← België

Optima - wraking

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250320.1 Rolnummer: 2025/AR/338 Zaak: Optima - wraking Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-03-20 Raadplegingen: 741 - laatst gezien 2026-06-18 22:10 Fiche 1 Thesaurus CAS: WRAKING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Wraking (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Zaak Optima - wraking Fiche 2 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld Tekst van de beslissing Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 1 2025/AR/338 - In de zaak van: P.J., RRN …, wonende te 9831 DEURLE, …, verzoeker, in een procedure wraking van A. VM, ondervoorzitter bij de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (artikel 828 e.v. Ger. W), hebbende als raadsman mr. X en mr. Y, beide advocaat te 9000 GENT, …, en met als partijen in de zaak ten gronde, ter kennis gebracht van het verzoek tot wraking: V.F., wonende te 9940 EVERGEM, …, hebbende als raadslieden mr. … die is verschenen, V.J., wonende te 8860 LENDELEDE, …, hebbende als raadsman mr. .., die is verschenen, DP J., wonende te 2000 ANTWERPEN, …, hebbende als raadslieden … die is verschenen, D.K., wonende te 9000 GENT, …, hebbende als raadsman mr. … die is verschenen, VDB L., wonende te 9320 AALST, …, hebbende als raadsman mr. … die is verschenen, V.G., Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 2 wonende te 9810 NAZARETH, …, hebbende als raadsman mr. … die is verschenen, S.J., wonende te 1755 GOOIK, …, hebbende als raadslieden … die is verschenen, DH P., wonende te 9000 GENT, …, hebbende als raadslieden … die is verschenen, B.T., in de hoedanigheid van lasthebber ad hoc voor S.I. NV, met zetel te 1050 ELSENE, …, die is verschenen, P.B., L.M., VB C., V.M., K.L., O.M., V.P., V.L., V.I., V.D., J.C., H.M., W.J. BV, ON …., M.D., A.A., A.I., D.F., D.K.A. VZW, ON 0442…., L. Ht, S.H., V.P., T.K., Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 3 T.S., T.C., T.K2., M.B., D.C., FFBJ VZW, ON 0419…., GEMEENTE A., ON 0207…., GEMEENTE BO…, ON 0207…, R. OCMW, ON 0212…., M. VZW, ON 0429…., NW D. CVBA, ON 0879…., Z. OCMW, ON

  1. P. NV, ON 0875.090.844, STAD R., ON 0207., VL.E. CVBA, ON 0448., LE MUSEE G. VZW, ON 0410…., EZH NV, ON 0405…, R. OCMW, ON 0212…., DR. E. V. BV, ON 0472., allen hebbende als raadslieden … die zijn verschenen, G.M., D.G., DM H., allen in hun hoedanigheid van curator over het faillissement OB NV, hebbende als raadsman mr. … die zijn verschenen, VDM I., in de hoedanigheid van curator over het faillissement YES, ON 0438…., hebbende als raadsman mr. … die is verschenen, wijst het hof het volgend arrest: J.P. heeft op 25 februari 2025 ter griffie van de rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, een verzoekschrift tot wraking neergelegd, gericht tegen ondervoorzitter Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 4 A.VM, in het kader van een dossier, hangende voor de eenendertigste correctionele kamer (G31), gekend onder rolnummer 16G037…, met notitienummer GE71……/
  2. De redenen waarop dit verzoek gesteund is kunnen volgens de termen van het verzoekschrift als volgt worden samengevat: J.P. is eerste beklaagde in de zaak gekend onder rolnummer 16G037…, met notitienummer GE71…../2016
  3. In deze zaak werd een gerechtelijk onderzoek gevorderd bij vordering d.d. 7 juni
  4. Onderzoeksrechter A.S. trad sedert 8 juni 2016 loco onderzoeksrechter P.C. op. Bij verzoekschrift d.d. 5 februari 2021 vorderde J.P. de wraking van onderzoeksrechter A.S., die op dat tijdstip gedurende 4 jaar, 7 maanden en 28 dagen het gerechtelijk onderzoek had moeten leiden (art. 55 en 56 Sv). Deze kamer van dit hof van beroep overwoog in haar arrest d.d. 25 februari 2021 het volgende: “De combinatie van beide passages wekken een schijn van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid.” En: “De daarop volgende zinnen zijn echter zo affirmatief en zonder enig voorbehoud geformuleerd, met dan bijkomend in de finale passage, de verwijzing naar de gepleegde feiten dat er ernstige vragen kunnen worden gesteld bij de onpartijdigheid van A.S., minstens heeft zij de schijn hierdoor tegen zich.” En: “Door in de laatste zin evenwel in het kader van een gerechtelijk onderzoek te zeggen dat er sprake is van een verdoken vergoedingen en niet van aanwijzingen of vermoedens daartoe en dat in combinatie met de slotpassage waar sprake is van gepleegde feiten heeft A.S. minstens de schijn gewekt het onderzoek niet onbevangen te voeren.” En: “De combinatie van de gepleegde feiten in de slotpassage en het zonder voorbehoud vermelden dat geldstromen werden afgewend en het vermogen werd afgeschermd, wekt de schijn dat A.S. ervan uitgaat dat de afwending en afscherming en dus ook het misbruik van vennootschapsgoederen door de inverdenkinggestelden bewezen zijn.” En: “De vermelding dat het onderzoek à décharge gebeurt staat in contrast met wat verder werd gezegd en doet twijfelen aan het onpartijdig en onbevooroordeeld optreden van A.S..” Navolgend besliste het arrest: Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 5 “Beveelt overeenkomstig artikel 841 Ger.W aan de gewraakte rechter, A.S., onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost)Vlaanderen, afdeling Gent, zich te onthouden van de zaak bij haar gekend onder dossiernummer …/2016 en notitienummer GE. 71…../16.” Het gerechtelijk onderzoek werd dus gedurende 4 jaren, 7 maanden en 28 dagen geleid door een onderzoeksrechter die niet onafhankelijk noch onpartijdig was. A.S. is