de zaak uit op de terechtzitting van 18 februari
- Blijkens conclusie van 13 januari 2025 beoogt moeder om: “Het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 4 Dienvolgens: het vonnis a quo van 25 april 2024 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank, D33 kamer teniet te doen en dienvolgens te oordelen als volgt: -de initiële vordering van geïntimeerde integraal af te wijzen als ongegrond; -een vertrouwenspersoon aan te stellen, waardoor V. kan worden gehoord en rekening kan worden gehouden met haar gevoelens; - te zeggen voor recht dat de secundaire omgangsregeling van V. bij vader opnieuw dient door te gaan via de neutrale bezoekruimte; - De kosten om te slaan tussen partijen, gelet op de aard van het geding.”
- Blijkens conclusie van 30 december 2024 beoogt vader om: “Het hoger beroep af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond. Oordelende op incidenteel beroep, het maximumbedrag van de verbeurte dwangsom te verhogen tot € 100.
- De zaak terug te zenden naar de eerste rechter. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, daarbij inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op € 1800.”
- Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 18 februari
- Moeder en vader zijn daarbij in persoon aanwezig. De debatten worden gesloten, en het hof deelt de zaak mee aan het Openbaar Ministerie voor advies. Het Openbaar Ministerie brengt, gelet op de omstandigheden van de zaak, terstond mondeling advies uit, hetgeen kan samengevat worden als volgt; - adviseert om het beroepen vonnis te bevestigen. Na uitbrengen van voormeld advies, worden de partijen door het hof in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen erover te laten horen; - de partijen formuleren hun opmerkingen ter zake. Het hof neemt de zaak in beraad. Het hof aanziet de conclusie van 13 januari 2025 van moeder en de conclusie van 30 december 2024 van vader als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 5 Ger. W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, ter zitting van 18 februari 2025 in het debat te houden.
- Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het hof ziet ambtshalve niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk.
- Overeenkomstig art. 1054 Ger. W. wordt het incidenteel beroep alleen toegelaten indien het wordt ingesteld in de eerste conclusie van de gedaagde in hoger beroep. De eerste conclusie van vader is digitaal neergelegd op 20 juni 2024 en gewaagt niet van een incidenteel beroep. Pas voor het eerst in zijn conclusie van 30 december 2024 gewaagt vader van een incidenteel beroep – dat dus laattijdig is en niet kan worden toegelaten.
- De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis een voorlopige verblijfsregeling uitdrukkelijk bevestigd, en afdwingbaar gesteld onder verbeurte van een dwangsom. De in beroep blijvende betwisting heeft betrekking op de vraag of die verblijfsregeling inderdaad moet worden bevestigd, en of een dwangsom opgelegd moet blijven. Tot slot vordert moeder ook in beroep dat een vertrouwenspersoon zou worden aangesteld voor V.
- Moeder vraagt om de voorlopige verblijfsregeling die eerder was bepaald, niet te bevestigen, maar de contacten tussen vader en V. te doen opstarten via de neutrale bezoekruimte. Zij houdt voor dat zij poogt de opgelegde verblijfsregeling te doen naleven, maar hierin niet is geslaagd vanwege de weerstand van V. Vader vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis.
- Art. 374 oud BW bepaalt: “§ 1 Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 6 Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde familierechtbank de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen. Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wenden. In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf. §2 Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de familierechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind. Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen. Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen. Ingeval de ouders meerdere kinderen hebben, streeft de rechtbank eenzelfde regeling voor alle broers en zussen na. In voorkomend geval verduidelijkt de rechtbank hoe de broers en zussen persoonlijke contacten met elkaar onderhouden. De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.”