een collega van de rechters van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Iedere rechter wordt geacht onafhankelijk en onpartijdig te zijn. In het licht van voormelde feitelijke vaststellingen die zich ingevolge het arrest d.d. 25 februari 2021, met gezag en kracht van gewijsde (na afwijzing van het cassatieberoep van het openbaar ministerie bij arrest van Hof van Cassatie d.d. 27 april 2021) opdringen, lijkt het - aldus J.P. - toch te verantwoorden dat hij zou beschikken over alle gegevens om te kunnen nagaan of zijn rechters ten gronde de rechters zijn die bij wet zijn aangesteld om over zijn zaak te oordelen, niet in het minst omdat die rechters, collega's van A.S., zich nog zullen moeten uitspreken over de bewijswaardering (art. 235bis§5 Sv) in het licht van voormeld arrest van wraking van A.S.. J.P. kan echter niet te weten komen of de zetelende ondervoorzitter A.VM in zijn zaak met notitienummer GE71.97..../2016 en rolnummer 16G03...., thans hangende voor de G31 kamer, een rechter is die kan zetelen volgens de dienstregeling geldend op de dag van de toewijzing van de zaak aan de G31 kamer, namelijk de dienstregeling 2024-
  5. Die onmogelijkheid om dit te weten te komen zal ofwel blijven bestaan tot en met de beoordeling van de grond van de zaak, zodat de zaak alsdan zal worden behandeld door een rechter waarvan J.P. niet kan controleren of het een rechter was die voorzienbaar was volgens de dienstregeling zoals supra vermeld, ofwel tot er zal over worden beslist “in een latere fase van de rechtspleging in huidige aanleg te wijzen vonnis één of meerdere van deze middelen alsnog in te willigen, zodat - tot aan dit vonnis - de rechten van partijen in geen geval op onherroepelijke wijze kunnen zijn geschaad.” Om deze feitelijke vaststellingen te bewijzen verwijst J.P. naar het volgende: - Op 20 november 2024 vroeg zijn raadsman aan de griffier mededeling van de dienstregeling (art. 316 Ger.W.) omdat die dienstregeling niet kon worden teruggevonden op openbare plaatsen voor J.P. toegankelijk (zijn stuk 1, gevoegd aan het wrakingsverzoek). - Op 22 november 2024 antwoordde de afdelingsgriffier P.D. dat in overleg met de afdelingsvoorzitter werd medegedeeld dat de samenstelling van de zetel van de Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 6 kamers niet publiek wordt medegedeeld (zijn stuk 2, gevoegd aan het wrakingsverzoek). - Op 25 november 2024 vroeg zijn raadsman de afdelingsgriffier om te bevestigen dat het ingenomen standpunt gedekt was door de voorzitter en de afdelingsvoorzitter van de rechtbank (zijn stuk 3, gevoegd aan het wrakingsverzoek). - De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen deelde in een e- mail d.d. 25 november 2024 mee dat artikel 316 Ger.W. geen publiciteit voorziet (zijn stuk 4, gevoegd aan het wrakingsverzoek). - Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 20 februari 2025 (zijn stuk 5, gevoegd aan het wrakingsverzoek). Het verzoek tot wraking van J.P. is gesteund op de gewettigde verdenking (art. 828, 1° Ger.W.). Indien de rechtbank werkt met een geheime dienstregeling, zonder objectieve en controleerbare criteria voor de samenstelling van de kamers, kan dit - aldus J.P. - een objectieve gerechtvaardigde vrees en schijn van willekeur of beïnvloeding oproepen. In democratische rechtstaten is het cruciaal dat de wijze van samenstelling van een rechterlijke kamer niet de indruk wekt van manipulatie. Als de dienstregeling niet publiek bekend is en niet kan worden gecontroleerd door partijen, ontstaat er ruimte voor de vrees dat bepaalde rechters op basis van ongeoorloofde motieven aan een zaak zijn toegewezen. Een rechtbank die werkt met een niet-transparante dienstregeling en waarvan de voorzitter van die rechtbank weigert die over te leggen, handelt in strijd met de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van art. 6 EVRM. Deze vereisten overeenkomstig art. 6.1 EVRM, art. 14.1 IVBPR en art. 47 van het Handvest, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, houden onder meer in dat: i. de wijze waarop rechters worden toegewezen aan zaken transparant en objectief moet zijn; ii. er geen redelijke twijfel mag bestaan over de onafhankelijkheid van de rechterlijke samenstelling. Het EHRM heeft in meerdere arresten benadrukt dat de samenstelling van de rechtbank niet mag worden overgelaten aan ondoorzichtige of manipulatieve processen (zie onder meer EHRM Sokurenko en Strygun t. Oekraïne, 11 december 2006, § 24). Rechtzoekenden hebben het recht om te weten of de rechter die over hun zaak oordeelt volgens een objectief en vooraf bepaald systeem is aangewezen. De voorzitter van de Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 7 rechtbank die weigert de dienstregeling te overleggen, belemmert dit recht en wekt de indruk dat er iets te verbergen valt. Samengevat hekelt J.P. in zijn verzoekschrift tot wraking dus het gegeven dat hij niet kan beschikken over alle gegevens om te kunnen nagaan of zijn rechters ten gronde de rechters zijn die bij wet zijn aangesteld om over zijn zaak te oordelen, meer bepaald omdat hij niet beschikt over de dienstregeling 2024-
  6. Volgens hem handelt een rechtbank die werkt met een niet-transparante dienstregeling en waarvan de voorzitter van die rechtbank weigert om ze over te leggen, in strijd met de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van art. 6 EVRM. J.P. vordert zijn wrakingsverzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren en aan ondervoorzitter A.VM te bevelen dat hij zich zal onthouden van de zaak gekend onder rolnummer 16G03...., met notitienummer GE71.97..../2016, hangende bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, G31 kamer. In zijn conclusie, neergelegd ter terechtzitting d.d. 13 maart 2025, citeert hij (uitvoerig) het arrest van het Hof van Justitie d.d.14 november 2024 (nr. C-197/23 S. S.A./C. sp. z.o.o.) en vraagt hij ondergeschikt om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “moeten artikel 19, lid1, tweede alinea VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling (zoals uitgelegd door het nationale Hof van Cassatie) die het voor een procespartij onmogelijk maakt om na te gaan of de gedane toewijzing van een zaak en de samenstelling van de rechtbank niet in strijd was met de nationale wetten/reglementen inzake de toewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties?” Het verzoek tot wraking werd ter kennis gebracht van ondervoorzitter A.VM, die op 26 februari 2025 een verklaring heeft opgesteld overeenkomstig artikel 836 Ger.W., waarin hij weigert zich van de zaak te onthouden. Het verzoek tot wraking en het antwoord van ondervoorzitter A.VM werden op 26 februari 2025 overgemaakt aan het ambt van de procureur-generaal te Gent, die in toepassing van art. 838,2 alinea 2 Ger.W. op 3 maart 2025 een conclusie heeft neergelegd. Het Openbaar Ministerie besluit daarin tot afwijzing van het verzoek tot wraking als onontvankelijk, minstens ongegrond. De zaak werd opgeroepen op de zitting van 13 maart
  7. Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 8 J.P. is ter terechtzitting niet verschenen. Zijn raadsman, mr. Hans Rieder, het Openbaar Ministerie en de overige aanwezige partijen werden gehoord, en de conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. Beoordeling
  8. De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek 1.
  9. Ook de andere partijen (en desgevallend hun raadslieden) in de zaak gekend onder rolnummer 16G03...., met notitienummer GE71.97..../2016 werden per brief d.d. 4 en 5 maart 2025 regelmatig opgeroepen met het oog op de tegensprekelijkheid van de wrakingsprocedure. 1.
  10. Art. 833 Ger.W. bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen, dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan, en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven. Hoewel art. 833 Ger.W. geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept (zie Cass. 21 mei 2024, P.24.0608.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4, Cass. 18 juni 2020, C.20.0222.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.27; Cass. 15 januari 2019, P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6; Cass. 19 januari 2016, P.15.1371.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.1; Cass. 14 juni 2016, P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4; Cass. 29 september 2015, P.15.0881.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.5). Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die voldoende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aangevoerde feiten te leveren. De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra die grond haar was gekend (zie Cass. 21 mei 2024, P.24.0608.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6). Een wraking kan echter maar worden voorgedragen wanneer er zekerheid bestaat over het gegeven welke rechter effectief zal zetelen (zie eveneens Cass. 21 mei 2024, P.24.0608.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4). Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 9 De raadsman van J.P. heeft op 20 november 2024 op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Gent, al inzage gevraagd van ‘de dienstregeling inhoudende de samenstelling van de kamers’ (zie zijn stuk 1, gevoegd bij het wrakingsverzoek). Op dat ogenblik was de samenstelling van de kamer door hem nog niet gekend. J.P. wist op 20 november 2024 inderdaad nog niet wie er zou zetelen op 20 februari 2025, wanneer zijn zaak zou worden ingeleid. Hij kon zijn wrakingsverzoek toen (in november 2024) dus nog niet neerleggen. De zaak werd opgeroepen voor inleiding op (donderdag) 20 februari
  11. Pas bij de inleiding kende J.P. de samenstelling van de zetel en wist hij tot wie hij zijn wrakingsverzoek diende te richten. Zijn verzoekschrift tot wraking, neergelegd op (dinsdag) 25 februari 2025, is tijdig neergelegd. 1.
  12. J.P. zet uiteen waarom hij ondervoorzitter A.VM wraakt, waarom er sprake zou zijn van wettige verdenking in de zin van art. 828, 1° Ger.W. van voormelde rechter. Meer bepaald licht hij toe dat hij door de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen wordt verhinderd te controleren of voormelde rechter de onafhankelijke en onpartijdige rechter is voorzien bij art. 6.1 EVRM, art. 14 IVBPR en art. 47 van het Handvest (zie randnr. 14 van zijn besluiten). J.P. voert dus - anders dan het openbaar ministerie voorhoudt - wél een reden tot wraking van de betrokken rechter aan. Dat hij (ook) verwijst naar de weigering van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen en van de afdelingsvoorzitter (om de dienstregeling mee te delen) doet hieraan uiteraard geen afbreuk. Gewettigde verdenking in de zin van art. 828, 1°, Ger.W. vereist immers niet dat de geviseerde rechter zelf verantwoordelijk is voor de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking (zie Cass. 19 september 2023, AR P.23.1145). De vraag of de reden die J.P. aanvoert ter staving van zijn wrakingsverzoek gegrond is, raakt de grond van de zaak. Het verzoek is ontvankelijk.