- Art. 1004/1 Ger. W. bepaalt: “§ 1 Elke minderjarige heeft het recht gehoord te worden door een rechter in aangelegenheden die hem aanbelangen met uitzondering van vorderingen met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen en de louter financiële of vermogensrechtelijke vorderingen die het vermogen van de minderjarige niet rechtstreeks aanbelangen. Hij heeft het recht om te weigeren gehoord te worden. (…) Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 7 Het horen van de minderjarige heeft tot doel hem in staat te stellen zijn bezorgdheden aan de rechter kenbaar te maken, om zo bij te dragen tot het vinden van de meest geschikte oplossing, rekening houdend met zijn belang. (…) § 5/1 Onverminderd artikel 168, eerste lid, en onder voorbehoud van wat volgt of tenzij de rechter hier bij een met redenen omklede beslissing van afwijkt vindt het onderhoud plaats buiten de aanwezigheid van wie ook. De minderjarige heeft het recht om tijdens het horen te worden bijgestaan door een meerderjarige vertrouwenspersoon van zijn of haar keuze. De vertrouwenspersoon mag noch een partij in het geding, noch een bloedverwant tot in de tweede graad van een partij in het geding zijn, met uitzondering van de broers en zussen van de minderjarige wier afstamming ten aanzien van dezelfde ouders is vastgesteld. De rechter kan op elk ogenblik beslissen om het onderhoud voort te zetten zonder aanwezigheid van de vertrouwenspersoon of van een andere persoon van wie hij de aanwezigheid heeft toegestaan. Hij informeert dan de minderjarige over de inhoud van dit lid op een wijze die past bij de leeftijd en de maturiteit van het kind. Indien de minderjarige daar niet mee akkoord gaat, kan de rechter het onderhoud beëindigen. In dit geval vermeldt de rechter in het verslag de redenen waarom het verhoor niet in aanwezigheid van de betrokkenen kon doorgaan. (…) §
- Het onderhoud met de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt. Aan de mening van de minderjarige wordt passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit alsook met de eventuele invloed die op hem wordt uitgeoefend.”
- Gelet op volgende elementen: - De overweging dat de wetgever vraagt om bij voorrang de mogelijkheid van een gelijkmatig verdeeld verblijf, en dus in elk geval, de mogelijkheid van een voldoende intensief contact met elke ouder te onderzoeken; - De overweging dat het behoudens tegenindicaties die in dit dossier niet blijken, in het belang is van een kind om een normaal gezond contact te houden met elk van beide ouders; - Het verslag van maatschappelijk onderzoek dat op 18 januari 2023 is neergelegd bij de eerste rechter, en waarin de justitieassistent adviseert dat het belangrijk is voor een gezonde ontwikkeling van V. dat zij contact houdt met haar vader, en dat dit contact moet worden opgebouwd; Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 8 - De overweging dat dit vervolgens ook is gebeurd, dat de contacten zijn opgestart geweest onder begeleiding van Het Huis, en dat Het Huis ook verslag heeft gedaan aan de eerste rechter op 4 mei 2023 en op 8 november 2023, en waarbij het hof vaststelt dat erg vaak moeilijkheden ontstaan bij de nochtans beperkte en schaarse bezoeken: op 4 maart 2023 is moeder te laat; op 18 maart 2023 is moeder te laat; op 15 april 2023 is moeder te laat; op 20 mei 2023 gaat het bezoek niet door omwille van een dansoptreden van V.; op 17 juni 2023 is V. ziek; op 15 juli 2023 en 19 augustus 2023 is V. dan met vakantie; op 7 oktober 2023 is V. opnieuw ziek. Telkens de contacten eens zijn aangevat, verlopen de contacten nochtans probleemloos; - De overweging dat het hof V. heeft gehoord op 17 september 2024 en dat tijdens dit gesprek is gebleken dat de slechts achtjarige V., die nog erg jong is, volledig onder invloed van moeder staat – zo bespreekt zij met haar moeder of en hoe zij haar familienaam kan wijzigen, en blijkt ook dat zij loyaal is ten aanzien van moeder, omdat vader wel een nieuwe relatie en een nieuw leven zou hebben, en moeder niet; ook in de verslaggeving van het Huis is dit aspect aan bod gekomen; - De oordeelkundige motieven van de eerste rechter; - Het oordeelkundige advies van het openbaar ministerie in die zin; Oordeelt het hof dat inderdaad de beperkte en voorlopige omgangsregeling zoals die door de eerste rechter was bevestigd in het beroepen vonnis, moet bevestigd blijven.