  13. De gegrondheid van het wrakingsverzoek 2.
  14. Uit het dossier en de neergelegde stukken blijkt het volgende: - Op 20 november 2024 begaf de raadsman van J.P. zich naar de correctionele griffie om het dossier GE71.97..../2016 in te kijken. Bij navolgend nazicht online kon ze wel het Bijzonder Reglement van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen terugvinden doch niet ‘de dienstregeling inhoudende de samenstelling van de kamers’ (art. 316 Ger.W.). Ze vroeg dit ter griffie, doch dit document was niet beschikbaar voor fysieke raadpleging. Per mail d.d. 20 november 2024 vroeg ze de griffie om de actuele dienstregeling per mail op te sturen. Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 10 - De afdelingsgriffier-griffier hoofd van dienst sectie correctionele rechtbank antwoordde op 22 november 2024, na overleg met de afdelingsvoorzitter, dat er overeenkomstig art. 88 en 316 Ger.W. geen publieke kennisgeving dient te zijn van de samenstelling van de zetel van de kamers. - De raadsman van J.P. beantwoordde deze mail op 25 november 2024 als volgt: “Wij begrijpen uit uw e-mail dat onze vraag tot inzage van de huidige dienstregeling (art. 316 Ger.W.) wordt geweigerd. Wij gaan er van uit dat uw antwoord gedekt is door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, alsook de afdelingsvoorzitter van de afdeling Gent, naar wie we onderhavige e-mail eveneens versturen.” - P.M., voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, antwoordde op 25 november 2024 als volgt: “Artikel 316 Ger.W. voorziet niet in enige vorm van publiciteit.” - De zaak met rolnummer 16G03...., met notitienummer GE71.97..../2016 werd voor inleiding opgeroepen op de openbare terechtzitting van 20 februari 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, G31 kamer, drie rechters, voorgezeten door ondervoorzitter A.VM, met als bijzitters rechter J.W. en rechter J.vdb. - De rechtbank merkte op dat de Belgische Staat als burgerlijke partij laattijdig werd gedagvaard. Het openbaar ministerie kreeg de mogelijkheid om deze burgerlijke partij tijdig te dagvaarden tegen de volgende terechtzitting. In het proces-verbaal van de terechtzitting leest het hof: “De rechtbank stelt de partijen in kennis van het feit dat zij de zaak op heden ambtshalve zal uitstellen, om haar toe te laten het omvangrijke dossier in zijn geheel voor te bereiden. De zaak zal derhalve in dezelfde staat in voortzetting worden gesteld op een volgende terechtzitting ter “herinleiding”.” - Mr. Y vroeg daarop het woord voor J.P. en stelde dat de rechtbank niet beschikte over alle stukken. Ze legde een conclusie en stukken neer en lichtte deze toe. Ze vroeg de rechtbank om standpunt in te nemen inzake haar verzoek zoals uiteengezet ter zitting en in haar conclusie, dit alvorens recht te doen. In haar conclusie vroeg ze: - in hoofdorde: in toepassing van artikel 877 Ger.W., aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen en aan de afdelingsgriffier-griffier- hoofd van dienst Patsy (Patricia) Deprez de overlegging te bevelen van een eensluidend verklaard afschrift van de dienstregeling 2024-25 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent; Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 11 - in ondergeschikte orde: de verdere behandeling van de zaak op te schorten tot wanneer de dienstregeling van de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, publiek beschikbaar is ter griffie. - De overige partijen werden hieromtrent gehoord. Substituut-procureur des Konings O. R. verzette zich tegen het verzoek van mr. Y. In het proces-verbaal leest het hof: “Hij [Substituut-procureur des Konings O. R.] stelt dat de partijen gedagvaard werden voor de juiste en bevoegde kamer conform het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Hij verwijst naar de arresten van het Hof van Cassatie van 10 december 2024 en 12 december 2023 en vraagt de rechtbank om haar beslissing inzake het verzoek van meester Y te motiveren en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren cfr. art. 203, §3 Sv.” En: “Meester Y verwijst naar pagina 21 van het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, (vanaf 1 november 2024) de dato 2 oktober 2024, in het bijzonder art. I.14 en pagina 17 van datzelfde reglement.” - De rechtbank heeft de zitting vervolgens geschorst om zich te beraden. Na een kort beraad besliste de rechtbank als volgt: “Het oordeel omtrent alle ter terechtzitting van heden en in de heden ter terechtzitting neergelegde conclusie voor eerste beklaagde opgeworpen voorafgaandelijke middelen wordt bij de grond van de zaak gevoegd. De huidige beslissing betreft bijgevolg een loutere maatregel van inwendige orde. Zij houdt geen oordeel in omtrent enig voormeld middel. Niets belet de rechtbank in een, in een latere fase van de rechtspleging in huidige aanleg te wijzen vonnis één of meerdere van deze middelen alsnog in te willigen, zodat - tot aan dit vonnis - de rechten van partijen in geen geval op onherroepelijke wijze kunnen zijn geschaad.” - De zaak werd vervolgens in voortzetting gesteld op de bijzondere openbare terechtzitting van voornoemde kamer van woensdag 26 maart 2025 om 9 uur. - Art. I.7 van het Bijzonder Reglement voor de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent (vanaf 1 november 2024) luidt o.m. als volgt: “Paragraaf 5 – de eenendertigste correctionele kamer – fiscaal strafrecht (G31) De eenendertigste correctionele kamer zetelt zowel collegiaal als alleen. De eenendertigste correctionele kamer neemt kennis van de misdrijven behorend tot het fiscaal en het economisch-financieel strafrecht. De eenendertigste correctionele kamer zetelt, ook wat betreft de inleiding van de nieuwe zaken: - fiscaal strafrecht: o met één rechter de derde vrijdag om 09.00 uur, o collegiaal de derde vrijdag om 14.00 uur en enkel na beschikking van de Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 12 afdelingsvoorzitter - economisch – financieel strafrecht: o met één rechter de eerste en de derde donderdag om 09.00 uur, o collegiaal de derde donderdag om 14.00 uur en enkel na beschikking van de afdelingsvoorzitter.” En: “Paragraaf 10 – algemene bepaling - De strafzaken worden toebedeeld conform het voormelde reglement tenzij de afdelingsvoorzitter anders bepaalt in functie van de behoeften van de dienst of de goede rechtsbedeling. - De voormelde toebedeling belet niet dat de strafkamers, naast de hen uitdrukkelijk toebedeelde materies, een volheid van bevoegdheid hebben.” Artikel ‘I.14-dienstregeling’ luidt als volgt: “De afdelingsvoorzitter stelt de dienstregeling op van de afdeling. Deze dienstregeling zal worden aangepast telkens als de behoeften van de dienst of de goede rechtsbedeling zulks vereisen. De voorzitters van de kamers kunnen beslissen tot het houden van buitengewone terechtzittingen waarvan dag en uur worden bepaald in overleg met de afdelingsvoorzitter. De beschikkingen in toepassing van artikelen 80 en 89 Ger.W. of op grond van dit reglement, genomen door de afdelingsvoorzitter worden ter griffie aangeplakt en ter kennis gebracht van de eerste voorzitter van het hof van Beroep te Gent, de voorzitter van de rechtbank van Oost-Vlaanderen en de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen en desgevallend aan de eerste voorzitter van het arbeidshof te Gent, de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Gent en de arbeidsauditeur van Oost-Vlaanderen in de materies die hun aanbelangen.” - Ondervoorzitter A.VM verklaarde geen weet te hebben van enige omstandigheid die hem zou verhinderen om onafhankelijk en onpartijdig kennis te nemen van de zaak. 2.
  15. Met het oog op de vrijwaring van de rechten van partijen heeft iedere partij, die in een geding betrokken is, recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Wanneer een partij meent dat één of meerdere van de in artikel 828 Ger.W. opgesomde gronden aanwezig zijn, kan hij/zij de rechter, die van de zaak kennis moet nemen, wraken. Wanneer een vordering tot wraking ter griffie is neergelegd, kan de betrokken magistraat beslissen zich van de zaak te onthouden, zo niet wordt de zaak voorgelegd aan de bevoegde rechtsmacht, die dient te oordelen over de gegrondheid van het verzoek tot wraking. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen (zie Cass. AR P.17.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8, 28 maart 2017; Cass. AR P.12.0730.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5, 8 mei 2012). De onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel; het louter subjectieve gevoel van een van de partijen volstaat niet om het vermoeden te Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 13 weerleggen; de weerlegging ervan vereist het bestaan van controleerbare feiten op grond waarvan de vermoedens die een partij zegt te hebben, als redelijk verantwoord kunnen worden beschouwd (art. 828, 1e lid, Ger.W.) (zie Cass. 29 november 2023, P.23.1483.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8.). De wettige verdenking in de zin van art. 828, lid 1, 1° Ger.W. veronderstelt dat de rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of bij de openbare opinie gewettigde twijfel wekt aangaande zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen (zie Cass. 20 juni 2013, Arr. Cass. 2016, nr. 384; Cass. 9 december 2014, P.14.1809.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.4). Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan de onpartijdigheid van een rechter, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die hij op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief is gerechtvaardigd (zie Cass. AR P.17.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8, 28 maart 2017; Cass. AR P.12.0730.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5, 8 mei 2012; Cass. AR P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1, 13 maart 2012). Partijdigheid kent twee verschijningsvormen: objectief of structureel enerzijds, subjectief anderzijds. Objectieve (on)partijdigheid betreft de vraag naar het bestaan van hiërarchische of andere linken tussen de rechter en andere partijen waardoor aan de onpartijdigheid van de rechter mag getwijfeld worden (zie EHRM [GK] 15 oktober 2009, Micallef t. Malta, § 97). De vereiste van subjectieve onpartijdigheid houdt in dat een rechter zich niet persoonlijk vooringenomen mag tonen of een persoonlijk belang mag hebben bij de afhandeling van een zaak; dit laatste wordt, zoals gezegd, geacht zo te zijn tot bewijs van het tegendeel (zie ook EHRM 1 oktober 1982, Piersack t. België, nr. 10486/83, § 30). De onpartijdigheid van de magistraat, die wordt gedefinieerd door de ontstentenis van vooroordeel of van vooringenomenheid, moet inderdaad op twee manieren worden beoordeeld. De subjectieve benadering houdt rekening met de persoonlijke overtuiging en het gedrag van de rechter, dit wil zeggen met de vraag of deze blijk heeft gegeven van persoonlijke vooringenomenheid of vooroordeel in de zaak. De objectieve benadering leidt ertoe te onderzoeken of de rechtbank, met name via haar samenstelling, voldoende waarborgen biedt om elke gewettigde twijfel over haar onpartijdigheid uit te sluiten (vgl. Cass., 20 april 2009, AR D.09.0001.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.1 en Cass. 2 juni 2008, AR C.08.0215.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080602.1). 2.