- Partijen voeren ook betwisting omtrent de beslissing van de eerste rechter om een dwangsom op te leggen. Uit het dossier en de verklaringen van V. zelf en ook uit de niet-betwiste verklaringen van partijen ter zitting, blijkt dat moeder inderdaad weigert de voorlopige beslissing van de eerste rechter omtrent de verblijfsregeling, die zoals uiteengezet, moet worden bevestigd, op een normaal loyale wijze uit te oefenen, en daartoe op een normale en doelmatige wijze haar ouderlijk gezag aan te wenden. Het is niet geloofwaardig en blijkt uit geen enkel stuk dat hier sprake zou zijn van overmacht die dan per hypothese bestaat in een weigering van V. om de beslissing van de eerste rechter mee uit te voeren. V. is 8 jaar oud. Indien moeder weigert of onbekwaam zou zijn om haar deel in het ouderlijk gezag aan te wenden op een manier waarvan zowel de eerste familierechter als nu ook de justitieassistent in het maatschappelijk onderzoek, het openbaar ministerie en het hof bevestigen dat die het belang van haar dochter dient, is dat een probleem op zich dat mogelijks ook een oplossing vraagt. Op dit ogenblik en in deze omstandigheden moet de eerste rechter worden bijgetreden waar die een dwangsom oplegt, die correct is begroot op 1.000 EUR per inbreuk en met een maximum van 25.000 EUR. Die bedragen zouden moeten voldoende afschrikwekkend zijn om moeder ertoe te bewegen de beslissingen van de eerste rechter na te leven. Mocht blijken dat een aanpassing nodig zou zijn, hetzij van de dwangsom, hetzij dat andere Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 9 beslissingen zich opdringen - dan kan beroep worden gedaan op de eerste rechter, die de dwangsom heeft beslist, en die haar rechtsmacht nog niet heeft uitgeput. Op dit ogenblik moet de beroepen beslissing echter eenvoudig worden bevestigd.
- Tot slot vordert moeder dat ten behoeve van V. een vertrouwenspersoon wordt aangesteld. Overeenkomstig art. 1004/1 §5/1 Ger. W. heeft de minderjarige die wordt gehoord door de familierechter het recht om te worden bijgestaan door een meerderjarige vertrouwenspersoon van zijn of haar keuze. Het hof heeft de minderjarige gehoord op 17 september
- Daarbij was geen vertrouwenspersoon aanwezig en evenmin heeft V. de vraag gesteld om een vertrouwenspersoon aanwezig te laten zijn. Art. 1004/1 §5/1 Ger. W. biedt niet aan een partij de mogelijkheid om de familierechter te vragen een vertrouwenspersoon aan te stellen voor een minderjarige, en evenmin aan de familierechter de mogelijkheid om zulks te doen. Dit is een recht dat de minderjarige zelf heeft, om zich indien gewenst te laten bijstaan door een zelf gekozen vertrouwenspersoon, waarbij uit niets blijkt dat de minderjarige dit recht zou hebben willen uitoefenen, en waarbij dat evenmin aan de minderjarige is ontzegd geweest.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het beroepen vonnis integraal moet worden bevestigd.
- De eerste rechter heeft nog geen einduitspraak gedaan en de kosten van de rechtspleging in eerste aanleg aangehouden. In graad van beroep zijn de vorderingen die werden gesteld door zowel vader als moeder afgewezen geweest. In die omstandigheden worden de kosten van de rechtspleging in beroep bij helften verdeeld, zoals hierna begroot, en worden de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Hof van beroep Gent – 2024/FA/360 – p. 10 verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; verklaart het incidenteel beroep niet ontvankelijk en wijst het af; bevestigt integraal het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Dendermonde, kamer D33, van 25 april 2024; Veroordeelt I. D. V. en J. R. tot de gedingkosten in hoger beroep, te begroten op:
(1)het reeds in rekening gebrachte en door de griffie geïnde bedrag van 24,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (BS 31 maart 2017),
(2)400,00 euro (elk partij 200,00 euro) rolrecht in hoger beroep voor de Belgische Staat, FOD Financiën met toepassing van artikel 269
(1)en
(2)W. Reg. Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen om. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 18 maart tweeduizend vijfentwintig. PDF document ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250318.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div