  16. J.P. hekelt dat hij door een beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen verhinderd wordt om te controleren of de gewraakte rechter wel de onafhankelijke en onpartijdige rechter is, voorzien bij art. 6.1 EVRM, art. 14 IVBPR en art. 47 van het Handvest (zie randnr. 14 van zijn besluiten), omdat hij niet te weten kan komen of de zetelende ondervoorzitter A.VM in zijn zaak met notitienummer GE71.97..../2016 en rolnummer 16G03...., thans hangende voor de G31 kamer, een rechter is die kan zetelen Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 14 volgens de dienstregeling geldend op de dag van de toewijzing van de zaak aan de G31 kamer, namelijk de dienstregeling 2024-25 (zie zijn wrakingsverzoek). Zijn vrees dat ondervoorzitter A.VM niet onafhankelijk en onpartijdig kan zetelen in zijn dossier is echter geenszins objectief gerechtvaardigd. Nopens de voorafgaandelijke middelen die ter terechtzitting van 20 februari 2025 (en in de alsdan voor J.P. neergelegde conclusie) werden opgeworpen is immers nog geen uitspraak gedaan door de G31 kamer. De beslissing hieromtrent werd gevoegd bij de grond van de zaak. Het proces-verbaal van de terechtzitting stelt uitdrukkelijk dat die beslissing (om het oordeel over de voorafgaandelijke middelen te voegen bij de grond van de zaak) geen oordeel inhoudt omtrent enig voormeld middel (“Niets belet de rechtbank in een, in een latere fase van de rechtspleging in huidige aanleg te wijzen vonnis één of meerdere van deze middelen alsnog in te willigen, zodat - tot aan dit vonnis - de rechten van partijen in geen geval op onherroepelijke wijze kunnen zijn geschaad.”). De rechter beslist soeverein of er aanleiding bestaat om eerst preliminaire middelen te onderzoeken en dienaangaande een tussenvonnis uit te spreken. De rechter die, met het oog op een optimale organisatie van de zittingen en een goede rechtsbedeling, beslist de zaak niet te splitsen en de preliminaire vorderingen niet eerst te beoordelen, getuigt niet van een houding die kan doen vrezen dat hij de zaak onderzoekt en berecht met schending van de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die zijn wraking wegens wettige verdenking rechtvaardigen (vgl. Brussel (17e k.), 27 november 2023, www.jura.be). Uit het gegeven dat de G31 kamer nog geen uitspraak heeft gedaan omtrent de voorafgaandelijke middelen (en uit de bewoordingen dienaangaande op het proces-verbaal van terechtzitting) blijkt verder zeer duidelijk dat de magistraten, waaronder ondervoorzitter A.VM, zich desbetreffend op geen enkele manier gebonden achten door de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, resp. de afdelingsvoorzitter (om de dienstregeling niet mee te delen), dus dat ze hun beslissing nopens de voorafgaandelijke middelen in volstrekte onafhankelijkheid zullen nemen. Het wrakingsverzoek is derhalve volstrekt ongegrond. Er bestaat verder niet de minste reden om de in conclusie voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen nu nog niets beslist werd nopens de preliminaire vorderingen van J.P. en uit niets blijkt dat de rechter zich bij zijn (latere) beslissing gebonden zal achten door de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, resp. de afdelingsvoorzitter. Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 15 De wrakingsprocedure wegens gewettigde verdenking kan niet worden gebruikt als een rechtsmiddel tegen een beslissing die een partij niet zint, alhier de beslissing om nog niets te beslissen nopens de preliminaire vorderingen (vgl. Cass. 13 september 2022, AR P.22.0907.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.19). 2.
  17. Ten overvloede voegt het hof hier nog het volgende aan toe: Art. 316 Ger.W. voorziet niet in enige vorm van publiciteit van de dienstregeling. Dat andere rechtbanken wél zouden voorzien in de publicatie van de dienstregeling (op hun website – zie bijvoorbeeld de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen) doet hieraan geen afbreuk. Waar J.P. beweert dat het Bijzonder Reglement zélf zou voorzien in de aanplakking ter griffie van de dienstregeling berust dit op een verkeerde lezing van het Bijzonder Reglement. De aanplakking ter griffie is slechts voorzien voor de beschikkingen in toepassing van art. 80 en 89 Ger.W. Uit de art. 88, § 1, tweede lid, art. 90 en art. 316 Ger.W. alsook uit het Bijzonder Reglement van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, volgt dat een aanpassing van de dienstregeling door de afdelingsvoorzitter ten andere steeds mogelijk is indien de behoeften van de dienst of de goede rechtsbedeling zulks vereisen, bijvoorbeeld wanneer een zieke collega of een collega die elders benoemd (of aangesteld) wordt moet worden vervangen. Het is m.a.w. niet omdat in de conform art. 316 Ger.W. opgestelde dienstregeling (‘gedurende acht dagen vóór de vakantie vernieuwd’) bepaalde magistraten aan een bepaalde kamer zijn toegewezen dat deze magistraten gedurende het hele daarop volgende gerechtelijk jaar met absolute zekerheid in de desbetreffende kamer zullen zetelen. Bij wijze van voorbeeld verwijst het hof naar de ‘dienstregeling gerechtelijk jaar 2024-2025 alle afdelingen’ van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen (gepubliceerd op www.tribunaux-rechtbanken.be). Deze dienstregeling werd opgemaakt door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen op 27 juni
  18. Het is perfect mogelijk dat één van de rechters die volgens die dienstregeling zou zetelen in een correctionele kamer in het najaar van 2024 benoemd wordt in een ander ambt waardoor hij/zij in die kamer moet worden vervangen. Het publiceren of aanplakken van de dienstregeling van eind juni 2024 geeft J.P. dus niet de minste zekerheid nopens de samenstelling van de kamer die zijn dossier zal behandelen. De dienstregeling geeft hiertoe hoogstens een indicatie. Het dossier van J.P. werd op de zitting van 20 februari 2025 slechts opgeroepen voor inleiding. Er is nog geen pleitdatum gekend. Dat ondervoorzitter A.VM alsdan nog zal zetelen Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 16 is dus geen absolute zekerheid. Mogelijks zullen de behoeften van de dienst ertoe nopen dat hij alsnog aan een andere kamer wordt toegewezen of zal hij moeten worden vervangen (omdat hij - bijvoorbeeld - benoemd is in een ander ambt). De ‘dienstregeling geldend op de dag van de toewijzing van de zaak aan de G31 kamer, namelijk de dienstregeling 2024-25’ waarvan J.P. de voorlegging beoogt zal dus mogelijks achterhaald zijn op het ogenblik dat zijn dossier ten gronde behandeld wordt. Het dossier werd conform art. I.7 van het Bijzonder Reglement voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (vanaf 1 november 2024) correct toebedeeld aan de voor die materie bevoegde correctionele kamer. Ondervoorzitter A.VM verklaarde daarenboven geen weet te hebben van enige reden tot wraking tegen hem (zie art. 831 Ger.W.) dan wel van enige omstandigheid die hem zou verhinderen om onafhankelijk en onpartijdig kennis te nemen van de zaak. Hij verklaarde geen reden te hebben om aan te nemen dat deze toewijzing zou zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling. Ook het hof oordeelt dat uit niets blijkt dat de toewijzing van de zaak van J.P. aan de G31 kamer, samengesteld uit ondervoorzitter A.VM, rechter J.W. en rechter J.vdb, zou zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling. Dat J.P. (nog) niet beschikt over de dienstregeling teneinde na te gaan of ondervoorzitter A.VM aan de G31 kamer is toegewezen houdt dan ook (ten overvloede) geen schending in van enig recht in hoofde van J.P.. Het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter en de daaruit afgeleide vereiste van het voorhanden zijn van objectieve en transparante criteria voor de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer van een rechtscollege en voor de zetelsamenstelling van die kamer, houdt immers niet in dat die toewijzing en die zetelsamenstelling steeds vooraf, schriftelijk en onveranderlijk moeten zijn vastgelegd. Een behoorlijke rechtsbedeling vereist dat een korpschef van een rechtscollege binnen het bestaande wettelijke en reglementaire kader de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer en de zetelsamenstelling vastlegt of wijzigt rekening houdend met onder meer de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie, hun werklast of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen waarbij onvoorzienbare omstandigheden de korpschef kunnen verplichten onverwijld op te treden zonder dat dergelijke beslissingen noodzakelijk een schriftelijke neerslag vereisen Er zal slechts gewettigde twijfel zijn over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechters die zijn aangewezen om van een bepaalde zaak kennis te nemen en dus grond tot gewettigde verdenking in de zin van art. 828, 1°, Ger.W., indien blijkt dat de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die toewijzing en zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling. De rechter aan wie dit ter beoordeling wordt voorgelegd, oordeelt onaantastbaar of de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 17 toewijzing of de zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling (zie Cass. 12 december 2023, AR P.23.1513). J.P. citeert uitvoerig uit het arrest van het Hof van Justitie d.d. 14 november 2024 (C- 197/24). Het Hof oordeelde in voormeld arrest echter slechts dat art. 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van art. 2 VEU en art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die het voor de rechter in tweede aanleg onder alle omstandigheden onmogelijk maakt om na te gaan of de gedane hertoewijzing van een zaak aan de rechtsprekende formatie die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld, niet in strijd was met de nationale regels inzake de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties. Het hof leest in het arrest d.d. 14 november 2024 immers: “25 Na verschillende onderzoeksmaatregelen te hebben genomen en verificatiewerkzaamheden te hebben uitgevoerd om de rechtmatigheid van de procedure voor de rechter in eerste aanleg te toetsen, is de verwijzende rechter tot het oordeel gekomen dat de vervanging van rechter E. T. door rechter J. K. plaats heeft gevonden in omstandigheden die in strijd waren met het in het nationale recht neergelegde beginsel van onveranderlijkheid van de samenstelling van de rechtsprekende formatie. De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat de reden voor de vervanging van rechter E. T. zich niet verdraagt met artikel 47b van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties. Hij wijst er ook op dat niet alle noodzakelijke formaliteiten voor die vervanging waren vervuld en verdenkt de rechter in eerste aanleg ervan bepaalde documenten te hebben gewijzigd in een poging om die onregelmatigheden achteraf te verhelpen. 25 De verwijzende rechter weet niet om welke reden die door hem onterecht bevonden vervanging plaats heeft gevonden en merkt op dat een dergelijke handelwijze kan leiden tot de overdracht van een relatief groot aantal zaken van de ene rechter naar de andere. 26 Hij wijst er ook op dat het „theoretisch” niet uitgesloten is dat in gevoelige zaken de samenstelling van een uit één rechter bestaande rechtsprekende formatie doelbewust wordt gewijzigd door het hanteren van een handelwijze waarbij de rechter aan wie de zaak aanvankelijk willekeurig was toegewezen, een zitting vastlegt op een datum waarop hij op zijn verzoek met verlof zal zijn, zodat zijn afwezigheid op de datum van de zitting kan worden gebruikt om hem te vervangen door de rechter die op die datum op het schema van vervangende of dienstdoende rechters staat en van wie de naam van tevoren bekend kan zijn. 27 Ten slotte verwijst de verwijzende rechter naar uitspraken van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) volgens welke de omstandigheid dat een rechterlijke formatie is samengesteld in strijd met de nationaalrechtelijke bepalingen inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing van rechtsprekende formaties en de wijziging van hun samenstelling, een grond kan vormen voor het toepassen van de in artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering neergelegde sanctie van nietigheid van de procedure. Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 18 28 Hij merkt evenwel op dat elke toetsing in hoger beroep op dit punt onmogelijk is sinds de invoering van artikel 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties.” En: “65 Verder is de mogelijkheid om te verifiëren of die waarborgen worden nageleefd noodzakelijk voor het vertrouwen van de rechtzoekenden in de rechterlijke instanties van een democratische samenleving. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de toetsing die ziet op de naleving van het vereiste dat elke rechterlijke instantie, gelet op haar samenstelling, een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is, een wezenlijk vormvoorschrift vormt waarvan de eerbiediging de openbare orde raakt [zie in die zin arresten van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C-341/06 P en C-342/06 P, EU:C:2008:375, punt 46, en 8 mei 2024, Asociația „Forumul Judecătorilor din România” (Verenigingen van magistraten), C-53/23, EU:C:2024:388, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Die toetsing moet bij de behandeling van een zaak ambtshalve worden verricht wanneer er op dit punt ernstige twijfel rijst (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie, C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punten 57 en 58). 66 Er kan immers geen sprake zijn van daadwerkelijke rechtsbescherming indien er, als er ernstige twijfel bestaat, geen rechterlijke toetsing - op verzoek van een partij of ambtshalve - mogelijk is of de regels op grond waarvan een rechterlijke instantie kan worden aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” wel zijn nageleefd, en geen mogelijke sancties kunnen volgen als dat niet het geval is. Anders zouden die regels kunnen worden geschonden zonder dat dit enig gevolg heeft. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het inherent is aan het begrip „rechtsstaat” dat er effectieve rechterlijke toetsing bestaat om de naleving van het recht te waarborgen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, Bank Refah Kargaran/Raad, C- 134/19 P, EU:C:2020:793, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 67 Bijgevolg volgt uit artikel 19, lid 2, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest, dat als een lidstaat voorziet in wettelijke bepalingen inzake de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en de hertoewijzing van zaken, de naleving van deze bepalingen moet kunnen worden getoetst door een rechter. 68 Het is derhalve onverenigbaar met de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dat een nationale wettelijke regeling het voor de rechter in tweede aanleg onmogelijk maakt om - teneinde vast te kunnen stellen of de rechtsprekende formatie die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld - na te gaan of de nationale regels die zien op de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties of op de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie zijn nageleefd, doordat die regeling er onder alle omstandigheden aan in de weg staat dat de rechter in tweede aanleg in een voorkomend geval de nietigheid van de procedure in eerste aanleg vaststelt wanneer deze procedure is afgesloten met een uitspraak die is gewezen door een rechtsprekende Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 19 formatie waaraan de zaak in strijd met die regels is hertoegewezen of waarvan de samenstelling in strijd met die regels is gewijzigd.” De aanleiding van het stellen van de prejudiciële vraag betrof dus het gegeven dat de verwijzende rechter (alhier de ‘rechter in tweede aanleg’ te Warschau) ondanks verschillende onderzoeksmaatregelen en verificatiewerkzaamheden niet kon nagaan om welke reden rechter E.T. vervangen werd door rechter J.K. Deze situatie is alhier geenszins aan de orde. Desgevallend zou dit hof perfect de dienstregeling kunnen opvragen, wat het hof echter niet nodig acht en in het kader van huidige wrakingsprocedure hoe dan ook niet aan de orde is. Deze toetsing komt de beroepsrechter (in de bodemzaak) toe. Het Hof van Justitie besloot dat de nationaalrechtelijke regel die het op algemene wijze onmogelijk maakt om een dergelijke toetsing te verrichten, namelijk art. 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, in strijd is met art. 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met art. 47 van het Handvest. Ook de advocaat-generaal had dit (in punt 84 van haar conclusie) opgemerkt en gesteld dat de verwijzende rechter deze regel buiten toepassing moest laten in het hoofdgeding (zie overweging 69 in fine van het arrest). Voormeld lid 4 luidt als volgt: “Een rechter kan uitspraak doen over alle zaken in zijn rechtsgebied alsmede in andere rechtsgebieden in de bij de wet omschreven gevallen (bevoegdheid van de rechter). De bepalingen betreffende de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties beperken de bevoegdheid van een rechter niet en kunnen niet worden aangevoerd om vast te stellen dat een rechtsprekende formatie in strijd is met de wet, dat een rechterlijke instantie niet op de juiste wijze is samengesteld of dat een persoon aan de beslissing heeft deelgenomen die daartoe niet gerechtigd of bevoegd was.” Het (Belgisch) Gerechtelijk Wetboek bevat gewoonweg geen dergelijke bepaling. Dat J.P. niet beschikt over de dienstregeling (waarvan de publicatie niet vereist is, noch door de wet noch door het Bijzonder Reglement, en die hoe dan ook kan worden aangepast ten behoeve van de dienst of de goede rechtsbedeling) houdt geen schending in van art. 19 lid 1 VEU, gelezen in het licht van art. 2 VEU en art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat ondervoorzitter A.VM niet voldoet aan de onpartijdigheidsvereiste en onafhankelijkheidsvereiste zoals bepaald in art. 6.1 EVRM, art. 14.1 IVBPR, de art. 2 en 19 van het VEU en art. 47 van het Handvest kan zodoende geenszins worden weerhouden.
  19. Vordering van het openbaar ministerie tot het opleggen van een geldboete Art. 838, lid 3 en 4 Ger.W. luiden als volgt: Hof van beroep Gent – 2025/AR/x– p. 20 “Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt wordt behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen. De geldboete bedraagt vijftien euro tot tweeduizend vijfhonderd euro. De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De Koning duidt het bestuursorgaan aan dat instaat voor de inning van de boete met aanwending van alle middelen van recht.” Gelet op de vraag van het openbaar ministerie en vermits blijkt dat het opleggen van een geldboete verantwoord zou kunnen zijn, bepaalt het hof een rechtsdag waarop deze vordering zal worden behandeld. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. Verklaart de vordering tot wraking van J.P. gericht tegen ondervoorzitter A.VM ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. Stelt de zaak voor wat betreft de vordering tot het opleggen van een geldboete op de zitting van donderdag 5 juni 2025 om 11.30 uur. Beveelt dat onderhavige beslissing binnen de achtenveertig uur na deze uitspraak door de griffier ter kennis wordt gebracht per gerechtsbrief overeenkomstig art. 828, lid 3 en in fine Ger.W. Houdt de beslissing met betrekking tot de kosten aan. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, (…) en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 20 MAART 2025, (…). PDF document ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250320.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080602.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.27 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.